bartcaron.be

Overmatige schuldenlast

Ingediend op mei 8th, 2007 door bartcaron

Vraag om uitleg van de heer Bart Caron tot mevrouw Inge Vervotte, Vlaams minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, over de bestrijding van overmatige schuldenlast

De heer Bart Caron: Mijnheer de voorzitter, mevrouw de minister, collega’s, zowat een jaar geleden stelde ik een vraag over het beleid ter bestrijding van overmatige schuldenlast. De aanleiding was toen de verontrustende berichtgeving over de toenemende wachtlijsten bij de diensten voor schuldbemiddeling, een thematiek die in deze commissie ondertussen al verschillende keren is besproken.

Mevrouw de minister, in uw antwoord kondigde u vorig jaar enkele acties aan. Ik zet ze nog even op een rijtje. Aangezien er heel weinig aandacht besteed wordt aan budgetbeheer en huishoudmanagement bij jongeren en de schulden binnen deze groep alsmaar schijnen toe te nemen, zei u dat u nog in 2006 de opdracht ging geven om een lessenpakket samen te stellen dat ingezet kan worden in middelbare scholen. Het pakket zou, behalve het informatieve onderdeel en de sensibilisering, ook budgetbeheer bevatten. Het zou ter beschikking worden gesteld van het derde, vierde of vijfde jaar van het middelbaar onderwijs.

U stelde toen ook dat u overleg pleegde met de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten (VVSG) om na te gaan hoe het decreet over de registratie van die gegevens zou worden uitgevoerd. Over het observatorium is hier al gepraat. Er werden voorstellen geformuleerd en er zou een goed softwarepakket worden gemaakt.
U stelde dat de financiële situatie van het Vlaams Centrum Schuldbemiddeling (VCS) versterkt zou worden. Het centrum zou ook een aantal bijkomende opdrachten krijgen, onder meer het verzamelen van informatie en documentatie. Ik meen dat daarover een en ander staat in het voorstel van decreet dat we toen hebben goedgekeurd, maar ik wil nu een stand van zaken krijgen. Er zijn dus een aantal dingen gebeurd, maar voor de volledigheid wil ik nog een aantal vragen stellen.

1. Wat is de stand van zaken met betrekking tot het lessenpakket? Is het samengesteld?

2. Welke inhoud heeft het? Hebben scholen er al gebruik van gemaakt?

3. Bent u nog van plan om andere maatregelen te nemen om jongeren te sensibiliseren rond overmatige schuldenlast?

4. Wat is de stand van zaken met betrekking tot het registratiesysteem?

5. Vanaf wanneer kunnen de diensten schuldbemiddeling er gebruik van maken?

6. Hoeveel middelen krijgt het VCS voortaan jaarlijks voor zijn opdrachten? Bent u van plan deze middelen de komende jaren nog uit te breiden?

7. Welke acties zult u nog ondernemen om de overmatige schuldenlast in Vlaanderen te bestrijden?

Minister Inge Vervotte: Mijnheer Caron, het pakket is inderdaad al samengesteld. Het lessenpakket ‘Op eigen benen’ is uitgewerkt door een werkgroep van OCMW’s, diensten voor schuldbemiddeling en leerkrachten van het beroepsonderwijs. Het is bedoeld voor de studenten van de derde graad van het beroepsonderwijs, de meest kwetsbare groep inzake deze problematiek.
Dit lessenpakket is tot stand gekomen vanuit de vaststelling dat de OCMW’s steeds meer geconfronteerd worden met jongeren in financiële moeilijkheden. Het wil de jongeren voorbereiden op het leven na de school. Het pakket sluit heel goed aan bij de leefwereld van deze jongeren en is preventief ten aanzien van de schuldenproblematiek.

Het was trouwens ons opzet om niet alleen op het einde van de rit, maar ook preventief te werken. Het voordeel van dit lessenpakket is dat het kan worden geïntegreerd in de reguliere lessen, in het project algemene vakken (PAV) en in maatschappelijke vorming (mavo). Dat is voor ons cruciaal. We willen ook dat dat op een grondige, geïntegreerde manier gebeurt. We hebben het er in de commissie al vaak over gehad dat we veel verwachten van het onderwijs, maar dat het ook realiseerbaar moet blijven.
Nog vóór het reces zullen alle leerkrachten PAV en mavo van de Vlaamse scholen voor beroepsonderwijs, via de directies, gratis een lessenpakket ter beschikking krijgen. De scholen die met deze pakketten aan de slag willen, kunnen gratis de nodige exemplaren voor de leerlingen bestellen. Desgewenst zullen we ook een exemplaar bezorgen aan de commissie. Alle afspraken met de uitgeverij zijn ondertussen gemaakt.

We mikken op het schooljaar 2007-2008. Voor deze actie heb ik 85.000 euro uitgetrokken. Ik plan een herhaling van deze actie voor het schooljaar 2008-2009. Het VCS kreeg de opdracht om na te gaan of er ook binnen het ASO en TSO behoefte is om met dit of een soortgelijk pakket te werken. De moeilijkheid hier is dat dit niet geïntegreerd kan worden binnen de bestaande vakken. Daarenboven is het een nieuwe preventieve opdracht van het VCS om andere maatregelen voor te stellen om jongeren te sensibiliseren. Volgens de decreetswijziging is het de opdracht van de Vlaamse Regering om het uniforme registratiemodel te bepalen. Gezien de complexiteit van het thema en de bestuurlijke randvoorwaarden, heb ik ervoor gekozen om dit te ontwikkelen samen met de vertegenwoordigers van de centra voor algemeen welzijnswerk (CAW) en de OCMW’s.

De afgelopen maanden hebben zij, op basis van de bestaande praktijkervaring, een beperkt registratiemodel uitgewerkt. Op 29 maart 2007 heb ik aan de diensten voor schuldbemiddeling een brief geschreven waarin ik hen vraag om aan de hand van het beperkte registratiemodel alle lopende dossiers van 2007 te registreren en deze cijfers vóór 31 januari 2008 te bezorgen aan het VCS. Dit registratiemodel maakt een onderscheid tussen verschillende soorten van dossiers: budgetbegeleiding, budgetbeheer en schuldhulpverlening.
Zonder op de technische details in te gaan, wordt de schuldhulpverlening nog eens opgesplitst in de eenmalige bemiddeling, de bemiddeling zonder of met budgetbegeleiding of budgetbeheer en de collectieve schuldenregeling.
Een handleiding voor dit registratiemodel is uitgeschreven door het VCS. Een uitgebreider en definitief model wordt momenteel uitgewerkt. Dit definitieve model zal voorgelegd worden aan de Vlaamse Regering en zal vanaf 2008 gehanteerd worden door de diensten voor schuldbemiddeling.

Het VCS wordt jaarlijks voor 174.000 euro gesubsidieerd. Voor zijn nieuwe preventie- en onderzoeksopdracht heeft het een bijkomende subsidie van 100.000 euro ontvangen. Vanaf 2008 worden alle opdrachten van het VCS in een overeenkomst samengebracht. Deze middelen kunnen worden uitgebreid in functie van specifieke projecten. Zo krijgt het VCS dit jaar een bijkomende subsidie van 34.000 euro om een nieuw draaiboek te ontwikkelen voor de diensten schuldbemiddeling.
Dit draaiboek moet worden beschouwd als een soort methodische handleiding voor een kwalitatieve schuldbemiddeling.

Voor de ontwikkeling van bijkomende beleidsmaatregelen willen we natuurlijk maximaal een beroep doen op de ervaring en de kennis van de mensen zelf. Het VCS bundelt de krachten van de vertegenwoordigers van de CAW’s en de OCMW’s. De opdrachten van het centrum zijn ondertussen al lang bekend.

Daarnaast heb ik aan de administratie de opdracht gegeven om een Vlaams platform voor schuldoverlast op te richten. Een eerste bijeenkomst heeft plaatsgevonden op 19 april 2007 onder het voorzitterschap van professor Bertel De Groote. Tweemaal per jaar zullen academici, verbruikersorganisaties, vertegenwoordigers van de beslagrechters, van de arbeidsrechtbank, van de kredietsector, van de incasso-ondernemingen, van de gerechtsdeurwaarders, van de VVSG, van het steunpunt Algemeen Welzijnswerk (SAW), van Welzijnszorg, van het VCS, van het Vlaams Netwerk van verenigingen waar armen het woord nemen, van het werkveld, van het kabinet en van de administratie met elkaar in gesprek gaan, reflecteren en debatteren over de brede problematiek. Ook de federale aspecten ervan komen daarbij aan bod. Dit zal leiden tot gerichte beleidsacties.

Het zal het onderlinge begrip versterk
en en aldus aanleiding geven tot meer samenwerking. Voor ons is dat essentieel.
Het project waar u naar verwezen hebt, kennen we niet. We willen het zeker en vast eens bekijken. Er zijn al heel wat initiatieven genomen. Daarom is het juist zo essentieel dat er een platform en kenniscentrum is om kennis te nemen van de goede praktijken en methodiekontwikkelingen en om ze, waar mogelijk en noodzakelijk, beter in te zetten.

Ingediend onder in de commissies Reacties uitgeschakeld voor Overmatige schuldenlast

Geplande restauraties voor 2007

Ingediend op april 26th, 2007 door bartcaron

Vraag om uitleg van de heer Bart Caron tot de heer Dirk Van Mechelen, Vlaams minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening, over de geplande restauraties voor 2007

De heer Bart Caron: Mijnheer de minister, geachte collega’s, elk jaar legt de minister in het kader van de begroting de budgetten voor restauratie vast. Die vallen traditiegetrouw uiteen in dossiers voor de priv

Ingediend onder in de commissies Reacties uitgeschakeld voor Geplande restauraties voor 2007

Internetstreaming voor lokale en regionale radio’s

Ingediend op maart 15th, 2007 door bartcaron

Vraag om uitleg van de heer Bart Caron tot de heer Geert Bourgeois, Vlaams minister van Bestuurszaken, Buitenlands Beleid, Media en Toerisme over internetstreaming voor lokale en regionale radio’s

De heer Bart Caron: Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minster, collega’s, op technisch vlak is internetradio in volle opmars. We luisteren al heel vaak via de computer naar de radio, bijvoorbeeld ook naar buitenlandse radiozenders met gespecialiseerde muziek. Via nieuwe technologieën als 3G en wifi, zal internetradio ook beluisterd kunnen worden op meer traditionele radiotoestellen, zoals autoradio’s, en met een betere ontvangst dan vroeger.
Het onderscheid tussen het omroepen via de radio en het verspreiden van een programma via het internet wordt steeds kleiner. Daarnet hadden we het al even over internet-tv, dit is een gelijkaardig verhaal.
De mediadecreten bevatten ter zake wel bepalingen; bepalingen die twijfels oproepen, maar die ook zaken vastleggen. Het heeft natuurlijk betrekking op iets wat bij ons gebeurt, terwijl het internet regionale en landsgrenzen overschrijdt. Als je hier naar Amerikaanse zenders luistert, zijn die zenders uiteraard niet gebonden aan de Vlaamse regelgeving. We kunnen dat in elk geval niet afdwingen.

De komst van de portabele internetradio zal ongetwijfeld een grotere verandering zijn dan enig andere. Mogelijk zal dat de FM-band of zelfs de DAB naar de kroon steken, al is dat natuurlijk koffiedik kijken. De nieuwe technologie steekt wel de grenzen van onze eigen regelgeving voorbij, of gaat ze in elk geval voortdurend bevragen en doorprikken.
Het is volgens mij niet aangewezen om de mediadecreten zo aan te passen, dat ze tal van verplichtingen of beperkingen opleggen. Het gaat mij niet over de buitenlandse zenders, die hier onbeperkte toegang hebben, maar dezelfde problematiek treedt op bij radiozenders van bij ons. Of het nu gaat om Amerikaanse radiostations of lokale zenders van hier, de technologie is dezelfde. De beperkingen die het mediadecreet oplegt met betrekking tot het zendbereik van regionale radio, die op de klassieke manier via de ether wordt uitgezonden, worden hier eigenlijk aangetast. Via het internet worden de grenzen gesloopt. Een aantal lokale vrije radio’s streamen nu al via internet. Daardoor gaan ze veel breder dan hun klassieke zendgebied via de ether zou mogen zijn. Is het zinvol om eenvoudig te stellen dat wie geen vergunning heeft om landelijk uit te zenden, dat ook niet via internet mag doen? Dat is volgens mij niet realistisch.

Er leeft wat onrust bij de lokale en regionale radio’s. Zij horen immers dat ze hun streaming via internet zouden moeten stopzetten. Er zijn hier in het verleden gelijkaardige vragen gesteld. De technologie blijft echter evolueren, zodat ook het antwoord op de vragen telkens verschilde.

Klopt het gerucht – het gaat dus niet om een roddel – dat de Vlaamse Regering initiatief wil nemen om de streaming via internet door radiozenders die geen vergunning hebben om landelijk uit te zenden, te verbieden? Is het de bedoeling om internetstreaming voor radio enkel toe te laten voor de VRT en de private landelijke radio’s? Zo ja, welke grondige redenen zijn er voor een dergelijke beperking? Moet een dergelijk verbod volgens u dan ook gelden voor zenders die enkel via het net uitzenden, of enkel voor stations die lokaal of regionaal over FM uitzenden

Ingediend onder in de commissies Reacties uitgeschakeld voor Internetstreaming voor lokale en regionale radio’s

Digitale ethertelevisie

Ingediend op maart 15th, 2007 door bartcaron


Vraag om uitleg van de heer Bart Caron tot de heer Geert Bourgeois, Vlaams minister van Bestuurszaken, Buitenlands Beleid, Media en Toerisme over de toekomst van de digitale ethertelevisie

De heer Bart Caron: Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, collega’s, mijn vraag is gebaseerd op een document van Cable Belgium, waarvan de heer Johan Op de Beeck secretaris-generaal is. Dat is al aan bod gekomen, maar ik was toen niet aanwezig omdat ik bij de commissie Digitaal Vlaanderen moest zijn. In ieder geval heeft het duidelijk betrekking op het mediabeleid. 
Cable Belgium is de koepelvereniging ter belangenbehartiging van de Belgische kabelmaatschappijen. Hun document heet een ‘position paper’ en gaat over digitale ethertelevisie. Dat is niet hun corebusiness, ze zijn gespecialiseerd in kabeltelevisie. Dat zegt al iets op zich. Ze zijn terecht zeer bekommerd om de toekomst van de digitale televisie, in de goede of slechte zin, dat laat ik in het midden.

De kabelmaatschappijen stellen in de paper dat ze op dit moment een belangrijke bijdrage leveren aan de informatiemaatschappij. Ze leveren een heel ruim kwalitatief televisieaanbod, met belangrijke keuzemogelijkheden voor de eindgebruiker, video op aanvraag, digitale communicatie en soms ook e-mail. Ongeveer vier miljoen Vlaamse gezinnen zijn bediend. Mijnheer de minister, u had het over een dekking van 97 percent. Het gaat dus om een belangrijke speler met een heel grote toegankelijkheid.
De kabelmaatschappijen zijn ongerust over de analoge switch off, of eerder switch over. Ze vrezen dat hun werkzaamheden zullen worden beïnvloed indien: “ … de frequenties voor digitale ethertelevisie gebruikt zullen worden voor een aanbod dat complementair is ten opzichte van de bestaande infrastructuur (…) dan wel voor een aanbod dat hiermee concurrentieel is, DVB-T.”

Het is duidelijk dat de kabelmaatschappijen ongerust zijn over de komst van digitale ethertelevisie, waarvan ze het potentiële en later effectieve marktaandeel niet kunnen inschatten. Dat kunnen wij ook niet. Ze vrezen dat de overheid overweegt om televisieomroepen via DVB-T gratis ter beschikking te stellen. Ik denk dat de openbare omroep in het kader van de universele dienstverlening sowieso ter beschikking moet worden gesteld.
Cable Belgium vreest dat bij een gratis aanbod grote aantallen gebruikers zullen afzien van het gebruik van de kabel en dus hun abonnement zullen opzeggen. “Een gratis etherpakket met alleen enkele binnenlandse zenders doet in dat opzicht terugdenken aan de beginjaren van de televisie.” Ik denk daarbij aan mijn kindertijd, ik vond dat een wonder. Maar dat bedoelen ze natuurlijk niet. Ze doelen op een heel smal aanbod met een beperkt aantal zenders.

In deze commissie heb ik in een vorige vraag mijn bekommernis uitgesproken over de analoge antennekijkers. Dat gebeurt vaak in een tweede verblijf, op campings of bij mensen die tevreden zijn met een beperkt aanbod. Die mensen zijn vaak hevige internetgebruikers, die daar ontspanning en informatie halen.
Daarenboven bevatten onze decreten de zogenaamde mustcarryregel. Die legt de kabelnetwerken in Vlaanderen de verplichting op om de programma’s van de openbare en regionale omroepen door te geven. Wij vragen van de verschillende netwerken met een significant aantal eindgebruikers een mustcarryregeling voor de VRT. Deze verplichting geldt niet voor de aanbieders van satellietpakketten, maar ik begrijp dat ze allemaal de nationale omroepen wel effectief in hun pakket hebben.
Cable Belgium haalt ook een machtsargument aan, dat in mijn ogen niet zo indrukwekkend machtig is. Het stelt dat de Europese Commissie reeds in ten minste

Ingediend onder in de commissies Reacties uitgeschakeld voor Digitale ethertelevisie

Niet-begeleide minderjarigen in gesloten opvangcentra voor volwassenen

Ingediend op oktober 24th, 2006 door bartcaron

Vraag om uitleg van de heer Bart Caron tot mevrouw Inge Vervotte, Vlaams minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, over het plaatsen van niet-begeleide minderjarigen in gesloten opvangcentra voor volwassenen
 
De heer Bart Caron: Mevrouw de voorzitter, mevrouw Merckx, ik ben blij dat we dezelfde bekommernis delen. Ik zal me beperken tot enkele aanvullende opmerkingen omdat u het kader erg goed hebt geschetst. In mijn vraag pleit ik voor meer verduidelijking. Ik zit al twee jaar in het Vlaams Parlement, maar het is onwezenlijk ingewikkeld om deze materie te begrijpen. Dat staat haaks op de thematiek. Ik vind het niet kunnen dat we in deze samenleving zo’n complexiteit en slechte bevoegdheidsverdeling kennen om zo’n menselijk leed mee op te lossen. Ik vraag me dan ook af waar we in godsnaam mee bezig zijn. Mevrouw de minister, dat is geen verwijt naar u, maar wel datgene wat me het meest tegen de borst stuit.

De situatie is verbeterd en de minister heeft al een aantal inspanningen gedaan. Er is ook nieuwe federale regelgeving waarin in een voogd wordt voorzien en er zijn een aantal speciale opvangcentra. Op 19 mei was er dan de beslissing van de federale regering om geen minderjarigen meer op te sluiten in gesloten centra. We zijn ondertussen vijf maanden verder en nog steeds zijn geen uitvoeringsbesluiten genomen die dat in praktijk moeten brengen. Hoe is dat mogelijk? Dat kan niet.

Deze materie grenst ook aan de Vlaamse bevoegdheden. Denk maar aan de discussie die we hebben gehad over waar onze verantwoordelijkheid ligt, bij de asielzoekers of niet-asielzoekers, en over wat de verhouding is met de bijzondere jeugdzorg en andere vormen van zorg voor jongeren.

Mevrouw de minister, ik weet dat dit niet uw bevoegdheid is, maar misschien hebt u meer zicht op de situatie. Hoeveel jongeren zitten in die situatie en worden in gesloten opvangcentra geplaatst? Is dat te wijten aan een gebrek aan opvangplaatsen? Wie is daarvoor verantwoordelijk? Tot waar reikt de verantwoordelijkheid van de betrokken overheden, zowel de Vlaamse als de federale? Hoe is de huidige situatie? Hoe ziet u de toekomstige situatie? Hoe evolueren de beschikbare opvangplaatsen? Bent u als Vlaams minster van Welzijn bereid overleg te plegen met uw federale collega’s en hen te vragen dat er in afwachting van de uitvoering van de wet geen minderjarigen meer worden opgesloten in de gesloten centra, en te pleiten voor betere garanties voor jongeren die worden teruggestuurd naar het land van herkomst opdat adequate opvang door hun familie wordt gegarandeerd?

Minister Inge Vervotte: Mevrouw de voorzitter, dames en heren, de zaak-Tabitha waar de vraagstellers naar verwijzen, dateert van 2002. De Belgische staat werd recent in deze streng veroordeeld door het Europees Hof voor de Mensenrechten in Straatsburg. Ik heb geen informatie over het concrete dossier, maar moet mij, net als de vraagstellers, baseren op berichten in de media. Ook inzake de Chinese jongeren kan ik geen uitspraken doen over het concrete dossier. Ik zal wel dieper ingaan op alle andere elementen die aan bod zijn gekomen.
Ik ga ervan uit dat de niet-begeleide buitenlandse minderjarigen, zoals aangekondigd in het persbericht van minister Dupont van 9 juni 2006, steeds zullen worden opgevangen in een van de observatie- en oriëntatiecentra die onder de bevoegdheid van de minister van Maatschappelijke Integratie vallen, met name in Neder-over-Heembeek en Steenokkerzeel.

Samen met u moet ik vaststellen, onder andere door de zaak-Tabitha en door het rapport van Vluchtelingenwerk, dat de federale overheid niet-begeleide buitenlandse minderjarigen plaatst in gesloten opvangcentra voor volwassenen. Daarenboven blijkt dat minderjarigen die vergezeld zijn van hun ouders, de zogenaamde begeleide buitenlandse minderjarigen, opgesloten worden in gesloten centra zonder dat er voor deze kinderen aangepaste psychologische of pedagogische begeleiding is of voldoende gekwalificeerd personeel.

In een persbericht van 9 juni 2006 heeft de federale ministerraad nochtans aangekondigd dat er “geen opsluitingen van niet-begeleide buitenlandse minderjarigen in de gesloten centra meer zullen zijn”. Daarna heeft de ministerraad, op voorstel van minister Dupont, een amendement op het wetsontwerp inzake de opvang van asielzoekers goedgekeurd. Het amendement wil een einde stellen aan de opsluiting van niet-begeleide minderjarige vreemdelingen in de gesloten centra. Wij kunnen alleen maar hopen op een verdere vooruitgang van het dossier. Wij hebben geen andere informatie dan dat het amendement is goedgekeurd.

Door de bijzondere wet tot hervorming der instellingen van 8 augustus 1980 zijn de gemeenschappen onder meer bevoegd geworden voor het onthaal en de integratie van inwijkelingen en de jeugdbescherming. Het vreemdelingenbeleid is echter een exclusieve federale bevoegdheid. De stelling dat de opsluitingen van begeleide en niet-begeleide buitenlandse minderjarigen in gesloten centra het gevolg zouden zijn van een tekort aan opvangplaatsen is onjuist. Wij kunnen dat aantonen. Ik lees op de website van Fedasil dat er 548 plaatsen beschikbaar zijn in de federale opvangcentra en dat er daarvan op 4 september 2006 382 ingevuld zijn. Zonder uitspraken te willen doen over concrete dossiers – wat mijn bevoegdheid niet is – lijkt het me eerder een kwestie van interpretatie van de regelgeving inzake vreemdelingenbeleid door de federale diensten dan van de beschikbaarheid van opvangplaatsen.

De mogelijke impact van een goedkeuring door het federale parlement ter zake op de Vlaamse voorzieningen en gemeenschapsinstellingen is moeilijk in te schatten. Het is mogelijk dat er een impact is, maar we hebben geen zicht op de aantallen. Dit is afhankelijk van de afspraken tussen de federale overheid en de gemeenschappen over het opvangtraject voor niet-begeleide buitenlandse minderjarigen. We voeren hierover gesprekken: zowel bilateraal tussen mijn kabinet en het kabinet van de federale minister, als multilateraal met het federale niveau en de andere gemeenschappen. Wij hebben vandaag dus geen zicht op de impact van dit probleem, maar dat heeft te maken met de gemaakte afspraken over het opvangtraject – en daarover is het overleg momenteel bezig.

In de gesprekken met de federale overheid wordt gewerkt aan een uniform, transparant en aaneengeschakeld modeltraject voor alle niet-begeleide buitenlandse minderjarigen, ongeacht hun statuut, zoals ik toen ook in de commissie heb gezegd dat het onze wens was. Hierbij moet voor mij de hulpvraag van de jongeren centraal staan. Tot op heden gaan alle betrokken partijen uit van een drie fasen tellende opvang.

In een eerste fase van een vijftiental dagen zouden de minderjarigen met het oog op identificatie, leeftijdsbepaling, toewijzing van een voogd enzovoort eerst worden opgenomen in de federale centra van Neder-over-Heembeek of Steenokkerzeel. In een tweede fase zou het accent komen te liggen op observatie en oriëntatie, waarbij voor elke niet-begeleide buitenlandse minderjarige een vervolgtraject wordt uitgetekend op basis van zijn of haar hulp- en zorgvraag. De derde fase is de vervolgopvang. Daar is het waar wij optreden.

Hierbij wens ik uitdrukkelijk bijzondere aandacht te besteden aan de kwetsbaarste groepen, zoals minderjarigen jonger dan dertien jaar, ongehuwde moeders, slachtoffers van mensenhandel enzovoort. Voor ons is het heel cruciaal dat wij ervoor kunnen zorgen dat de hulpvraag primeert, zodat wij er zeker van kunnen zijn dat onze hulp- en dienstverlening terechtkomt bij wie er nood aan heeft.

Het is geen sinecure om met meerdere partners, de andere gemeenschappen en het federale kabinet, een akkoord te bereiken over de taakverdeling binnen een dergelijk traject en over de financiering van elk onderdeel ervan.

Zoals eerder al meegedeeld, heeft mijn kabinet in mei het initiatief genomen om bilateraal te overleggen met het kabinet van minister Dupont om dat dossier
terug vlot te trekken. Dat resulteerde op 3 juli 2006 in een nieuw overleg met de verschillende gemeenschappen. Het genoemde modeltraject blijft voor ons het uitgangspunt. Bilateraal wordt nu met het kabinet van minister Dupont gepraat om hieraan een concretere invulling te geven. De eerstvolgende afspraak is in november.

Wat betreft het huidige aantal opvangplaatsen in Vlaanderen, verwijs ik naar mijn toelichting in de commissie op 6 juni 2006. We hebben ervoor gekozen om met de VIA-middelen capaciteit in te zetten voor deze doelgroep: vijf residentiële, 1 bis, en zestien ambulante eenheden voor de dienst Begeleid Zelfstandig Wonen toegewezen aan Minor Ndako in Brussel. Ik verkoos uitdrukkelijk om de eerste uitbreiding in het kader van het globaal plan in te zetten op de as Brussel-Mechelen-Antwerpen. Daar waren inderdaad de grootste tekorten. Dit is dan ook de reden waarom de vraag naar uitbreiding van Juna niet werd gehonoreerd. De omzendbrief die ik nu heb verstuurd over de verdere uitvoering van het Globaal Plan Bijzondere Jeugdzorg voorziet in bijkomende capaciteitsuitbreiding. Er zal worden nagegaan hoe die het best operationeel kan worden gemaakt.

In de dienstnota van januari 2006, waarnaar ik op 6 juni 2006 heb verwezen, hebben wij de definitie van niet-begeleide buitenlandse minderjarigen opgenomen. U weet dat deze definitie de jongeren uit een nieuwe Europese lidstaat uitsluit. We hebben toen ook de reden toegelicht waarom we dat hebben gedaan. Wij pleiten in de dienstnota voor deze definitie omwille van de eenvormigheid. Het heeft geen zin om op verschillende niveaus verschillende definities te hanteren. Die definities maken ook deel uit van het overleg. Wij stellen voor de definitie te volgen die de Raad van de Europese Unie hanteert in zijn resolutie van 26 juni 1997: “Onderdanen van derde landen jonger dan achttien jaar die zonder begeleiding van een volwassene die krachtens de wet of het gewoonterecht voor hen verantwoordelijk is, op het grondgebied van een lidstaat aankomen voor de duur dat zij niet daadwerkelijk onder de hoede staan van zo’n volwassene (…) en minderjarige onderdanen van derde landen die na hun aankomst op het grondgebied van de lidstaten zonder begeleiding worden achtergelaten.” Deze resolutie is in België nog niet in uitvoering. Dat is de definitie die wij het liefst zouden hanteren.

Ingediend onder in de commissies Reacties uitgeschakeld voor Niet-begeleide minderjarigen in gesloten opvangcentra voor volwassenen

Uitbreidingsbeleid kinderopvang in relatie tot BBB

Ingediend op juli 4th, 2006 door bartcaron

Vraag om uitleg van de heer Bart Caron tot mevrouw Inge Vervotte, Vlaams minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, over het uitbreidingsbeleid kinderopvang en de band met het Beter Bestuurlijk Beleid (BBB)

De heer Bart Caron: Mijnheer de voorzitter, ik heb gemerkt dat u in een gulle bui bent de laatste tijd, en ik ben daar heel gelukkig om. Er staat namelijk een vraag van mij geagendeerddie ik eigenlijk had moeten herwerken omdat ze door de actuele vraag van mevrouw Van der Borght ‘voorbijgereden’ is. Ik had mijn vraag dan omgezet in een schriftelijke vraag. Ik erken ook dat een aantal elementen eigenlijk al beantwoord zijn. Ik merk echter dat u ook graag eens de schuiven leegmaakt.

Ik ben blij dat mijn vraag op de agenda is gekomen en ik zal me beperken tot de kern van de zaak. Er is heel veel commotie geweest over die toekenning van die gesubsidieerde plaatsen in de kinderopvang. Mevrouw Van der Borght heeft daar al een vraag over gesteld vanuit het standpunt van het gemeenschapsonderwijs. Ze zal daar dadelijk op terugkomen, ik laat haar dat terrein.

Wat is de essentie van mijn vraag? In het verleden besliste de minister na gemotiveerd advies van de raad van bestuur van de voorloper van het agentschap – de VOI in dit geval – die daarover ging, Kind en Gezin. Tot op dossierniveau werd er door Kind en Gezin advies gegeven over mogelijke uitbreiding. Daaraan vooraf gingen discussies over criteria of politieke prioriteitstelling die door de verantwoordelijke minister gebeurde. Dat was de werkwijze. Vandaag kennen we een totaal nieuwe situatie met BBB, beter bestuurlijk beleid: agentschappen hebben een zekere graad van zelfstandigheid in hun operationele taken, wat overigens ook nodig is. De raden van bestuur zijn bij IVA’s zonder rechtspersoon vervangen door raadgevende comit

Ingediend onder in de commissies Reacties uitgeschakeld voor Uitbreidingsbeleid kinderopvang in relatie tot BBB

Begeleiding van nietbegeleide buitenlandse minderjarigen

Ingediend op juni 9th, 2006 door bartcaron

Vraag om uitleg van de heer Bart Caron tot mevrouw Inge Vervotte, Vlaams minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, over de opvang en begeleiding van nietbegeleide buitenlandse minderjarigen

Vraag om uitleg van de heer Sven Gatz tot mevrouw Inge Vervotte, Vlaams minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, over de opvang van niet-begeleide minderjarigen

De heer Sven Gatz: Mevrouw de minister, ik vermoed dat er vandaag toevallig vier vragen over hetzelfde onderwerp zijn, al zal de aanleiding ervan wel uw dienstnota geweest zijn over de opvang van niet-begeleide buitenlandse minderjarigen. Die dienstnota werd uitgevaardigd op 21 maart 2006 en heeft voor wenkbrauwgefrons en tandengeknars gezorgd in de sector.
Uit de nota blijkt immers dat de hulpverlening voor buitenlandse niet-begeleide minderjarigen wordt beperkt tot de categoriale initiatieven die specifiek instaan voor de opvang van de doelgroep, namelijk Het Huis in Aalst, Minor Ndako in Brussel, Begeleid Zelfstandig Wonen Joba en Joba De Hand.

Ik wil eerst een bedenking van morele aard maken. Ik vraag me af waarom deze jongeren anders moeten worden behandeld dan andere jongeren die op basis van een problematische opvoedingssituatie wel toegang krijgen tot het volledige aanbod van de bijzondere jeugdbijstand. Waarom moet er een opdeling worden gemaakt op basis van het verblijfstatuut van jongeren? De expertencommissie die op vraag van uw kabinet werd opgericht binnen de Interdepartementale Commissie Etnisch Culturele Minderheden, heeft uitdrukkelijk gevraagd om dit onderscheid op te heffen. Naast de morele bezwaren is het overigens maar de vraag of dit onderscheid wel rechtmatig is.

Even belangrijk zijn ook de inhoudelijke en praktische gevolgen van de dienstnota. Op het ogenblik dat de jeugdhulpverlening naar een meer integrale benadering evolueert, wordt hier wel een bijzonder ongelukkig signaal gegeven. Het is uiteraard niet verkeerd om de instroom van jongeren en dus ook van buitenlandse niet-begeleide minderjarige jongeren, via het categoriaal aanbod te laten verlopen, maar er moet een doorstroom mogelijk zijn naar de erkende niet-categoriale initiatieven. Deze doorstroom of vervolgopvang is nodig omdat noch de werkwijze, noch de infrastructuur van de eerste categoriale opvang geschikt is voor een langdurig verblijf. Bovendien bestaat bij de werkingen van de erkende niet-categoriale initiatieven de bereidheid om ook deze jongeren de gepaste hulp en begeleiding te bieden.

Indien de dienstnota niet wordt herzien, zal dat bovendien tot gevolg hebben dat de plaatsen binnen de categoriale opvang langer bezet blijven door jongeren die nergens anders heen kunnen. Dat zal dan weer gevolgen hebben op de instroom van nieuwe jongeren. Ik besef wel dat dat een algemene problematiek is binnen welzijnsinitiatieven, maar op deze manier komt er toch een scherper kantje aan. Het lijkt me duidelijk dat de dienstnota ingaat tegen het gezond verstand en de opvattingen en de werkwijze die in de bijzondere jeugdbijstand gangbaar zijn.

– Waarom hebt u beslist om niet-begeleide minderjarige jongeren te onderscheiden van andere jongeren op basis van hun verblijfsstatuut, in tegenstelling met de aanbevelingen van de expertencommissie?
– Wat wilt u daarmee bereiken? Denkt u dat het verblijfsstatuut een rechtmatig criterium is om buitenlandse niet-begeleide minderjarige jongeren de toegang tot de erkende niet-categoriale initiatieven van de Bijzondere Jeugdzorg te ontzeggen? Ik weet wel dat u met uitzonderingen werkt, maar de vraag blijft om hoeveel gevallen onder de algemene regel vallen.
– Hebt u met de sector overlegd vooraleer de dienstnota is uitgevaardigd? Als dat niet het geval is, is dat dan nadien gebeurd, eventueel na een reactie van de sector zelf? De hamvraag is: houdt u vast aan uw beslissing om niet-begeleide buitenlandse minderjarige jongeren anders te behandelen dan andere jongeren die zich op ons grondgebied bevinden? Het zal duidelijk zijn dat ik het met die beslissing moeilijk heb.

De heer Bart Caron: Ik zal de uiteenzetting van de heer Gatz niet herhalen. De dienstnota roept vragen op. Ik begrijp de bekommernis dat in de Bijzondere Jeugdzorg de voorzieningen niet mogen dichtslibben.

Toch wil ik hier even tussenkomen, me inspirerend op wat kinderrechtencommissaris Vandekerckhove in een brief aan de commissieleden schreef: ‘De toeleiding van niet-begeleide minderjarigen in de bijzondere jeugdbijstand gebeurt voortaan uitsluitend binnen het categoriale hulpaanbod. De vervolghulpverlening binnen de Bijzondere Jeugdbijstand kan enkel in uitzonderlijke omstandigheden’. Het gaat dan over de herindicatiestelling. Ze is verbaasd over deze beslissing. Ze schrijft: ‘Tot mijn verbazing lees ik ook dat het niet-begeleid minderjarig zijn op zich geen problematische opvoedingssituatie hoeft te zijn.’ Mevrouw Vandekerckhove besluit dat deze beleidsbeslissing ervoor zorgt dat het reguliere aanbod van de Bijzondere Jeugdbijstand voor de niet-begeleide minderjarigen wordt beperkt.

Ik leg u mijn vragen voor:
1° Is het de bedoeling om het reguliere aanbod van de Bijzondere Jeugdbijstand voor de niet-begeleide buitenlandse minderjarigen te beperken?
Zo ja, op basis van welke criteria gebeurt dat?
Zo neen, welke inspanningen worden er dan geleverd?

2° Waarom legt u het advies van de experts naast u neer? De commissie bepleit een inclusief beleid, met een categoriale aanpak waar nodig, maar toch zo veel mogelijk het gebruik van de reguliere hulpverlening.

3° Is er geen groot risico van het dichtslibben van zowel de instroom als de uitstroom van het categoriale aanbod? Welke standpunt verdedigt u in de onderhandelingen met de federale overheid voor de afsluiting van een samenwerkingsakkoord over deze materie?

Minister Inge Vervotte:
Ik zal eerst even kort mijn visie schetsen, opdat die niet verloren gaat in de antwoorden op de vele vragen. Ten eerste willen we ons niet beperken tot het categoriale aanbod. Ten tweede hebben we wel willen benadrukken dat het bijzondere het bijzondere moet blijven, zonder te discrimineren. Het is namelijk zo dat bijzondere jeugdzorg ook bijzonder is voor onze eigen jongeren, dus niet alleen voor de niet-begeleide minderjarigen. Er is dus een gelijke behandeling wat dat betreft. Ten derde zijn we ook vragende partij om geen onderscheid meer te maken op basis van het statuut, zoals de commissie vraagt. We stellen echter wel vast dat we ons moeten houden aan de laatste afspraken die er zijn gemaakt met de federale overheid, namelijk de samenwerkingsovereenkomst.

Tot nog toe is er nog geen nieuwe samenwerkingsovereenkomst, maar Vlaanderen is alleszins ook vragende partij om niet meer op basis van het statuut maar wel op basis van de hulpvraag uit te maken waar de opvang moet worden gerealiseerd.
Nu ik mijn visie duidelijk uit de doeken heb gedaan, wil ik alle vragen systematisch overlopen en beantwoorden.

Er werden inderdaad een aantal eenzijdige beslissingen genomen door de federale regering. Eerst werd op 21 maart 2004 door de federale ministerraad een nota goedgekeurd waarin eigenlijk wordt voorzien in een model voor de opvang van niet-begeleide minderjarigen in twee fases, zonder een onderscheid te maken op basis van het administratieve statuut. Dat besluit werd genomen zonder enig overleg met de gemeenschappen en zonder afspraken te maken inzake organisatie of financiering van de opvang. Die beslissing werd dan ook niet vertaald naar het nog geldende principeakkoord tussen de federale overheid en de gemeenschappen. Het akkoord inzake de opvang van nietbegeleide minderjarige vreemdelingen op basis van hun statuut dateert van 31 maart 2003.

We moeten ons nog steeds houden aan deze overeenkomst bij gebrek aan een andere overeenkomst, hoewel we daarvoor wel vragend
e partij zijn. In feite is dit in strijd met de beslissing die de federale regering zelf heeft genomen om afstand te nemen van het administratieve statuut, die echter niet werd omgezet in een nieuwe samenwerkingsovereenkomst en die werd genomen zonder overleg met de gemeenschappen. Verder is er natuurlijk ook nog de omzendbrief van de toenmalige minister van Cultuur, Gezin en Welzijn, de heer Martens, waarnaar ook werd verwezen in de dienstnota die we hebben verzonden. Die omzendbrief was uiteraard ook opgesteld op basis van de afspraken die we opnieuw hadden gemaakt met de federale overheid. Die omzendbrief stelde dat de POS het criterium is waarnaar comit

Ingediend onder in de commissies Reacties uitgeschakeld voor Begeleiding van nietbegeleide buitenlandse minderjarigen

PAB voor pati

Ingediend op mei 16th, 2006 door bartcaron

Vraag om uitleg van de heer Bart Caron tot mevrouw Inge Vervotte, Vlaams minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, over een prioriteitenregel voor het toekennen van een persoonlijk assistentiebudget (PAB) aan mensen met een snel degeneratieve aandoening

De heer Bart Caron:
Voor mensen met een snel degeneratieve aandoening (SDA) is hun aandoening een grote lijdensweg. Onder degeneratieve aandoening vallen aandoeningen als een progressieve vorm van multiple sclerose en Amyotrofische Laterale Sclerose (ALS) of een degeneratieve aandoening van het zenuwstelsel die leidt tot progressieve krachtvermindering in de spieren. Patiënten met dergelijke ziekte gaan snel achteruit. Uiteindelijk wordt de patiënt rolstoel- en bedgebonden. De gemiddelde ziekteduur is ongeveer drie jaar.De ziekte brengt met zich mee dat man heel snel afhankelijk wordt van derden. Als assistentie te lang uitblijft wordt hun situatie onleefbaar. Door de lange wachtlijsten bij de zorginstellingen, de specificiteit aan zorg die zij nodig hebben, en het feit dat de zorginstellingen vaak niet over de nodige voorzieningen, apparatuur en expertise beschikken om dergelijke mensen te helpen vinden deze mensen haast geen onderkomen in de instellingen.

Komt bij dat veel ALS-patiënten als de ziekte in een ver gevorderd stadium komt deze patiënten kunstmatig beademd moeten worden. Eens in die fase zijn zij aangewezen op permanente assistentie. Door het in het leven roepen van een spoedprocedure voor het toekennen van een PAB aan mensen met deze aandoening zou voor een hele groep mensen deze permanente assistentie wel mogelijk maken. Door het kunnen genieten van een PAB zou hun levenskwaliteit aanzienlijk verbeteren.
Verschillende ALS-patiënten, of hun entourage, richtten reeds een schrijven aan uw adres meet de vraag een prioriteitenregel in te lassen bij het toekennen van een PAB. Bij veel mensen met een SDA is de kans reëel dat zij, op het ogenblik dat zij in aanmerking komen voor het toekennen van een PAB, reeds overleden zijn indien geen voorrang wordt gegeven aan dergelijke aandoeningen. U antwoordde deze mensen dat u dit aan het onderzoeken was.

Ik heb gisteren het nieuwe centrale registratiesysteem voor zorgvragen op internet bekeken. Ik had helaas niet voldoende tijd om alles grondig door te nemen. Uit mijn diagonale lezing heb ik enkel kunnen afleiden dat er geen verband met de vragen van mevrouw Hermans is. Ik heb enkel wat cijfergegevens over het persoonlijk assistentiebudget gevonden.
Aangezien ik bezorgd ben om de inzet van de PAB-middelen, wil ik de vraag om uitleg van mevrouw Hermans onderschrijven. Het gaat slechts om een kleine groep mensen. Voor hen is het uitstellen van de invoering van een prioriteitsregel bijzonder lastig. Het gaat hier immers om snel degeneratieve aandoeningen. Om louter humane redenen moeten we overwegen om snel een beslissing te nemen. We moeten de beschikbare middelen snel inzetten om deze mensen te helpen.

Mevrouw de minister, een aantal mensen hebben u persoonlijk aangeschreven. Ik vraag me af hoe u daar als beleidsverantwoordelijke mee omgaat. Mij lijkt het alvast een lastige aangelegenheid en wil je dan ook volgende vragen stellen:

1° Hoe ver staat het onderzoek?

2° Is de relatie tussen snel degeneratieve ziektes en gehandicaptenzorg en hulpverlening in het verleden al onderzocht? Deze thematiek heeft natuurlijk een plaats in het geheel van de gezondheidszorg.

3° Is deze relatie al onderzocht?

4° Kunnen patiënten in dergelijke situaties, bijvoorbeeld, in de residentiële zorg worden opgevangen?

Minister Inge Vervotte: Mijnheer de voorzitter, iedereen weet dat ik me bijzonder betrokken voel bij deze problematiek. Ik heb deze bezorgdheid in mijn beleidsnota opgenomen. We moeten steeds zoeken op welke manier we de budgetten kunnen toekennen waar de noden het hoogst zijn. Dit is trouwens wat we in onze oefeningen constant proberen. We kennen de PAB’s dus niet enkel en alleen toe op basis van de chronologie, we zoeken ook naar een aantal criteria om de hoogste noden zo goed mogelijk te lenigen. Dan komt natuurlijk alles wat te maken heeft met degeneratieve ziekten heel duidelijk in beeld.
We onderzoeken inderdaad de mogelijkheid van het instellen van een spoedprocedure voor het toekennen van een PAB aan personen met een snel degeneratieve aandoening. Samen met de artsen van het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap hebben we een mogelijke afbakening gemaakt van de groep van personen met een snel degeneratieve aandoening. Dit voorstel wordt momenteel getoetst met de Vlaamse Vereniging voor Neurologie. Met de Vlaamse neurologen wil ik twee zaken bespreken: enerzijds een nauwkeurige afbakening, maar ook een formalisering van de doelgroep, anderzijds de attestering en het bepalen van procedures voor de snelprocedure.

Tot nu toe kon geen enkel statistisch onderzoek plaatsvinden op basis van ons voorstel. Het gaat dus niet over definitieve cijfers. De prioriteit van de PAB-aanvragers wordt bepaald door rekening te houden met de beperking in zelfredzaamheid, op basis van de toekenning van een integratietegemoetkoming. Op basis hiervan blijkt uit een eerste onderzoek dat slechts een minderheid van de geraamde vijftig personen met een snel degeneratieve aandoening op de PAB-wachtlijst in aanmerking zou kunnen komen voor een PAB-snelprocedure. Ik wil dit echter meteen nuanceren: het snel degeneratieve karakter van deze aandoening maakt natuurlijk dat, al bij de inschaling bij de sociale zekerheid, de weergave van de werkelijke beperkingen van deze personen gedateerd zal zijn. In dat opzicht kunnen we dat dus niet correct inschatten.

Ervan uitgaand dat deze personen toch een zware zorgbehoefte hebben, en dus ook een grote nood aan assistentie, denken we dus dat meestal het hoogst mogelijke budget zal moeten worden toegekend. Indien alle vijftig PAB-aanvragers met een dergelijke aandoening een budget krijgen, dan komt dit neer op een kostprijs van 1,6 miljoen euro. In welke mate de snelle toekenning van een PAB voor deze doelgroep haalbaar is, zal afhangen van drie factoren: de mogelijkheid om de doelgroep strikt af te bakenen, in verband waarmee nu een voorstel voorligt bij de neurologen, het uittekenen van een snelle en kwaliteitsvolle procedure, en de budgetten die dit mogelijk moeten maken. Die drie elementen worden momenteel onderzocht.

Ingediend onder in de commissies Reacties uitgeschakeld voor PAB voor pati

Registratie als zorgkundige

Ingediend op mei 16th, 2006 door bartcaron

Vraag om uitleg van de heer Bart Caron tot mevrouw Inge Vervotte, Vlaams minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, over de plaats van de opleiding tot polyvalent verzorgende in het KB tot vaststelling van de nadere regels om geregistreerd te worden als zorgkundige

De heer Bart Caron: Mijnheer de voorzitter, mevrouw de minister, de opleiding polyvalent verzorgende kwam in de tweede helft van de jaren negentig, als belangrijke aanvulling in het volwassenenonderwijs bij de toen net gefuseerde opleidingen kinderverzorging en gezins- en sanitaire hulp derde graad BSO, tot stand. Die fusie leidde tot verzorging derde graad BSO, waarin een basisopleiding werd gegeven die niettemin al toegang verschafte tot het beroep van verzorgende in onder meer de intramurale bejaardenzorg. Wie nog een jaartje extra wilde studeren, kon ofwel kinderzorg BSO kiezen, ofwel thuis- en bejaardenzorg BSO, wat behalve het diploma secundair onderwijs ook competenties opleverde in de meer complexe zorgsettings en in de thuiszorg, waar zelfstandig werken belangrijk is.

In een op 12 januari 2006 goedgekeurd KB, tot vaststelling van de nadere regels om geregistreerd te worden als zorgkundige, wordt bepaald dat het gaat om mensen die het tweede leerjaar van de derde graad secundair onderwijs – studiegebied personenzorg, in TSO of BSO – met succes hebben gevolgd en daarbovenop geslaagd zijn voor een opleiding tot zorgkundige, gelijkwaardig aan

Ingediend onder in de commissies Reacties uitgeschakeld voor Registratie als zorgkundige

GRUP Chartreuse

Ingediend op april 20th, 2006 door bartcaron

Vraag om uitleg van Vlaams volksvertegenwoordiger Bart Caron aan de heer Dirk Van Mechelen, Vlaams minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening over de goedkeuring van het Gewestelijk Ruimtelijk Uitvoeringsplan Chartreuse

Op vrijdag 31 maart 2006 keurde de Vlaamse Regering, na advies van de Raad van State, het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan (Grup) Chartreuse definitief goed. Het plan bepaalt de invulling van een dertig hectare groot gebied op de grens van Brugge en Zedelgem, waar kantoren zullen komen. Het stadsbestuur is daar vragende partij voor. Het wil op die manier werk verschaffen aan hoger geschoolden in de stad.

Volgens de officiële persmededeling gaat het om bijkomende bedrijventerreinen die weloverwogen en in functie van reële noden in Vlaanderen worden ingeplant. Tevens zegt u dat het een evenwichtig plan is, dat ruimte laat voor hoogwaardige kantoorgebouwen en waar maatschappelijke functies als wonen, economie, werkgelegenheid, sociale zorg, natuur

Ingediend onder in de commissies Reacties uitgeschakeld voor GRUP Chartreuse





 

Nieuws

We moeten af van ‘middeleeuwse’ overdracht van jachtrechten

Alternatieven voor dierproeven

Het ‘kleine’ parlementaire werk. Recente voorbeelden: Geluidshinder kusttram – Hakhoutbeheer – Restauratiepremies Onroerend Erfgoed – Beschermde landschappen

Ketnet wil zender voor allerkleinsten, “Legitieme vraag en begrijpelijke ambitie”

Gereglementeerde boekenprijs unaniem goedgekeurd door Vlaams parlement

Wat liep er fout met de bescherming Villa Slabbinck? (Brugge)

Groen verwelkomt Bellegemse windmolens, maar vraagt ‘windplan’ voor regio Kortrijk

Groen wil geen sloop hoekhuis Kasteelkaai-Belfaststraat.
Hoog tijd voor een Kortrijkse visie op erfgoed!

Woede van boeren terecht, maar alleen ander landbouwmodel geeft boeren een zekere toekomst.

Provinciebestuur W-Vl verliest vele (culturele) instellingen

Bart Caron : “Overdracht cultuurbevoegdheden provincies is een wangedrocht !”

Leve Mest-Vlaanderen

Nog geen bescherming poldergraslanden

Nog redders aan de kust?

Brugge weert plooifiets uit overheidsgebouwen

De Leie of het Kanaal naar Roeselare: Groen wil meer binnenvaart

Kortrijk Airport, milieuvergunning aangepast?

Wanneer faire prijzen voor landbouwproducten?

Kortrijk heeft de bus gemist

Burgerkabinet ontslaat Gatz niet van plicht om al bestaande inspraak te versterken

Steeds meer monumenten wachten op broodnodig onderhoud. Ondertussen verkrotten ze

Freya Piryns voorgedragen als vertegenwoordiger in de Raad van Bestuur van de VRT

Regering krimpt beloofde natuurgebieden langs de Leie sterk in

Bruggen in Kortrijk, werkende verlichting op de fietspaden is een brug te ver…

LAR-zuid, woordbreuk van de stadscoalitie

Informatie, diverse sporten en cultuur moeten prioriteit VRT blijven

‘Gemeenteraad is wachtzaal voor wie schepenambt wil’

Persmededeling: Groen maakt werk van versterking West-Vlaamse open ruimte.

Persbericht: 5 Groene werven voor een impuls in West-Vlaanderen.

Vlaamse regering bedreigt toekomst Vlaamse fictie