bartcaron.be

De middelen voor bijzondere jeugdzorg

Ingediend op januari 18th, 2006 door bartcaron

Actuele vraag van de heer Bart Caron tot mevrouw Inge Vervotte, Vlaams minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, over de middelen voor bijzondere jeugdzorg.

De heer Bart Caron:
Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister-president, mevrouw en heren ministers, op 9 januari vond in deze buurt een actie plaats van de vakbonden in de bijzondere jeugdzorg. De sfeer in de sector wordt – terecht – almaar droeviger. Dat is niet de schuld van de overheid, maar de overheid moet minstens aandacht besteden aan de problematiek. We hebben hier trouwens al vaak over de kwestie gediscussieerd. 
Op 10 januari kreeg De Stobbe de Lydia Chagollprijs. Dat is markant. Gisteren, op 17 januari, verscheen een open brief van het Platform Jeugdzorg. Die kreeg veel weerklank in de media. De betrokken partners bij het platform zijn de vakbonden, alle koepels voor de bijzondere jeugdzorg en voor de integrale jeugdhulp, en ook de sociaal-culturele organisaties zoals de Gezinsbond. Het is dus het breedst denkbare middenveld voor de integrale jeugdhulp en de bijzondere jeugdhulp, dat voor de zoveelste keer aan de bel trekt. 

Gisteren vond er in de Commissie voor Welzijn een hoorzitting plaats over de integrale jeugdhulp. Tot onze droefenis hoorden we dat de ideeën die in 1999 werden gelanceerd, vandaag nog even actueel zijn en bijna nog pregnanter dan toen. Ik lees een citaat voor. ‘We roepen alle betrokken partners, het Vlaams Parlement en de Vlaamse Regering op om op zeer korte termijn concrete ondersteunende maatregelen te nemen en de nodige budgetten vrij te maken. We doen dit tegen een achtergrond van talrijke en dagelijkse onaanvaardbare situaties die zich continu over heel Vlaanderen voordoen bij de opvang en begeleiding van jongeren en gezinnen met problemen. Iedereen die verantwoordelijkheid draagt in de jeugdzorg is het over

Ingediend onder in het halfrond Reacties uitgeschakeld voor De middelen voor bijzondere jeugdzorg

Jeugdsanctierecht

Ingediend op december 14th, 2005 door bartcaron

De heer Bart Caron
Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister-president, leden van de regering, geachte collega’s, ooit leerde ik op school dat spreken zilver is, maar zwijgen goud. Dat zou in dit geval iets te eenvoudig zijn.

Wat een non-debat is me dat! Durft iemand hier de straat oplopen en aan Jan Modaal uitleggen waar het echt over gaat? Het gaat niet over straffen. Op de interministeriële conferentie komt minister Onkelinx met de gemeenschapsministers overeen dat ze op een aantal punten alternatieve voorstellen kunnen indienen als daarover een consensus bestaat. Tot grote verbazing van het federale niveau slagen ze daar ook in. Er moeten dan manoeuvres worden uitgehaald om dat ongedaan te maken.

Wat is ons standpunt?
We moeten ons afvragen wat we willen. We moeten ons ook afvragen of het consensusvoorstel dat nu op tafel ligt, een verbetering is.
Mijn uitgangspunt is dat we een goede en correcte regeling moeten hebben. Die moet beantwoorden aan de principes van goed bestuur. Ze moet bovendien evenwichtig zijn. We mogen geen onnodige vertraging veroorzaken in verband met het wetsontwerp. De huidige wet dateert van 1965. We hebben er alle belang bij om die te actualiseren en te moderniseren. We moeten ervoor zorgen dat we een goede wet krijgen. Daarom moeten we ons afvragen of het consensusvoorstel een verbetering is. Ik denk het wel.
De uithandengeving wordt veranderd. Ongeveer 16,5 percent van de uithandengevingen heeft geleid tot effectieve gevangenisstraffen. De uithandengeving is dus geen doeltreffend instrument gebleken. Het gros van de dossiers werd geseponeerd. Er werd ook vaak met uitstel over beslist. De uithandengeving is bovendien in strijd met de kinderrechten.

Heeft de Kamer tot op heden dan niet goed gewerkt? Er is het wetsontwerp-Verwilghen geweest en er is nu het wetsontwerp-Onkelinx. Er is daarover al tamelijk veel gediscussieerd. Ik wil de mensen van onze fractie niet ophemelen, maar er zijn heel wat verbeteringen aangebracht in het ontwerp-Onkelinx. Het is niet slecht, maar het kan altijd beter.
Mevrouw Ceysens, misschien moet ik even verwijzen naar het ontwerp-Verwilghen. De uithandengeving, die u zo graag wilde behouden in het ontwerp-Onkelinx, werd in het ontwerp-Verwilghen niet weerhouden. Laat dat duidelijk zijn. Dat kan tellen als inconsequentie. Er komt nu een systeem waarin wordt gesproken over maatregelen en sancties, de jeugdversies van straffen.

Mevrouw Patricia Ceysens: 
Mijnheer Caron, u zult wellicht begrijpen dat we van iedereen die hier zit, de hevigste voorstanders van het ontwerp-Verwilghen waren. Er wordt nu blijkbaar gevochten op alle banken om uit te maken wie de hevigste voorstander was. Neem van mij aan dat dat onze fractie was.
Het ontwerp-Verwilghen was echter niet haalbaar. Daarom hebben we samen met sp.a-spirit het ontwerp-Onkelinx aanvaard. De uithandengeving was een compromis. Vandaag zijn we echter blij dat we met deze meerderheid kunnen zeggen dat we naar jeugdkamers met onbeperkte strafmaten gaan. Dat is fundamenteel in het compromis.

De heer Bart Caron: 
Ik neem akte van uw uitleg. Ik begrijp hem trouwens niet. Ik denk dat wat de Vlaamse Regering heeft voorgesteld in het consensusvoorstel, veel dichter staat bij het ontwerp-Verwilghen. Ik begrijp u dus niet.
Moet ik in heel deze retoriek een opbod aan law and order verstaan? Iedereen is om ter sterkst bezig. Willen we jongeren straffen? Willen we daarover aan politiek opbod doen? Is dat het grote probleem? De media verwijzen natuurlijk naar die hele extreme en moeilijke gevallen die we niet geregeld krijgen of waar we geen plaats voor hebben.
Collega’s, er zijn toenemende problemen in de samenleving. We mogen dat niet ontkennen. Er komen steeds meer als misdrijf omschreven feiten voor en steeds meer problematische opvoedingssituaties. Wie vorige maand op de studiedag in Gent was, hoorde dat er meer dan 30 percent meer probleemsituaties zijn.

Er is een sterke vraag om hulp, maar ook om sancties. De sector wacht op antwoorden. De sector weet evenwel maar al te goed waar de echte problemen zich situeren en vandaan komen.
Laten we hier even over nadenken. Het gaat hier eigenlijk om de samenleving waarin we leven. De problemen komen niet uit de lucht gevallen. Onze problemen zijn verbonden met een samenleving die een grote mate van kwetsbaarheid vertoont. Mensen hebben het moeilijk om overeind te blijven en om zich te ontwikkelen. De werk-, inkomens- en prestatiedruk wordt steeds groter. Dit geldt niet enkel voor mensen uit kansarme milieus, ook hoger opgeleide tweeverdieners komen steeds vaker in dergelijke situaties terecht.

We mogen dit fundamentele samenlevingsproblemen niet louter met sanctiemaatregelen aanpakken. We discussiëren hier eigenlijk over de symptoombestrijding. We hebben nog een oplossing ten gronde. Het gezinsbeleid en het onderwijs moeten ons helpen deze problemen aan te pakken. Kiezen we hier voor een correct jeugdsanctierecht? Welke toetsingsbasis moeten we hanteren? Mijns inziens moet een correct beleid evenwichtig zijn. We moeten een evenwicht vinden tussen preventie, hulpverlening, opvoedingsmaatregelen en sancties.
Zoals mevrouw Vogels daarnet al heeft gezegd, moeten we adequaat optreden. We moeten snel en efficiënt op kleine incidenten reageren.

Mevrouw Mieke Vogels: 
Mijnheer Caron, het is me niet duidelijk of u het compromis van de Vlaamse Regering nu al dan niet wilt verdedigen.

De heer Bart Caron:
Zoals uit mijn conclusies zal blijken, ben ik het compromis aan het verdedigen. Ik wil echter ook een paar kanttekeningen bij de hele discussie maken.We moeten snel en adequaat optreden. Problemen verergeren en kleine feiten leiden tot grote criminaliteit. Wat als kattekwaad is begonnen, is nu vaak criminaliteit geworden. De wachtlijsten zijn echter zeer lang. Jongelui die iets mispeuteren en het thuis moeilijk hebben, moeten vaak maanden tot een jaar op hulpverlening wachten. Het verbaast me dan ook niet dat het aantal criminele jongeren helaas toeneemt.
Op de studiedag in Gent hebben alle hulpverleners hetzelfde standpunt vertolkt. Een snel en adequaat optreden kan grotere problemen voorkomen. We rekenen erop dat het globaal plan van minister Vervotte een stevig antwoord op deze vraag zal bieden. We moeten komen tot een integrale jeugdhulp, een vraaggestuurde programmatie in de sector en een flexibele regelgeving. Momenteel is de regelgeving zo stroef dat we niet op de noden inzake gezinsbegeleiding, contextuele hulp, ambulante hulp, residentiële zorg en de diverse combinatievormen kunnen inspelen. We rekenen op een globale hulpverlening.

Zorgt het federale niveau momenteel voor een correcte aanpak? Is de bestaande wetgeving evenwichtig en modern? Houdt ze het midden tussen hulpverlening en sancties en tussen welzijn en verantwoordelijkheidszin? We moeten steeds uitgaan van de belangen van de minderjarigen. We moeten kiezen voor een jeugdspecifieke aanpak. Er mag op geen enkel terrein een vermenging met het volwassenenrecht totstandkomen. We moeten een breed palet aan maatregelen in het leven roepen. Alle straffen moeten gericht zijn op het reïntegreren, het heropvoeden en het weer normaal in de samenleving laten functioneren van jongeren.
De vijf krachtlijnen die de Vlaamse Regering voor de evaluatie van het beleid naar voren heeft geschoven, moeten voor ons ook de toetssteen vormen. Zal het voorliggend wetsontwerp een verbetering inhouden?

De sancties door de correctionele kamer van een jeugdrechtbank lijken ons beter dan de uithandengeving. Op deze manier blijft het dossier op een en dezelfde plaats. De jeugdrechter kan sancties en andere maatregelen op een evenwichtige manier combineren. De uitvoeringsrechtban
k kan sancties in opvoedkundige, aan bepaalde voorwaarden verbonden maatregelen omzetten. Nu weten de betrokken jongeren dat de jeugdrechter hen eigenlijk geen sanctie kan opleggen. Dat is voorbij.

Wij pleiten niet voor een overdreven strenge, maar voor een correcte aanpak, die maatregelen en straffen evenwichtig combineert.

Mevrouw Patricia Ceysens: 
Mijnheer Caron, heeft uw fractie in de Kamer het ontwerp-Onkelinx goedgekeurd?

De heer Bart Caron: 
Ja, onze Kamerfractie heeft dat mee goedgekeurd.

De heer Jos Stassen: 
Mijnheer Caron, ik zou straks graag voor u applaudisseren, want u houdt een sterke uiteenzetting, maar ik zou nu graag weten waar u voor pleit. U pleit ervoor dat de jeugdrechter kan oordelen. Pleit u voor een aangepast strafkader of niet? Dat is het cruciale punt. Als u hierover duidelijkheid creëert, zal ik straks met veel enthousiasme applaudisseren.

De heer Bart Caron: 
Mijnheer Stassen, het gaat over de strafmaat. De federale Kamer en Senaat zijn bevoegd om te beslissen over de strafmaat. Laat dat duidelijk zijn: het is geen bevoegdheid van de Vlaamse overheid. Collega’s, zijn jullie van mening dat een identiek strafrecht moet worden toegepast voor jongeren van 16 tot 18 jaar? In de huidige regeling is ook een uithandengeving naar assisen mogelijk. Het gaat hier over de behandeling door de jeugdrechtbank van correctionaliseerbare feiten.
Als u jongeren een perspectief wilt bieden, moet u redelijk en billijk zijn. U moet jonge mensen een reïntegratiekans in de samenleving bieden, maar als het nodig is, moeten we ze ook sancties opleggen. We moeten dus een evenwichtige aanpak hebben.

Mijnheer Stassen, de uithandengeving zoals in het huidige wetsontwerp-Onkelinx staat, is niet ons meest geliefde denkspoor, noch voor sp.a, noch voor spirit. Elke stap die daarvan afwijkt, is een stap vooruit. Het consensusvoorstel van de Vlaamse Regering is een belangrijke stap vooruit. We zouden het betreuren als ook voor de strafmaat geen redelijkheid in de gedachten aanwezig kan zijn. Een opbod van law and order is niet correct. Tegen de mensen die echt sancties willen opleggen, wil ik zeggen dat we toch een belangrijke stap vooruit zetten als we jongeren die zware misdrijven begaan streng kunnen straffen. Het moet toch altijd de bedoeling zijn om iedereen nieuwe kansen te geven, desnoods ook na een strenge straf.

Mevrouw Marijke Dillen: 
Mijnheer Caron, u moet de discussie wel eerlijk voeren. Er bestaat inderdaad de mogelijkheid om mensen die zware feiten hebben gepleegd vanaf een bepaalde leeftijd uit handen te geven. Hoe denkt u dat de familie van de heer Mombaerts heeft gereageerd toen de moordenaar na een maand op vrije voeten was?

De heer Bart Caron: 
Ik wil er even op wijzen dat er een nieuw jeugdrecht komt om dit soort problemen op een adequate manier aan te pakken.

Mevrouw Patricia Ceysens: 
Mijnheer Caron, ik heb u nu toch met vuur het bereikte compromis horen verdedigen. In het begin van uw uiteenzetting dacht ik dat u vond dat het ‘much ado about nothing’ was.

De heer Bart Caron: 
Mevrouw Ceysens, er was een consensusvoorstel, maar u hebt dat in de wind gezet.

Mevrouw Patricia Ceysens: 
Gaat u ermee akkoord dat het huidige compromis een goed compromis is? Dat hoor ik u zeggen.

Mevrouw Mieke Vogels: 
Wie wou er ook weer een punt zetten achter de discussie?


De heer Bart Caron:
 
Ik heb gezegd dat ik een correcte aanpak wil.
Ik wil twee zinnen voorlezen uit de brief van het Kinderrechtencommissariaat en de Vlaamse Jeugdraad: ‘De uithandengeving vermijden voor correctionaliseerbare feiten zou in de praktijk meer minderjarigen bij hun jeugdrechter kunnen houden, hetgeen positief is. Het is dan wel een jeugdrechter die zwaarder kan straffen dan voorheen.’
Verder staat in de brief: ‘Een aangepaste tarifering van de straffen is positief te beoordelen en kan duidelijkheid en rechtszekerheid in de hand werken.’ De bevoegdheid ligt niet bij dit parlement, maar bij het federale parlement. De invoering van een jeugdstrafuitvoeringsrechtbank kan evenwicht brengen tussen maatregelen nemen en sancties opleggen.

Zetten we stappen vooruit? Ja. Is het perfect? Neen. We rekenen erop dat de Vlaamse Regering en het Vlaams Parlement hun bevoegdheden, namelijk de preventie, de hulp en bescherming en de lange wachtlijsten en noden die vandaag in de sector bestaan, volop en hard zullen inzetten.

Ingediend onder in het halfrond Reacties uitgeschakeld voor Jeugdsanctierecht

Voorstel van de regionale televisiezenders om integratieprogramma’s

Ingediend op december 7th, 2005 door bartcaron

Actuele vraag van de heer Bart Caron tot de heer Marino Keulen, Vlaams minister van Binnenlands Bestuur, Stedenbeleid, Wonen en Inburgering, over het voorstel van de regionale televisiezenders om integratieprogramma’s te maken en de reactie erop van de minister

De heer Bart Caron:
Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister-president, collega’s, vorige week konden we lezen dat de regionale televisies van Vlaanderen, verenigd in Nortv, de niet openbare regionale televisie, aan de minister van Inburgering voorstelden een bijdrage te leveren tot de integratie van allochtone gemeenschappen in Vlaanderen. Ze staken daarmee de hand uit als priv

Ingediend onder in het halfrond Reacties uitgeschakeld voor Voorstel van de regionale televisiezenders om integratieprogramma’s

Regeling tot erkenning van de instellingen

Ingediend op december 2nd, 2005 door bartcaron

Voorstel van decreet van de heer Tom Dehaene, mevrouw Vera Jans, de heren Kurt De Loor en Bart Caron en de dames Vera Van der Borght en Helga Stevens houdende wijziging van het decreet van 24 juli 1996  houdende regeling tot erkenning van de instellingen voor schuldbemiddeling in de Vlaamse Gemeenschap, met het oog op een onderbouwd Vlaams beleid inzake schuldoverlast

Toelichting

Dames en heren, 
op federaal niveau bestaat er een kwantitatieve registratie van schulden via de Centrale voor kredieten aan particulieren en het Fonds ter bestrijding van overmatige schuldenlast (in het kader van de wet collectieve schuldenregeling). Uit de hoorzitting over schulden(over)last, gehouden op 8 maart 2005 in de Commissie voor Welzijn, Volksgezondheid en Gezin (Parl. St. Vl. Parl. 2004-05, nr. 260/1) bleek de behoefte aan cijfermateriaal over schuldoverlast, in het bijzonder met betrekking tot de informatie over de mensen die in de Vlaamse Gemeenschap gebruikmaken van een erkende dienst voor schuldbemiddeling.
Een deugdelijk beleid rond schuldoverlast is maar mogelijk in de mate dat het beleid over de relevante, uiteraard geanonimiseerde, informatie beschikt. Dit voorstel van decreet komt hieraan tegemoet.

Het regelgevende kader voor schuldbemiddeling in de Vlaamse Gemeenschap wordt gevormd door het decreet van 24 juli 1996 houdende regeling tot erkenning van de instellingen voor schuldbemiddeling in de Vlaamse Gemeenschap (BS 5 oktober 1996). Het decreet werd uitgevoerd met een besluit van de Vlaamse Regering van 25 maart 1997 (BS 30 mei 1997). Het bepaalt dat OCMW’s en centra voor algemeen welzijnswerk als instelling voor schuldbemiddeling kunnen worden erkend. De erkende instellingen moeten, om erkend te blijven of om opnieuw erkend te kunnen worden, in de loop van het eerste trimester dat volgt op het einde van elk boekjaar, een jaarverslag bezorgen aan de Vlaamse Regering (artikel 9, 5°). Het decreet legt niet vast welke minimale elementen dat jaarverslag moet bevatten. Dat wordt evenmin verfijnd in het uitvoeringsbesluit.

De regelgeving bepaalt wel dat de erkende instellingen zich moeten onderwerpen aan het toezicht van de door de Vlaamse Regering aangewezen ambtenaren en beambten (artikel 9, 6°). In het uitvoeringsbesluit is vastgelegd dat de administratie een lijst moet bijhouden van de instellingen erkend voor schuldbemiddeling (artikel 9). Ambtenaren van de administratie Gezin en Maatschappelijk Welzijn moeten ter plaatse of op basis van stukken toezien of een instelling die erkend is, de erkenningsvoorwaarden naleeft.
De instellingen zijn ertoe verplicht hun medewerking te verlenen aan de uitoefening van het toezicht. Zij moeten op eenvoudig verzoek van die ambtenaren de stukken bezorgen die met de erkenning verband houden (artikel 10).

Wellicht ter uitvoering van dat administratieve toezicht kwam een omzendbrief tot stand, gericht aan de instellingen voor schuldbemiddeling. Omzendbrief WEL/99/04 van 23 april 1999 (BS 18 mei 1999) bepaalt in punt 5 het volgende over het jaarverslag:
“Het is vooreerst belangrijk dat het verslag de beleidsopties van de instelling bevat. Tevens worden concrete gegevens inzake de werking verwacht, zoals openingsuren, cliëntengroep (voor wie is de instelling toegankelijk?), inbreng van en samenwerking tussen jurist (advocaat) en maatschappelijk werker. Met het oog op mogelijke bijsturing wordt tevens gevraagd om aansluitend bij het jaarverslag problemen met bepaalde reglementering/rechtspraak mee te delen”.Het spreekt voor zich dat de informatie over de gebruikers die op basis daarvan middels jaarverslagen wordt aangeleverd, moeilijk te systematiseren valt.

Samenvattend: de regelgeving voorziet niet in een gestandaardiseerde registratie van beleidsrelevante informatie over mensen die een beroep doen op een erkende instelling voor schuldbemiddeling. Daardoor kan de rapportage via jaarverslagen ook niet als een echt structureel beleidsinstrument ingezet worden.
Dit voorstel van decreet komt daaraan tegemoet door in het decreet de bestaande verplichting tot het opstellen van een jaarverslag te verfijnen. Concreet betekent dat, dat het jaarverslag minstens

Ingediend onder in het halfrond Reacties uitgeschakeld voor Regeling tot erkenning van de instellingen

Ondersteuning en de stimulering van het jeugd- en jeugdwerkbeleid

Ingediend op november 17th, 2005 door bartcaron

Voorstel van decreet van de heer Bart Caron, mevrouw Sabine Poleyn, de heer Herman Schueremans, mevrouw Else De Wachter en de heer Kris Van Dijck – houdende wijziging van het decreet van 14 februari 2003 houdende de ondersteuning en de stimulering van het gemeentelijk, het intergemeentelijk en het provinciaal jeugd- en jeugdwerkbeleid


Toelichting

Dames en heren,
het decreet van 14 februari 2003 houdende de ondersteuning en de stimulering van het gemeentelijk, het intergemeentelijk en het provinciaal jeugd- en jeugdwerkbeleid wordt ontegensprekelijk positief geëvalueerd door alle betrokken jeugdactoren. Toch wordt, onder meer door de gemeentebesturen (1), gewag gemaakt van overdreven procedurele eisen, en overdreven vormvereisten en planlast.

Voor de beleidsperiode 2005-2007 zijn weer 300 gemeenten met een gemeentelijk jeugdwerkbeleidsplan aan de slag gegaan. In zeven faciliteitengemeenten diende het jeugdwerk zelf een plan in voor 80% van het subsidiebedrag. De Vlaamse Gemeenschapscommissie maakt een legislatuurplan voor de periode 2006-2010.

Het decreet van 14 februari 2003 was een samenvoeging van het decreet van 9 juni 1993 houdende de subsidiëring van gemeentebesturen en de Vlaamse Gemeenschapscommissie inzake het voeren van een jeugdwerkbeleid, gewijzigd bij decreten van 22 november 1995, 20 december 1996, 12 mei 1998 en 6 juli 2001, en het decreet van 17 december 199  houdende subsidiëring van de provinciebesturen inzak  het voeren van een jeugdwerkbeleid, zoals gewijzigd bij de decreten van 19 december 1998 en 22 december 2000. Het oorspronkelijke decreet van 1993 was het resultaat van een overwogen decentraliseringsproces en -beleid dat de inhoudelijke verantwoordelijkheid voor het lokale jeugd(werk)beleid bij de gemeente legde. De samenwerking met de andere overheden werd echter even uitdrukkelijk als uitgangspunt ingeschreven: het lokale jeugdbeleid als een gedeelde bezorgdheid van de Vlaamse Regering, de provincies en de gemeenten. Het decreet van 2003 legt geen inhoudelijke verplichtingen op, maar biedt de gemeenten, de Vlaamse Gemeenschapscommissie en de provincies een kader voor het opstellen van het beleidsplan. Dit kader staat garant voor een kwaliteitsvol, geïntegreerd jeugdwerkbeleid. Ondanks het gegeven dat de gemeenten in de loop van de voorbije tien jaar vertrouwd geraakt zijn met de procedures en richtlijnen voor het opstellen van de jeugdwerkbeleidsplannen, stellen we vast dat een aantal decretaal opgelegde instrumenten een te grote druk leggen op de gemeenten en andere betrokken besturen. Heel wat bepalingen worden ervaren als een administratieve last zonder toegevoegde waarde op het lokale niveau. Het Vlaams Regeerakkoord voorziet terzake uitdrukkelijk dat taaklast zonder toegevoegde waarde voor de lokale besturen afgeschaft wordt (2).

De bedoeling van dit voorstel is dan ook een aanpassing van het decreet van 14 februari 2003 met het oog op een administratieve vereenvoudiging, maar zonder afbreuk te doen aan de fundamentele uitgangspunten ervan.

De voorgestelde vereenvoudigingen zijn:
– men maakt jaarlijks

Ingediend onder in het halfrond Reacties uitgeschakeld voor Ondersteuning en de stimulering van het jeugd- en jeugdwerkbeleid

Een kwalitatief en integraal lokaal cultuurbeleid

Ingediend op november 17th, 2005 door bartcaron

Voorstel van decreet van de heren Bart Caron en Steven Vanackere, mevrouw Gracienne Van Nieuwenborgh en de heren Kris Van Dijck en Herman Schueremans houdende wijziging van het decreet van 13 juli 2001 houdende het stimuleren van een kwalitatief en integraal lokaal cultuurbeleid

Toelichting

Dames en heren, het decreet van 13 juli 2001 houdende het stimuleren van een kwalitatief en integraal lokaal cultuurbeleid (hierna: decreet lokaal cultuurbeleid) heeft op drie jaar tijd heel wat losgemaakt in de Vlaamse gemeenten en een aantal gemeenten in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad.
Van de 327 Vlaamse en Brusselse gemeenten dienden sinds 1 januari 2002 212 gemeenten een aanvraag in om in te stappen in het decreet lokaal cultuurbeleid. Bij 186 gemeenten is inmiddels een gesubsidieerde cultuurbeleidscoördinator aan de slag. De minister keurde tot op heden 174 cultuurbeleidsplannen goed. 305 gemeenten beschikken over een door de Vlaamse Gemeenschap gesubsidieerde bibliotheek en 61 gemeenten beschikken over een door de Vlaamse Gemeenschap gesubsidieerd cultuurcentrum (1).

Het basisuitgangspunt van het decreet lokaal cultuurbeleid is een grotere responsabilisering van gemeenten voor hun eigen lokaal cultuurbeleid met inbegrip van de werking van de bibliotheek en het cultuurcentrum. De gemeente zelf is verantwoordelijk voor haar cultuurbeleid en kan daarvoor gebruik maken van de middelen en instrumenten die het decreet lokaal cultuurbeleid aanbiedt.
Na drie jaar uitvoering van het decreet stellen we echter vast dat een aantal van die in het decreet opgenomen beleids- en rapporteringsinstrumenten een te grote druk leggen op de gemeenten, zonder dat er een eigenlijke meerwaarde werd gecreëerd voor het uitwerken van een eigen kwaliteitsvol cultuurbeleid.
Een dergelijke analyse wordt ook bevestigd door bijvoorbeeld de Raad van Cultuur, die in zijn advies over de administratieve last uitdrukkelijk stelde: “Er moet te veel gepland worden op gemeentelijk vlak. Hier is duidelijk nood aan een deregulering.” (2).

Het Vlaams regeerakkoord bepaalt ter zake uitdrukkelijk dat taaklast zonder toegevoegde waarde voor de lokale besturen afgeschaft wordt (3). De bedoeling van dit voorstel is dan ook het decreet van 13 juli 2001 houdende het stimuleren van een kwalitatief en integraal lokaal cultuurbeleid te wijzigen, zodat nog meer de nadruk gelegd wordt op het feit dat het gaat om een gezamenlijke cultureel project van de Vlaamse overheid en het lokale bestuur, gebaseerd op een gelijkwaardigheid van beide partners, elk met een eigen autonome bevoegdheid en verantwoordelijkheid, en gebaseerd op noodzakelijk wederzijds vertrouwen. Deze aanpak heeft tot gevolg dat vanuit de Vlaamse overheid meer beleidsvrijheid en -verantwoordelijkheid wordt gelaten aan de betrokken lokale besturen. Dit resulteert in een deregulering via een minder gedetailleerde regelgeving en in meer aansturing op hoofdlijnen en doelstellingen.

Uiteindelijk moet hierdoor een planlastvermindering en een administratieve vereenvoudiging doorgevoerd kunnen worden in de relatie van de Vlaamse Gemeenschap met de lokale besturen. Daarnaast wordt wel van de gelegenheid gebruik gemaakt om technische onduidelijkheden recht te zetten en de tekst te verlichten en leesbaarder te maken door achterhaalde of overbodige bepalingen te schrappen.

Dit voorstel is het resultaat van een voortraject waarbij op meerdere momenten overleg werd gepleegd met het kabinet van de minister bevoegd voor Cultuur en de verschillende betrokken actoren uit het veld. Uiteindelijk leidde dit tot het duidelijk aflijnen van de doelstelling van dit voorstel, namelijk uitsluitend het verminderen van de planlast en het realiseren van een administratieve vereenvoudiging. Deze aflijning is ingegeven door de overweging dat de indieners de inhoudelijke evaluatie van het decreet van 13 juli 2001 tegen 2007, zoals voorzien en toegelicht in de beleidsnota Cultuur (4) en tevens in de beleidsbrief
Cultuur – Beleidsprioriteiten 2005-2006 (5), niet wensen te doorkruisen, noch daar een voorafname op willen doen. In de vermelde beleidsbrief Cultuur wordt trouwens aangekondigd dat deze grondigere evaluatie van het decreet tegen de zomer van 2006 afgerond zal worden.


Commentaar bij de artikelen

Artikel 1:
Dit artikel behoeft geen toelichting.

Artikel 2:
Dit artikel wijzigt artikel 4 van het decreet van 13 juli 2001 op de volgende punten:

1. Wijziging §1, tweede lid: de verplichting vanuit het Vlaamse niveau ten aanzien van een gemeente of een samenwerkingsverband van gemeenten om het cultuurbeleidsplan hoe dan ook tussentijds te evalueren en bij te sturen, ongeacht de nuttigheid, noodzakelijkheid en meerwaarde ervan voor het lokale cultuurbeleid, valt weg. De gemeente of het samenwerkingsverband van gemeenten krijgt nu de autonomie, maar ook de verantwoordelijkheid, onder meer ten opzichte van het lokale culturele veld, om te beslissen het eigen cultuurbeleidsplan al dan niet te evalueren en desgevallend waar nodig het beleid bij te sturen. Tegelijk kan men nu ook zelf bepalen hoe dit het best gebeurt binnen de context van het eigen cultuurbeleid. Dat kan bijvoorbeeld toch via een tussentijdse aanpassing van het plan, maar ook via een actieplan, werkingsverslag of voortgangrapport. Belangrijk is dat, welke manier men ook kiest, de principes van communicatieve planning en participatieproces worden meegenomen.

2. Wijziging §1, derde lid: de voormelde motivering geldt ook voor het schrappen van de verplichting voor de Vlaamse Gemeenschapscommissie om haar cultuurbeleidsplan ook tussentijds te evalueren en bij te sturen halverwege de looptijd van het cultuurbeleidsplan.

3. Wijziging §2: dit is een technische verbetering. Er moet evident naar het ‘nieuwe’ decreet van 14 februari 2003 houdende de ondersteuning en de stimulering van het gemeentelijk, het intergemeentelijk en het provinciaal jeugd- en jeugdwerkbeleid verwezen worden, dat overigens het decreet van 9 juni 1993 heeft opgeheven (zie artikel 28, 1°, van het decreet van 14 februari 2003).

4. Toevoeging aan §2: ook dit is een technische verbetering. Het is immers evident en logisch dat de verplichting om het cultuurbeleidsplan en het jeugdwerkbeleidsplan beleidsmatig op elkaar af te stemmen niet alleen geldt voor de gemeenten, maar ook voor de Vlaamse Gemeenschapscommissie. Naar analogie met de bepaling voor de gemeenten (§2, eerste lid), wordt dit nu ten overvloede ook uitdrukkelijk bepaald voor de Vlaamse Gemeenschapscommissie.

5. Toevoeging aan §3, eerste lid: dit is een technische verbetering die samenhangt met de voorgaande aanvulling. Het cultuurbeleidsplan en het jeugdwerkbeleidsplan van de Vlaamse Gemeenschapscommissie zijn beleidsmatig op elkaar afgestemd en dus met elkaar verweven. Het is dan ook beleidsmatig logisch dat de gemeenten in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad bij het opstellen van hun cultuurbeleidsplan – en dus het formuleren van hun visie en beleid – niet alleen afstemmen op (d.w.z. ‘regelen naar’) het cultuurbeleidsplan van de Vlaamse Gemeenschapscommissie, maar ook op het jeugdwerkbeleidsplan van de Vlaamse Gemeenschapscommissie om beleidsfricties tussen beide niveaus te vermijden en beleidsaanvullend en -versterkend te kunnen werken.

Artikel 3:
Wat de gegevensverzameling betreft, stellen we vast dat, naast het normale toezicht op de aanwending van toegekende subsidies, er op dit ogenblik ook nog meerdere instanties en personen gegevens opvragen bij cultuurcentra, bibliotheken, lokale cultuurdiensten, cultuurbeleidscoördinatoren enzovoort, inzake het lokale culturele veld, het lokale cultuurbeleid en de effecten van dit beleid. Het gaat dan om vragen vanwege de administra
tie, het steunpunt ReCreatief Vlaanderen, andere steunpunten, onderzoeksinstellingen (al dan niet in opdracht van de overheid), belangenbehartigers en dergelijke. Al dit onderzoek wordt niet altijd met elkaar in overeenstemming gebracht of op elkaar afgestemd. Zo worden meerdere malen dezelfde gegevens gevraagd. Het gevolg is dat gemeenten teveel bevraagd worden en niet elke bevraging de indruk geeft nuttig en noodzakelijk te zijn. Daarnaast voeren bibliotheken en cultuurcentra zelf ook nog gegevens in de cultuurdatabank in. Gemeenten ervaren dit meermaals als een extra last, te meer daar de finaliteit voor hen niet altijd duidelijk is.

Niemand betwijfelt dat het verzamelen van gegevens nuttig kan zijn om de evoluties binnen een beleidsveld te monitoren en om longitudinaal onderzoek, dit wil zeggen over een langer tijdsverloop, mogelijk te maken. Zeker voor de overheid is informatie nodig in functie van beleidsbeslissingen, beleidsevaluatie en -bijsturing.
De indieners streven hierbij naar efficiëntieverhoging en afstemming. Daarom wordt de regiefunctie van de informatieverzameling uitdrukkelijk toegewezen aan de administratie. De administratie moet bewaken dat de gegevensverzameling in opdracht van de overheid gebeurt op een efficiënte, systematische en gecoördineerde wijze. Zij stuurt ter zake het overleg tussen alle betrokkenen (administratie, steunpunten, onderzoekscentra, …).

Samen met de wijziging van artikel 22, §1, 6°, van het decreet (zie verder artikel 6 van dit voorstel) en de wijziging van artikel 28, §1, 5°, van het decreet (zie verder artikel 10, 2°, van dit voorstel), heeft dit artikel, dat artikel 10, §1, van het decreet aanvult, dan ook tot doel de ‘overbevraging’ tegen te gaan.
De Vlaamse Regering zal de vorm en de procedure nader bepalen. Uitgangspunt moet zijn dat de administratie de gegevens

Ingediend onder in het halfrond Reacties uitgeschakeld voor Een kwalitatief en integraal lokaal cultuurbeleid

Een digitaal sportkanaal op de VRT

Ingediend op oktober 26th, 2005 door bartcaron

Actuele vraag van de heer Bart Caron tot de heer Geert Bourgeois, Vlaams minister van Bestuurszaken, Buitenlands Beleid, Media en Toerisme, over het voorstel van een digitaal sportkanaal op de VRT

De heer Bart Caron:
Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, geachte collega’s, de vraag is of hetgeen we een jaar geleden hebben meegemaakt – het hele gedonder rond Sporza op de openbare omroep – zich straks opnieuw zal voordoen. Vorig weekend mochten we in zowat alle kranten lezen dat de VRT een digitaal sportkanaal wil oprichten. Daarbij wordt trouwens – en dat is heel verstandig – gerefereerd aan een potentieel digitaal cultuurkanaal. Er werden drie sporen aangegeven. Het driesporenbeleid voor cultuur zou dan ook voor sport moeten gelden.
Dat is niet helemaal eerlijk. Sport zit niet in dezelfde positie als de culturele materie of activiteiten. Sport heeft een veeleer dominante positie als het gaat over televisie.
Het driesporenbeleid gaat ten eerste over specifieke cultuur, ten tweede over specifieke sportprogramma’s en ten derde over een digitaal sportnet.
Het is al de tweede keer in korte tijd dat de VRT een voorstel doet voor een digitaal televisienet. De eerste keer ging het over cultuur, nu over sport. Ik vraag me dan ook af of dit zo nog een tijd zal doorgaan. Krijgen we morgen ook een seniorennet, een kindernet of een net voor landbouwers? Voor mijn part mag de VRT allerlei digitale netten maken, want zo krijgt de kijker een nog rijkere inhoud. De vraag is echter waar dit eindigt en of de VRT dit allemaal alleen moet doen.

Ik wil in dat verband verwijzen naar de discussie van een jaar geleden. Waarom kunnen Vlaamse televisiezenders niet samenwerken om internationale sportrechten te kopen? Dit zou niet alleen goedkoper zijn, maar het samen ontwikkelen van een digitaal sportnet zou de Vlaamse belastingbetaler en de kijker ten goede komen. Blijkbaar is de VRT echter niet geïnteresseerd in dergelijke ontwikkeling.
Ik heb er geen probleem mee dat de VRT mee wil zijn met de moderne ontwikkelingen op het vlak van televisie. Meer nog, de VRT mag zelfs in de spits lopen en mag aan de top willen staan inzake kwalitatieve televisie. De ambitie van de zender klaag ik niet aan, maar ik vind het geen goede methode om elke maand een nieuw voorstel te lanceren voor een nieuwe zender zonder dat de samenhang duidelijk is.

Ik kan me ook inbeelden dat de concurrenten van de VRT ook op dat terrein nog actiever wordt en nog meer zendtijd krijgt. Ze zullen dit als een bedreiging ervaren.

De vraag is wie dit allemaal zal betalen. Als er straks tien digitale zenders bijkomen, moet dat dan worden betaald met de dotatie aan de VRT? Moet de omroep middelen uit eigen opbrengsten puren? Dat komt de discussie over sponsoring en reclame weer om de hoek kijken. Is dit een opdracht van de openbare omroep? Al deze vragen zullen uiteraard aan bod komen bij de discussie over de beheersovereenkomst. We mogen de VRT niet vleugellam maken, maar de manier waarop de omroep nu handelt, is mijns inziens niet de goede om te groeien. Integendeel, ik denk dat dit vooral de tegenstanders de haren ten berge doet rijzen.

Kunnen we niet evolueren naar een integraal en coherent plaatje? Wanneer zal de VRT met een integraal voorstel over digitale televisie komen?

Minister Geert Bourgeois:
Mijnheer Caron, ik deel uw zorg dat het de bedoeling moet zijn om te komen tot een omvattend, geïntegreerd plan. Digitale televisie zal een evolutie zijn en geen revolutie met een cesuur van vandaag tot morgen waarbij alles wat mogelijk is, meteen wordt toegepast. We hebben hier al herhaaldelijk over gepraat in de commissie en ik zal dan ook niet alles herhalen. De themakanalen zijn maar

Ingediend onder in het halfrond Reacties uitgeschakeld voor Een digitaal sportkanaal op de VRT

Preventief en ondersteunend beleid rond dementie

Ingediend op oktober 20th, 2005 door bartcaron

Voorstel van resolutie van de heer Tom Dehaene, de dames Vera Jans, Vera Van der Borght en Elke Roex, deheer Bart Caron en mevrouw Helga Stevens betreffende een preventief en ondersteunend beleid rond dementie

Het Vlaams Parlement,

– gelet op het Vlaams regeerakkoord 2004-2009 op grond waarvan bijzondere aandacht moet worden geschonken aan de aangepaste huisvesting, de zorg en de begeleiding van personen met dementie en hun familie;

– gelet op het uitgangspunt dat de menselijke waardigheid van personen met dementie, in welk stadium van hun ziekte ook, voorop staat en dat zij, net als anderen, de best mogelijke zorg verdienen;

– vraagt de Vlaamse Regering:

1° de primaire preventie van vasculaire dementie uit te bouwen, in een geheel van acties ter voorkoming van diverse gezondheids- en welzijnsproblemen door middel van een gezonde levenswijze;

2° het wetenschappelijk onderzoek met betrekking tot alle facetten van de dementie te stimuleren;

3° sensibiliserings- en informatie-initiatieven te ondersteunen die het taboe rond de dementie doorbreken;

4° bij te dragen tot een geïntegreerd aanbod van hulp- en dienstverlening, met als doel te komen tot een laagdrempelig en meer op concrete behoeften gericht zorgaanbod waarbinnen door verschuivingen vlotter kan worden ingespeeld op de steeds wijzigende behoeften van de persoon met dementie en zijn familie, in het bijzonder door:

a) een vlotte afstemming tussen thuiszorg, semi-residentiële zorg, residentiële zorg en ziekenhuiszorg;
b) voor jonge dementerenden geëigende vormen van hulp- en dienstverlening te ontwikkelen en te ondersteunen;
c) dagverzorgingscentra en centra voor kortverblijf in staat te stellen om een bufferfunctie te vervullen;

5° de ontwikkeling en verspreiding van het kleinschalige genormaliseerd wonen te ondersteunen door die woon- en zorgvorm herkenbaar te maken in de geldende normering voor rusthuizen, in het bijzonder:

a) doordat de regelgeving voorziet in een aangepaste, soepele normering voor deze woon- en zorgvorm;
b) doordat de voorziening de uitgangspunten en de wijze waarop het kleinschalig en genormaliseerd wonen wordt gerealiseerd,omschrijft in het door haar gevoerde kwaliteitsbeleid;

6° de ontwikkeling en de laagdrempelige aanreiking van vormingsprogramma’s met betrekking tot de dementie en de omgang met dement gedrag aan mantelzorgers, vrijwilligers en hulpverleners;

7° een beleid te ontwikkelen waarbij de opname van dementerenden in rustoorden en rust- en verzorgingstehuizen wordt verbeterd door overleg te plegen met de federale overheid met betrekking tot een aanpassing van de KATZschaal wat de inschaling van dementerenden betreft, om rustoorden en rust- en verzorgingstehuizen een correcte vergoeding te kunnen geven voor de opvang van dementerenden.

Tom Dehaene, Vera Jans, Vera Van Der Borght, Elke Roex, Bart Caron, Helga Stevens

Ingediend onder in het halfrond Reacties uitgeschakeld voor Preventief en ondersteunend beleid rond dementie

Omvorming Vlaams Zorgfonds

Ingediend op oktober 14th, 2005 door bartcaron

Voorstel van decreet van de heren Tom Dehaene, Steven Vanackere, de dames Elke Roex, Vera Van der Borght, Helga Stevens en de heer Bart Caron houdende wijziging van het decreet van 7 mei 2004 tot omvorming van het “Vlaams Zorgfonds” tot een intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid en tot wijziging van het decreet van 30 maart 1999 houdende de organisatie van de zorgverzekering

Toelichting

Dames en heren, artikel 14, derde lid, van het decreet van 30 maart 1999 houdende de organisatie van de zorgverzekering bepaalt dat het Vlaams Zorgfonds een zorgkas opricht.
Zoals de zorgkassen die worden opgericht door de rechtspersonen, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van dat decreet, de juridische vorm moeten aannemen van een privaatrechtelijke rechtspersoon die zijn opdrachten zonder winstoogmerk uitvoert, werd ook bij de oprichting van de zorgkas van het Vlaams Zorgfonds, de Vlaamse Zorgkas, gekozen voor de vzw-vorm (oprichtingsakte van 10 mei 2001).

De Vlaamse Zorgkas verkrijgt door artikel 16 van voornoemd decreet de opdrachten die aan alle zorgkassen zijn toevertrouwd. Daarnaast bepaalt artikel 4, §1, van dat decreet dat wie binnen de door de Vlaamse Regering te bepalen termijn niet aangesloten is bij een erkende zorgkas, ambtshalve aangesloten is bij de zorgkas, opgericht door het Vlaams Zorgfonds.

Volgens het decreet van 7 mei 2004 tot omvorming van het “Vlaams Zorgfonds” tot een intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid en tot wijziging van het decreet van 30 maart 1999 houdende de organisatie van de zorgverzekering, zal de Vlaamse Zorgkas worden opgericht binnen de diensten van de Vlaamse Regering en zal zij niet langer rechtspersoonlijkheid hebben.

Artikel 15, 7°, a), van dat decreet vervangt artikel 4, derde lid, van het decreet van 30 maart 1999 door de volgende bepaling:

“De regering richt een zorgkas op binnen haar diensten. Deze zorgkas is geen van de Vlaamse Gemeenschap afgescheiden rechtspersoon en is (…) van rechtswege erkend.” Daarbij aansluitend bepaalt artikel 16 van het decreet van 7 mei 2004: “De Vlaamse regering wordt gemachtigd om bij de ontbinding van de VZW “Vlaamse Zorgkas”, opgericht bij oprichtingsakte van 10 mei 2001, het contractueel personeel, in dienst op de datum van de inwerkingtreding van dit decreet, als contractueel personeel in dienst te nemen. Het personeel behoudt de hun voorheen contractueel toegekende rechten voorzover deze van toepassing zijn bij de diensten van de Vlaamse overheid.”

De bepalingen van het decreet van 7 mei 2004 zijn aangenomen en afgekondigd, maar nog niet in werking getreden. Nochtans had het Rekenhof in zijn advies bij het ontwerp van decreet, dat het decreet van 7 mei 2004 zou worden, duidelijk gepleit voor de verzelfstandiging van de Vlaamse Zorgkas (Verslag van het Rekenhof aan het Vlaams Parlement, Parl. St. Vl. Parl, 2003- 04, nr. 2193/3, blz. 6-7 en 10):
“De decreetgever kiest er (…) voor de vzw Vlaamse Zorgkas te ontbinden en een nieuwe eigen zorgkas zonder rechtspersoonlijkheid op te richten binnen het IVA Zorg en Gezondheid. Hij kiest er dus voor de eigen zorgkas volledig te integreren in het intern verzelfstandigd agentschap Zorg en Gezondheid. De keuze de eigen zorgkas geen rechtspersoonlijkheid te verlenen, motiveert het ontwerpdecreet met een verwijzing naar de doelgroep, die een aparte aanpak veronderstelt. Bedoeld wordt allicht dat de zorgkas decretaal ook is belast met de ambtshalve aansluiting en dat de eigen zorgkas door deze specifieke opdracht niet zonder meer vergelijkbaar is met de erkende zorgkassen.

Het is het Rekenhof niet duidelijk waarom deze specifieke opdracht van de eigen zorgkas een argument tegen verzelfstandiging is. Het is overigens ook mogelijk geheel vrijwillig aan te sluiten bij de zorgkas van de Vlaamse Gemeenschap en de taken van de eigen zorgkas zijn voor het overige volstrekt identiek aan die van de andere erkende zorgkassen, die de vorm moeten aannemen van een vzw. Zowel de overeenkomsten met de andere zorgkassen als de eigen specifieke opdracht (de ambtshalve aansluiting) lijken eerder argumenten pro verzelfstandiging. Ook de afscheiding van de middelen en de structureel eigen inkomsten (die worden aangewend voor de eigen uitgaven) zijn argumenten pro verzelfstandiging. Bovendien mag niet uit het oog worden verloren dat het Vlaams Zorgfonds toezicht en controle uitoefent op het beheer, de werking en de financiële situatie van de zorgkassen, inclusief de eigen zorgkas. Die controle- en toezichtstaak komt ernstig in het gedrang als het IVA Vlaams Zorgfonds is ingebed in het IVA Zorg en Gezondheid, waarvan de zorgkas deel uitmaakt; als de leidend ambtenaar van het IVA Zorg en Gezondheid ook leidend ambtenaar is van het fonds en als de beheersovereenkomst met het IVA Zorgfonds een onderdeel is van de beheersovereenkomst met het IVA Zorg en Gezondheid.

Het is aangewezen dat het ontwerp van omvormingsdecreet:
– de eigen zorgkas niet integreert in het agentschap Zorg en Gezondheid, maar ze integendeel verzelfstandigt; (…).”
Afgezien van die opmerkingen van het Rekenhof is er de vaststelling dat, na de ontbinding van de vzw Vlaamse Zorgkas, er voor de leden van de vzw en de financiële stromen van de vzw (inning ledenbijdragen, uitbetaling tenlastenemingen, subsidiëring tenlastenemingen en werkingskosten) momenteel niets is geregeld.

Wel bepalen de statuten van de vzw dat de activa bij ontbinding overgedragen worden aan de Vlaamse Gemeenschap of aan een door de Vlaamse Gemeenschap aangeduide organisatie. Het is echter de vraag of het lidmaatschap van de vereniging onder het begrip activa valt. Zelfs als dat het geval is, is geheel niet duidelijk hoe dat lidmaatschap in de nieuwe organisatie vorm kan krijgen. Hierbij moet rekening gehouden worden met het feit dat de regelgeving inzake de zorgverzekering volledig gebaseerd is op het lidmaatschap van en de aansluiting bij een zorgkas. Ook bij een ambtshalve aansluiting wordt dezelfde terminologie gehanteerd en worden jaarlijkse ledenbijdragen geïnd.

Het moet de bedoeling zijn dat de leden en de zorgbehoevenden geen hinder ondervinden van een eventuele wijziging van het juridische statuut van de Vlaamse Zorgkas. Dat is van het allergrootste belang, gezien de ambtshalve aansluitingen waarvoor de Vlaamse Zorgkas instaat en de eenmalige regularisatiemogelijkheid die momenteel loopt. Het staat dus vast dat de Vlaamse Zorgkas niet zonder meer kan overgaan in de Vlaamse Gemeenschap. De opmerkingen van het Rekenhof zijn duidelijk. Een nieuw comptabiliteitsdecreet is er (nog) niet. Aangezien het decreet van 7 mei 2004 volgens de planning op 1 januari 2006 in werking zal worden gesteld, is het nodig snel actie te ondernemen zodat de continuïteit en rechtszekerheid van de Vlaamse Zorgkas en haar taken veiliggesteld kunnen worden.
Het is niet nodig de oplossing al te ver te gaan zoeken. De Vlaamse Zorgkas bestaat nu als vzw en heeft een eigen rechtspersoonlijkheid en afgescheiden financiën. Het ligt dan ook voor de hand van deze structuur gebruik te maken en de vzw niet te ontbinden.

Hiermee zijn alle opmerkingen van het Rekenhof opgelost en wordt de continue dienstverlening van de Vlaamse Zorgkas veiliggesteld. De vzw-structuur staat niet haaks op de BBB-principes, zodat er ook op dat vlak geen probleem rijst. Het Vlaams Zorgfonds, dat op dit ogenblik een Vlaamse openbare instelling van categorie A (met rechtspersoonlijkheid) is, zal door het decreet van 7 mei 2004 worden omgevormd tot een IVA (intern verzelfstandigd agentschap ) met rechtspersoonlijkheid.  Artikel 32 van het kaderdecreet bestuurlijk beleid van 18 juli 2003 stelt: “Met uitzondering voor de participaties in het kader van de Vlaamse publiek-private samenwerkingsprojecten, zijn de Vlaamse
Gemeenschap, het Vlaamse Gewest en de intern verzelfstandigde agentschappen met rechtspersoonlijkheid gemachtigd om op grond van het private vennootschaps- of verenigingsrecht, instellingen, verenigingen en ondernemingen op te richten of erin deel te nemen, voorzover het niet met een bevoegdheidsoverdracht gepaard gaat.”

Als IVA met rechtspersoonlijkheid kan het IVA Vlaams Zorgfonds dus, volgens die bepaling, een zorgkas in de vorm van een vzw oprichten, op voorwaarde dat er geen bevoegdheidsoverdracht is. Met het verbod van bevoegdheidsoverdracht heeft men blijkbaar willen vermijden dat taken van openbaar nut, die bij of krachtens decreet uitdrukkelijk aan het IVA met rechtspersoonlijkheid zijn toevertrouwd, door dat IVA worden overgedragen aan een door het IVA op te richten privaatrechtelijke rechtspersoon.
Hier is er echter geen sprake van bevoegdheidsoverdracht. De taken van de Vlaamse Zorgkas worden decretaal, met name door het zorgverzekeringsdecreet van 30 maart 1999 zelf, aan die zorgkas toevertrouwd.
De meeste van die taken zijn overigens identiek aan de taken die zijn toevertrouwd aan andere zorgkassen, opgericht door de instanties, bedoeld in artikel 14, eerste lid, van het genoemde decreet. Net zoals de andere zorgkassen, sluit de Vlaamse Zorgkas personen (leden) aan, onderzoekt ze vragen om tenlasteneming en beslist ze daarover, voert ze beslissingen betreffende tenlastenemingen uit, registreert ze gegevens, int ze bijdragen van de aangeslotenen en kan ze financiële reserves beheren.

Het onderscheid met de andere zorgkassen ligt hierin dat personen die bij een zorgkas moeten aansluiten en dat niet tijdig doen, ambtshalve bij de Vlaamse Zorgkas worden aangesloten. Artikel 4, §1, tweede lid, van het zorgverzekeringsdecreet van 30 maart 1999, bepaalt terzake:
“Wie binnen de door de regering te bepalen termijn niet aangesloten is bij een erkende zorgkas, wordt ambtshalve aangesloten bij de door het Vlaams Zorgfonds opgerichte zorgkas. In dit geval wordt de betrokkene hiervan onmiddellijk en schriftelijk op de hoogte gebracht. Die aansluiting vervalt als de betrokkene alsnog aansluit bij een erkende zorgkas.” Het betreft hier dus een aansluiting van rechtswege, bij de Vlaamse Zorgkas, van personen die zich niet uit eigen beweging bij een zorgkas hebben aangesloten, hoewel ze daartoe verplicht zijn. Die aansluiting van rechtswege vloeit rechtstreeks voort uit het decreet. De Vlaamse Zorgkas heeft terzake niet de minste bevoegdheid om te beslissen of een persoon al dan niet moet aansluiten. Ze moet enkel de aansluiting in concreto uitvoeren door de betrokken persoon daarvan in kennis te stellen en de bijdrage te innen.
Door de decreetgever is van bij het begin duidelijkgesteld dat die aansluiting gebeurt bij een zorgkas, opgericht door de Vlaamse overheid. Die taak, net zoals het overige takenpakket van de Vlaamse Zorgkas, is tot op heden nooit toegewezen geweest aan het IVA met rechtspersoonlijkheid Vlaams Zorgfonds.
Men kan hier dus geenszins stellen dat, door de oprichting van de vzw Vlaamse Zorgkas, het IVA met rechtspersoonlijkheid Vlaams Zorgfonds zich trach  te ontdoen van

Ingediend onder in het halfrond Reacties uitgeschakeld voor Omvorming Vlaams Zorgfonds

De rol van de overheden in de kabelinfrastructuur

Ingediend op oktober 5th, 2005 door bartcaron

Met redenen omklede motie van de heren Carl Decaluwe, Dany Vandenbossche, Marnic De Meulemeester, Bart Caron en Jan Peumans tot besluit van de op 4 oktober 2005 door de heer Carl Decaluwe in commissie gehouden interpellatie tot de heer Marino Keulen, Vlaams minister van Binnenlands Bestuur, Stedenbeleid, Wonen en Inburgering, over de rol van de overheden in de kabelinfrastructuur

Het Vlaams Parlement,

– gehoord de interpellatie van de heer Carl Decaluwe;

– gehoord het antwoord van minister Marino Keulen;

– gelet op de beursgang van Telenet;

– overwegende dat het belang van de overheden in Telenet ten gevolge van deze beursgang gevoelig zal verminderen;

– gelet op het belang van de kabelinfrastructuur in Vlaanderen;

– vraagt de Vlaamse Regering:

1° te onderzoeken in welke mate de universele dienstverlening decretaal verankerd kan worden;

2° inspanningen te doen om te komen tot een geïntegreerde kabelinfrastructuur in het belang van de consumenten.

Carl Decaluwe, Dany Vandenboscche, Marnic De Meulemeester, Bart Caron, Jan Peumans

Ingediend onder in het halfrond Reacties uitgeschakeld voor De rol van de overheden in de kabelinfrastructuur





 

Nieuws

We moeten af van ‘middeleeuwse’ overdracht van jachtrechten

Alternatieven voor dierproeven

Het ‘kleine’ parlementaire werk. Recente voorbeelden: Geluidshinder kusttram – Hakhoutbeheer – Restauratiepremies Onroerend Erfgoed – Beschermde landschappen

Ketnet wil zender voor allerkleinsten, “Legitieme vraag en begrijpelijke ambitie”

Gereglementeerde boekenprijs unaniem goedgekeurd door Vlaams parlement

Wat liep er fout met de bescherming Villa Slabbinck? (Brugge)

Groen verwelkomt Bellegemse windmolens, maar vraagt ‘windplan’ voor regio Kortrijk

Groen wil geen sloop hoekhuis Kasteelkaai-Belfaststraat.
Hoog tijd voor een Kortrijkse visie op erfgoed!

Woede van boeren terecht, maar alleen ander landbouwmodel geeft boeren een zekere toekomst.

Provinciebestuur W-Vl verliest vele (culturele) instellingen

Bart Caron : “Overdracht cultuurbevoegdheden provincies is een wangedrocht !”

Leve Mest-Vlaanderen

Nog geen bescherming poldergraslanden

Nog redders aan de kust?

Brugge weert plooifiets uit overheidsgebouwen

De Leie of het Kanaal naar Roeselare: Groen wil meer binnenvaart

Kortrijk Airport, milieuvergunning aangepast?

Wanneer faire prijzen voor landbouwproducten?

Kortrijk heeft de bus gemist

Burgerkabinet ontslaat Gatz niet van plicht om al bestaande inspraak te versterken

Steeds meer monumenten wachten op broodnodig onderhoud. Ondertussen verkrotten ze

Freya Piryns voorgedragen als vertegenwoordiger in de Raad van Bestuur van de VRT

Regering krimpt beloofde natuurgebieden langs de Leie sterk in

Bruggen in Kortrijk, werkende verlichting op de fietspaden is een brug te ver…

LAR-zuid, woordbreuk van de stadscoalitie

Informatie, diverse sporten en cultuur moeten prioriteit VRT blijven

‘Gemeenteraad is wachtzaal voor wie schepenambt wil’

Persmededeling: Groen maakt werk van versterking West-Vlaamse open ruimte.

Persbericht: 5 Groene werven voor een impuls in West-Vlaanderen.

Vlaamse regering bedreigt toekomst Vlaamse fictie