De EU mag in vrijhandelsakkoord niet zwichten voor druk vanuit Washington. Dat schrijven Groen-leden Bart Staes (Europees Parlement), Freya Piryns (Senaat), Eva Brems (Kamer) en Bart Caron (Vlaams Parlement).
Stel je voor, je slaat de krant open en leest de koppen: ‘Amerikaanse chloorkippen overspoelen Belgische markt’, ‘Bedrijf sleept lokale overheid voor rechter wegens strenge milieu-eisen’, ‘Belgische filmindustrie doodgeknepen door Amerikaanse overmacht.’ Het zijn maar een paar krantenkoppen die ons te wachten staan als Europa in het vrijhandelsakkoord zwicht voor de Amerikaanse druk.
Vandaag beslist de Raad van Ministers - de Europese lidstaten dus - over het onderhandelingsmandaat dat eurocommissaris Karel De Gucht krijgt namens de Europese Commissie om met de Obama-administratie te onderhandelen over een eengemaakte markt. Wat grote zorgen baart is de onduidelijkheid waarover Brussel en Washington precies zullen onderhandelen. Wie onderhandelt er en hoe transparant gebeurt dit? Hoe groot is de inspraak van de lidstaten? En wat staat er voorop: de bescherming van de burger of vrije baan geven aan winstbejag? De eerste berichten die naar buiten sijpelen, voorspellen weinig goeds.
Peulschil
De hoerastemming van sommigen is misplaatst. Niet alleen is de vooropgestelde groeiverwachting (0,27 à 0,48%) een peulschil, de onderhandelingen stevenen af op een race to the bottom op vlak van consumenten-, werknemers- en milieubescherming. Eigen ondernemingen en industrieën dreigen bovendien te worden overspoeld door Amerikaanse mastodontindustrieën. Denk aan de gevolgen voor de cultuur- en audiovisuele sector. Zonder overheidssteun zouden films en series als The Broken Circle Breakdown of Hasta la vista! of Quiz me Quick amper nog gemaakt kunnen worden omdat de afzetmarkt te klein is. Terwijl de culturele industrie 4,5 procent van het bbp van de Europese Unie vertegenwoordigt en acht miljoen personen werk biedt. Dit mogen we niet te grabbel gooien.
Amerikaanse kwaliteitseisen liggen stukken lager dan de Europese. Op vlak van voedselveiligheid kan er veel meer dan bij ons. Gekloond vlees, groeihormonen en antibiotica in het vlees, chloorkippen,... de normen zijn er veel zwakker dan bij ons. Het voorzorgsbeginsel waarop onze wetgeving is gestoeld, is in de States een rekbaar begrip.
Werknemersbescherming
Ook op andere vlakken dreigt de bescherming van de burger te worden uitgehold. De VS en China zijn de enige landen die de basiswetten ter bescherming van de werknemer van de internationale arbeidsorganisatie (ILO) niet onderschrijven. Amerikaanse bedrijven die daardoor minder inspanningen moeten leveren, dreigen onze ‘eerlijkere’ producenten uit de markt te prijzen. De druk om de bescherming van de werknemer af te zwakken zal stijgen.
Zo zijn er veel voorbeelden. Gezondheid van omwonenden of consumenten en respect voor het leefmilieu zijn in de VS minder van tel. Sinds in 1986 de strijd om de wereldmarkt is ingezet, bepalen bedrijven in toenemende mate zelf welke voorschriften rond veiligheid voor mens en milieu ze er willen volgen. In Europa hebben we andere keuzes gemaakt. Op ons continent is het welzijn van de burger ook belangrijk en dat moet beschermd worden. Daarom roepen we commissaris De Gucht (Open Vld) op om de Amerikaanse druk te weerstaan, zodat onze burgers hier niet bekaaid vanaf komen. Onze Europese economie is groter dan de Amerikaanse. Waarom zouden we onze standaarden niet opleggen aan de VS in plaats van omgekeerd? Tenslotte worden zowel Amerikanen als Europeanen beter van volgende krantenkop: ‘Amerika verstrengt normen voedselveiligheid om Europa tegemoet te komen’.
Agendapunt 17: Vraag naar een positief advies omtrent het ‘plaatsen en gebruiken van vaste en voorlopig vaste (verplaatsbare) camera’s op niet-besloten plaatsen’.
Groen Kortrijk pleit voor een integraal veiligheidsbeleid. Een beleid dat politie en gerecht, preventiewerking, de gebiedswerking, alle stadsdiensten en burgers op één lijn brengt. Waarbij prioriteiten, bevoegdheden en verantwoordelijkheden samen worden afgebakend en de samenwerking (dialoog) sterk genoeg is om flexibel in te spelen op nieuwe noden.
Wij zijn dus gewonnen voor een Kortrijks integraal veiligheidsbeleid, dat kadert binnen de beleidsoptie ‘een veilige en propere stad’. En een tijdelijk zonegebonden cameraproject kan hierbij een betekenisvol beleidsinstrument zijn. De aanpak van de stationsomgeving bewijst dit.
We kunnen echter geen positief advies verlenen omtrent het voorgestelde cameraplan omdat:
- De plaatsing moet kaderen binnen het lokaal integraal veiligheidsbeleid waarvoor de lokale besturen verantwoordelijk zijn en binnen de filosofie van de gemeenschapsgerichte politiezorg. Het is lang wachten…op het lokaal integraal veiligheidsbeleid: waar blijven die krijtlijnen? En hoe wordt dan de link gemaakt met camera’s als één van de mogelijke, beperkt in tijd, te nemen pro-actieve opties?
- De invoering van het cameraplan wordt gemotiveerd als volgt: ‘een camerasysteem moet het mogelijk maken om pro-actief en preventief de patrouilles duidelijk gerichter te sturen om aldus snel en efficiënt het hoofd te kunnen bieden aan deze onverwachte, tijdelijke fenomenen en/of criminaliteitsvormen die door hun snelle verplaatsing over het grondgebied heen van meerdere gemeenten het onveiligheidsgevoel sterk aantasten’.
De grondige lezer moet hieruit begrijpen: pro-actieve werking door de lokale politie onder de vorm van preventief toezicht en controles alsook uitvoering van de zonale veiligheidsplannen hebben niet altijd de gewenste of het beoogde effect.
Verwachten we nu echt alle heil van de camera’s? Blijft de pro-actieve werking wel vooropstaan binnen het nieuwe veiligheidsbeleid? Is de pro-actieve werking bovendien geen èn-èn verhaal: zichtbaar en aanspreekbaar op straat, en tijdelijk ondersteunend beeldonderzoeksmateriaal waar nodig?
- Dit cameraplan goochelt met principes, doelstellingen, acties…allemaal dooreen opgesomd. Dit oogt weinig professioneel en wekt de indruk dat er maar wat bijeen geschreven werd. De pro-actieve werking verdwijnt in de opsomming alvast in het geheel. Men verwijst nochtans naar ‘professionele’ auteurs: de firma Optimit, het stuurcomité cameraproject met deelname van de 3 gemeenten uit de politiezone VLAS.
We kunnen ons vele vragen stellen.
Verplaatsingseffect: Er is geen eenduidig antwoord op de vraag of camera’s leiden tot een verschuiving van criminaliteit. Er zijn aanwijzingen dat bij eigendomsmisdrijven in een aantal gevallen geen of slechts een zeer geringe verplaatsing optreedt. Misdrijven tegen de persoon zouden zich daarentegen wel verplaatsen.
Verhogen veiligheidsgevoel? Ja en nee. Maar welk beeld geeft dat over onze stad? Het moet toch een zeer gevaarlijke stad zijn? En het debat van de “privacy”, ik word overal bekeken, vinden we dat zo fijn?
Efficiënt inzetten van de politie? Dat is juist. Zeker. Maar beelden van camera’s moeten bekeken en opgevolgd worden. Groen vraagt in Kortrijk vooral ‘meer blauw op straat’, meer fysieke aanwezigheid van agenten in het straatbeeld. De lijfelijke aanwezigheid van korpsen, zeker in risicobuurten, schrikt wangedrag toch nog veel beter af dan camera’s.
Opsporen? Een verhoogde graad van opheldering is een vaak gebruikt argument voor camera’s. Veel buitenlands onderzoek toont echter aan dat dit ook beperkingen kent. Een muts bijv. maakt de pleger onherkenbaar.
- In de opsomming van de technische vereisten staat niets over het tijdsperspectief bij de ‘voorlopig’ te plaatsen camera’s, niets over bijsturing…Dit lijkt ons nochtans een belangrijk gegeven: het subjectieve onveiligheidsgevoel verplaatst zich snel in verschillende zones. De studies baseren zich op 2011. Ons lijkt een permanente ondersteunende onderzoekscel van belang om daadwerkelijk vooruitgang te boeken.
We zouden voor camera’s kunnen zijn maar dan als onderdeel van en geïntegreerd veiligheidsplan. Maar zoals het cameraplan vandaag op tafel ligt kan het niet voor ons. We zouden voor een goed plan met buurtwerkers, preventie, opbouwwerk, en eventueel doordacht cameragebruik wel kunnen stemmen. De groene fractie zal zich onthouden.
Agendapunt 30/ Buda AGB
Van welke meerderheid dit initiatief ook komt, ik wil een opmerking maken over dit al te vaak bekritiseerde project. Dat de Budascoop en de Budatoren schitterend functioneren, zal niemand ontkennen, denk ik. Maar de Budafabriek staat nog in haar ontikkelingsfase. Cultuur, kunst, economie, het is geen dichte familie van elkaar, zodat de zoektocht naar kruisbestuivingen een tijdje moet duren. Ik vind de eerste maanden van de werking interessant en uitdagend. Het profiel is nog niet uitgeklaard, maar als Kortrijk buiten de eigen stadsmuren meer bekendheid en uitstraling wil verwerven, dan is dit project daar een goede hefboom voor. Waarom niet streven naar een erkenning als grote culturele instelling? Met het nieuwe Kunstendecreet in aantocht is gepaste ambitie op zijn plaats.
Nu ligt de jaarrekening voor. De stad geeft jaarlijks een dotatie van 265.000 euro. Daarmee wordt dit gebouwencomplex geëxploiteerd.
Is dat veel? Wel, de subsidie van de stad aan AGB Buda is veel kleiner is dan wat de stad aan een Ontmoetingscentrum (OC) besteedt. Soms wordt dit in een verkeerd daglicht gesteld. Voor de OC’s zijn de bedragen versnipperd en verspreid over het hele budget waardoor geen globaal bedrag in de begroting te zien is. Dit betekent niet dat de OC’s minder goed werk zouden leveren of dat die financiering onverantwoord zou zijn!
De uitbreiding van de werking van het AGB met de Budafabriek heeft niet geleid tot een verhoging van de dotatie en de aanpassing van het minimale personeelsploegje. Dat zal echter wel nodig zijn.
Immers, elke activiteit kost Buda AGB meer (aan personeel, verwarming enz.) dan het opbrengt (aan retributies).
Punt 36 Meldpunt Discriminatie
De taken van het meldpunt worden opgenomen door Westkans vzw. Ik heb in de commissie begrepen dat er een evaluatie van de werking moet gebeuren om de verdere lijnen te kunnen uitwerken. Schepen De Coene zie op de commissie dat hij i.v.m. de toekomst van de Meldpunt wil afwachten wat er op hoger niveau gebeurt. Daarna wil hij bekijken wat er op stedelijk niveau moet gebeuren. Mijn vragen zijn:
• wanneer komt er een evaluatie van de werking?
• welke zijn de uitgewerkt preventieve acties die gebeurd zijn en welke zijn er gepland?
• bestaat er ergens verslaggeving van de klachten en de behandeling? Hoeveel klachten zijn en in welke categorieën?
• is er geregeld terugkoppeling vanuit Westkans naar de Raad voor Intercultureel Samenleven over de behandelde klachten?
Bij wijze van inleiding een wellicht verrassend statement. Ja, het is terecht dat publieksvriendelijke musical in Vlaanderen wordt gesubsidieerd. We hebben nood aan een breed cultuuraanbod en daarin hebben ook populaire artistieke producties een plaats. Ook musical dus. Als dat aanbod er niet meer zou komen vanuit de markt, omdat grootschalige musical onrendabel is, dan is het niet verkeerd dat de overheid bijspringt. We doen dat ook voor film. Zonder inbreng van overheidsmiddelen zou de Vlaamse film niet zo’n hoge toppen scheren als vandaag. Als een artistiek product rendabel is, is overheidsinbeng overbodig. Kijk naar onze topkunstenaars: auteur Tom Lanoye of beeldend kunstenaar Luc Tuymans verdienen goed hun brood. Ze presteren schitterend werk en verkopen goed. Schitterend toch.
Subsidie voor musical is dus best oké. Maar niet zomaar natuurlijk. De producten moeten van een hoge kwaliteit zijn. En het moet duidelijk zijn waarvoor de subsidies, afkomstig uit ons aller belastingsgeld, moeten dienen. Niet om extreme vergoedingen aan sterren mee te betalen, om hoge commissies en royalties te cashen of winstuitkeringen mee te verzekeren. We zouden dat evenmin verdragen van (non-profit) culturele organisaties die hedendaagse kust brengen. En er moet een glasheldere verantwoording komen van de organisatie.
Is er dan niets fout aan de subsidie die de Musical van Vlaanderen toegeschoven krijgt? Toch wel, heel wat zelfs. Vooral de wijze van beslissen steekt de ogen uit. De beslissing werd uitzonderlijk laat genomen, weken na de beslissing over de andere projectsubsidies. Vandaag staat op de website van het Agentschap Kunsten en Erfgoed nog steeds: ‘procedure loopt nog’. Dat toont aan dat de minister het hoge bedrag voor Assepoester niet meteen durfde communiceren. Uit schrik voor negatieve reacties, ongetwijfeld. Maar net dat feit roept allerlei gedachten op. In ieder geval is dit dossier niet vrij geweest van politieke lobbying. Verschillende collega’s, vooral van CD&V, riepen vorig jaar, toen de regering moest beslissen of de Musical van Vlaanderen structurele subsidies zou krijgen, publiekelijk op om de musical wel subsidies toe te kennen. Dat de baas van de Musical sterke relaties heeft met die partij, is bekend. Was mevrouw Dehaene niet ooit meter? Geert Allaert zetelde voor die partij in de gemeentraad van zijn stad. De raad van bestuur is bevolkt met coryfeeën uit die partij. Tot daar aan toe, politiek lobbyen is geen misdrijf, maar het ligt er in dit dossier wel vingerdik op. Ik ben nieuwsgierig naar het advies van de Inspectie Financiën over deze subsidie. Helaas worden deze adviezen sinds enkele maanden geheim gehouden door de Vlaamse regering.
Minister Joke Schauvliege heeft altijd te kennen geven de adviezen van haar beoordelingscommissies (voor het artistieke luik) en de administratie (voor het zakelijke) te willen volgen. Daarmee wilde ze een trendbreuk realiseren. Maar ze houdt zich niet meer aan haar belofte. Ze wijkt fundamenteel af van het negatief artistiek advies voor Assepoester. Ook haar belofte om de financiële pot voor projecten sterk te verhogen – er zou 10 procent worden gereserveerd voor projecten – wordt daarmee stevig ingedeukt. Ze neemt een heel grote hap uit die pot. Voor de eerste projectenronden is 2,33 miljoen euro toegekend aan 79 projectaanvragen, gemiddeld zo’n 30.000 euro per project. Plus 850.000 euro voor Assepoester. De cijfers tonen een schil contract in waardering. De twee volgende projecten in de financiële ranking zijn het grensoverschrijdende Festival NEXT in Kortrijk/Doornik/Rijsel dat 105.000 krijgt, en ... de Musical van Vlaanderen die voor haar Musicallabo 95.000 vangt. Dezelfde organisaties dus. De Musical van Vlaanderen verwerft in totaal 945.000 euro op een totale pot van 3,2 miljoen euro. Eén derde voor één organisatie. Il faut le faire.
Er zijn nog andere musicalprojecten (muziektheater) die centen zullen krijgen. Zo krijgt het Theaterbedrijf Het Woud/Auralia vzw voor ‘Grietje de heks’ 65.000 euro ...
Interessant is ook de vergelijking met de subsidies die uitgetrokken worden voor de jaarwerking van de kunstenorganisaties. 256 kunstenorganisaties krijgen in totaal 94 miljoen euro, gemiddeld 367.000 per organisatie, voor een hele jaarwerking. Enkele voorbeelden: Judas Theaterproducties (een musicalproducent) krijgt 430.000 4 jaarWiels krijgt 808.000, Les Ballets C. de la B. 870.000, het KunstenFESTIVALdesArts 1.030.000, Anima Eterna 800.000, het Festival van Vlaanderen - Gent en Historische Steden 320.000, Muziektheater Transparant 1.087.000, Tutti Fratelli 215.000, Speelteater-Kopergietery 1.084.000. De meesten moeten het met veel minder doen.
Oh ja, de productiekost van musical is hoog. Maar deze subsidie is zowat even hoog als de totale kost van een operaproductie, ook wel een dure kunstvorm. Die heeft dan wel minder hoge ticketontvangsten. Die tickets laten toe een groot deel van de kost terug te verdienen zodat de productie in het beste geval met winst kan afsluiten. Dat is een teer punt. De Musical van Vlaanderen kreeg in het verleden vaak een negatief zakelijk advies omwille van een gebrekkige transparantie over uitgaven, maar vooral ook over de wijze waarop het subsidiegeld wordt ingezet. Geert Allaert werkt met verschillende vennootschappen, naast de Musical zelf die een vzw is, leidt hij de commerciële exploitatie van de Stadsschouwburg van Antwerpen en de Capitole in Gent. Hoe (on)redelijk zijn de facturen voor zaalhuur, onthaal, ticketverkoop verrekend? Waar worden ticketontvangsten geboekt? Wordt op die wijze subsidiegeld versluisd? In ieder geval blijft twijfel hangen over de geldstromen tussen de vennootschappen.
Populaire musical subsidiëren is verantwoord als de kwaliteit verzekerd is en de subsidie noodzakelijk is om het werk te kunnen maken. Aan de eerste voorwaarde is niet voldaan, de tweede is hoogst twijfelachtig. De wijze waarop die late subsidie is toegekend voedt daarenboven dat hier andere motieven en argumenten spelen. Kortom, het is geen voorbeeld van goed bestuur. En het is vooral jammer voor de productie van musical. Die verdient een eerlijke behandeling, zonder verdachtmakingen, lobbying of politiek gedoe.
Een kleine week in Madrid en Barcelona. Met de commissie Bestuurszaken, Integratie en Toerisme van het Vlaams parlement. Een vol programma, best leerzaam, maar ook aangenaam. Even weg van de kortzichtige kijk op de problemen, zoals wij die kennen. Als je Vlaamse kranten leest op de ipad - die komen moeiteloos via WIFI binnengewaaid - ervaar je weer eens de dorpspolitiek die ons toch zo kenmerkt.
Spanje zit in een economische crisis, een diepe crisis mag je wel zeggen. De werkloosheid bedraagt 27%, de jeugdwerkloosheid bijna 50%. In Vlaanderen komen we nog lang niet aan de helft van deze cijfers. Dat staat haaks op het (straat)beeld. Dat straalt grandeur, welvaart en klasse uit. Madrid, stad van boulevards, historische architectuur, veel groen in parken, langs straten en pleinen. De ex-hoofdstad van een vergaan imperium, met een bouwprogramma dat je best als Babels kan omschrijven. Met als toetje het calle30-project. De ringweg, een snelweg werd ondergronds gebracht, waardoor bovengronds veel groen kon komen, met fiets- en wandelpaden, schitterende pleinen en fascinerende zichten op de rivier. De Antwerpenaren mogen alvast beginnen dromen ... Misschien de ring niet rondmaken, maar de bestaande snelweg overkappen en intunnelen? En de bestaande tunnels onder de Schelde aanpassen. Hoewel, wie zal de veerman betalen? Het Madrileense plan kostte 3,5 miljard euro, voorwaar ook geen peulschil. Als het vandaag niet gerealiseerd zou zijn, maar zou gepland worden, zou het nog gebeuren? Idem voor het fenomenale net van hogesnelheidstreinen. In 2u30 van Madrid naar Barcelona, comfortabel en snel dus. Maar het vertakte spoorwegennet van snelle treinen kost handenvol geld en is niet rendabel.
De welvaartstaat botst tegen haar grenzen. De bouwwoede is verdwenen, de vastgoedbubbel is ineengeklapt, investeringen zijn er nog weinig ... Hier, in Spanje, wordt langzaam maar zeker geaccepteerd dat een algemene verarming van de bevolking onvermijdelijk is. De signalen zijn duidelijk: de lonen dalen, pensioenen worden door de staat verminderd, de gezondheidszorg, zoals de prijs van medicamenten, wordt duurder, subsidies ook voor sociale en culturele werkingen worden afgebouwd, het leefloon bedraagt nog amper 480 euro, de voedselbanken draaien als zot ... De voorbode van wat we ook bij ons krijgen? In Spanje wordt door velen hard geijverd voor een sterk sociaal beleid, maar het is niettemin een behoorlijk hard regime. Zo is de werkloosheidsuitkering beperkt tot maximaal twee jaar, krijgen immigranten geen gezondheidszorgen meer, behalve in Catalonië...
Barcelona is de hoofdstad van Catalonië. En daar zijn ze fier op. Elke dag timmeren ze verder aan hun grootsheid. Ze zetten er veel middelen en groot alaam voor in. Olympische Spelen, fantastische architecturale projecten, urbanisme, congressen enz… Het moet gezegd: de stad bulkt van de parels van hedendaagse architectuur. De lanen blinken uit in grandeur, de winkels zijn van exquise kwaliteit, de cafés ontelbaar en zo verscheiden, de metro rijdt frequent en stipt. Maar ook deze welvarende deelstaat ontsnapt niet aan de crisis, De Catalaanse fierheid zal dat niet remediëren. 30% heeft hier Catalaans als moedertaal, maar 55% van de bevolking voelt zich Catalaan. Fier. Het Catalaans is de taal van bestuur, handel en onderwijs. Op school leren alle kinderen én Catalaans én Spaans. Meertaligheid is hier de norm. Daar kunnen we bij ons een punt aan zuigen .... Zich Vlaming voelen, maar meertaligheid bevorderen ...
Immigratie is hier, net als overal in het rijke westen, een belangrijk fenomeen. Anderhalf miljoen migranten in 10 jaar tijd in Catalonië, op een bevolking van 7,5 miljoen mensen. Eigenlijk wel vergelijkbaar met Vlaanderen. 20% van de bevolking is migrant, 30% van de kinderen van vreemde origine, 50% van de migranten van hen is werkloos. Er wordt een progressief migratiebeleid gevoerd. Niet verkrampt, noch bekrompen, het is een beleid dat staat voor gelijke kansen. Migranten dragen bij tot de economie. Ze worden opgevangen, krijgen rechten maar er wordt verwacht dat ze zich integreren. Dat doen ze ook. Dat de helft van hen uit Spaanssprekende landen (ex-kolonies) komt, vergemakkelijkt dat wel wat, maar toch. Met een Zodiac vaar je in 6 minuten van Marokko naar Spanje. Realiteitszin. Niet tegen windmolens vechten. Integratie is hier een recht, geen plicht. Migratie is geen probleem, er zijn wel sociale problemen zoals uitsluiting, armoede, werkloosheid… En er is geen enkele racistische partij. Integendeel, er is bijna een consensus over het migratiebeleid. Al komen er barsten: de centrum-rechtse partido popular wil toch beperkingen. en pleit voor ‘aanpassing’. Ondertussen bouwt de centrale staat echter de financiële middelen voor inburgering af.
Koffie voor iedereen? Deze metafoor hanteren de Spanjaarden als beeld voor hun staatsindeling. Elke regio heeft dezelfde bevoegdheden en in principe gelijke financiële middelen. Alleen, de drang naar autonomie, en zelfs onafhankelijkheid is zeer verschillend tussen de regio’s onderling. Het thema van de transferts tussen Catalonië en Spanje is hier heikel. Het rijkere Catalonië wil minder delen met de armere regio’s in Spanje. Waar hebben we dat nog gehoord? Hoe ver reikt de solidariteit? Signaal van collectief egoïsme? Of selectieve solidariteit? En wat dan binnen Europa? Dat is best een lastige uitdaging.
De stad is echter in diepe rouw. Barca kreeg een pak slaag van Bayern. Als het een troost mag zijn, ook Real Madrid werd vernederd. Als dat geen metaforen zijn voor de toekomst van Spanje.
Het pas gestemd VN-wapenverdrag is een mijlpaal maar geen eindpunt, zo stellen Eva Brems en Bart Caron. Ook ons land heeft immers nog heel wat werk voor de boeg
Er is geschiedenis geschreven, gisteren 2 april. De Algemene Vergadering van de Verenigde Naties stemde een verdrag dat voor het eerst beperkingen oplegt aan de handel in conventionele wapens. Er waren al regels die bepaalde types van wapens uitbannen (antipersoonsmijnen, clusterbommen, chemische wapens…). Maar de ‘gewone’ wapens, waarvan wordt aanvaard dat ze mogen bestaan, maken veruit de meeste slachtoffers: gemiddeld sterft per minuut een mens door gewapend geweld. Meer dan een half miljoen doden per jaar dus. Het heeft dan ook bloed, zweet en tranen gekost om overeenstemming te bekomen over een tekst die duidelijke regels aan de internationale wapenhandel oplegt.
Vooraleer ze wapens kunnen exporteren, moeten staten vanaf nu een uitgebreide analyse maken. Er moeten garanties bestaan dat de wapens niet zullen gebruikt worden voor schendingen van de mensenrechten of het humanitaire recht, voor genocide of oorlogsmisdaden. Ook het risico op inbreuken op VN-embargo’s en illegale doorvoer moet in rekening worden gebracht. Dat is een flinke stap vooruit in vergelijking met het complete gebrek aan regels tot nu toe.
Duivel in de details
Maar zoals wel vaker zit de duivel in de details. Nogal wat passages zijn vaag geformuleerd, en er zitten ook wat achterpoortjes in het verdrag, zoals uitzonderingen voor militaire samenwerkingsakkoorden. De meest problematische passage is wellicht dat landen mits “doorslaggevende redenen” toch een in principe verboden wapendeal kunnen laten doorgaan. Staten zouden bijvoorbeeld veiligheid of soevereiniteit kunnen inroepen als doorslaggevend argument. Daarom moet er druk komen voor een strenge interpretatie van het verdrag. Zowel de nationale parlementen als het maatschappelijke middenveld moeten hier in de toekomst nauw op toezien.
Wat betekent dit concreet? In Syrië, waar het conflict wordt opgestookt door wapens uit Rusland aan het Assadregime en van de golfstaten aan rebellen, zou een eerlijke risicoanalyse meteen een eind maken aan elke wapenlevering. Niet alleen het Assadregime begaat er immers wreedheden, ook de rebellen bezondigen zich er steeds vaker aan. Het ziet er echter niet naar uit dat Rusland het verdrag zal ratificeren. Ook de golfstaten lijken weinig enthousiast. Het verdrag is dus duidelijk nog geen eindpunt, maar een mijlpaal waarop de komende jaren moet verder worden gebouwd. Ons land moet daartoe bijdragen, maar kan het ook op korte termijn actie ondernemen?
De Europese regels zijn sterker dan die van het nieuwe verdrag. Op de wapenhandel uit België heeft het daarom weinig impact. Toch durven we hopen dat de dynamiek van dit langverwachte verdrag zich ook bij ons laat voelen. Want we kunnen nog wel wat stappen zetten om te voorkomen dat Belgische wapens gebruikt worden voor oorlogsmisdaden of schending van mensenrechten. Ons land blinkt uit in dubbelzinnigheid. Zo pleit België in de EU tegen wapenleveringen aan Syrische rebellen omdat er nog onduidelijkheid heerst over de eindbestemming. Ze kunnen in handen komen van groepen die oorlogsmisdaden begaan, en ook het risico dat ze conflicten in bijvoorbeeld Libanon of Irak voeden is reëel. In dat verband ligt de wapentrafiek uit Libië naar Mali nog vers in het geheugen.
Maar ondertussen hebben de regio’s in dit land geen problemen met wapenleveringen aan golfstaten zoals Qatar en Saoedi-Arabië, die er geen geheim van maken Syrische rebellen te bewapenen. De Saoedi’s en anderen letten wel op om de clausules inzake wederuitvoer van nieuwe wapens uit ons land te respecteren. In plaats daarvan doen ze oude stocks van de hand die niet gebonden zijn aan dergelijke clausules. Deze zomer nog berichtte persbureau Reuters over duizenden FN-geweren bij de rebellen. De herkomst is onduidelijk, maar gezien de verklaringen en de reputatie van de golfstaten moeten we wellicht niet te ver zoeken.
Versnippering
Vlaanderen noch Wallonië heeft wapenleveringen aan de golfstaten on hold gezet, zelfs niet nadat de Syrische opstand ontaardde in een slachtpartij. Zoals ook het Vlaams Vredesinstituut recent zei, stelt zich hier een probleem. Gezien het grote risico dat de regio’s indirect wapenleveringen aan rebellen stimuleren, moet de verkoop van nieuwe wapens aan deze landen voorlopig bevroren worden.
In dat verband stellen wij ons grote vragen bij de gebrekkige samenhang tussen het federale buitenlandse beleid en het regionale beleid inzake wapenhandel. Met het nieuwe wapenhandelverdrag komt er eindelijk internationale afstemming op dit terrein. Wat ons betreft is dit verdrag ook een aanleiding om het debat over coherentie in eigen land opnieuw te voeren. We moeten dit doen omwille van de internationale geloofwaardigheid van ons land, maar nog meer uit bekommernis om de mensen in de vuurlijn in conflicten waarbij Belgische wapens betrokken zijn.
(Dit opiniestuk van Eva Brems en Bart Caron verscheen op 3 april 2013 in De Morgen)
Lanceert minister Bourgeois een regelrechte aanval op de integratiesector of schakelt hij de kritische stemmen net uit in een defensieve reflex?
Zonder middenveld heb je enkel aanvallers en verdedigers. Mij is het niet meteen duidelijk welke van deze rollen minister Bourgeois op zich neemt. Lanceert hij een regelrechte aanval op de integratiesector of schakelt hij de kritische stemmen net uit in een defensieve reflex?
Feit is hoe dan ook dat wanneer de minister zijn zin krijgt, de ganse sector die zich de voorbije 30 jaar engageerde om nieuwkomers te helpen integreren volledig opgeslorpt wordt in een extern verzelfstandigd agentschap (EVA), een overheidsinstelling onder de directe controle van de minister. Een nooit geziene machtsgreep.
Toegegeven, wanneer ik de woorden ‘volledig opgeslorpt’ gebruik, doe ik de waarheid enig geweld aan. De uitzonderingen op de regel zijn legio. De provincie Limburg behoudt enige inspraak, net als de steden Gent en Antwerpen. Je kan dus stellen dat de uitzonderingen talrijker zijn dan de regel. Het lijkt een trieste rode draad te worden in het regeerwerk van minister Bourgeois, de man die ook de provincies zou afschaffen. Groots aangekondigde plannen, maar weinig slagkrachtige verwezenlijkingen.
Hoewel. Ondanks de afvlakkingen, blijft het inburgeringsdecreet een heel drastische ingreep in het veld. De integratiesector zoals we hem vandaag kennen, is een uitgebreid netwerk van integratiecentra, onthaalbureaus, vertaal- en tolkendiensten, integratiediensten, aanbieders van NT2, migrantenverenigingen, het minderhedenforum, enzoverder. Kenmerkend voor deze sector is de organische groei ervan, via betrokken en geëngageerde burgers die langzaam maar zeker een middenveld zijn gaan vormen.
Is dit de meest ideale organisatiestructuur? Wellicht niet. Enige stroomlijning kan vast geen kwaad en zou de efficiëntie ongetwijfeld ten goede komen. Maar anderzijds heeft dit amalgaan aan organisaties een onbetaalbaar voordeel: zij kennen hun doelgroep en, belangrijker nog, hun doelgroep weet hen te vinden.
De medewerkers zijn gedreven en zien hun werk als een missie, eerder dan als een job. Een interne stroomlijning van de sector, bijvoorbeeld door de rol van het Minderhedenforum te versterken, is veel doeltreffender dan tabula rasa maken. Het werk van het hele netwerk van organisaties botweg overhevelen naar een centralistisch aangestuurd overheidsapparaat is het vermoorden van de ziel van de sector.
Waarom kiest Bourgeois dan toch voor dit pad? Dat is de vraag die zich opdringt. Omwille van efficiëntie is het niet, dan moet het vast omwille van efficiëntiewinsten zijn. Lees: besparingen. Maar ook dit is niet het geval. Het rapport van de Inspectie Financiën is klaar en duidelijk: wanneer de minister denkt te gaan besparen met zijn coup, dan gaat zijn vlieger niet op. Het nieuwe EVA zou niet minder kosten dan wat nu aan subsidies betaald wordt aan de diverse actoren op het veld.
Niet beter, integendeel zelfs, en niet goedkoper. Waarom dan wel? De enig mogelijke verklaring die overblijft, is het streven naar controle. Minister Bourgeois heeft het niet zo begrepen op een versnipperd middenveld. Zeker niet wanneer er dan ook nog eens kritische stemmen uit opborrelen. Kritiek op de visie op inburgering die de minister hanteert en waarbij taalverwerving het enig zaligmakende is.
Uiteraard is het begrijpen en spreken van onze taal heel belangrijk bij de integratie, maar de mensen die dagdagelijks met de voeten in de realiteit staan, weten als geen ander dat er zo veel meer facetten zitten aan inburgering. Dat inburgering ook draait om sociaal leven, cultuur, werk. Dat inburgering tweerichtingsverkeer is
Minister Bourgeois heeft het liever strakker geregisseerd. Het liefst van al met de touwtjes dicht bij zijn eigen handen. De putsch op een ganse sector; met tientallen op engagement drijvende organisaties, neemt hij er onbewogen bij.
Maar er is ook goed nieuws. Na de eerste bespreking van het ontwerpdecreet in de bevoegde commissie van het Vlaams Parlement, bleek er over de partijgrenzen heen een consensus te bestaan om hoorzittingen te organiseren met het werkveld. Rijkelijk laat, maar nog niet te laat wordt er dan toch geluisterd naar hun expertise. En laten we hopen dat er ook rekening mee wordt gehouden.
Van CD&V, die bij monde van de minister-president vorige week nog het middenveld bewierookte en steevast de term ‘warm Vlaanderen’ hanteert, zouden we eigenlijk niets anders mogen verwachten. En de socialistische visie op integratie kan toch ook moeilijk te rijmen vallen met deze van N-VA. Benieuwd hoezeer zij op hun strepen staan en minister Bourgeois terug zullen fluiten, want een gezonde maatschappij bouw je niet zonder middenveld. Net zo min als een voetbalploeg.
Ik vroeg aan minister Joke Schauvliege tijdens de zitting van de Cultuurcommissie een overzicht van de eerste ronde projectsubsidies in het kader van het Kunstendecreet. De commissieleden kregen de informatie. Die is vandaag zeer relevant omdat de minister van een herstel van de middelen voor projectsubsidies (10% van het budget voor het Kunstendecreet) een strijdpunt had gemaakt. Het budget maakte ze vrij, het was nu de vraag of dat tot belangrijke nieuwe impulsen zou zorgen voor het kunstenveld, en of het tot inhaalbewegingen in sommige sectoren zou leiden. En vooral, of de these dat niet iedereen meerjarige subsidies moet hebben om goed te kunnen werken, hard kon gemaakt worden. Vele organisaties kregen immers een soortgelijke opmerking in hun eindadvies.
Na de eerste ronde worden toch een aantal zaken duidelijk. Nieuwe impulsen: nee? Inhaalbewegingen nee. Projectmiddelen als basis voor de werking: nee. We namen de lijst van de toegekende projectsubsidies door en noteerden opvallende zaken, ook een aantal bokkesprongen.
Bij de aanvraagronde voor meerjarige subsidies vanaf 2013 verloren 43 organisaties de subsidie die ze hadden in de periode 2010-2012. Dat zijn de zgn. uitstromers. 25 daarvan dienden een aanvraag in voor een projectsubsidie, waarvan 11 een positieve beslissing kregen. 11 op 43 betekent dat slechts één vierde van uitstromers nog een beperkte toekomst tegemoet kan zien. Dat is een snoeiharde selectie. Ik zou milder geweest zijn en meer gebuisde organisaties toch een ‘tweede kans’ hebben gegeven via de projectmiddelen. Nee dus, het wordt hen niet gegund, ze mogen hun werking definitief opdoeken. Het gaat o.a. om kleinVerhaal (de enige uitstromer met sociaal-artistieke werking die een projectaanvraag indiende), Corban van Walter Verdin, Sfinks, Ars Musica, Nadine vzw, Morguen vzw enz. Wellicht was hun project (en hun dossier) niet goed genoeg om gehonoreerd te worden, anderen fluisteren dat commissies niet graag op hun eerder gefromuleerde mening terugkomen, en nog anderen pleiten voor snellere vernieuwing van het veld. Opvallend is dat er hiervan enkelen wel een positief rapport kregen van de commissie, maar een negatief zakelijk advies van het Agentschap. De minister volgde systematisch haar agentschap. Daar zijn bijv. Sfinks, Ars Musica, Kultuurburo Link e.a. het slachtoffer van. De individuele adviezen zijn nog niet vrijgegeven, het is dus gissen naar de motieven, maar is sowieso jammer. De zakelijke kant kan wellicht beter, maar remediëren is beter dan afschieten.
Even interessant is te kijken naar de toekomst van nieuwe organisaties die voor eerst een aanvraag deden voor meerjarige subsidie. 56 kregen in juni vorig jaar een njet op het rekest. Van die gebuisden dienden er slechts 17 een vraag voor projectsubsidie in. 11 kregen een positieve beslissing, 6 een negatieve. Daar zijn interessante namen bij zoals Le Concert Olympique van Jan Caeyers, het grensoverschrijdend Festival NEXT vzw, Komplot vzw, het Afrika Filmfestival e.a. 11 op 56 is ook geen hoog percentage.
Als we de uitstromers en de gebuisde nieuwkomers samen bekijken, zien we dat slechts 22% van deze organisaties via de projectsubsidies een vangnet of een ontwikkelingsmogelijkheid krijgen. De kunstensector is blijkbaar toch conservatief, zeker als het over het toekennen van budgetten gaat. Instroom gebeurt slechts met mondjesmaat.
Dit wordt versterkt door het volgende fenomeen. Een aantal projecten (5 bij theater) kreeg over de hele lijn een positief advies, maar krijgt toch geen projectsubsidie. De minister oordeelde blijkbaar dat het budget voor theater al hoog genoeg was. Wat ook opviel is dat twee cultuurcentra, ook met een positief artistiek advies ook mogen fluiten naar hun centen, op basis van een negatief advies van de administratie. Omdat die al via het lokaal cultuurbeleid worden gesubsidieerd? Het lijkt er sterk op.
Daarnaast maakt de minister enkele rare kronkels. In tegenstelling tot wat ze zelf pretendeert, nl. dat ze de adviezen altijd volgt, heeft ze enkele merkwaardige correcties uitgevoerd. Die zijn van groot symbolisch belang. Velen herinneren zich de commotie, in juni vorig jaar, rond het schrappen van subsidies aan La Petite Bande en de Musical van Vlaanderen. De minister heeft vier projecten toch subsidies, ondanks een negatief artistiek advies. Het gaat om, ja, La Petite Bande, Le Concert Olympique en de Musical van Vlaanderen met twee projecten (Musicallabo en Assepoester, het tamelijk ware verhaal). De bedragen zijn niet bekend gemaakt omdat de Inspectie Financiën deze ook nog moet adviseren, maar in de wandelgangen circuleren bedragen voor de musicalprojecten waarbij een kunstencentrum verbleekt, of liever meer dan een jaarwerking mee moet financieren.
En dan nog het grootste pijnpunt: de sociaal-artistieke werkingen. Collega Bart Van Malderen zei: “de sociaal-artistieke organisaties hadden zich de tijd van het uitschrijven en indienen van projecten kunnen besparen: geen twintig procent van de aangevraagde subsidie werd gehonoreerd. Dit staat in schril contrast met een algemene inwilligingsgraad van vijftig procent”. Dat is pijnlijk, zeker als sommige organisaties ondertussen meldden dat commissieleden hen geen enkele keer kwam bezoeken, dat niemand uit de commissie ook maar één productie van hen zag, ondanks de vele uitnodigingen…. Er is een probleem, dat is zeker. Ik kreeg een mail uit de sector die stelde: “Wie wil het opnemen voor deze kunstvorm die vanuit haar kern al weerbarstig is, overal tussen de mazen van het net glipt en bovendien geen gebrek heeft aan stemgeluid dat even luid A roept als B?“ Of heeft het te maken met een fundamenteel andere visie op wat artistiek hoogstaande kunst is. Het is hoog tijd voor gesprek tussen de organisaties, de leden van de beoordelingscommissie, de administratie, het kabinet van Joke Schauvliege en Demos, het steunpunt, al is die rol hen niet formeel toegekend.
Mooie doelen, povere resultaten.
“Vlaanderen geeft de gemeenten niet wat het zelf wil en waar zij recht op hebben: beleidsruimte, autonomie en een krachtig bestuur”
Opiniestuk in Knack.
http://www.knack.be/vlaanderen-is-de-schoonmoeder-van-de-lokale-besturen/opinie-4000229025766.htm?nb-handled=true&utm_medium=Email&utm_source=Newsletter-04/01/2013&utm_campaign=Newsletter-RNBDAGKN
Ik vind dat het opiniestuk van Bart de Wever in De Standaard met haken en ogen aan elkaar hangt. “Refereren naar Max Weber, Nietzsche, Hoffman of Wagner staat chique, maar het is geen garantie op een artikel met een grote samenhang. Bij zo’n stuk geldt als eerste regel: houd cultuur en kunst aub uit elkaar, en vermeng dat vervolgens niet nog verder met kunst- en cultuurbeleid. Ook inhoudelijk kunnen we veel vragen stellen bij het stuk. “Welk belang heeft de N-VA om de kunstwereld zo te schofferen? Onder de intellectualistische woordenkramerij schuilt een verderfelijke boodschap, namelijk dat het niet kan dat kunstenaars hun eigen ding doen, geen verantwoording willen afleggen aan de samenleving en in een ivoren toren leven.”
Begaat De Wever een strategische blunder? Geen mens die gelooft dat hij dat opiniestuk zelf heeft geschreven. Het is gewoon zijn taal niet. Hij bevestigt het cliché. Waarom? Omdat het nu eenmaal goed staat de kunstenaars te beladen met alle zonden Israëls? Waar wint hij hier een prijs mee? Waarom de kunstenwereld tegen zich in het harnas jagen? Populisme, dat lijkt me de enige mogelijke uitleg.
Dat hij de reactie van filosoof Lieven De Cauter aangrijpt om zijn ‘baas’, Mark Waer, rector van de KU Leuven, te appeleren is helemaal bizar. Het verwondert De Wever dat een academicus dergelijke taal gebruikt - in een polemisch stukje - en vraagt Waer eigenlijk hiertegen op te treden. Heeft Bart De Wever nood aan gezagsargumenten? Triest. En Waer trapt in de val door te stellen dat het taalgebruik van De Cauter onaanvaardbaar is. Wel, mijnheer Waer, stellen dat er niet alleen zoiets is academische vrijheid, maar ook academische terughoudendheid, is een expliciete reprimande uitspreken. Dat een rector zich zo politiek laat gebruiken, is zelden vertoond. Lieven De Cauter mag al blij zijn dat zijn reactie niet over genetisch gemanipuleerde gewassen gaat of hij mocht zijn biezen pakken. Niet alleen de kunsten mogen van de Wever hun autonomie inleveren, ook de wetenschap (en hun beoefenaars) mogen dat in vervolg doen, zo begrijp ik Mark Waer. Uw huig naar de wind zetten, heet zoiets. In de richting van nieuwe machtshebbers?
En ten gerieve van Bart De Wever zelf dan, deze gedachten. Krijgt kunst dan geen hoge waardering in de samenleving? Kijk eens naar de zorg voor kunstwerken, zeker voor de topstukken uit de kunstgeschiedenis. Geen mens zou pleiten voor de afbraak van de Acropolis om te plaats te maken voor een appartementsgebouw, voor de afbraak van het Colosseum in Rome om plaats te maken voor een parkeergebouw? Hoe actueler kunst is, hoe meer die omstreden is. Dat is van alle tijden. Zo dateert de erkenning van architectuur van bij- voorbeeld Renaat Braem van recente tijden. Actuele kunst heeft tijd nodig om al dan tot de canon te behoren, en tijdens dat proces is er nood aan meningsverschil.
Maar misschien kon Bart De Wever ook teruggrijpen naar een Vlaams decreet? De memorie van toelichting van het Kunstendecreet geeft meteen aan waarom de kunsten zo belangrijk zijn. ‘In onze samenleving nemen kunsten(aars) een uitzonderlijke plaats in. Op de meeste uiteenlopende wijzen geven ze vorm aan een hoogst persoonlijke perceptie van (aspecten van) het leven. Juist in die benadering schuilt vaak de universele kracht van hun boodschap. Ondanks dat vaak hoogst persoonlijke karakter van hun werk houden de kunsten(aars) de wereld een spiegel voor. Door hun creatieve kijk, interpretatie en inzicht, door een anders omgaan met de werkelijkheid geven de kunsten(aars) ons een ander beeld op wat wij als werkelijkheid ervaren.’
Het kunstwerk is als het ware een voertuig waarmee de mens over verkenning, ontdekking en avontuur kan, het biedt ook een inkijk in de innerlijke wereld en kan een oplossing bieden als uitlaatklep of klankbord voor opgekropte gevoelens, onvervulde wensen of onbenoembare gedachten. Zo slaat kunst mogelijk een brug tussen een innerlijke wereld en de buitenwereld. Allemaal niet nodig mijnheer De Wever?
Zijn kunstenaars ‘omkoopbare hovelingen’, en dus nooit autonoom omdat ze afhankelijk zijn van wie bereid is ze te financieren? Niet waar. Vandaag steunt de overheid wel de kunstenaar, maar blijft ze op afstand. Het is in de (post)moderne tijden een ongeschreven wet geworden, maar ook een bewijs van een volwassen cultuurbeleid, dat de politiek zich niet mengt in de inhoud van het artistieke gebeuren. Kunst is trouwens vaak kritisch voor de heersende orde. Het behoort bij haar wezen, bij de drang om dingen en gebeurtenissen te bevragen en te onderzoeken.
Of schuilt de adder onder ander gras? Autonome kunst is vaak kritische kunst. Mag kunst alleen verstrooien of behagen? Braafjes en ongevaarlijk. Of mag kunst ook onze gedachten en meningen in opperste verwarring proberen te brengen? Mag kunst, al dan niet gewild, een engagement uitdragen? Met een boutade kun je zeggen dat een samenleving die zijn kunstenaars vrije baan geeft, en die bij wijze van spreken zelf de kritiek op het eigen bewind subsidieert, blijk geeft van haar hoge graad van beschaving. Is
Afbreken is de ondersteuning van de kunsten niet afhankelijk maken van maatschappelijke effecten en van bepaalde cultuurpolitieke idealen.
Ik formuleer een uitgebreide kritiek op mijn website (www.bartcaron.be).
Over de waardering voor (autonome) kunst
Mogen we even weg van de discussie over het Bollekesplein? Goed dat Bart De Wever zijn pleinvrees probeert te bestrijden. Hij bewijst echter eens te meer dat agorafobie niet zoiets is als zwaarlijvigheid. Hij geraakt er niet makkelijk van af. Uitpakken met Max Weber, Nietzsche, Hoffman of Wagner staat chique, maar het is geen garantie op een artikel met een grote samenhang. Bij zo’n stuk geldt als eerste regel: houd cultuur en kunst aub uit elkaar, en vermeng dat vervolgens niet nog verder met kunst- en cultuurbeleid.
Ik wil ik in dit stuk stilstaan bij de intrinsieke waarde van kunst en bij de al dan niet vermeende mythe van de autonomie van kunstenaars. Vooraf wil ik toch even afrekenen met de uitspraak dat we in onze postmoderne tijd enkel nog hoogst individueel waarde toekennen maar ook bang zijn om waarde toe te kennen, ook aan kunst.
Krijgt kunst dan geen hoge waardering in de samenleving? Kijk eens naar de zorg voor kunstwerken, zeker voor de topstukken uit de kunstgeschiedenis. Even testen? Hoeveel mensen zouden pleiten voor de afbraak van de Acropolis om te plaats te maken voor een appartementsgebouw, voor de verkoop van de piramide van Cheops aan een evenementenorganisator, voor de afbraak van het Colosseum in Rome om plaats te maken voor een parkeergebouw? Wie pleit voor de verkoop van de collectie van pakweg het Muhka en KMSKA, musea van de Vlaamse Gemeenschap in Antwerpen?
Hoe actueler kunst is, hoe meer die omstreden is. Dat is van alle tijden. Zo dateert de erkenning van architectuur van bij- voorbeeld Renaat Braem, adept van Le Corbusier en de belangrijkste figuur van het naoorlogse modernisme, pas van het begin van deze eeuw. Zijn belangrijkste werken werden beschermd vanaf 2002, het rectoraatsgebouw van de VUB pas in 2007. Maar vaak ook, hoe verder de kunstuiting afstaat van de bekende westerse (Europese) patronen, hoe lager de waardering, of liever de waardetoekenning.
Het probleem is niet dat er waardering is, maar wel dat actuele en andere kunst tijd nodig heeft, tijd om al dan tot de canon te behoren, en tijdens dat proces is er nood aan meningsverschil, aan discussie, aan recensie, aan confrontatie met het publiek ... Maar daar meteen de gedachte aan koppelen dat hedendaagse kunstenaars en kunstliefhebbers het artistieke verleden afwijzen of ontkennen, is nonsens.
Heeft kunst dan geen intrinsieke waarde? Ik ga leentje buur spelen bij Boekman, een Nederlandse tijdschrift over cultuurbeleid, dat aan het belang van kunst een volledig nummer wijdde. Het raadsel rond de intrinsieke waarde, zo heet het artikel van Anita Twaalfhoven. Het belang van kunst schuilt in de eerste plaats in de omgang met de kunst zelf. We gaan niet naar het theater of het museum om slimmer of socialer te worden. We luisteren niet naar muziek om de werkgelegenheid van musici te bevorderen. Een Amerikaans (!) onderzoek kenschetst de intrinsieke effecten van kunst als ‘that we are carried away from the familiar and drawn to the unknown’. In kunst draait het niet alleen om de herkenning van het bekende, maar vooral om het verkennen van het onbekende. Kunst verlegt grenzen en verruimt de horizon van het publiek, omdat kunstwerken het mogelijk maken ervaringen op te doen die in het eigen leven niet voorhanden zijn. Ze brengen het publiek in contact met beelden, personages, geluiden, gebeurtenissen, die het anders niet of minder snel tegen zou komen. Komt iemand in zijn dagelijks leven een David van Michelangelo tegen of de danspatronen van Rosas? De verhalen van Erwin Mortier, de films van David Claerbout, hoe realistisch ze ook zijn of lijken, confronteren ons met onze leefwereld en onze ervaringen.
Maar misschien kon Bart De Wever ook teruggrijpen naar een Vlaams decreet? De memorie van toelichting van het Kunstendecreet geeft meteen aan waarom de kunsten zo belangrijk zijn.
‘In onze samenleving nemen kunsten(aars) een uitzonderlijke plaats in. Op de meeste uiteenlopende wijzen geven ze vorm aan een hoogst persoonlijke perceptie van (aspecten van) het leven. Juist in die benadering schuilt vaak de universele kracht van hun boodschap. Ondanks dat vaak hoogst persoonlijke karakter van hun werk houden de kunsten(aars) de wereld een spiegel voor. Of het nu om een video- installatie, een theaterstuk, een gedicht of een muziekcompositie gaat, op een of andere manier appelleert de kunstenaar aan de samenleving en haar burgers. Door hun creatieve kijk, interpretatie en inzicht, door een anders omgaan met de werkelijkheid geven de kunsten(aars) ons een ander beeld op wat wij als werkelijkheid ervaren. De kunstenaar kan – mits voorwaarden en mogelijkheden – als schepper en mediator én als medeburger met zijn werk een belangrijke rol spelen, zowel voor de verrijking van het individuele bewustzijn van zijn publiek, als voor het ontwikkelen van visies op maatschappelijke tendensen. Daarom verdienen de kunsten(aars) een bijzondere plaats in het cultuurbeleid.’
Het kunstwerk is als het ware een voertuig waarmee de mens over verkenning, ontdekking en avontuur kan, aldus Anita Twaalfhoven. Kunstwerken bieden ook een inkijk in de innerlijke wereld. En waar de realiteit van alledag tekortschiet, kan kunst een oplossing bieden als uitlaatklep of klankbord voor opgekropte gevoelens, onvervulde wensen of onbenoembare gedachten. Zo slaat kunst mogelijk een brug tussen een innerlijke wereld en de buitenwereld.
Ivo van Hove formuleerde het zo mooi in zijn Machiavellilezing. ‘De kunst als zuiveringsstation van onze samenleving. In onze theaters kunnen we ongestraft gadeslaan hoe Macbeth een bloedbad aanricht om zijn macht te consolideren, hoe Medea uit redeloze wraak haar kinderen doodt. In het theater beleven we hoe Romeo en Julia zoveel van mekaar houden dat ze zich als lemmingen de dood in storten. Wij gaan naar onze theaters om te beleven waar- voor we in ons dagelijkse leven angst hebben of waarnaar we intens verlangen.’
Zijn kunstenaars ‘omkoopbare hovelingen’, en dus nooit autonoom omdat ze afhankelijk zijn van wie bereid is ze te financieren? En is de vorming van moderne staten daar de cynische uiting van? Immers, overheidssteun in de vorm van subsidies is kenmerkend voor moderne staten. Was Johann Sebastian Bach daarentegen niet in dienst als hofmusicus en als kapelmeester bij graven en hertogen, als cantor in muziekscholen? In de meeste gevallen waren dit eigenlijk ook publieke middelen. De kunstenaar was echter niet vrij noch autonoom. Hij werkte in opdracht en in een opgelegd ritme. Het liturgisch jaar zorgde voor een grote werkdruk. Zeldzaam verwierf een musicus een eigen inkomen onafhankelijk van kerkelijke of burgerlijke leiders. Langzaam groeide de rol van de overheid. Het ging samen met het verlangen naar een grotere autonomie van de kunsten en de kunstenaars. In een dergelijke visie ondersteunt de overheid wel de kunstenaar, maar blijft ze wel op afstand. Het is in de (post)moderne tijden een ongeschreven wet geworden, maar ook een bewijs van een volwassen cultuurbeleid, dat de politiek zich niet mengt in de inhoud van het artistieke gebeuren. De autonomie van kunst en cultuur wordt maximaal gegarandeerd. De politiek laat de waarde van kunst beoordelen door experts. De politiek oordeelt niet zelf.
Kunst is trouwens vaak kritisch voor de heersende orde. Het behoort bij haar wezen, bij de drang om dingen en gebeurtenissen te bevragen en te onderzoeken.
Er zijn vele landen waar kunst in het verleden werd gecensureerd (gebannen als Entartete Kunst) of waar beperkingen werden opgelegd (sociaal-realisme). Het Librorum Prohibitorum (de index of lijst van verboden boeken) die de katholieke kerk had ingesteld, werd pas in 1966 afgeschaft. Subsidies afpakken van organisaties en activiteiten die kritiek leveren op de politieke situatie is zich op het glibberige pad van de impliciete censuur begeven.
Autonome kunst is vaak kritische kunst. Mag kunst alleen ver- strooien of behagen? Braafjes en ongevaarlijk. Of mag kunst ook onze gedachten en meningen in opperste verwarring proberen te brengen? Mag kunst, al dan niet gewild, een engagement uitdragen? Vaak zijn kunstenaars maatschappelijk geëngageerd, ook al is dat niet noodzakelijk expliciet. Met een boutade kun je zeggen dat een samenleving die zijn kunstenaars vrije baan geeft, en die bij wijze van spreken zelf de kritiek op het eigen bewind subsidieert, blijk geeft van haar hoge graad van beschaving. Is Vlaanderen ook niet de regio die het (sociaal-culturele) verenigingsleven koestert, net omwille van de emancipatorische kwaliteiten ervan? Ook dat is geen verhaal van bevestiging en assimilatie, maar eentje met weerhaken.
Autonomie, daar had ik het over. De overheid die kunst en cultuur ondersteunt, via subsidie of infrastructuur, bevindt zich in een andere rol dan de overheid van de voorbije eeuwen, die handelde als opdrachtgever.
Dat de kunsten vaak geïnstrumentaliseerd worden, is een feit. Bijdragen tot Identiteits- en gemeenschapspolitiek, sociale cohesie versterken, city- en andere marketing ... Als het maar nevendoelen blijven, tot daar aan toe. Zolang de ondersteuning van de kunsten maar niet afhankelijk worden gemaakt van maatschappelijke effecten, van bepaalde cultuurpolitieke idealen, van de bijdrage van kunst aan allerlei andere beleidsterreinen. Dat zou pas afbreken zijn.
De beslissing van minister Joke Schauvliege is toch niet zo helder als het lijkt. AL deed ze hard haar best om alle afwijkingen uit te leggen tijdens een gedachtewisseling met de Cultuurcommissie van het Vlaams parlement.
Dat er vooraf ook een Charter werd ondertekend, samen met de steunpunten en de belangenbehartigers, is bijna vergeten. Daarin stonden afspraken over de aanpak, het respect voor de beoordeling en de beslissingsprocedure, de gerichte inzet van middelen en een nieuw evenwicht tussen structurele en projectondersteuning, maximale transparantie en deskundige advisering. Veel is daar niet van terecht gekomen, zo blijkt.
Het advies werd uitgebracht binnen een rigoureus financieel kader, nl. 87 miljoen euro, zo’n 10 procent minder als de ronde van 2009. Via een systeem van ranking vielen 15 dubbel positief geadviseerde organisaties na de adviesronde buiten dat bedrag. Ze zouden geen meerjarige subsidie krijgen.
Op dit punt beginnen de afwijkingen en correcties van de minister en de regering.
In haar definitieve beslissing heeft de Vlaamse Regering voor deze dubbel positief geadviseerde organisaties alsnog de nodige middelen uitgetrokken: 3.315.000 euro. Maar er is veel meer gecorrigeerd. Voor 73 van de 256 organisaties wijkt de eindbeslissing af van het eindadvies, 42 organisaties krijgen meer en 31 minder dan geadviseerd.
Klik hier om het hele artikel te lezen
Het onwaarschijnlijke succes van de N-VA. Daar wil ik het over hebben. Elke dag staar ik ernaar. Elke dag ben ik verbaasd (jonge) mensen te horen zeggen dat zij voor Bart De Wever en co zullen stemmen. Vreemd. Toen de Volksunie in 2001 uit elkaar spatte, verklaarden de hoofdrolspelers dat het bindmiddel dat de partij bijeenhield, de stijd voor een autonoom Vlaanderen, verdwenen was. Vlaanderen was een deelstaat geworden, niet echt een natiestaat, maar toch één met steeds meer exclusieve bevoegdheden. De Vlaamse strijd leek gestreden, de goedendags mochten naar het oorlogsmuseum, de leeuwenvlaggen naar de koers. Zonder cement geen gebouw en dus einde VU. Maar ene Bart De Wever, tot dan een onopvallende politicus, dacht daar anders over. En zie .... in geen tijd schoot de partij de hoogte in, en de polsstok die BDW is, katapulteerde de partij naar een ongeëvenaarde hoogte. Veel hoger dan de VU ooit haalde.
Hoe is dat te verklaren? Voor een groot deel is het te danken aan een zeer apart maar groot charisma van de leider. Straks meer daarover. Er is natuurlijk de latente spanning met onze Franstalige landgenoten, dat is een blijvende drijfveer. Zeker in crisistijden. Een vijandbeeld werkt altijd. Zeker als het een soort zwart schaap is dat als een inhalige haan wordt voorgesteld. Aan het sociale programma zal het niet liggen, en toch ook niet aan het onversneden neoliberale discours? De multiculturele samenleving is zeker een voedingsbodem, in negatieve zin toch. Maar dan nog zijn we nog niet aan de monsterscore.
Moeten we het ook niet zoeken bij de klassieke grote drie? Ja, de N-VA mag een dikke merci zeggen aan de traditionele partijen. De CD&V moet zowat de laatste Europese partij zijn die op confessionele gronden diepe sociaal-economische verschillen overbrugt. Het gaat voorbij, vrees is, dat overbruggen. De Open VLD - open: what’s in name - verliest dag na dag bestaansreden. De N-VA is blauwer dan het origineel. Als Antwerpen de gids is van de Vlaamse politiek, dan breken nu wellicht de zeven magere jaren aan voor de VLD. En de sp.a, die heeft nog weinig verloop naar rechts; het gros van die volkse, vaak oudere kiezers zochten al eerder bruine wegen op. En daarom ook een dikke merci aan het Vlaams Belang, die net te diep groef in de onverdraagzame ingewanden van Vlaanderen. Zo doorkankerd zijn die niet, Je mag de Vlaming geen onbegrensde negativiteit en oneindig egoïsme toebedelen. N-VA mag het VB danken.
Zou de belangrijkste verklaring niet te vinden zijn in een sterke anti-establishmenthouding en anti-Waalse onderstroom, De samenloop van de twee lijnen versterkt ze nog. Het overgrote deel van de N-VA kiezers weet eigenlijk niet voor welk politiek programma ze stemmen. Maar de N-VA weet op een slimme wijze de onderbuik van Vlaanderen te beroeren. Een beetje kritisch over sukkels, werklozen en ander ziekenkashangers, niet teveel maar toch. Dat ze eigenlijk toch zouden moeten werken, een beetje meer zelfs. Een beetje kritisch over allochtonen, die zich eigenlijk moeten aanpassen. Ze noemen het inburgeren en integreren, maar bedoelen assimileren. Nederlands spreken is dan de eerste en doorslaggevende stap. De taal is gansch het volk. En als je drie woorden Vlaams kent, word je verondersteld zelf je plan te kunnen trekken. Nee, niet racistisch, maar etnocentrisch. Wij zijn de beste van de wereld en dus de norm. Een beetje gewillig aan het groot kapitaal, want rijkdom is geen schande en hard werken een grote deugd.
De Vlaming stemt niet voor een partij die sociale waarden uitdraagt, maar voor een partij die beantwoordt aan het geïdealiseerde levensdoel, het gedroomde en meestal onbereikbare doel. Het gros van de mensen kiest niet voor verdelende rechtvaardigheid, maar droomt ervan zelf rijk te worden, zonder dat ze veel moeten delen met anderen. Het ideaal is niet dat iedereen beter wordt, maar dat ‘ik’ beter word. Ontmoedigend.
Dick Pels schetst in ‘Het volk bestaat niet’ een gelijkaardige evolutie in Nederland. Hij noemt die stroming het nationaal-individualisme. We zijn solidair met elkaar, maar alleen met de blanke Vlamingen die werklustig zijn, opgevoed in de katholiek-humanistische traditie, en kiezen voor het eigen huisje/tuintje. We zijn vooral individualisten, neoliberalen van de nieuwste snit. En nationalistisch, N-VA’ers organiseren zelfs de sociale zekerheid voor het eigen volk, de kinderbijslag, het verkeersreglement, enz.
BDW en het charisma. Moet dat begrip een nieuwe invulling krijgen? Hoe kan een norse en nukkige man, betweterig maar zeer slim, intelligent en tegelijk populistisch, spits uit de hoek komend, en oh zo overtuigd van het eigen gelijk, zo populair worden? Eerst koketteren met Jan Modaal door zijn frequente bezoeken aan frituur Het Draakske te etaleren en dan net als de net te dikke (en gefrustreerde) Vlaming fors vermageren. Oh zo herkenbaar. Zijn er geen verklaringen? Dat laat ik liever over aan psychologen. Maar een ster is hij ongetwijfeld. En dat speelt de partij uit. Het lijkt wel alsof de man in elke stad en dorp op de lokale lijst zal staan. Vlaanderen zal er straks totaal anders uitzien, qua politieke evenwichten althans. Voor de rest… we trekken er ons geen kl….. van aan.
En dan staat er wel een nieuwe politieke ster op.
Prettige Feestdag.
| June 2013 | ||||||
|---|---|---|---|---|---|---|
| S | M | T | W | T | F | S |
| 1 | ||||||
| 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 | 8 |
| 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 | 15 |
| 16 | 17 | 18 | 19 | 20 | 21 | 22 |
| 23 | 24 | 25 | 26 | 27 | 28 | 29 |
| 30 | ||||||

foto Viviane Decock
© 2009 - Bart Caron // Design: Het Concept / Matthias Malfr