Wat een vreemde discussie toch? De academici die hierover gisteren met hun aangekondigde boek over dit thema pronkten, vertellen geen onzin, zoals de Geert Van Istendaels en verwante zielen vandaag uitbazuinen. Hun standpunt verdient minstens een ernstige discussie.
Als ex-voorzitter van de parlementaire commissie van de Nederlandse Taalunie ben ik helemaal gewonnen voor het Nederlands. Maar voor welk Nederlands? Er zijn zoveel variaties als er mensen zijn. Rijke taal.
Maar ik ben ook voor een taal die ervoor zorgt dat mensen elkaar begrijpen - of is het verstaan - die nuances in expressie toelaat, die literair en ander artistiek werk mogelijk maakt.
Ik vind dat we moeten zorgen voor ons erfgoed, en zeker als dat nog levendig is. Onze dialecten dus.
En ik ben voor talen die leven. Een taal is geen dode materie.
Daarom kies ik voor het algemeen Nederlands én voor dialecten.
Laat ons voor de helderheid van de discussie een onderscheid maken tussen schrijven en spreken. Schrijven en derhalve lezen kunnen we enkel in het Nederlands, en dus moet iedereen die taal zo goed mogelijk beheersen. Bij het spreken daarentegen mag er best wel wat taalvariatie zijn. Een West-Vlaming mag je herkennen aan de tongval ...
Maar laat ons vermijden dat we uit elkaar groeien, Hollanders weg van Vlamingen, Limburgers weg van Oost-Vlamingen. Ons taalgebied is al niet zo groot, zodat de nood aan een standaardmaat blijft. Anders eindigt het met het Engels.
Tussentaal is geen doodzonde, verre van. Maar je mag die niet tot norm verheffen. Anders is het voor van huize uit anderstalige medemensen helemaal ondoenlijk. Voor hen is de standaardtaal noodzakelijk, en dat mag met uitspraakvariatie. Noem je die uitspraak dan tussentaal, het kan mij niet schelen. Je mag van mij horen dat ik een West-Vlaming ben, ik ben er fier op. In mijn geschreven taal zal je dat niet merken. Prima toch?
We adopteerden in onze taal tenslotte ook zoveel Engelse en Franse woorden. Taal leeft. Krampachtig vasthouden aan een oude norm heeft geen zin, afspraken maken wel.
En het dialect? Mooie talen, maar streekgebonden, en net daarom hebben ze een extra-kwaliteit. Ik geniet van de verschillen tussen het Oostends en het Kortrijks, bijvoorbeeld. En toch begrijpen ze elkaar zeer goed. Maar we verheffen geen enkele variatie tot norm. En we laten ze leven, inclusief de import van anderstalige woorden als computer of de bougies.

Deze keer geen satire, geen ironie, geen scherpe aanklacht, maar een dilemma. Ik kan het zelf niet oplossen, en vraag daarom de hulp van de lezer. Het is een probleem in de sfeer van de economie en de werkgelegenheid. Het gaat over nieuwe bedrijfsgebieden en het tekort aan (gepast) personeel. Dat probleem projecteer ik tegen de blijvende economische dip waarin we verkeren. Kunnen we dan blijven pleiten voor een economie die eeuwig moet groeien?
Eerst de ene zijde van de medaille. Veel bedrijven, de werkgeverskoepels en overheden dringen aan op meer reserve aan beschikbare bedrijfsgronden. Zeker in mijn streek, in West-Vlaanderen, is de honger niet te stillen, zo lijkt het wel. De VOKA, Unizo, de Resoc’s, ze roepen op nieuwe terreinen. Er is onvoldoende reserve. Er zijn naar verluidt vele bedrijven die willen investeren en geen geschikte plaats vinden. Daartegenover staat dat de open ruimte steeds verder wordt ingenomen, vooral tot eer en glorie van het ondernemersklimaat. Blijkbaar gaat het toch niet zo slecht met de economie in West-Vlaanderen, zeker niet als we de tendens op een wat langer tijdspad bekijken.
En nu de andere zijde van de medaille. De werkloosheid in West-Vlaanderen, zou die hoog zijn? Uit cijfers van het Europese statistiekbureau Eurostat blijkt dat West-Vlaanderen de regio is met het op zes na laagste werkloosheidscijfer van Europa. West-Vlaanderen komt met 3,2 procent na o.a. Tirol, het Nederlandse Zeeland, en het Duitse Oberbayern en Freiburg. In Spanje daarentegen ... in het Spaanse Ceuta bedraagt de jongerenwerkloosheid liefst 65,8 procent. Voor heel Vlaanderen bedraagt de werkloosheid 7,27 procent, toch nog een fiks stuk hoger dan in West-Vlaanderen.
Hoe dan ook, er is een lange lijst van knelpuntberoepen waar werkgevers geen kandidaten voor vinden. Ook gemeenten en de zorgsector worstelt met dit probleem. Ze zoeken met zijn allen verpleegkundigen, kleuterleidsters, bouwvakkers, chauffeurs enz. Er zijn in Zuid-West-Vlaanderen zowat 13.500 werkzoekenden voor 5.500 vacatures. Een spanningsveld van 2,5, wat een stuk lager ligt dan de 3,5 in heel Vlaanderen. De vijver is dus een stuk kleiner, luidt het. “Er zijn bedrijven die Zuid-West-Vlaanderen daarom op termijn dreigen te verlaten.” aldus Unizo.
En dus gaan al die werkgevers elders op zoek naar personeel. Er wordt gerekruteerd Noord-Frankrijk. Fransen doen trouwens een fiks voordeel van zowat 8.000 euro per jaar. Ook Waalse werknemers worden aangetrokken. Al gaat dat blijkbaar minder makkelijk, onder meer wegens het ontbreken van een financieel voordeel.
En dan de zijkant van de medaille. Van een andere orde dan de twee eerste kanten. Een overgroot deel van de goederen die we hier produceren zijn hoog technologisch en worden geëxporteerd. Daar is niks op tegen uiteraard, maar het is wel de vraag waard of het dan zo nodig is dat deze producten in deze streek moeten worden geproduceerd.
Drie zijden zijn er aan een medaille. We hebben een tekort aan bedrijfsgronden, we hebben een tekort aan personeel en we exporteren veel. Laat ons dan toch kiezen voor minder nieuwe bedrijven, voor minder ruimtebeslag ... Wij, de mensen die hier wonen, worden er toch niet beter van bedrijven aan te trekken die werknemers moeten zoeken die er niet zijn, en producten te maken die we hier niet gebruiken of consumeren? Dan stopt de inname van nieuwe open ruimte, dan hebben landbouwers toch nog enige kansen, kunnen we investeren in natuur, in een aangename leefomgeving, in vrijetijdsvoorzieningen ... Groei, groei, groei ... moet die oneindig blijven doorgaan?
Laat ons inzetten op het (kleine) arsenaal aan werklozen die er zijn. laat ons langdurig werklozen opleiden, laat ons de (vaak verborgen) discriminatie van allochtone medewerkers tegengaan zodat ze meer kansen krijgen op de arbeidsmarkt, laat ons mensen stimuleren om wat langer te werken.
Het alternatief? De massale import van buitenlandse werknemers om bedrijven te laten werken, een toenemende concurrentie tussen regio’s om bedrijven te laten investeren tegen de gunstigste voorwaarden, een toenemende verkeersdruk, om nog te zwijgen over het fijn stof, de nood aan vele nieuwe woningen voor deze werknemers en werkgevers, en het beslag op de open ruimte. Wil u dat? Zouden we niet eens een dikke streep durven trekken over die onophoudelijke groei?
Of maak ik en verkeerde redenering? Zeg het mij.
Mijn Belgisch humeur, is niet verbeterd. Mijn Vlaams humeur evenmin. Mijn boze gedachten over binnenlandse kleinburgerlijkheid zijn nog aangedikt. De gruwelijke lelijkheid die me jaarlijks overvalt bij het binnenrijden van mijn eigen stad – dat doe je nu eenmaal als je van je vakantie terugkomt en de autoweg verlaat – heeft geen metamorfose ondergaan. Integendeel. De pronkzucht van villabewoners met om ter lelijkste opritten en tropische boompjes in de voortuin, de bedrijfsgebouwen in afzichtelijke betonplaten, de weginfrastructuur die eerder aan zuid Europees land in diepe crisis dan aan een welvarend land doet denken, de collectie grote vierwielers die vooruitschuiven van rood licht naar rotonde, en symbool staan voor het ego van de bestuurder, de heringerichte maar nog even smaakloze dorpspleinen, de recente afzichtelijke landbouwschuren – varkenskoten - in de Westhoek die pijn doen aan de ogen. de reclameborden van banken en biermerken, de door zure regen grijsgrauw geworden bakstenen van modale rijhuizen alsof ze de voorbode vormen van een verarmend Vlaanderen.
We leven ongetwijfeld in het lelijkste land van Europa, minstens van West-Europa. En na vele terugkomsten probeer ik te begrijpen waar dat aan ligt. Ik kan toch niet de enige zijn die die lelijkheid opmerkt? Kan niemand dat verklaren?
Ik begin het te begrijpen, zo denk ik toch. We hebben – is het het ‘hadden’ - ongetwijfeld de meest liberale ruimtelijke ordening van de wereld. Alles kon, alles mocht. We hebben veel last van pronkzucht, maar nog meer van kortzichtigheid en van schone schijn. En nog erger, we missen een basaal gevoel voor esthetica. We hebben geen eigen kenmerkende bouwstijl(en), geen typerende straatbeelden, behalve misschien veldkapelletjes en schreeuwlelijke neogotische kerken. God, wat heb je ons aangedaan? Waarom hebben Vlamingen zo weinig gevoel voor schoonheid? De uitzonderingen bevestigen de regel, zeker, maar in essentie is erg, zeer erg. Worden Vlamingen echt gekenmerkt door een bizarre mix tussen een beoogd prestige en de dikte van de eigen portefeuille? Is er niks meer in het leven? Jazeker? Filet pur met pepersaus en ander lekkers. En een buitenverblijf in het buitenland – dan wel in de aldaar gangbare bouwstijl want dat is mooi en sympathiek - waar de Belgische belastingscontroleur niks van af weet. Is het dat soort Vlaanderen dat we aan onze allochtone vrienden (of vijanden) uit Marokko of Turkije moeten aanpraten tijdens de inburgeringscursussen? Is dat nu een ultiem bewijs van integratie?
En als er een mooi gebouw dat op de inventaris van het waardevol onroerend erfgoed staat, welk bouwproject dan ook hindert, dan wordt het meteen onder vuur genomen. Hoe durft de overheid een bouwheer of een investeerder ook maar een strootje in de weg leggen? En toch zijn er al honderden mooie panden gesneuveld om vervangen te worden door qua uitzicht onbeduidende appartementen, vol comfort maar zo lelijk. En met gegarandeerd te weinig autostallen voor de bewoners zodat de lokale overheid weer mag gaan klooien met bewonerskaarten. Appartementisering heet dat fenomeen. Het dringt door tot in de kleinste uithoeken en tasten daar het dorpse karakter grondig aan. Ik betrap er mezelf op dat ik in onze dorpskernen toch wat eigenheid ontwaar, al blijkt het hoog tijd om ook dat te vernietigen.
Moet ik dan ook nog beginnen te zagen over het onoordeelkundig morsen met (open) ruimte? Planmatig indelen van woongebieden, landbouw, natuur, bedrijfsterreinen ... vele decennia lang is het niet gebeurd en met het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen is het een klein beetje verbeterd, maar er zitten nog veel gaten in de kaas. We slagen er niet eens in open landschappen te hebben die niet ontsierd worden door constructies van welke aard ook.
En klagen over de bedrijfsterreinen zal ik zeker niet doen. Er is geen beginnen aan, zo veel lelijkheid bij elkaar kan een mens zich niet eens voorstellen. Ooit zullen we ze beschermen, als restant van een tijdsgewricht dat we ons liever niet herinneren. Om dat nooit meer te herhalen.
Leve de Vlaamse baksteen in de maag, leve het vastgoed, leve het lelijke Vlaanderen, als mijn villa-oprit maar schoon is. Niet allen van de slechte smaak, maar ook van de schone schijn zijn wij wereldkampioenen.
Oh ja, ook elders in Europa is het niet allemaal zo goed geregeld. Maar dat is blijkbaar niet eens nodig. Het is er nog veel mooier dan bij ons. En tegelijk maken de mensen er zich niet zo’n grote zorgen over. Ik houd van het ‘je m’en foutisme’ dat zo eigen is aan zuiderse landen. En van hun goede smaak. Ja, ook dat is een bizarre mix. Maar ze tonen toch dat er méér is in het leven.
Maar wij maken ons daarover geen zorgen. Wel over ons portefeuille. De gouverneur van de nationale bank, politicus van staat Luc Coene, kondigde opnieuw barre tijden aan, en als bij toeval blijkt België een negatieve economische groei tegemoet te gaan. Of dat zo erg is, laat ik in het midden – misschien moeten we ook maar eens durven zeggen dat economische groei in het Westen niet oneindig / eeuwig kan doorgaan - maar Steven Vanackere mag het straks gaan uitleggen in de kamercommissie en Kris Peeters in het Vlaams parlement. Het land staat in rep en roer, de begrotingen zullen weer eens last krijgen van roodvonk, de zwakke maatschappelijke sectoren mogen straks weer inleveren.
En de bezitters van die pronkzuchtige villa’s en dikke vierwielers, die blijven netjes buiten schot.
Mijn zomer begint pas als ik me van beslommeringen kan ontdoen. Zijn alle mails beantwoord?nota’s klaar? Programmapunten uitgeschreven? Heb ik het to-dolijstje klaar? Auto gekeurd? De belastingsaangifte ingevuld? Haag gesnoeid? Kleine herstellingen gebeurd? En nog veel meer van dat gedoe?
Geraak ik er niet door, dan doe ik de domste dingen. Vorige week nog, toen we enkele dagen naar Noord-Engeland trokken. Ik vergat mijn bril in een huurauto, ik printte de boarding pas niet uit, ik reed tegen een Yorks muurtje, stapte op de verkeerde trein in Brussel, reserveerde te laat mijn tickets voor Theater aan Zee, vergat mijn gsm, kwam net niet te laat voor een optreden, enzovoort.
Zou het kunnen wijzen op een lichte vorm van autisme? De agenda zit veel minder vol dan tijdens het politieke werkjaar, en toch doe ik stommiteiten aan de lopende band. Maar wat nog veel erger is, ik snak ernaar te lezen, boeken die soms als maanden op het schap liggen te wachten, en ik kom er niet toe. Deze dagen maakt een soort van workaholicse onrust van mij meester, zodat lezen weer wordt uitgesteld. De olympische spelen kunnen nog net mijn aandacht vasthouden, al bekijk ik die uit de linker ooghoek op de iPad terwijl ik die verdomde mailbox probeer te ontvetten.
Hoe geraakt een mens van die onrust af? Het is niet dat ik met niet van de politiek kan onthechten. Kranten krijgen nog nauwelijks aandacht, politieke feiten waarop ik tijdens het jaar stante pede op reageer lijken me dezer dagen het handelen niet waard. Ik zou kunnen reageren op de verklaring van Ingrid Lieten dat politici reclame moeten kunnen op radio en tv tijdens de zgn. sperperiode, op Geert Bourgeois die een verderfelijk inburgerings- en integratiedecreet gauw gauw door de regering jaagt, op Joke Schauvliege die al even gehaast een ministerieel besluit wijzigt om afvalboer Galloo uit Menen te plezieren, op dezelfde Bourgeois die een draak van een ontwerpdecreet over onroerend erfgoed forceert, op het onbestaande internationaal cultuurbeleid van Schauvliege enzovoort. Maar ik doe het toch niet. Niet dat ik niet wil, dat ik te lui zou zijn, of niet geïnteresseerd ben, maar om onverklaarbare redenen ontbreekt het mij aan een gevoel van urgentie. Ik ben niet alleen. De kranten mijden ernstige onderwerpen als de pest en vullen hun pagina’s met fait divers. Met de beste persberichten haal je hun kolommen niet.
De uitleg zal en moet eenvoudig zijn. Het is zomer en tijd voor vakantie. Het gewicht van politieke daden lost op in zomerse activiteiten. En eigenlijk mag een mens daar niet over klagen. Want het wordt nog veel sterker, dat gevoel van niet-urgentie. Je kent het zeker ook, dat gevoel, telkens je terugkeert uit vakantie en de krant openslaat: waar zijn wij hierin godsnaam allemaal mee bezig? Over welke futiele ‘problemen’ maken wij ons torenhoge zorgen? Als we eerlijk durven zijn, dan zien we wat we zien: een welvarend land, een lelijk land en een onverdraagzaam land. Een land dat niet meer kan zonder GAS-boetes voor rondhangende jongeren, dat klacht indient als de hond van de buren uitgebroken is, een land dat een losliggend tegel in het voetpad of een spriet onkruid in het publiek domein tot een wereldprobleem verheft. Verwend nest, smal denkend Vlaanderen, kleinburgerlijk volkske, land van kopie-fermettes, dikke auto’s en zwart geld. Kust gij allemaal mijn kl…, is er het belangrijkste levensideaal, vrees ik. Zo gaat dat als de wereldproblemen door de eigen portefeuille passeren.
Zou het precies die mentaliteit zijn die me een halve politieke depressie bezorgt? Ik kan er alleen mee overweg als ik die irritatie op tijd en stond compenseer. Kunst is de beste troost tegen politieke depressies, én het meest effectieve antigif tegen kleinburgerlijkheid. Ik heb de voorbije weken erg genoten van voorstellingen op Theater aan Zee, op Dansand en Humorologie. Ik was gefascineerd door Sol LeWitt in M in Leuven - een absolute aanrader - heb genoten van Beaufort en de Poëziezomer in Watou. Helemaal klaar om de renaissance in te duiken. Op naar Italië. Weg van de beslommeringen. En veel lezen ...
PS Ik weet het ook wel, we leven in een niet-beter en in een niet-slechter land. De problemen elders zijn meestal nog groter, de mentaliteit even kleinburgerlijk en onverdraagzaam ...
| August 2012 | ||||||
|---|---|---|---|---|---|---|
| S | M | T | W | T | F | S |
| 1 | 2 | 3 | 4 | |||
| 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 |
| 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 |
| 19 | 20 | 21 | 22 | 23 | 24 | 25 |
| 26 | 27 | 28 | 29 | 30 | 31 | |

foto Viviane Decock
© 2009 - Bart Caron // Design: Het Concept / Matthias Malfr