bartcaron.be

VOU aan minister Muyters over uitsluiting in sportclubs

Ingediend op oktober 14th, 2009 door bartcaron

De voorzitter: De heer Caron heeft het woord.
De heer Bart Caron: Mijnheer de minister, de inspiratie voor mijn vraag komt van De Week
van de Sportclub. Ik wil een paradox aan de orde stellen die gaat over insluiting en uitsluiting
bij het beoefenen van een sport.
We hebben de ambitie om jongeren meer te laten sporten omwille van hun gezondheid, maar
ook omwille van de sport zelf. Sport op zich is aangenaam en leerrijk. Dat is het uitgangspunt,
en daarom bevorderen we in het Vlaamse beleid de sportbeoefening, vooral sport die
via sportclubs gebeurt. De clubs bieden een structuur aan; ze beschikken over begeleiders.
Dat is krachtiger en duurzamer dan de individuele sportbeoefening, zeker voor kinderen en
jongeren.
Dat uitgangspunt is dus zeer goed, maar er is een schaduwzijde aan dit verhaal. Wie een
beetje minder getalenteerd is, riskeert in een sportclub uit de boot te vallen en gedemotiveerd
te geraken. Dat is de paradox. We willen dat iedereen sport, maar sport is in wezen competitief
en gericht op uitsluiting. Het gaat erom als individu of als ploeg de beste te zijn. Steeds is
er het element competitie, ook in de recreatieve sportbeoefening. Zelfs wie alleen loopt, zal
zijn tijd wel eens opmeten en zo met zichzelf in competitie treden. Dat zit in het sporten ingebakken.
Volwassenen kunnen beter dan kinderen en jongeren de discipline opbrengen om met de
nodige regelmaat individueel te sporten. En kinderen en jongeren die met veel goede moed
een sporttak beginnen te beoefenen, merken na een tijdje vaak zelf wel dat ze toch niet de
beste midvoor, spelverdeler of hardloper van de club zijn. Ze geraken dan vaak gedemotiveerd
en stoppen met sporten.
Men zou kunnen zeggen dat dit niet erg is; dat dit in het onderwijs ook gebeurt. Mensen hebben
nu eenmaal minder of meer talenten, en dat is een natuurlijk gegeven waaraan men niet
kan remediëren. Ik denk niet dat we ons daar op die manier mogen van afmaken. We moeten
ervoor zorgen dat de noodzaak van sport voor iedereen, op een niveau dat iedereen aankan,
werkelijkheid wordt.
In De Standaard, De Morgen en Het Nieuwsblad stonden verschillende artikels over deze
thematiek, naar aanleiding van de Week van de Sportclub. De Week van de Sportclub had als
slogan ‘Wij willen jou erbij’. Dat geeft de doelstelling aan: we willen iedereen erbij. Maar er
zijn een aantal intrinsieke, sportgerelateerde uitsluitingsmechanismen die niet maatschappelijk
bepaald zijn. Ik pleit dus voor een sportbeleid dat meer aandacht geeft aan het recreatief
sporten, ook bij kinderen en jongeren. Zo kan iedereen op zijn niveau sport beoefenen.
Mijnheer de minister, is er op het terrein effectief sprake van uitsluiting van kinderen? Worden
in sommige sportclubs kinderen geweigerd? In een artikel was daarvan toch sprake: het
heeft geen zin een trainer in te zetten voor kinderen die toch geen grote voetbaltoekomst
hebben, zo zou de redenering luiden. Is dat een courante praktijk? Als dat zo is, dan is dat
toch alarmerend. Welke sportfederaties hebben in hun beleid effectief aandacht voor deze
problematiek? Welke acties zetten zij op? Stimuleren zij de aangesloten clubs om ook recreatieve
sportbeoefening mogelijk te maken?
Worden zij daartoe door het Bloso gestimuleerd? Gisteren sprak ik de administrateurgeneraal
van Bloso hierover. Is dat volgens u ook een taak voor de gemeenten, in het kader
van de steun aan sportclubs ter promotie van het lokaal sportbeleid? Moet verder worden
geïnvesteerd in de opleiding van gekwalificeerde jeugdbegeleiders, ook voor recreatieve
sportbeoefening? Hoe ziet u dat? Is het niet wenselijk het stimuleren van de recreatieve
sportbeoefening binnen de regelgeving voor de sportfederaties en binnen het decreet lokaal
sportbeleid nadrukkelijker zichtbaar te maken? Kunnen we daarvan een aandachtspunt van
het beleid maken?
De voorzitter: De heer Sauwens heeft het woord.
De heer Johan Sauwens: Ik sluit me graag aan, want het gaat over een terechte maatschappelijke
zorg. De minister stelt onmiddellijk, al op zijn eerste commissievergadering, vast hoe
breed het sportdomein is. Er is de topsport, en dat is iets wat we allemaal wensen, maar ook
de sport-voor-allendoelstelling, waar de heer Caron het over heeft. Wij steunen beide doelstellingen.
Wie vanuit een bepaalde ideologie streeft naar een zo egalitair mogelijke samenleving waarin
iedereen even goed kan sporten en het opkomen voor de zwakkeren ook in de sport doortrekt,
zit fout. Wij supporteren immers toch voor diegenen die met een geweldige overwinningsdrang
en gedrevenheid willen winnen. Denk maar aan ‘de kannibaal’ Eddy Merckx, of aan
Ulla Werbrouck. Die absolute wil om te winnen, moeten we blijven stimuleren.
Wel is het zo dat we de clubs moeten ondersteunen om ruimte en trainingsfaciliteiten aan te
bieden aan diegenen die iets minder goed zijn. Sport zorgt voor maatschappelijke meerwaarde,
en dat wil ik toch even vermelden. Sport zorgt voor ontspanning, sociale contacten en
bestrijdt de bewegingsarmoede. Sport maakt jongeren vertrouwd met waarden als fair play,
solidariteit, team spirit en respect voor spelregels en de medemens. Sport helpt de zelfstandigheid
te ontwikkelen, stimuleert het persoonlijke engagement en de inzet voor anderen.
Men leert zo ook omgaan met winst en verlies. Dat zijn toch belangrijke maatschappelijke
zaken.
Als we willen dat de sportclubs jongeren en volwassenen zo veel mogelijk kansen bieden om
die ervaringen op te doen, dan moeten ze ondersteund worden. Op dit ogenblik zijn er in
Vlaanderen 19.000 sportclubs. Ze drijven voorlopig nog op de inzet van 300.000 vrijwilligers.
Die inzet is een enorm kapitaal, maar staat vandaag wel onder druk. Vlaanderen moet
via de federaties en het decreet lokaal sportbeleid steun verlenen. De heer Caron heeft op dat
laatste punt gelijk, want de gemeentes kunnen maatwerk leveren. Zeker in de kleinere
gemeenten kunnen de centrale gemeentelijke sportdiensten een heel belangrijke functie vervullen.
De voorzitter: De heer Wienen heeft het woord.
De heer Wim Wienen: Ook ik zag op tv de beelden over uitsluitingen in sportclubs. Alle
commissieleden zijn ervan overtuigd dat iedereen de kans moet krijgen om te sporten. Dat
spreekt voor zich. Maar wat hier wordt gezegd, moet worden genuanceerd. De enorme rijkdom
aan sportclubs zorgt voor een zekere natuurlijke spreiding van getalenteerde en minder
getalenteerde kinderen en jongeren.
Ik kijk dan naar een sector die ik goed ken: het voetbal in het Antwerpse. Wie weinig talent
heeft, gaat niet in de jeugdploegen van een eersteklasser spelen, maar wel bij die van Ekeren-
Donk, en desnoods bij collegeploegen die actief zijn in het Liefhebbersverbond. Er zijn dus
voldoende mogelijkheden om te sporten.
Louter op recreatief sporten inzetten, betekent dat men mensen in een weinig gestructureerde
omgeving aan het werk zet. Dan gaan de geïnteresseerden natuurlijk gemakkelijker opgeven
of stoppen, terwijl ze in de clubs meer regelmaat hebben. Ik wil dit toch wat nuanceren. Er
zullen wel voetbal- en atletiekclubs zijn die op een redelijk hoog niveau presteren, ook in de
jeugdreeksen, maar er zijn ook nog genoeg andere clubs waar minder getalenteerde jongeren
wel terecht kunnen.
De voorzitter: De heer Dehandschutter heeft het woord.
De heer Lieven Dehandschutter: Mijnheer de minister, collega’s, de zorgen die hier worden
geuit, zijn zeer terecht. Wij kunnen dat vanuit de N-VA onderschrijven. Ik heb twee bedenkingen.
Er werd gevraagd of hier ook een taak is weggelegd voor de steden en gemeenten. Heel wat
steden en gemeenten doen dat nu al. Zij hebben zelfs de voorbije jaren bijkomende inspanningen
geleverd. Zij hebben hun subsidiereglementen zodanig gewijzigd om in de eerste
plaats de jeugdsport te kunnen promoten. Ook de vorige Vlaamse Regering heeft dat in die
zin gestimuleerd.
Heel wat sportclubs voeren intern een tweesporenbeleid. Dat is natuurlijk iets moeilijker met
de ploegsporten dan met de individuele sporten. Bij de individuele sporten kunnen de grotere
clubs een Sport voor Allen-afdeling hebben en dan werken met een selectie of keur- of elitegroep,
die ze dan op een eigen manier beter willen aanpakken en begeleiden omdat daar
uiteraard de besten in zitten, die aan de competities mogen meedoen. Dat kunnen de grotere
clubs makkelijker doen dan de kleinere clubs.
Ik onderschrijf deze zorgen en ik hoop, of veronderstel, dat u, mijnheer de minister, uw beleid
in die lijn verder zult willen uittekenen.
De heer Philippe De Coene: De heer Caron had het over de uitsluiting of de weigering door
sportclubs van minder getalenteerde kinderen. Enkele collega’s hebben dat enigszins gekaderd.
Er is nog een ander fenomeen: de weigering door sportclubs van minder gefortuneerde
kinderen, die wel talent hebben. Ik heb het in mijn onmiddellijke omgeving meegemaakt dat
kinderen uit een eenoudergezin goed kunnen voetballen, terwijl die moeder het financieel niet
kan opbrengen. Er bestaat geen enkele tegemoetkoming, noch officieel noch van die club, om
die kinderen te laten voetballen. Op die manier dreigt men talent niet op te volgen en misschien
zelfs, in het slechtste geval, weg te gooien.
De heer Johan Sauwens: In veel gemeenten heeft men daar de sport- en cultuurcheques
voor. Die worden door het OCMW uitgereikt zonder dat iemand dat weet. Wie kwaliteit wil
bieden, moet degelijke trainers hebben. Die hebben recht op een degelijke vergoeding. Daarvoor
worden de lidgelden opgetrokken. Dat gaat naar de 200 tot 250 euro en zelfs meer. Voor
de gevallen waarover u spreekt, bestaat er een regeling: door de sport- en cultuurcheques
kunnen die kinderen toch participeren. Het gaat vaak om migrantenkinderen, en wij weten dat
sport een zeer sterk middel tot integratie is. Lokaal worden daarvoor op dit ogenblik heel veel
oplossingen geboden.
De heer Philippe De Coene: Het voorbeeld dat ik gaf, ging absoluut niet over migranten.
Soms is het inschrijvingsgeld zo hoog dat ook die cheques slechts in minieme mate soelaas
kunnen bieden.
De voorzitter: Mevrouw Werbrouck heeft het woord.
Mevrouw Ulla Werbrouck: We moeten inderdaad oog hebben voor die problematiek. Het
gaat om meer dan om uitsluiting omwille van geld of talent. Mij stoort het vooral dat de
meeste van onze sporters slechts bij toeval in hun sport zijn geraakt. Daar is nog werk aan de
winkel.
Wij moeten proberen om ieder kind zijn talent te laten ontdekken. Er moet meer variatie zijn.
In de scholen moet er een gevarieerder aanbod zijn. Nu worden daar vooral de grote sporten
beoefend: volleybal, basketbal en dergelijke. De kleinere sporten komen niet aan bod. Het
moeten geen Olympische sporten zijn. Neem bijvoorbeeld skeeleren, dat is een coole sport en
dan ben je meteen mee met je tijd.
De voorzitter: Minister Muyters heeft het woord.
Minister Philippe Muyters: Ik zal uit eigen ervaring iets vertellen. Ik ben jaren amateurcoach
geweest bij een amateurvoetbalclub in het Antwerpse. Er is altijd een drang tot winnen.
Het is normaal dat je in een sport probeert te winnen. Dat is op zich niet slecht. Maar ik ben
het ermee eens dat dit niet tot uitsluiting mag leiden.
Ik werkte met jonge kinderen. Jongens en meisjes – als ze klein zijn, mogen ze nog samen
voetballen. Ik had toen zelfs een boekhoudsysteem om ervoor te zorgen dat elk om beurt op
de bank zat of op het veld stond. Uitsluiting is, zeker bij kinderen, iets wat niet kan. Het beleid
moet gericht zijn én op topsport én op Sport voor Allen. In het beleid zoals ik dat vandaag
zie, zijn er mogelijkheden voor die gevallen waar er wel uitsluiting is.
Wij hebben nog geen klachten ontvangen. Bloso staat nochtans in zeer nauw contact met de
federaties, en er bestaan mogelijkheden om bij discriminaties ten aanzien van de federaties op
te treden. Dat kan via de erkenningsvoorwaarden of het huishoudelijk reglement of via de
statuten van de sportfederaties. Ik ben van plan om dat te doen waar dat nodig is.
Is er in de sportfederaties voldoende aandacht voor? Het beleid zet de sportfederaties er zeker
toe aan. De 36 unisportfederaties en de 29 recreatieve sportfederaties die worden gesubsidieerd,
moeten voldoen aan vijf basisopdrachten. Een basisopdracht is het organiseren van
recreatieve sportbeoefening voor kinderen, jongeren, volwassenen en senioren. Dat geldt
zowel voor de unisportfederaties als voor de recreatieve sportfederaties. Zeker de recreatieve
sportfederaties moeten openstaan voor alle sportbeoefenaars, ongeacht hun talent of prestatieniveau.
Bloso tracht begeleiding te geven bij de bepaling van de basisopdracht. Wij benadrukken, via
een leidraad bij de screening van de beleidsplannen van de sportfederaties, deze piste. We
ondersteunen, waar we kunnen, de sportclubs effectief bij het uitvoeren van die basisopdracht.
Ik ben ervan overtuigd dat wij met de sportcampagnes die Bloso de laatste tijd heeft gevoerd,
systematisch de nadruk leggen op de noodzaak van een sportaanbod voor iedereen. Bloso
blijft ervan overtuigd, en ik ook, dat sportclubs de beste garantie bieden voor de continuïteit
van sportbeoefening op korte en lange termijn. Mijnheer Caron, u hebt het gezegd: dat is de
keuze die is gemaakt. Soms zorgt de competitiegeest ervoor dat er iets gebeurt, maar laat ons
hopen en ervan uitgaan dat dat nog eerder de uitzondering is dan de regel. Die uitzondering
moet worden aangepakt. Ook minder getalenteerden moeten aan bod kunnen komen, zeker in
de recreatieve sporten.
Als ik kijk naar de organisatie van de Week van de Sportclub, met de slogan “Wij willen jou
erbij”, denk ik dat daar nu net de nadruk op wordt gelegd. Wij willen iedereen met open armen
ontvangen. Aan die actie nemen ondertussen 152 Vlaamse gemeenten deel, 42 Vlaamse
sportfederaties en 1775 sportclubs. Dat ze aan deze actie meedoen, betekent dat ze achter
de filosofie staan die erachter steekt, en ik begrijp dat dat ook de filosofie van deze commissie
is.
Uiteraard is er een taak weggelegd voor de gemeenten. Recreatieve sportbeoefening is zeker
ook een taak van de gemeenten in het kader van het lokaal sportbeleid. Als ik kijk naar het
decreet van 2007, wordt dit gestimuleerd zowel ten aanzien van de lokale sportverenigingen
als van de niet-clubgebonden sport. Het beleid zit dus in de juiste richting. Zowel de sportverenigingen
als de niet-gebonden clubs zijn een verplicht onderdeel van het lokaal sportbeleid.
De gemeenten mogen wel autonoom beslissen wat de kwaliteitscriteria zijn voor het
lokaal subsidiereglement.
Ik ben ervan overtuigd dat we verder moeten investeren in de opleiding van gekwalificeerde
jeugdbegeleiders. Ook voor recreatieve sport is het goed om een opleiding te geven en om
gekwalificeerde sportbegeleiders te hebben. We hebben onze Vlaamse Trainersschool (VTS)
en voor zover ik dat op dit moment kan beoordelen, levert die positief werk af. De laatste
jaren is het aantal VTS-gediplomeerden stelselmatig toegenomen. Belangrijk is, dat in de
opleiding tot initiator, uitdrukkelijk aandacht wordt besteed aan het belang van recreatieve
sportbeoefening. Dat is heel belangrijk, want het is de taak van de coaches om de jongeren,
ook als ze niet bij de beste zijn, te blijven stimuleren, en om degenen die veel beter zijn, te
laten sporten met degenen die minder goed zijn. Men vergeet dit dikwijls, maar voor een
coach is het soms moeilijk om ook de betere sporters te blijven stimuleren als er slechtere in
de ploeg zitten en om de betere er eens uit te halen. Hieraan wordt zeker aandacht besteed in
de opleiding, net zoals aan ethische aspecten. Zowel u als de heer Sauwens hebben erop gewezen
dat sport ook heel belangrijk is voor integratie en voor het aanleren van een aantal
vaardigheden die elders kunnen worden gebruikt. Ik ben blij dat dit ook in de initiatie zit van
de jeugdsportbegeleiders.
Via het Sport-voor-Allen-decreet hebben we een impulssubsidie waardoor de gemeenten
gesubsidieerd kunnen worden om een beleid uit te stippelen inzake de verhoging van de kwaliteit
van de jeugdsportbegeleiding in sportverenigingen die aangesloten zijn bij de erkende
sportfederaties.
Uit de antwoorden die ik al heb gegeven, zal duidelijk geworden zijn dat de randvoorwaarden
gecreëerd werden waardoor zowel de sportfederaties als de lokale overheid zich kunnen toeleggen
op de verdere uitbouw van de recreatieve sportbeoefening. Dit is een beleid waar ik
zeker achter sta.
De voorzitter: De heer Caron heeft het woord.
De heer Bart Caron: Mijnheer de minister, ik dank u. Het is duidelijk dat in uw visie en die
van de administratie, en in het regelgevend kader voldoende elementen aanwezig zijn om hier
aandacht voor te hebben en te ontwikkelen. Het probleem ligt dus niet daar. Ik weet ook dat
er in Vlaanderen op het terrein op veel plekken geen problemen zijn. We moeten de kwestie
dus niet dramatiseren.
Natuurlijk zijn er een aantal clubs, lokalen en organisaties die niet meteen warmlopen voor
het regelgevend kader, maar die hun eigen beleid uitstippelen. Het duurt soms een tijdje eer
dit doorsijpelt.
Ik ben blij dat deze koers aangehouden blijft. Ik ga ervan uit dat mettertijd dankzij het sensibiliseren
door Bloso en via andere kanalen, de bestaande kwalijke kantjes zullen verdwijnen
en dat de positieve mogelijkheden die de recreatieve sport biedt om nog meer kinderen
op reguliere basis te laten sporten, ook verder doorsijpelen in de clubs, zodat ook vernieuwing
in de clubs een aandachtspunt wordt. De heer Sauwens wees er terecht op dat voor
fysieke, maatschappelijke en sociale elementen, de sportbeoefening in sportclubs heel erg
belangrijk is.
De voorzitter: Mevrouw Werbrouck heeft het woord.
Mevrouw Ulla Werbrouck: Mijnheer de minister, u zegt dat er geen klachten binnengekomen
zijn bij Bloso, maar ik weet dat er wel klachten zijn, alleen weten de betrokkenen niet tot
wie ze zich moeten richten. Het is misschien nuttig om een sportklachtenlijn, een hulplijn of
een ombudsdienst te installeren, zodat mensen ergens hun verhaal kwijt kunnen.
Ik hoop dat u niet elke club verplicht om de recreatieve groep ook te begeleiden. Als een club
er echt voor kiest om een competitieclub te zijn, pleit ik ervoor om die club dat te laten zijn.
Een club kan dan zelf beslissen of ze er ook een recreatieve groep bij willen hebben. Ik ben
nogal competitief ingesteld. Clubs moeten kunnen kiezen.
Hebt u ooit een trainerscursus gevolgd?
De voorzitter: Minister Muyters heeft het woord.
Minister Philippe Muyters: Ik heb het geluk gehad met iemand te trainen die een trainerscursus
had gevolgd. Ik heb veel van die persoon geleerd, maar ik heb zelf geen trainerscursus
gevolgd. Toen ik begon met het geven van training, waren de mogelijkheden daartoe nog niet
zo groot als vandaag, maar nu zou ik dat zeker doen.
Ik meen dat er al een meldpunt voor klachten bestaat, maar staat u me toe om te bekijken wat
er bestaat en wat er bijkomend dient te gebeuren. Ik denk dat er een infolijn bestaat.
De heer Bart Caron: Een infolijn is ook nuttig voor mensen die niet goed weten waar ze
moeten aankloppen om een bepaalde sport te kunnen beoefenen. Misschien kan dat gemeentelijk.
Ik ben niet voor dwangmaatregelen, laat dat duidelijk zijn. Ik uit een bekommernis. Dit aspect
moet in het beleid aanwezig zijn, maar ik ben niet voor dwangmaatregelen noch voor een
negatieve benadering. Het is een positief verhaal, we willen meer mensen aan het sporten
krijgen, iedereen moet kunnen sporten en moet daarbij goed begeleid worden.
Minister Philippe Muyters: Ik deel uw bekommernis. Niemand vraagt dat alles overal moet
kunnen. Aan een topclub moeten we niet vragen om rekening te houden met iemand die nog
nooit heeft gesjot en die twee linkervoeten of twee rechtervoeten heeft. Maar we moeten ervoor
zorgen dat ook die mensen ergens terecht kunnen.
De voorzitter: Het incident is gesloten.

Ingediend onder in de commissies, in het parlement Reacties uitgeschakeld voor VOU aan minister Muyters over uitsluiting in sportclubs





 

Nieuws

We moeten af van ‘middeleeuwse’ overdracht van jachtrechten

Alternatieven voor dierproeven

Het ‘kleine’ parlementaire werk. Recente voorbeelden: Geluidshinder kusttram – Hakhoutbeheer – Restauratiepremies Onroerend Erfgoed – Beschermde landschappen

Ketnet wil zender voor allerkleinsten, “Legitieme vraag en begrijpelijke ambitie”

Gereglementeerde boekenprijs unaniem goedgekeurd door Vlaams parlement

Wat liep er fout met de bescherming Villa Slabbinck? (Brugge)

Groen verwelkomt Bellegemse windmolens, maar vraagt ‘windplan’ voor regio Kortrijk

Groen wil geen sloop hoekhuis Kasteelkaai-Belfaststraat.
Hoog tijd voor een Kortrijkse visie op erfgoed!

Woede van boeren terecht, maar alleen ander landbouwmodel geeft boeren een zekere toekomst.

Provinciebestuur W-Vl verliest vele (culturele) instellingen

Bart Caron : “Overdracht cultuurbevoegdheden provincies is een wangedrocht !”

Leve Mest-Vlaanderen

Nog geen bescherming poldergraslanden

Nog redders aan de kust?

Brugge weert plooifiets uit overheidsgebouwen

De Leie of het Kanaal naar Roeselare: Groen wil meer binnenvaart

Kortrijk Airport, milieuvergunning aangepast?

Wanneer faire prijzen voor landbouwproducten?

Kortrijk heeft de bus gemist

Burgerkabinet ontslaat Gatz niet van plicht om al bestaande inspraak te versterken

Steeds meer monumenten wachten op broodnodig onderhoud. Ondertussen verkrotten ze

Freya Piryns voorgedragen als vertegenwoordiger in de Raad van Bestuur van de VRT

Regering krimpt beloofde natuurgebieden langs de Leie sterk in

Bruggen in Kortrijk, werkende verlichting op de fietspaden is een brug te ver…

LAR-zuid, woordbreuk van de stadscoalitie

Informatie, diverse sporten en cultuur moeten prioriteit VRT blijven

‘Gemeenteraad is wachtzaal voor wie schepenambt wil’

Persmededeling: Groen maakt werk van versterking West-Vlaamse open ruimte.

Persbericht: 5 Groene werven voor een impuls in West-Vlaanderen.

Vlaamse regering bedreigt toekomst Vlaamse fictie