bartcaron.be

Vlaams minderhedenbeleid

Ingediend op december 1st, 2005 door bartcaron

Vraag om uitleg van de heer Bart Caron tot de heer Marino Keulen, Vlaams minister van Binnenlands Bestuur, Stedenbeleid, Wonen en Inburgering, over het Vlaamse minderhedenbeleid

De heer Bart Caron: Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, collega’s, ik voel me hier niet helemaal op mijn gemak. Het is de eerste keer dat ik in deze commissie kom. Aan het gebruik van Tipp-Ex kunt u ook zien dat de vraag oorspronkelijk niet aan minister Keulen was gesteld, maar wel aan minister Vervotte. Ik veronderstelde – ten onrechte – dat het beleid met betrekking tot woonwagenbewoners bij Welzijn hoorde.

Mijnheer de minister, degenen die, zoals ik, vaak de trein nemen, ervaren dat het straatbeeld in Brussel erg wordt getekend door de aanwezigheid van bedelaars, van wie de Romazigeuners een grote groep uitmaken. Dat is niet alleen mij maar ook de media opgevallen. In de afgelopen maand zijn er zowel in Knack als in de Volkskrant uitgebreide reportages verschenen, waarin werd gezocht naar de dieperliggende oorzaken van de problemen van bedelende zigeuners.
Uit de artikels blijkt dat het probleem gelijk loopt met dat van andere bevolkingsgroepen die hier hun geluk komen zoeken. Veel heeft echter ook te maken met de specifieke toestand van deze groep zigeuners. Ik zal u nu niet onderhouden met een antropologische benadering van de thematiek. De Foyer wijst erop dat het probleem te maken heeft met absolute kansarmoede. Deze groep leeft in grauwe ellende. Dat komt in Brussel het meest nadrukkelijk tot uiting, hoewel het probleem in elke andere stad in Vlaanderen aanwezig is. Mensen hebben vaak de neiging om alle zigeuners over dezelfde kam te scheren. Er is echter een grote verscheidenheid. Er zijn groepen die al generaties lang in Vlaanderen wonen, andere die hier recenter zijn aanbeland. Er zijn ook veel vormen van uitsluiting van de zigeunerbevolking in de landen van herkomst.

In 1977 ontstond het Vlaams Overleg Woonwagenwerk, dat zich gedurende twee decennia met de eeuwenoude problematiek van het migreren en zich verplaatsen heeft beziggehouden. De categorie waar ik het over heb, is voornamelijk residentieel gaan wonen. Ze behoort niet meer tot de klassieke woonwagenbewoners. De groep is moeilijk af te bakenen, is van verschillende origine. Van de problemen waarmee ze te maken heeft, is vooral de kansarmoede de meest kenmerkende. In 1999 is het Vlaams Overleg opgegaan in het Vlaams Minderhedencentrum. Uit de artikelen konden we opmaken dat het minderhedencentrum minder aandacht besteedt aan de problematiek van de woonwagenbewoners omdat andere problemen in de samenleving een steeds toenemende aandacht vragen.

Er is ook een fundamenteel verschil tussen beide organisaties. Het Vlaams Overleg zorgde voor eerstelijnshulp, had direct contact met de doelgroep. Het minderhedencentrum is een tweedelijnsorganisatie, die via andere actoren, bemiddelaars en agenten met de doelgroep in contact komt. Dat schept problemen. Ook binnen het Vlaams Minderhedencentrum schijnen er op dit vlak minder professionelen actief te zijn, terwijl de problemen eigenlijk toenemen. Gelet op de discussie over eerste en tweede lijn, verdwijnt de gespecialiseerde kennis van de basiswerking in het Vlaams Minderhedencentrum en vloeien er mensen weg.

Daarom mijnheer de minister wil ik u volgende vragen stellen:

1) Klopt de berichtgeving dat het Vlaams minderhedenbeleid voor zigeuners en woonwagenbewoners in volle crisis verkeert? Zijn er daadwerkelijk professionele deskundigen ontslagen of vertrokken? Hebben experts een andere functie gekregen? I

2) Is het werkelijk zo dat de gespecialiseerde basiswerking voor deze doelgroepen werd afgebouwd? Indien dat zo is, om welke reden gebeurde dat dan? Hoe denkt u de ondersteuning voor deze doelgroepen te organiseren? Kan de ondersteuning niet beter worden ondergebracht bij het opbouwwerk, waar dit soort werk oorspronkelijk onder ressorteerde?

Indien een aantal aspecten van mijn vraag betrekking hebben op de specifieke bevoegdheden van het Vlaams Minderhedencentrum, dan respecteer ik het dat u daar geen aandacht aan kunt besteden. Mijn bekommernis is vooral te weten of het beleid voor de doelgroepen werkelijk achteruitgaat en of er een relatie is met de toenemende problematiek van de kansarmoede in de samenleving.

Minister Marino Keulen: Mijnheer Caron, ik ben ook bekommerd om deze sector. In tegenstelling tot wat de berichtgeving laat vermoeden, is het Vlaams minderhedenbeleid voor woonwagenbewoners en zigeuners echter niet in volle crisis. We stellen wel vast dat er op dit ogenblik ongenoegen heerst bij het woonwagenwerk, onder andere over de plaats binnen het minderhedenbeleid.

In dat verband heb ik op het kabinet drie woonwagenbewoners en twee woonwagenwerkers ontvangen. Gedurende dat gesprek werden een aantal knelpunten vermeld. Er werd gepraat over de verwachtingen in verband met het beleid voor woonwagenbewoners. We hebben ook gesproken over het belang van de inzet van persoonsbetrokken professionals die als bemiddelaars de band tussen de woonwagenbewoners en de maatschappij opbouwen, of met andere woorden over de nood aan basiswerk. Ook het belang van bridging tussen woonwagenbewoners en de samenleving om de sociale cohesie te bevorderen kwam aan bod. Bovendien werd er gepraat over het belang van de vaders om de onderwijsdeelname te bevorderen. Er werden ten slotte ook een aantal interessante beleidsaanbevelingen aangekaart die zeker onderzocht moeten worden.

Dat er ongenoegen is, wil echter niet zeggen dat de integratiesector geen inspanningen doet om de doelgroep op te nemen in de werking, en deze voor woonwagenbewoners te optimaliseren. Ik zal dat illustreren aan de hand van een waslijst voorbeelden en maatregelen. Om te beginnen werden woonwagenbewoners – voyageurs en zigeuners – expliciet als doelgroep opgenomen in het minderhedendecreet van 28 april 1998. Sinds de uitvoering van het minderhedendecreet maakt het ondersteuningscentrum voor woonwagenbewoners, het vroegere Vlaams Overleg Woonwagenwerk, inderdaad deel uit van het Vlaams Minderhedencentrum. Het Vlaams woonwagenwerk bleef hierbinnen met eigen middelen functioneren.

Sinds maart 2004 heeft het Vlaams Centrum Woonwagenwerk de naam VROEM vzw: Vlaamse Vereniging voor Voyageurs, Roms, Roma en Manoesjen. Manoesjen hebben een Indische oorsprong. De Roma trekken niet meer rond. De Roms trekken wel rond. Voyageurs zijn eigenlijk autochtonen die in woonwagens wonen. Die woonwagens zijn vaak omgevormd tot kleine chalets. U kunt zich daar wel iets bij voorstellen. Er zijn ook de cellen voor woonwagenwerk. Het minderhedendecreet bepaalt dat specifieke aandacht voor de nieuwe doelgroepen van het Vlaamse minderhedenbeleid onder andere moet worden gestimuleerd door cellen voor woonwagenwerk, verspreid over de regio’s. Hierbij moet worden verwezen naar het besluit van de Vlaamse Regering van 14 juli 1998 over de erkenning en subsidiëring van de centra en de diensten voor het Vlaamse minderhedenbeleid.
Daarin staat dat het werkgeverschap van het personeel van de cellen, op dat ogenblik uitgeoefend door het Vlaams Minderhedencentrum, na 3 jaar zou worden geëvalueerd. Op basis van een evaluatie heeft toenmalig Vlaams minister Vogels, beslist dat het werkgeverschap van het personeel van de cellen vanaf 1 januari 2003 moest worden overgeheveld naar het provinciaal of lokaal integratiecentrum waarbij de cel is opgericht. Op  die manier zou de structurele inbedding van de aandacht voor alle doelgroepen bij de integratiecentra beter worden gegarandeerd. De medewerkers van de cellen woonwagenwerk functioneren sindsdien dus in een nieuwe organisatie.

Op dit ogenblik zijn er in vijf integratiecentra medewerkers specifiek actief in verband met woonwagenbewoners. Drie cellen werken uitsluitend met voyageurs, Roms en Manoesjen, namelijk de cel van het lokaal integratiecentr
um De Acht in Antwerpen met 2 voltijdse equivalenten, de cel van het provinciaal integratiecentrum van Vlaams-Brabant met 1 voltijdse equivalent en de cel van het provinciaal integratiecentrum van Limburg met 1 voltijdse equivalent. Twee cellen werken ook met Roma, namelijk de cel van het regionaal integratiecentrum Foyer in Brussel met 2 voltijdse equivalenten en de cel van het provinciaal integratiecentrum Oost-Vlaanderen met een viervijfde voltijdse equivalent.

Er zijn er ook personeelsleden aangesteld voor specifieke Romawerkingen. In het provinciaal integratiecentrum Oost-Vlaanderen gaat het dan over 1 voltijdse equivalent en bij De Acht ook. Het Vlaams Minderhedencentrum heeft de decretale opdracht om te werken rond de situatie van alle doelgroepen van het Vlaams minderhedenbeleid, dus ook van woonwagenbewoners en zigeuners. Het Vlaams Minderhedencentrum heeft deze opdracht altijd in zijn planning meegenomen. Dat blijft zo in de toekomst. Hierbij werkt het Vlaams Minderhedencentrum nauw samen met de integratiecentra en -diensten, die tevens in hun planning de werking voor woonwagenbewoners hebben opgenomen.
In de huidige overeenkomst van de Vlaamse Regering met het Vlaams Minderhedencentrum voor de periode van 1 januari 2001 tot 31 december 2006, gewijzigd door een addendum dat inging op 1 november 2004, werden een aantal specifieke opdrachten met betrekking tot woonwagenbewoners opgenomen. Ik som er een aantal op.
Jaarlijks moet over de problematiek van woonwagenterreinen een knelpuntenduiding en een lijst van aanbevelingen worden ontwikkeld. Er moet jaarlijks een actie worden opgezet, gericht op de sensibilisering van verantwoordelijke besturen. Voor 2005 was dit concreet een studiedag over doortrekkersterreinen. In 2005 moest een actie worden opgezet in verband met de doorstroming van kinderen van woonwagenbewoners naar sterkere richtingen in het onderwijs. Vanuit het uitgangspunt dat woonwagenbewoners tot de doelgroepen van het minderhedenbeleid behoren en om de gezamenlijke betrokkenheid op het woonwagenwerk te verhogen, organiseerde het Vlaams Minderhedencentrum in april 2005 bovendien een rondetafelconferentie over de minderhedensector en het woonwagenwerk. Daarop waren de integratiecentra, de cellen, VROEM vzw, vrijwilligers en andere geïnteresseerden aanwezig. De aanbevelingen die op deze rondetafelconferentie werden geformuleerd, vormen mee de basis voor het – in samenspraak met VROEM vzw – verder vorm geven aan het beleid voor woonwagenbewoners.

In het personeelsplan van het Vlaams Minderhedencentrum is in een stafmedewerker voor woonwagenterreinen voorzien, die instaat voor de ondersteuning van de cellen en van de openbare besturen in verband met de aanleg van zowel residentiële als doortrekkersterreinen, en eveneens in een coördinator Vo yageurs en Zigeuners. Daar zijn dus heel wat mensen bij betrokken. Het klopt inderdaad dat er twee medewerkers van het Vlaams Minderhedencentrum die op deze terreinen werkzaam waren, zijn ontslagen. Het Vlaams Minderhedencentrum is echter een autonome organisatie, die een eigen personeelsbeleid voert. Dergelijke personeelsaangelegenheden behoren dus tot de autonome bevoegdheid van deze organisatie. U zei zelf al daar alle begrip voor te hebben, mijnheer Caron. Dat apprecieer ik. Binnen de culturele sector is men erg vertrouwd met deze formule. Dat is een van de structurele problemen waarmee Vlaanderen wel eens worstelt. Enerzijds geeft men autonomie, maar anderzijds ondervraagt men de minister die deze autonomie aan een instelling heeft gegeven.
Mocht dit niet gebeuren, dan is de spanning weg. We moeten echter consequent zijn. Als we een autonome structuur opzetten en taken delegeren, dan horen we die autonomie te respecteren, ook inzake het personeelsbeleid.
Binnenkort zal het Vlaams Minderhedencentrum een medewerker aanwerven om woonwagenwerkers en anderen die werken met moeilijk bereikbare groepen te ondersteunen. Binnen het Vlaams Minderhedencentrum is er eveneens een halftijds stafmedewerker Lokaal Beleid en Woonwagenterreinen actief. Er komen dus opnieuw extra krachten bij. De aandacht voor en werking ten opzichte van woonwagenbewoners – dus voyageurs en zigeuners – en van Roma is niet afgebouwd. Volgens het decreet hebben integratiecentra de algemene opdracht ertoe bij te dragen dat het provinciebestuur, de lokale besturen en andere relevante beleidsinstanties een gecoördineerd en inclusief minderhedenbeleid voeren, in overleg met de doelgroepen en hun organisaties. Zoals reeds vermeld, zijn er binnen de minderhedensector medewerkers actief inzake woonwagenwerk. Ze hebben contacten met woonwagenbewoners. Deze werkers zorgen ervoor dat woonwagenbewoners aansluiting vinden bij instellingen en organisaties in de samenleving. Sommigen van hen werken ook met Roma. Het is de bedoeling op langere termijn dat de reguliere voorzieningen een aangepaste werkwijze voor deze doelgroep ontwikkelen. In afwachting hiervan kan – decretaal bepaald – waar nodig nog categoriaal gewerkt worden inzake woonwagenbewoners en Roma. De sector is eveneens actief inzake onderwijs voor kinderen van de rondtrekkende bevolking. Deze mensen informeren scholen en zoeken mee naar praktische oplossingen.

Op lokaal vlak, bij gemeenten met een woonwagenterrein, zijn coördinatoren en begeleiders inzake woonwagenbewoners actief en worden er projecten uitgevoerd. Een voorbeeld is het tewerkstellingsproject in Leuven. Er wordt met een werkgroep Vlaams Minderhedencentrum- VROEM begonnen, die een aantal concrete bekommernissen van het woonwagenwerk, inzake onder meer basiswerk en de specificiteit van de doelgroep, onderzoekt en omzet in concrete acties. Binnen de minderhedensector blijkt de aandacht voor woonwagenbewoners en doelgroepen onder meer uit de volgende initiatieven. De sector volgt het beleid inzake woonwagenterreinen. Hij stimuleert en helpt lokale en provinciale besturen om residentiële woonwagenterreinen en doortrekkersterreinen in te richten en erover te communiceren met de bevolking. Een nieuwsbrief bericht over de stand van zaken va n het standplaatsenbeleid. Het Vlaams Minderhedencentrum volgt ook de wijzigingen met betrekking tot het referentieadres.
Mensen die rondtrekken, zijn dan toch bereikbaar via een dergelijk adres. Mijn antwoord is erg uitgebreid. Dit onderwerp komt echter weinig in de aandacht. Het onderwerp is mijn verantwoordelijkheid, wat eigenlijk niet geweten is. Ik probeer mijn best te doen terzake. Op deze wijze komt dit toch even in de schijnwerpers.

Mijnheer Caron, u vroeg me hoe ik denk de ondersteuning aan deze doelgroepen te organiseren. Enkele maanden geleden heeft VROEM vzw inderdaad het voorstel gelanceerd om eventueel over te stappen van de integratiesector naar de sector van de samenlevingsopbouw. Over de wenselijkheid en de haalbaarheid van dit voorstel zijn momenteel gesprekken op het terrein gaande. Conform het minderhedendecreet is het momenteel wel zo dat de thematiek van woonwagenbewoners en Roma duidelijk een opdracht is waaraan de minderhedensector moet werken. Bovendien zijn in vijf integratiecentra medewerkers specifiek met betrekking tot woonwagenbewoners actief. Er zal wel worden onderzocht op welke wijze een samenwerking tussen de integratiesector en het maatschappelijk opbouwwerk kan worden versterkt, zoals onder meer bepaald in het protocol dat ik bij het begin van deze zittingsperiode heb afgesloten met de minister van Welzijn. Minister Vervotte is immers verantwoordelijk wanneer het gaat over het opbouwwerk.

In de toekomst zal ik, zoals vermeld in mijn beleidsbrief 2006, laten onderzoeken hoe de drie decreten – het minderhedendecreet, het inburgeringsdecreet en het decreet betreffende de Huizen van het Nederlands – en de voorzieningen beter op elkaar kunnen worden afgestemd. In het kader van de afstemming van de drie decreten heb ik de Vlaamse Woonwagencommissie de opdracht gegeven om een overzicht te maken van alle actoren die momenteel in Vlaanderen betrokken zijn bij het standplaatsenbeleid.
Het realiseren van voldoende kwaliteitsvolle standplaatsen voor woonwagenbewoners is immers een noodzakelijke voorwaarde om deze bewoners onder meer naar werk en onderwijs te kunnen begeleiden. De Vlaamse Woonwagencommissie zal ook aanbevelingen formuleren in verband met de ondersteuning aan woonwagenbewoners. De werkzaamheden van deze commissie zullen mee toelaten de plaats en rol van het woonwagenwerk binnen het integratiebeleid duidelijk te definiëren.
Eigenlijk is er hier sprake van een snijvlak tussen de integratiesector en het opbouwwerk. De integratiesector is nooit eerstelijns: de sector moet steeds doorverwijzen naar voorzieningen, bijvoorbeeld in de jeugd- en cultuursector, die inclusief moeten werken. Het opbouwwerk doet wel aan eerstelijnshulp. Op het terrein is dat verschil echter niet altijd te merken: voor de mensen maakt het vaak weinig verschil uit.

De heer Bart Caron: Mijnheer de minister, ik dank u voor uw ongelooflijk indrukwekkende antwoord. Ik ben blij dat dit bij u op zoveel aandacht kan rekenen. Blijkbaar is een en ander in beweging gezet. Ik weet niet of mijn vraag daartoe heeft bijgedragen. Ik kan dat slechts in stilte hopen. Ik hoop dat die sterke aandacht verder gestalte zal krijgen in het bele id. Ik begrijp dat de negatieve teneur van het artikel wat overdreven is. Er is echter inderdaad een zekere spanning tussen de actoren op het terrein. Het terrein van het woonwagenwerk is echter een mobiel terrein. We kunnen dit dus verhelpen. Dit is een levendige materie. In mijn eigen stad hebben we de voorbije maanden en zelfs jaren een heel lange discussie gehad over doortrekkersterreinen, die nu zo ongeveer afgerond is. Wat mijn vraag over opbouwwerk betreft, het was niet mijn bedoeling uw bevoegdheden af te bouwen. Ik ben alleen bekommerd over een goede aansluiting tussen de eerstelijns- en de tweedelijnszorg. Ik maak echter op dat de cel Woonwagenwerk, via de lokale en deprovinciale integratiecentra, ook wel deels die rol op zich kan nemen.
Ik ben dus blij met deze aandacht en hoop dat die ontwikkeling verder zal blijven duren. Wat die personeelsaangelegenheden betreft, respecteer ik de autonomie van het Vlaams Minderhedencentrum uiteraard. Dat is ook de traditie in de andere sector waarin ik werkzaam ben.

Minister Marino Keulen: Ik hoop dat u niet somber bent geworden.

De heer Bart Caron: Neen, maar de kansarmoede bij die doelgroep is niet afgenomen. We moeten er dus fundamenteel en structureel aan blijven werken, zelfs al zijn we er wat somber over.

Ingediend onder in de commissies Reacties uitgeschakeld voor Vlaams minderhedenbeleid





 

Nieuws

We moeten af van ‘middeleeuwse’ overdracht van jachtrechten

Alternatieven voor dierproeven

Het ‘kleine’ parlementaire werk. Recente voorbeelden: Geluidshinder kusttram – Hakhoutbeheer – Restauratiepremies Onroerend Erfgoed – Beschermde landschappen

Ketnet wil zender voor allerkleinsten, “Legitieme vraag en begrijpelijke ambitie”

Gereglementeerde boekenprijs unaniem goedgekeurd door Vlaams parlement

Wat liep er fout met de bescherming Villa Slabbinck? (Brugge)

Groen verwelkomt Bellegemse windmolens, maar vraagt ‘windplan’ voor regio Kortrijk

Groen wil geen sloop hoekhuis Kasteelkaai-Belfaststraat.
Hoog tijd voor een Kortrijkse visie op erfgoed!

Woede van boeren terecht, maar alleen ander landbouwmodel geeft boeren een zekere toekomst.

Provinciebestuur W-Vl verliest vele (culturele) instellingen

Bart Caron : “Overdracht cultuurbevoegdheden provincies is een wangedrocht !”

Leve Mest-Vlaanderen

Nog geen bescherming poldergraslanden

Nog redders aan de kust?

Brugge weert plooifiets uit overheidsgebouwen

De Leie of het Kanaal naar Roeselare: Groen wil meer binnenvaart

Kortrijk Airport, milieuvergunning aangepast?

Wanneer faire prijzen voor landbouwproducten?

Kortrijk heeft de bus gemist

Burgerkabinet ontslaat Gatz niet van plicht om al bestaande inspraak te versterken

Steeds meer monumenten wachten op broodnodig onderhoud. Ondertussen verkrotten ze

Freya Piryns voorgedragen als vertegenwoordiger in de Raad van Bestuur van de VRT

Regering krimpt beloofde natuurgebieden langs de Leie sterk in

Bruggen in Kortrijk, werkende verlichting op de fietspaden is een brug te ver…

LAR-zuid, woordbreuk van de stadscoalitie

Informatie, diverse sporten en cultuur moeten prioriteit VRT blijven

‘Gemeenteraad is wachtzaal voor wie schepenambt wil’

Persmededeling: Groen maakt werk van versterking West-Vlaamse open ruimte.

Persbericht: 5 Groene werven voor een impuls in West-Vlaanderen.

Vlaamse regering bedreigt toekomst Vlaamse fictie