bartcaron.be

Zelfmoordpreventie bij jongeren

Ingediend op februari 14th, 2006 door bartcaron

Vraag van Vlaams volksvertegenwoordiger Bart Caron aan mevrouw Inge Vervotte, Vlaams minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin over zelfmoordpreventie bij jongeren.

De heer Bart Caron:
Mijnheer de voorzitter, mevrouw de minister, collega’s, ik zal me voornamelijk concentreren op de problematiek bij jongeren. Uit de studies blijkt dat 10 percent van de jongeren wel eens denkt aan zelfmoord. De motieven hebben natuurlijk met geestelijke gezondheid te maken, maar er worden over het algemeen drie maatschappelijke fenomenen genoemd: prestatiedruk, een wazig toekomstbeeld en de problematiek van de gebroken gezinnen.

De voorbije jaren was er veeleer een dalende trend, maar helaas was dat van korte duur en werd de trend opnieuw omgebogen. Dezelfde thematiek weerspiegelt zich ook in de verkoop van emo-medicijnen, waarvan de verkoop de voorbije 10 jaar is verdubbeld. Op de thematiek blijft een reusachtig taboe rusten. Mevrouw Hermans, ik ben blij dat u stelde dat we een grote inspanning zullen moeten leveren op het vlak van onderwijs, om initiatieven te nemen in verband met zelfdoding. Het preventiebeleid in en rond scholen zal een heel belangrijk element moeten zijn om jongeren bewust te maken van de problematiek en – ik wil niet zeggen uit het hoofd praten – het onderwerp bespreekbaar te maken en een zeker inzicht te verwerven.

Een signaal dat in dezelfde sfeer zit, maar niet helemaal overeenstemt, was de voorbije dagen in het nieuws: 7 percent van de pubers doet zichzelf wel eens pijn. Ik vind dat zeer veel. Auteurs zeggen dat jongeren op die manier proberen gevoelens te regelen. Gisteren en vandaag werden we door de media nogmaals gewaarschuwd voor het feit dat bij jongeren een grote graad van tolerantie bestaat voor geweld tussen en onder jongeren. Het zijn allemaal fenomenen die niet rechtstreeks met elkaar te maken hebben, maar het zijn wel uitingen van de samenleving waarin we functioneren. Voor jongeren met negatieve gedachten is geweld misschien een schreeuw om aandacht.

Mevrouw de minister, u hebt een aantal aanzetten gegeven en er lopen een aantal projecten. In een reactie op de gegevens over zelfdoding bij jongeren stelde u dat we dringend werk moeten maken van ademruimte in de psychiatrie en in de jeugdcentra van de Centra voor Geestelijke Gezondheidszorg.
U kondigt een publiekscampagne aan en u verwijst naar het Scandinavische voorbeeld. Ook in uw beleidsbrief gaat u hier op in. U haalt zes gezondheidsdoelstellingen aan, met vijf pijlers waarop ze gebouwd moeten worden. Dat is in elk geva l een interessant denkspoor. Ik ben ook blij dat u de internethulpverlening, die aansluit bij de leefwereld van jongeren, als hulpverleningsoptie wilt onderzoeken. Er lopen heel wat proefprojecten, maar we blijven toch een beetje op onze honger zitten voor een meer omvattende, geïntegreerde aanpak in de vorm van een actieplan, zowel op federaal als op Vlaams niveau.

Daarom mevrouw de minister, wil ik u volgende vragen stellen:

1° Werd er reeds overleg gepleegd met uw collega van onderwijs om de mogelijkheid van een preventiebeleid in scholen te bespreken?

2° Zijn er gegevens beschikbaar omtrent een mogelijk verband tussen zelfverminking bij jongeren en (poging tot) zelfdoding bij deze jongeren? Worden deze jongeren als een risicogroep beschouwd? Bent u van specifieke initiatieven op te starten voor deze groep?

3° Zijn er plannen om meer ademruimte te scheppen in de jeugdpsychiatrie en in de jeugdwerking van de centra voor geestelijke gezondheidszorg? Zo ja, wat zijn deze plannen?
 
4° In de persteksten spreekt van het Scandinavische model. Is het mogelijk om dit model nader toe te lichten?

5° Bestaat er reeds mogelijkheden van internethulpverlening? Op welke manier wordt dit onderzocht? Wat is de planning daaromtrent?

6° Ik vermoed dat u als minister van Welzijn reeds de bevindingen van de werkgroep  ontvangen hebt? Wanneer kunnen we een Vlaams actieplan verwachten? Werd er overleg gepleegd met uw federale collega om beide op elkaar af te stemmen?

Minister Inge Vervotte:
We hebben het hier over zelfdoding en depressies, want er is duidelijk een link tussen beide. Als we zoeken naar een oplossing voor het probleem, weten we allemaal dat er verschillende antwoorden mogelijk zijn. Sommige mensen willen over dit thema veeleer een filosofisch debat voeren, meer bepaald over zingeving in het algemeen en over spiritualiteit. Anderen willen het vooral hebben over de sociologische thema’s, denk maar aan maatschappelijke evoluties, participatie, keuzemogelijkheden en levensstandaard. Nog anderen zullen het veel liever over een psychologische boeg gooien en zoeken naar het minderwaardigheidsgevoel, kwetsuren en gezinssituaties. Een domein dat steeds meer wordt ontwikkeld, gooit het over de genetische boeg, heeft het over het biologische, en wil onze hersenen en genetische en andere factoren onderzoeken om biologisch een aantal zaken te kunnen vaststellen.

Ik denk dat we het er allemaal over eens zijn dat het antwoord hoogstwaarschijnlijk op alle niveaus gevonden moet worden. In het antwoord zal ik het niet hebben over alle andere niveaus, zoals het sociologische, het filosofische of het biologische. We proberen wel op een wetenschappelijk onderbouwde manier een beleid te voeren. We meten en gaan na wat de effecten zijn: wat is de kans dat mensen hervallen en wat is de risicodaling? Dit zijn onze uitgangspunten en de keuzes die we expliciet maken. Daar kan men dan voor of tegen zijn. Sommigen pleiten veeleer voor het uitstippelen van een algemeen beleid, waarbij wordt bekeken hoe de jeugdverenigingen, het onderwijs en andere spelers een bijdrage kunnen leveren. Dat moet sowieso inderdaad gebeuren, maar vanuit Welzijn en Volksgezondheid hebben we keuzes gemaakt op basis van internationale studies. We kijken welke internationale ervaringen nuttig en zinvol zijn en proberen die hier toe te passen. We bekijken hoe we een en ander kunnen meten, opdat we zouden kunnen ingrijpen. De wetenschappers zijn het er vandaag over eens dat, bij wie lijdt aan een chronische depressie, de kans op zelfdoding groter is. Ook zijn ze het erover eens dat als mensen een poging hebben ondernomen, de kans op hervallen groter is. Ook die groep moet zeker en vast worden bekeken.

Dan zijn er nog een aantal risicogroepen met duidelijk hogere incidentiecijfers, zoals holebi’s en kinderen van psychiatrische patiënten. We zijn het er allemaal over eens dat dit multifactorieel is en we er dus best een multifactoriële benadering op na houden. Omwille van onze keuze om dit wetenschappelijk gefundeerd te doen, beperken we ons echter een beetje tot een aantal interventies en projecten waarvan de effecten duidelijk aantoonbaar zijn en waarbij er een wetenschappelijke fundering kan zijn.

In 2002 heeft er inderdaad een gezondheidsconferentie plaatsgevonden, waarbij allerlei experts hebben getracht een bredere strategie op te stellen. Dit heeft geleid tot een voorstel van een zesde gezondheidsdoelstelling. Tot op vandaag is dit echter geen gezondheidsdoelstelling geworden die ook de goedkeuring heeft kunnen wegdragen van de Vlaamse Regering. Die goedkeuring moet er immers zijn. In de vorige zittingsperiode is dat dus niet gebeurd. Het is mijn bedoeling daar wel voor te zorgen. Momenteel zijn we de keuzes die de experts toen hebben gemaakt aan het actualiseren. Ondertussen beschikken we immers over bijkomende gegevens uit bijkomende studies en rapporten. Midden 2006 zou dit rond moeten zijn. Het is dus niet meer een kwestie van jaren, maar van maanden.
Bij die actualisering van dit beleidsplan zal er sprake zijn van vijf pijlers waarbinnen er volgens ons acties nodig zijn. We hebben niet gewacht op die actualisering om toch al initiatieven te nemen waarvan we vonden dat ze onmiskenbaar een meerwaarde
konden bieden. We hebben daar graag bijkomende middelen voor vrijgemaakt.

Die vijf pijlers werden onderscheiden op basis va n het denkwerk van de experts. Dit is eigenlijk allemaal ontstaan vanuit de sector. De eerste pijler is die van het grote belang van publieksinformatie. Het is een grote uitdaging voor de geestelijke gezondheidszorg om vermaatschappelijking tot stand te brengen. Wie mijn beleidsnota heeft doorgenomen, weet dat ik die vermaatschappelijking vrij veel vooropstel, en dat niet alleen bij depressie en zelfdoding, maar ook bijvoorbeeld bij de psychiatrie. Het is een manier om naar de problemen te kijken en te proberen antwoorden te geven. We hebben die discussies gehad naar aanleiding van de psychiatrische dagactiveringscentra. We hebben nu dezelfde discussie over internering. Wellicht zullen er nog andere discussies volgen. In deze visie is de resocialisatie en rehabilitatie van personen een essentieel deel van het herstelproces. Ze moeten in deze samenleving hun keuzes kunnen maken en opnieuw gezond kunnen worden. Indien dit aspect, van het kunnen deel uitmaken van deze samenleving, over het hoofd wordt gezien, dan zal het proces van gezondmaking ofwel nooit kunnen worden voltooid, ofwel trager verlopen. Uit experimenten blijkt immers heel duidelijk dat deel uitmaken van het sociale weefsel essentieel is. Velen houden er immers de visie op na dat mensen sociale wezens zijn, die zich thuis willen kunnen voelen in die samenleving. Daarom willen we die publieksinformatie.

Een vermaatschappelijking van de zorg vergt in eerste instantie dat we het stigma van de geestelijke gezondheidszorg wegwerken. We kunnen wel proberen dingen te bewerkstelligen binnen de psychiatrie en de hulp- en dienstverlening, maar als de samenleving er niet voor openstaat, dan krijgt men een dubbel negatief effect. Dat moet dus samen gebeuren. Dit moet prioritair zijn. Publieksinformatie en het ontdoen van stigma’s zijn essentieel om dat proces van vermaatschappelijking, waarin we allemaal geloven, niet alleen op papier, maar ook in de praktijk te kunnen verwezenlijken.

De tweede pijler is de deskundigheidsbevordering. Er werd hier al op gewezen: een van de personen naar wie mensen met problemen regelmatig stappen, is de huisarts. Heeft die voldoende kennis over de processen en patronen van depressie of zelfdoding? Heeft hij voldoende bijscholing kunnen krijgen? Is hij op de hoogte van de laatste ontwikkelingen? Hoewel ik in het beleidsplan dat ik zal voorleggen, heel veel aandacht ga besteden aan de huisartsen, zijn er nog andere intermediaire instanties, zoals jeugdbewegingen en scholen. Die spelen vooral een rol wanneer het gaat over signalen. Wanneer mensen een poging tot zelfdoding willen ondernemen, geven ze immers meestal signalen. De vraag rijst hoe die instanties daarmee moeten omgaan en hoe ze dit bespreekbaar moeten maken. Dit alles heeft te maken met deskundigheidsbevordering.
Niet onbelangrijk hierbij is dat er in dit verband ook nieuw materiaal voorhanden is. We hebben het hier wel allemaal over ‘depressies’, maar uit onderzoeken blijkt dat die diagnose stellen, niet zo eenvoudig is. Vaak wordt de verkeerde diagnose gesteld, wat natuurlijk de problemen nog ingewikkelder maakt. Dit moet ons blijven stimuleren om terzake aan wetenschappelijk onderzoek te blijven doen, vooral een opdracht van de universiteiten. De derde pijler is die van een specifiek preventief aanbod voor risicogroepen. Natuurlijk moet er een algemeen beleid worden gevoerd, maar we weten eveneens dat de kans op resultaten veel groter is als we werken met een aantal programma’s gericht op een aantal doelgroepen.

Het is dus essentieel dat we die specifieke programma’s en methodes ontwikkelen. Een niet onbelangrijk voorbeeld is dat van de holebi’s. Het zoeken naar een seksuele identiteit is meteen een zoektocht naar een identiteit in het algemeen. Veel holebi’s stellen zich tijdens die zoektocht dan ook de vraag wat de zin van hun leven is. Dit alles wordt dan ook nog eens complexer gemaakt door de reactie van de buitenwereld, van ouders, enzovoort. Dit is een belangrijk onderwerp waaraan we ons moeten wijden, vooral wanneer het gaat over jongeren. We willen daaraan werken, samen met de holebifederaties, die deze doelgroep zeer goed bereiken. Het is immers noodzakelijk dat ze zich niet alleen bezighouden met leuke en sexy onderwerpen, maar zich ook wijden aan dergelijke onderwerpen, die inherent deel uitmaken van de zoektocht. Wij zijn alleszins bereid hun terzake ondersteuning te geven.

De vierde pijler is die van de bestaande afstandshulpverlening. We weten dat de drempel voor sommigen te hoog is. Niet iedereen is in staat naar de huisarts te stappen en er een gesprek onder vier ogen te hebben. Hoe goed de CGG’s ook gekend zijn, niet iedereen zal kiezen voor een dergelijk gesprek of voor een bezoek aan de hulp- en dienstverlening. Sommige mensen zullen ervoor kiezen om te telefoneren, te chatten of om zelf informatie op te zoeken op het internet. Ook dat is een essentieel deel van het preventiebeleid, dat niet mag worden vergeten. Dan hebben we het onder meer over de Holebifoon en Tele-Onthaal. Ook daar moeten we aan deskundigheidsbevordering en ondersteuning doen.

Dan is er de vijfde pijler. Zoals hier al werd gezegd, moet er een coherent beleid komen. Daarbij moet de federale overheid een belangrijke rol spelen. Die overheid neemt de rechtstreekse aansturing van beroepsbeoefenaars in de psychiatrie en andere domeinen voor haar rekening. Ze stuurt bijvoorbeeld ook de huisartsen rechtstreeks aan; wij niet. Dat is een niet onbelangrijk aspect. Ook heeft ze een grote verantwoordelijkheid met betrekking tot het gebruik en het ter beschikking stellen van antidepressiva en slaapmiddelen. Nog een andere problematiek die aan bod is gekomen in werkgroepen van nabestaanden, is die van het veilig  maken van plaatsen waar mensen gemakkelijk overgaan tot zelfdoding, zoals spoorwegen en de toegangen tot spoorwegen. Ook die materie is federaal. Het is inderdaad zo dat in de Scandinavische landen heel uitdrukkelijk een beleid wordt gevoerd op het gebied van zelfdoding en depressie. Deze landen hebben steeds hoge cijfers gekend terzake. De beleidsmakers hebben er hun schouders gezet onder het uitwerken van beleidsplannen. Zo hebben ze ervaring met het net door mij belichte element van de publieksinformatie. Dat werd uitgetest en geëvalueerd. We hebben ons daardoor laten inspireren. We proberen niet telkens opnieuw het wiel uit te vinden. De publiekscampagnes in die landen hebben geleid tot goede resultaten. We hebben ze overgenomen en geprobeerd ze om te vormen zodat ze te gebruiken zijn voor de Vlaamse bevolking. Elk land heeft immers zijn eigen accenten en cultuur. De campagnes hebben onder meer plaatsgevonden in Engeland, Canada, IJsland en Schotland. We hebben die informatie verzameld en dit omgezet in een Vlaams campagneplan. Nog voor juni 2006 zullen we dit de wereld kunnen insturen. Het belangrijkste aspect daarvan is alles wat te maken heeft met zelfzorg. Mensen die bezig zijn met depressie en zelfdoding vinden immers dat het aspect van de zelfzorg niet uit het oog mag worden verloren. Zelfzorg is een klein, maar niet onbelangrijk onderdeel.

De centrale vraag daar is: hoe kunnen we mensen informatie geven opdat ze aan gezondheidsbevordering kunnen doen wat de geestelijke gezondheidszorg betreft? We doen dat al wanneer het gaat over voedingsadviezen, alcohol, enzovoort, maar heel weinig wanneer het gaat over de geestelijke gezondheidszorg. Dat is de bedoeling van deze publiekscampagne.
Er werd een vraag gesteld over preventie en de rol van de partners, van de CGG’s. Er zijn 21 erkende CGG’s waar een suïcidepreventieproject loopt. Acht voltijdse equivalenten zijn er vrijgesteld om zich enkel en alleen bezig te houden met suïcidepreventie. De bedoeling daarvan is natuurlijk ook de hulp- en dienstverlening binnen de centra zelf te bevorderen. Dan denk ik aan het protocolleren, aan de deskundigheidsbevorder
ing en dergelijke. Het zijn ook de centra die de vorming ten behoeve van de intermediaire instanties ontwikkelen. Zo zijn er bijvoorbeeld pakketten die worden gegeven specifiek voor politiemensen. Dat is duidelijk een doelgroep. Dan zijn er ook nog de CLB’s, de huisartsen en de thuiszorg. Het zijn die preventiewerkers die lokale en regionale samenwerkingsverbanden stimuleren. Het versterken van die samenwerking is essentieel. Ze zorgen ook voor de opvang van nabestaanden na zelfdoding. Daarvoor bestaan er ook zelfhulpgroepen, maar het is belangrijk een therapeutisch traject te kunnen leiden indien dat nodig is.

Ook steunt de Vlaamse overheid het project van de European Alliance against Depression. De bedoeling is om die netwerken en die deskundigheidsbevordering veel meer in kaart te brengen, net als de diagnosestelling en de therapie, zodat er verbeteringen kunnen worden aangebracht. Net omdat de samenwerking met de federale overheid erg belangrijk is, hebben we een task force Geestelijke Gezondheidzorg opgericht. We volgen deze werkgroep van zeer nabij, hoewel er niet altijd sprake is van dezelfde snelheid als we de vergelijking maken tussen de gemeenschappen en met de federale overheid.
Ook is er binnen de administratie Onderwijs een samenwerkingsprotocol afgesloten met de CLB’s. Zij hebben heel duidelijk de begeleiding met betrekking tot het psychosociale welzijn van de leerlingen als taak gekregen. Zeer recent hebben we dan ook nog een protocol afgesloten met de minister van Onderwijs voor het aanstellen van een gezondheidscoördinator. Vanuit Welzijn hebben we doelstellingen geformuleerd waar die coördinator van zal uitgaan als hij de scholen gaat helpen bij het ontwikkelen van een beleid. Ze moeten een stappenplan opstellen. We gaan ervan uit dat de scholen daartoe zelf voldoende in staat zijn. We hebben doelstellingen geformuleerd inzake preventie, gezonde voeding, beweging, enzovoort, maar ook heel duidelijk alles betreffende depressie en zelfdoding opgenomen. Dat zal dus ook een deel uitmaken van de gezondheidsplannen die gestalte zullen krijgen in de scholen zelf. We hadden het al even over de CGG’s en de wachttijden daar. U weet dat we met de CGG’s onderhandelen over de convenants. Ik vind het vervelend dat ik daar steeds naar moet verwijzen, maar die onderhandelingen zijn bezig en ze zijn essentieel voor de verdere ontwikkelingen in deze sector. Mee onder de impuls van de voornoemde suïcidepreventiewerkers, hebben de CGG’s procedures ontwikkeld waarbij patiënten worden gescreend op een suïciderisico. Wie een verhoogd risico op suïcide blijkt te hebben, kan prioritair worden behandeld en belandt niet op de wachtlijst. Dat is belangrijk. Alle CGG’s hebben die procedures.

Dat maakt deel uit van de gesprekken die we momenteel voeren met de CGG’s. We benadrukken daarbij dat we het belangrijk vinden dat er prioriteiten worden gesteld. Dat is een heel moeilijk debat en daarom hebben die onderhandelingen tijd nodig. We vinden het echter essentieel. Natuurlijk kan iedereen op de ene of de andere wijze behoefte hebben aan therapeutische en psychosociale ondersteuning, maar de vraag rijst welke rol de centra daarbij spelen en welke doelgroepen prioritair moeten worden aangepakt. Dat bepaalt immers welke mensen voorrang krijgen. Het is een moeilijk, maar essentieel debat. We moeten daar immers keuzes durven maken, om onze goed opgeleide mensen zo goed mogelijk in te zetten en onze sterktes en kwaliteiten zo goed mogelijk te gebruiken. Ze moeten daar worden ingezet waar de grootste problemen bestaan.

In het licht daarvan zullen we bekijken waar we verder zullen uitbreiden. Er moeten afstemmingen tussen en afspraken met de CGG’s komen. Een van de belangrijkste elementen daarin is, wat mij betreft, het doen toenemen van het cliëntcontact, de gesprekken onder vier ogen. Dat is echter een delicaat punt bij de onderhandelingen. We moeten dat samen kunnen aanpakken. We zullen bekijken hoe de onderhandelingen verlopen. Het uitbreidingsbeleid is onder meer al ingezet met het VIA-akkoord. Het gaat dan toch over veertig voltijdse equivalenten voor de CGG’s. Het is mijn bedoeling die prioritair in te zetten voor kinderen en jongeren. Daar zijn de wachtlijsten immers het langst.
De jeugd- en kinderpsychiatrie is een federale materie. We volgen dit nauwgezet, maar het is niet evident dit aan te pakken. Wanneer we kijken naar de residentiële opvang in de kinderpsychiatrie, vind ik het jammer te moeten vaststellen dat er in Vlaanderen binnen de bestaande programmatie momenteel nog vijftien K-bedden openstaan. Indien nodig, zouden deze bedden dus kunnen worden erkend en toegekend. Er is nog ruimte voor uitbreiding, maar dit programma is dus nog niet ingevuld. Dat is niet vanzelfsprekend: we pleiten enerzijds voor een aantal zaken bij de federale overheid, maar in de programmatie is er anderzijds nog ruimte.

Welke definities hanteren we? Suïcide is zelfdoding uit vrije wil; een suïcidepoging is een poging tot suïcide waarbij een individu daadwerkelijk de intentie heeft om zichzelf om het leven te brengen. Automutilatie en zelfverwonding zijn zelfbeschadigend gedrag dat regelmatig voorkomt en waarbij de wens tot overlijden duidelijk niet aan de orde is. Zelfbeschadigend gedrag is een algemene term die op een scala van gedragingen toepasbaar is. Er is dus een groot verschil tussen automutilatie en zelfdoding. Het doel verschilt fundamenteel.
Uit een onderzoek blijkt dat in West-Vlaanderen 13,1 percent van de ondervraagden melden dat ze ooit zelfbeschadigend gedrag hebben vertoond. De helft van die mensen zegt dat ze zichzelf ooit echt hebben willen doden toen ze te veel pillen innamen of zichzelf op een andere manier probeerden lichamelijk te beschadigen. Deze cijfers tonen aan dat verder onderzoek nodig is. De preventie van zelfdoding en de preventie van zelfverwonding zijn ons inziens twee aparte zaken. Ze leunen bij elkaar aan, maar toch is een verschillende aanpak nodig. De rol van scholen, jeugdverenigingen en jeugdhuizen in het preventiebeleid inzake zelfdoding is essentieel. Het is belangrijk dat er met hen collectieve gezondheidsovereenkomsten worden afgesloten. De sector moet zich engageren. Tezelfdertijd moet de sector de kans krijgen mee te werken aan een draaiboek waarin preventie maar ook nazorg aan bod komen. Er moet ook aandacht worden besteed aan kinderen van wie een ouder of grootouder zelfmoord heeft gepleegd. We moeten leren de signalen op te vangen van een kind dat verdriet heeft na zo’n drama. Dat is de primaire preventie.

De secundaire preventie heeft te maken met voorlichtingsavonden voor ouders; met vormingscursussen die vooral preventiewerkers aanbieden; met vaardigheidstrainingen voor risicojongeren en met het samenwerkingsprotocol tussen de Integrale jeugdhulp en de CLB’s. Het preventiebeleid inzake zelfverwonding steunt op twee pijlers. We nemen initiatieven ter bevordering van de gezondheid van jongeren die alcohol en drugs gebruiken. Verder willen we met specifieke programma’s jongeren met zelfbeschadigend gedrag adequaat behandelen en begeleiden. Automutilatie kan verslavend zijn. De hulpverlening moet daarmee rekening houden. Snel ingrijpen is bijgevolg heel belangrijk. Ook informatie over automutilatie is erg belangrijk. We moeten leren om de achterliggende problemen aan te pakken. Die problemen moeten worden gedetecteerd; nadien moeten de mensen naar de juiste instanties worden doorverwezen. Vaak gebeurt dat laatste niet goed. Men moet doorverwijzen naar de kinderpsychiater of de kinderdienst van de CGG’s, of naar andere diensten. Bij automutilatie willen we de aandacht toespitsen op de dieperliggende oorzaken. Bij depressie en zelfdoding gebeurt dat niet altijd, en als het gebeurt dikwijls ook minder. Vaak gaat het bij automutilatie over zeer complexe problemen zoals kindermishandeling, incest, emotionele verwaarlozing, middelengebruik en eetstoornissen. Een aparte aanpak is nodig. Het Centrum ter P
reventie van Zelfmoord heeft een telefoonlijn. Een avond per week, afwisselend op dinsdag en donderdag, telkens van 19 uur tot 21.30 uur, kan men het centrum ook via een chatroom op het internet contacteren. Op de website van ‘Klasse’ is in 2004 een forum uitgebouwd. Jongeren kunnen er terecht met vragen over zelfdoding. Drie medewerkers van het project Zelfmoordpreventie van de CGG’s monitoren het forum. In het kader van het actieplan richt de werkgroep zich vooral op de nabestaanden. Men werkt aan informatieve websites voor kinderen en jongeren.

Ik heb het vroeger al gehad over wat ik zelf onderneem. Onze projecten hebben te maken met de berichtgeving in de pers en de nazorg voor suïcidepogers. Lopende projecten beogen de deskundigheid van huisartsen te bevorderen, onder meer via websites. Lopende projecten zijn: de MBCT, de opvang van suïcidepogers in de ziekenhuizen, aandacht voor kinderen van ouders met psychiatrische stoornissen, de verbetering van de werking van de CGG’s dankzij het EHD-netwerk? dat met Europese steun werkt, en ten slotte ook de opvang en ondersteuning van nabestaanden. In de eerste helft van 2006 worden nieuwe projecten opgestart. Het gaat over de tien positieve stappen, zoals de publieksinformatie en een specifiek project over holebi’s en zelfdoding. Het is niet de bedoeling dat personen die een zelfmoordpoging hebben ondernomen terechtkomen in een apart zorgcircuit. Ze moeten worden opgevangen in ziekenhuizen, psychiatrische ziekenhuizen, de CGG’s, psychiaters, psychologen, huisartsen, enzovoort. De projecten in Limburg hebben tot doel om daartoe een zorgcontinuüm uit te bouwen. Momenteel zijn die projecten nog lopende. Tussentijdse evaluaties zijn in dit geval onwetenschappelijk. Eens we positieve besluiten kunnen trekken, willen we de toepassing ervan verruimen. Ik denk dan in de eerste plaats aan het MBCT-project en de opvang van suïcidepogers in ziekenhuizen. Dat laatste project loopt af in juli; de resultaten zullen eind september bekend zijn. Het MBCT-project loopt nog een tijdje. Follow-up is nodig. Pas na drie jaar zullen we kunnen oordelen of het aantal recidivisten echt daalt. Senioren worden geconfronteerd met problemen die de kans op zelfdoding vergroten: rouw en verlies, de zoektocht naar een identiteit, eenzaamheid, enzovoort. Deskundigheidsbevordering ten behoeve van de rust- en verzorgingstehuizen en de thuiszorg kan goede resultaten opleveren. In deze doelgroep is het taboe nog groter dan elders. Er is nog werk aan de winkel, vooral op het vlak van informatieverstrekking, sensibilisering en het bespreekbaar maken van het thema, bijvoorbeeld in de Vlaamse Ouderenraad. Toen ik de Vlaamse Ouderenraad heb opgericht, heb ik dit onderwerp onmiddellijk ter sprake gebracht. Men mag zich niet alleen bekommeren om mobiliteit en vrije tijd. Die representatieve structuur heeft er alle belang bij om dit onderwerp bij ouderen bespreekbaar te maken.

Het federale niveau heeft terzake een belangrijke taak. Die doelgroep is vatbaar voor middelengebruik. We willen samen met de federale overheid een coherent plan uitwerken. Ik zal alleszins niet op het federale niveau wachten om een beleidsplan uit te werken. Ons huiswerk is al vergevorderd. Normalerwijze zal medio 2006 ons plan worden besproken.

De heer Bart Caron:
Ik dank de minister voor haar uitvoerige en degelijke antwoord. Wat de jeugd- en kinderpsychiatrie betreft, had de minister het over 15 percent?

Minister Inge Vervotte:
Wij vragen een uitbreiding, maar er zijn vandaag nog 15 K-bedden niet ingevuld.

De heer Luc Martens:
Ik heb inderdaad misschien een ietwat provocatieve opmerking gemaakt met betrekking tot het onderwijs, maar ik blijf dit doen. We gaan nogal gemakkelijk voorbij aan de thuissituatie van kinderen en wijzen meteen op de rol van het onderwijs. We springen telkens over de eerste evidente lijn waarvoor we op een breed maatschappelijk vlak inspanningen moeten blijven doen. Of dit nu via opvoedingsondersteuning is of via een totale context waarin relaties zich op een meer succesvolle manier kunnen ontwikkelen, maakt me niet uit. Deze inspanningen moeten eerst gebeuren en daar wordt nogal eens aan voorbijgegaan. We hebben het meteen over het onderwijs. Als we deze dingen toch van het onderwijs verlangen, dan moet dat onderwijs een maatschappelijk draagvlak krijgen om zich daarop te kunnen organiseren. Er moeten daartoe dan ook middelen worden vrijgemaakt en dat is vaak niet het geval. Het is vanuit die zorg dat ik een en ander misschien wat provocatief heb verwoord.

De heer Bart Caron:
Mijnheer Martens, u hebt gelijk, maar ik wil toch op enkele zaken wijzen. In de priv

Ingediend onder in de commissies Reacties uitgeschakeld voor Zelfmoordpreventie bij jongeren





 

Nieuws

We moeten af van ‘middeleeuwse’ overdracht van jachtrechten

Alternatieven voor dierproeven

Het ‘kleine’ parlementaire werk. Recente voorbeelden: Geluidshinder kusttram – Hakhoutbeheer – Restauratiepremies Onroerend Erfgoed – Beschermde landschappen

Ketnet wil zender voor allerkleinsten, “Legitieme vraag en begrijpelijke ambitie”

Gereglementeerde boekenprijs unaniem goedgekeurd door Vlaams parlement

Wat liep er fout met de bescherming Villa Slabbinck? (Brugge)

Groen verwelkomt Bellegemse windmolens, maar vraagt ‘windplan’ voor regio Kortrijk

Groen wil geen sloop hoekhuis Kasteelkaai-Belfaststraat.
Hoog tijd voor een Kortrijkse visie op erfgoed!

Woede van boeren terecht, maar alleen ander landbouwmodel geeft boeren een zekere toekomst.

Provinciebestuur W-Vl verliest vele (culturele) instellingen

Bart Caron : “Overdracht cultuurbevoegdheden provincies is een wangedrocht !”

Leve Mest-Vlaanderen

Nog geen bescherming poldergraslanden

Nog redders aan de kust?

Brugge weert plooifiets uit overheidsgebouwen

De Leie of het Kanaal naar Roeselare: Groen wil meer binnenvaart

Kortrijk Airport, milieuvergunning aangepast?

Wanneer faire prijzen voor landbouwproducten?

Kortrijk heeft de bus gemist

Burgerkabinet ontslaat Gatz niet van plicht om al bestaande inspraak te versterken

Steeds meer monumenten wachten op broodnodig onderhoud. Ondertussen verkrotten ze

Freya Piryns voorgedragen als vertegenwoordiger in de Raad van Bestuur van de VRT

Regering krimpt beloofde natuurgebieden langs de Leie sterk in

Bruggen in Kortrijk, werkende verlichting op de fietspaden is een brug te ver…

LAR-zuid, woordbreuk van de stadscoalitie

Informatie, diverse sporten en cultuur moeten prioriteit VRT blijven

‘Gemeenteraad is wachtzaal voor wie schepenambt wil’

Persmededeling: Groen maakt werk van versterking West-Vlaamse open ruimte.

Persbericht: 5 Groene werven voor een impuls in West-Vlaanderen.

Vlaamse regering bedreigt toekomst Vlaamse fictie