bartcaron.be

Vraag om uitleg over het UNICEF-rapport over de veranderingen in de kinderopvang

Ingediend op januari 6th, 2009 door bartcaron

Vraag om uitleg van de heer Bart Caron tot mevrouw Veerle Heeren, Vlaams minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, over de resultaten van het UNICEF-rapport over de veranderingen in de kinderopvang

De voorzitter: De heer Caron heeft het woord.

De heer Bart Caron: Het probleem is niet dat het rapport in het Engels is geschreven – we kunnen dat wel lezen – maar wel dat het geen rekening houdt met de Belgische staatkundige realiteit. Het is ontzaglijk moeilijk om de zaken te vergelijken. Het is appels met peren vergelijken. De verschillende methodes in het land worden samengeteld of niet samengeteld. Mijn vraag beoogt vooral verduidelijking.

Volgens het rapport van UNICEF (United Nations International Children´s Emergency Fund) over de veranderingen in de kinderopvang is de huidige opgroeiende generatie in de landen van de OESO (Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling) de eerste waarvan een meerderheid tijdens een groot gedeelte van haar eerste levensjaren buitenshuis wordt opgevangen of verzorgd. Dat is misschien een interessant element.

Overigens, ik ben in het verleden veel bezig geweest met die thematiek, en ik moet zeggen dat die uitspraak klopt, maar niet als het over werken gaat. De vorige generatie is de eerste geweest die zo weinig beroepsactiviteit ontplooide. Dan ging het vooral over vrouwen. In de hele geschiedenis van de mensheid werd tot aan de vorige generatie meer gewerkt dan vandaag. Dat zeg ik even terzijde. De kinderen verrichtten meestal arbeid in huis of op het land, of wat dan ook, en werden dus in familieverband opgevangen, of door grootouders die mee inwoonden. Het gaat hier dus over een transitie die niet alleen kinderopvang betreft, het gaat ook over nadenken over de samenleving.

Tegelijk met die verandering wordt wetenschappelijk ook steeds duidelijker dat de kwaliteit van de zorg in de eerste maanden voor kinderen van kritisch belang is. Onderzoek heeft dat ruimschoots aangetoond, en mijn pedagogische achtergrond leert me dat dit een vaststaand gegeven is: hoe vroeger, hoe dominanter dat later doorwerkt in het karakter en de houding van kinderen.

Volgens het rapport doet België het in het algemeen niet slecht. Het krijgt een zes op tien. Natuurlijk kan alles beter. Met betrekking tot de organisatie en participatie van kinderen jonger dan drie jaar, scoort ons land goed. Ook is er onder meer voldoende aandacht voor gehandicapte kinderen en zijn kleuterleidsters voldoende professioneel. Dan gaat het weer over het onderwijs. Dat is ook weer zo´n specifieke situatie. Kind&Gezin wordt aangehaald als een voorbeeld als het gaat over het medisch volgen van baby´s en peuters. Dat weten we.

Het tekort aan kinderopvangplaatsen blijft een punt waaraan moet worden gewerkt, ondanks de beslissing van de minister om in bijkomende gesubsidieerde plaatsen en extra middelen te voorzien. Dat is ook al vaak behandeld in deze commissie. We moeten vaststellen dat België minder dan één percent van zijn bruto nationaal product(bnp) besteedt aan kinderopvang. Er moet dus meer worden geïnvesteerd in kinderopvang. Enkel op die wijze zullen we het ook beter doen wat de andere criteria betreft.

Dat is de kwantiteit, maar ook de kwaliteit van de opvang verdient natuurlijk aandacht. Het is op korte en lange termijn een hefboom in de ontwikkeling van kinderen, maar ook en vooral bij het wegwerken van ongelijkheden. Die ongelijkheden worden, zoals u weet, zeer snel gereproduceerd, van kindsbeen af, bijna van in de wieg. Met kinderopvang op een neutrale plaats kunnen we daar werk van maken. We kunnen er alleszins tegen vechten en dat proberen in te halen. Willen we kwaliteit, dan moet die sector alleszins voldoende professioneel kunnen zijn en nog meer geprofessionaliseerd kunnen zijn. Het rapport stelt vast dat minder dan 80 percent van het personeel in de kinderopvang vandaag een opleiding heeft gevolgd.

Niet-opgeleide kinderverzorgsters, een tekort aan opvangplaatsen, te grote kleuterklassen en te weinig verlof voor jonge ouders: dat zijn de negatieve punten van het rapport als het over ons land gaat, en die halen onze score omlaag. Zoals ik echter al zei: het gaat over België en het gaat deels ook over het onderwijs, dus dit is niet zo duidelijk te situeren. Toch moet wat die punten betreft een en ander worden gedaan.

Mevrouw de minister, wat is in het algemeen uw reactie op dat UNICEF-rapport, en meer specifiek wat de opvang van kinderen tot drie jaar betreft? Misschien kunt u ook preciezer de Vlaamse positie ter zake definiëren. Zijn er acties gepland om de sector professioneler te maken, of is ook daar weer wat we lezen niet de Vlaamse werkelijkheid? Mocht het nodig zijn, is ter zake in een budget voorzien? Wat is het percentage dat Vlaanderen aan kinderopvang besteedt? Ik verwijs naar die één percent die België eraan besteedt. Wat valt al dan niet onder dat percentage? Ik vraag dat omdat in sommige landen het kleuteronderwijs, of delen ervan, ook als kinderopvang worden beschouwd.

De voorzitter: Mevrouw Van der Borght heeft het woord.

Mevrouw Vera Van der Borght: Mijnheer de voorzitter, ik wil me aansluiten bij deze vragen. Het onderwerp is inderdaad meermaals aan bod geweest in deze commissie. Dat gebeurde uiteraard naar aanleiding van de begrotingsbesprekingen, maar er waren ook actuele vragen ter zake. We hadden het UNICEF-rapport niet echt nodig, want de zaken die erin te lezen staan, zijn genoegzaam bekend. Het rapport is natuurlijk interessant als het erover gaat punten te krijgen en te weten dat we nog een betere uitslag kunnen behalen.

Het tekort in de kinderopvang is genoegzaam bekend. We zijn het er allemaal over eens dat er meer plaatsen moeten worden gecreëerd, alleen verschillen we soms van mening over de vraag hoe we dat moeten doen. U weet dat we pleiten voor meer aandacht voor de zelfstandige kinderopvang, al was het maar omdat een plaats in die zelfstandige opvang de overheid heel wat minder kost dan een plaats in de gesubsidieerde sector. Daarom zijn we vragende partij om dat zelfstandig initiatief meer te ondersteunen inzake de onkostenvergoeding en de infrastructuur, maar ook door de capaciteitsbeperkingen te verlaten, zodat mensen meer rendabel en grootschalig kunnen gaan werken.

Ook willen we erop wijzen dat kinderopvang volgens ons in eerste instantie een duidelijk economische functie heeft. In de eerste plaats gaat het over het mogelijk maken van de combinatie van arbeid en gezin. Ik zal niet te veel uitweiden daarover. Ook dat thema is genoegzaam bekend. Het kan niet zo zijn dat kinderopvang hoofdzakelijk educatieve of sociale functies gaat hebben. Die functies zijn uiteraard noodzakelijk, maar we moeten erover waken dat kinderopvanginitiatieven niet de rol van het onderwijs op zich gaan nemen. Het is dus noodzakelijk dat er meer middelen worden besteed aan kinderopvang, maar volgens ons moet dat gebeuren in het kader van een efficiënte overheidsmiddelenbesteding, en met een prioritaire aandacht voor de combinatie van werk en gezin.

De voorzitter: Minister Heeren heeft het woord.

Minister Veerle Heeren: Ik dank de leden voor hun vragen. Ik zal uitgebreid antwoorden. Alle thema´s zijn natuurlijk belangrijk in deze Commissie voor Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, maar veel leden dragen de kinderopvang zeker een warm hart toe.

Report Card 8 van UNICEF stelt tien criteria voorop als minimale kwaliteitsnormen waaraan de voorschoolse educatie moet voldoen. Ik weet niet of u ze kent, mijnheer Caron, maar ik wil ze nog even opsommen: minimale regeling voor ouderschapsverlof, nationaal plan met voorrang voor kansarme kinderen, minimaal niveau van voorzieningen voor de zorg van minderjarigen, minimumniveau voor toegankelijkheid voor vierjarigen, minimumniveau van opleiding voor alle personeelsleden, minimale verhouding van personeelsleden met een hoger niveau van scholing en opleiding, minimale ratio in de verhouding personeel/aantal kinderen, minimumniveau van publieke financiering, een laag niveau van armoede bij kinderen en een universeel bereik. Wij scoren zes op tien.

De score van zes op tien stemt me zeker niet ontevreden, als rekening wordt gehouden met het feit dat er een ouderschapsverlof van één jaar is met 50 percent salaris. Voor alle duidelijkheid: dat is geen Vlaamse, maar een federale bevoegdheid. Als het gaat over een minimale ratio in de verhouding personeel/aantal kinderen, slaat dat op de gevraagde ratio van één personeelslid per vijftien kinderen in de kleuterschool. Die ratio halen we niet, maar ik kan daar moeilijk op ingaan, want dat is eigenlijk een bevoegdheid van de minister van Onderwijs. Inzake het minimaal niveau van publieke financiering halen we niet de norm van één percent van het bruto nationaal product, maar in feite gaat het om Vlaamse gegevens en Vlaanderen heeft geen bnp. De Vlaamse overheid scoort voor kinderopvang wel hoger dan één percent, zonder te spreken van de vele initiatieven die op lokaal vlak worden genomen. Heel veel gemeenten durven heel expliciet te investeren in kinderopvang. We scoren dus sowieso altijd een punt.

Ik wil ook opmerken dat kinderen vanaf 2,5 jaar gratis naar de kleuterklas kunnen, waarmee Vlaanderen en België bijzonder goed scoren op wereldniveau. We hebben een participatie van 98 percent. We vergeten dat soms en zijn soms te bescheiden, maar dat is eigenlijk toch een pluim voor Vlaanderen. Minister Vandenbroucke probeert in ieder geval die kleuterparticipatie nog hoger te krijgen, zeker voor bepaalde doelgroepen. Ik kan hem alleen maar mijn steun geven via acties bij Kind&Gezin, zoals de huisbezoeken bij niet-ingeschreven kinderen, ervaringsuitwisseling in de groep bij inloopteams en het gebruik van de schoolkeuzewijzer. Ik hoop dat nog veel meer kinderen, zeker kinderen van allochtone afkomst zo snel mogelijk naar school kunnen gaan, want dat is toch heel belangrijk. Ik woon in een regio waar we die ervaring hebben, en dat kan alleen maar die kinderen ten goede komen.

Het rapport stelt dat het wegwerken van het tekort aan kindplaatsen nog een werkpunt is. Men werkt natuurlijk met gegevens van 2004. We zijn ondertussen vijf jaar later. Sedert eind 2004 zijn er ongeveer 17.000 plaatsen bijgekomen, van 92.557 naar 109.410 op 1 december 2008. Dat zijn allemaal effectief gerealiseerde plaatsen. Met het budget van 2008 en 2009 staan er nog meer dan 12.000 plaatsen op stapel voor de komende jaren. De realisatiedatum voor de uitbreidingsronde 2009 is er, voor de kinderdagverblijven is dat 2011. Dat zou ertoe kunnen leiden dat de Barcelonanorm op 39 percent kan worden gebracht, tegen 34,5 percent eind 2007. Ik verwijs hiervoor naar het jaarverslag van Kind&Gezin. Dat is ruim hoger dan de Europese doelstelling van 33 percent. Ook het gebruik van de kinderopvang, met meer dan 50 percent van de kinderen, is bijzonder hoog.

Maar naast het kwantitatieve aspect verliezen we soms de kwaliteit van de zorg uit het oog. We weten dat we daar in Vlaanderen ook heel veel in investeren. UNICEF vraagt eigenlijk aandacht voor opleiding, wat me bij de vraag over de acties rond professionalisering binnen de sector en het budget daarvoor brengt.

Mijnheer Caron, dat minder dan 80 percent van de kindbegeleiders aan de vooropgestelde norm beantwoordt, heeft in hoge mate te maken met het historische gegeven dat vooral in Vlaanderen meer dan de helft van de erkende kinderopvang, 66 percent, wordt verzorgd door onthaalouders. Dat is historisch zo, en ik heb daar zelf jaren met heel veel plezier een beroep op kunnen doen. Dat was een heel positieve ervaring. Voor onthaalouders die thuis voor kleinschalige gezinsopvang zorgen, is tot op vandaag geen kwaliteitsvereiste gesteld. Voor het rapport is er geen kwaliteitsvereiste, maar wordt een relatieve training als minimum vooropgesteld en al dan niet betekenisvol contact hebben met de kinderen in de kinderopvang. Men zou een inwerkingscursus moeten afmaken, maar een korte of iets langere startcursus wordt in de meeste diensten voor opvanggezinnen toch gegeven en jaarlijks wordt ook geïnvesteerd in navorming. Veel zelfstandige opvangvoorzieningen hebben getrainde medewerkers. Het is correct dat niet voor alle opvang een specifieke kwalificatie is vereist, maar dat wil ook niet zeggen dat er geen competentie aanwezig zou zijn, integendeel. Vlaanderen heeft sterk geïnvesteerd in de kwantiteit, omdat het maatschappelijk de eerste behoefte is, maar dat wil daarom niet zeggen dat de kwaliteit op de tweede plaats kwam.

Wat wordt al gedaan, en wat staat op stapel? Mijnheer Caron, het is een hele resem initiatieven. Kwaliteit is slechts mogelijk in leefbare voorzieningen, daarom kan kwaliteit niet los worden gezien van de leefbaarheid van de sector en evenmin van de werkdruk en een aantrekkelijke verloning. De voorbije jaren is daarom ook daarin geïnvesteerd. De omkadering van de diensten van onthaalouders is merkelijk verbeterd. Pools van diensten nemen sommige taken van de dienstverantwoordelijken over.

Een ander aspect is het zelfevaluatie-instrument voor het welbevinden en de betrokkenheid van kinderen, dat momenteel wordt geïntroduceerd bij onthaalouders en de diensten voor onthaalouders. Bij de zelfstandige onthaalouders is het een vereiste om in het systeem van inkomensgerelateerde opvang in de zelfstandige sector te stappen.

Er is de cursusverplichting voor levensreddend handelen met een tegemoetkoming van 20 euro per cursist. Er zijn de specifieke studiedagen over kwaliteit, sociale functie, aansprakelijkheid, ouderbetrokkenheid, participatie en inclusieve opvang. Er wordt geregeld overlegd met Onderwijs over het curriculum van de opleidingen die leiden tot toegang in de kinderopvang. Die opleidingen worden gescreend en aangepast aan de evoluties van de kinderopvang. Vrij nieuw is de opvoedingsondersteuning.

Verder zijn er de ontwerpen van competentiekader voor kinderopvangsectoren, de verhoging van de verplichting voor zelfstandige opvang om vanaf 2009, naast de kwaliteitseis voor verantwoordelijke, jaarlijks niet minstens acht maar twaalf uren specifieke vorming te geven. Er is de stroomlijning en verbetering van de inhoud van de SYNTRA-cursussen voor verantwoordelijken in de kinderopvang, de kwaliteitshelpdesk binnen Kind&Gezin voor de voorzieningen, de bundeling van alle kwaliteitscriteria, eisen en aanbevelingen, het grote kinderopvangboek, de verhoging van de financiële ondersteuning voor de zelfstandige opvang, de samenwerking met het Vlaams Agentschap Ondernemen, een ondersteuningsstructuur voor begeleiding, vorming en netwerking in de zelfstandige opvang.

Professionalisering is een heel langzaam proces. Men kan echter niet ontkennen dat er heel wat initiatieven worden genomen. Om als sector aantrekkelijk te zijn, moet men daar op een heel ernstige manier mee omgaan, vooral in het belang van het kind.

Een hogere kwalificatie moet kunnen samengaan met medewerkers die een groeitraject in de kinderopvang zelf doorlopen. Kwalificatie, competentie en vorming kunnen slechts gaandeweg worden verhoogd en dit in overleg met alle betrokkenen zoals de organiserende besturen, de lokale besturen, de sociale partners, de scholen, de opleidingsinstellingen, maar ook de ouders, mits een omzichtige benadering. Omdat is aangetoond dat de kwaliteit van kinderopvang samengaat met kwalificatie en competentie, hoewel die daar alleen nooit voor kunnen zorgen, blijft het doel het verhogen van de kwalificatie en de competentie.

Ik ben in mijn regio al jaren een heel actief bestuurslid van de Provinciale Commissie Buitenschoolse Kinderopvang. Die commissie is opgericht tijdens een periode dat het in onze regio bijzonder slecht ging. De doelstelling waarvoor die commissie destijds was opgericht, hebben we al gehaald. Wanneer we terugkijken, moeten we echter durven erkennen dat de investeringen in de kwaliteit en in de begeleiding van al die co?rdinatoren, ten gunste waren van ouders en kinderen. Kwalificatie- en competentieverhoging moeten een streefdoel blijven waarvoor we ook de komende jaren middelen moeten durven uittrekken.

Het budget kinderopvang in 2009 bedraagt 417,7 miljoen euro. Het totale budget van de Vlaamse Gemeenschap 2009 in beleidskredieten bedraagt 25,1 miljard euro. De kinderopvang maakt dus 1,66 percent uit van het Vlaamse budget. Ik heb hier een Excel-bestand dat kan worden opgenomen in het verslag. Daarin staan de subsidies aan erkende voorzieningen, specifieke zorgbehoeften, flexibele opvang, vorming, projecten, premies, installatiepremie, financiële ondersteuning van zelfstandige kinderdagverblijven. De investeringenstoelagen van VIPA (Vlaams Infrastructuurfonds voor Persoonsgebonden Aangelegenheden) zitten er niet in. Ik stel voor de bedragen aan het verslag als bijlage toe te voegen voor de volledigheid.

De voorzitter: De heer Caron heeft het woord.

De heer Bart Caron: Het zou misschien nuttig zijn om een aantal van die gegevens te bezorgen aan UNICEF. Zo kan UNICEF in de toekomst preciezer zijn voor wat de rapportering betreft. Voor een aantal onderdelen wordt Vlaanderen immers wel afzonderlijk in kaart gebracht en voor andere niet. Dat kan ten goede komen aan onze plaats in de zogenaamde rangschikking.

Mevrouw de minister, er worden stappen gezet. Er is nog heel wat behoefte aan plaatsen. Heel wat ouders vinden nog steeds geen adequate en betaalbare kinderopvang. In de professionalisering is al een belangrijke stap gezet op het vlak van kwaliteit. Dat zal een blijvend aandachtpunt zijn, niet dwangmatig maar op een manier die ouders stimuleert om de pedagogische concepten van deze tijd te volgen.

De voorzitter: Mevrouw Van der Borght heeft het woord.

Mevrouw Vera Van der Borght: Mevrouw de minister, u bent de derde minister van Welzijn maar u bent de eerste die als ervaringsdeskundige kan spreken over kinderopvang. Dat verheugt me. Ik ben blij dat u die problemen aan den lijve hebt kunnen ondervinden, dat u uiteindelijk een oplossing hebt gevonden en dat u een beroep kunt doen op een zelfstandige onthaalouder. U hebt dat gunstig kunnen beoordelen. Ik ben blij dat ik in u een partner heb gevonden.

De voorzitter: Het incident is gesloten.

 

Ingediend onder in de commissies, in het parlement Reacties uitgeschakeld voor Vraag om uitleg over het UNICEF-rapport over de veranderingen in de kinderopvang





 

Nieuws

We moeten af van ‘middeleeuwse’ overdracht van jachtrechten

Alternatieven voor dierproeven

Het ‘kleine’ parlementaire werk. Recente voorbeelden: Geluidshinder kusttram – Hakhoutbeheer – Restauratiepremies Onroerend Erfgoed – Beschermde landschappen

Ketnet wil zender voor allerkleinsten, “Legitieme vraag en begrijpelijke ambitie”

Gereglementeerde boekenprijs unaniem goedgekeurd door Vlaams parlement

Wat liep er fout met de bescherming Villa Slabbinck? (Brugge)

Groen verwelkomt Bellegemse windmolens, maar vraagt ‘windplan’ voor regio Kortrijk

Groen wil geen sloop hoekhuis Kasteelkaai-Belfaststraat.
Hoog tijd voor een Kortrijkse visie op erfgoed!

Woede van boeren terecht, maar alleen ander landbouwmodel geeft boeren een zekere toekomst.

Provinciebestuur W-Vl verliest vele (culturele) instellingen

Bart Caron : “Overdracht cultuurbevoegdheden provincies is een wangedrocht !”

Leve Mest-Vlaanderen

Nog geen bescherming poldergraslanden

Nog redders aan de kust?

Brugge weert plooifiets uit overheidsgebouwen

De Leie of het Kanaal naar Roeselare: Groen wil meer binnenvaart

Kortrijk Airport, milieuvergunning aangepast?

Wanneer faire prijzen voor landbouwproducten?

Kortrijk heeft de bus gemist

Burgerkabinet ontslaat Gatz niet van plicht om al bestaande inspraak te versterken

Steeds meer monumenten wachten op broodnodig onderhoud. Ondertussen verkrotten ze

Freya Piryns voorgedragen als vertegenwoordiger in de Raad van Bestuur van de VRT

Regering krimpt beloofde natuurgebieden langs de Leie sterk in

Bruggen in Kortrijk, werkende verlichting op de fietspaden is een brug te ver…

LAR-zuid, woordbreuk van de stadscoalitie

Informatie, diverse sporten en cultuur moeten prioriteit VRT blijven

‘Gemeenteraad is wachtzaal voor wie schepenambt wil’

Persmededeling: Groen maakt werk van versterking West-Vlaamse open ruimte.

Persbericht: 5 Groene werven voor een impuls in West-Vlaanderen.

Vlaamse regering bedreigt toekomst Vlaamse fictie