Met tien collega’s naar Amsterdam. Naar de jarige Brakke Grond, Vlaanderens trots in Amsterdam. Want daar in Amsterdam, ben jij zo dicht nabij, of hoe gaat het alweer. Amsterdam is een beetje van ons, zeker nu de Thalystrein er in een fluks tempo naartoe rijdt. De Dam, de Walletjes, zoete mayonaise, het stedelijk (museum) en de Brakke Grond. Opgehemeld en verguisd. Hoe nodig is dat nog in geglobaliseerde en afstandsloze tijden, waarom nog een Vlaamse pied-à-terre in een feitelijk nabij maar mentaal ver buitenland. Het zet vooral de vraag scherp of samenwerken met Nederland nog zinvol is. Ik kom er graag, en vind de werking er prima. Orangisme is niet aan mij besteed. Ik kom al even graag in Noord-Frankrijk. Avesnes-sur-Helpe, Signy L’Abbaye, Audresseles, zalige plekken. Maar goed, we spreken dezelfde taal, en dat zorgt, nolens volens , voor een grotere culturele markt.
Op zo’n parlementaire trip, zeker naar zo’n beladen bestemming, heb je een kleine horde Vlaams-Belangers in de bagage. Ze zijn onvermijdelijk, als ongedierte* dat meereist in je jas. In het parlement kan je ze vermijden of negeren, zoals het uitkomt. Ik geef ze dan geen hand. Ik zit er niet mee aan tafel. Sorry, maar zoveel onversneden racisme, die minachting voor mensen met minder mogelijkheden, voor moslims en andersdenkenden… , Zoveel rechtse praat. Nee, er zijn grenzen aan mijn verdraagzaamheid.
Maar op de Thalystreein met zijn genummerde zitplaatsen, of op de officiële lunch zit je er dan toch plots naast. Hoe moet je je dan gedragen? Het zijn mensen zoals u en ik, zo klinkt de humane benadering. Natuurlijk is dat zo. Ja, maar ze spreken hatelijk over niet-blanke mensen. Ik krijg er gegarandeerd een adrenalinestoot van, met nervositeit en onrust tot gevolg. Verontwaardiging zeker? Wat denkt mijn Vlaams belangende buur nu echt over de Turkse mevrouw – of liever een Turks ogende mevrouw zonder hoofddoek - die recht tegenover ons zit op de trein. Vindt hij haar maar een minderwaardige persoon, een fout van de schepping? Zou hij haar, mocht hij überhaupt wat te zeggen hebben, stante pede terugsturen naar afzender? En waarom? Om meer lebensraum te hebben in Vlaanderen of in Nederland dan?
Welke soort samenleving willen extreem-rechtse mensen eigenlijk? Hun programma is me bekend, maar diep in hun hart kan ik niet kijken. Rangschikken ze mensen echt van hoog naar laag, van hoog te waarderen tot als een mier te vertrappen? Voelen ze zich meer waard dan het bruine koppeltje op de bank voor ons? Ze staan in elk geval voor een harde samenleving, voor een struggle for life, een strijd om macht en invloed. Waar dingen die fout gaan altijd de schuld van de anderen zijn. Handig is dat trouwens, de schuld op andermans rug laden.
Tijdens het tafelgesprek vertelde ik mijn disgenoten daarnet dat ik eergisteren een nare situatie meemaakte in Brussel-Centraal. Om half elf ‘s avonds wachtte ik er op de laatste trein, zette mijn te zware boekentas met al mijn spullen, waaronder de laptop waarop ik dit eigenste stukje schrijf, achter mij. Er komt een man naar me die in het Frans vraagt of de trein naar Bruxelles-Midi rijdt en in welke richting dat ligt. Ik leg het hem uit en wijs de richting aan, naar rechts gaat die trein. Hoe het komt, weet ik niet, ben ik iets gewaar, maar ik kijk naar links en zie een man met mijn boekentas weglopen, zo’n 10 meter is hij van mij verwijderd. Onbesuisd, maar moedig zet de achtervolging in, roep loeihard ‘helaba’, en stante pede laat de man mijn tas vallen terwijl hij de roltrap op rent. Eind goed al goed.
Of de dieven vreemdelingen waren? Oh. Eerlijk gezegd, ik weet het niet. Ik was te verbouwereerd. Ik heb mijn spullen terug, mijn gedachten vastgezet op de harde schijf van deze laptop. Ik zal beter opletten in het vervolg, maar ook mijn geloof in de goedheid van de mensheid te behouden. In de meeste dan toch, niet in dieven en VB-ers.
* Toevoeging, gemaakt op 31 mei
Het woord ‘ongedierte’ in deze blog zorgt voor veel extra post in mijn mailbox. Begrijpelijk. Het woord is ongelukkig gekozen omdat het de indruk wekt dat het op de medereizigers naar A’dam slaat. Dat is niet zo. Het doelt enkel op het feit dat je met zo’n delegatie niet zelf beslist wie met je meereist. Een mot in je jas, daar kies je ook niet voor, die reist gewoon met je mee, ongewild.
Mijn verontschuldigingen aan mijn VB-medereizigers mochten zij zich, evenzeer ongewild, door de term ‘ongedierte’ aangesproken gevoeld hebben.
Voor de rest schrijf ik wat ik denk. Ik bedoel maar dat ik mijn politieke afkeer van het VB zal blijven uitschreeuwen.
Er was eens een koene ridder die, hoog gezeten op zijn statige ros, zijn gouw overschouwde . En hij zag dat het goed was. Als naturelle leider genoot hij van het uitzicht op de trits hutjes rondom de watermolen, zag hij de bedrijvigheid langs de oude steenweg (ja, het waren rare jongens, die Romeinen), waar de wagenmaker, de smid en de herbergier een joint venture hadden opgezet. Aan de einder doemde zijn eigenste weinig nederige woonst op, hoog uittorend boven de eenvoudige werkmanshuisjes die er zich tegenaan schurkten, zoekend naar beschutting. Aan de andere einder van zijn schier onoverzienbare wingewest, lag de heerlijkheid van de grootste herenboer van zijn contreien. De bescheiden stulpjes van de pachters als snippers verspreid over de immense landerijen. Op het klokkentorentje van de statige vierkantshoeve bespiedde de weledele heer plotsklaps een verguld ornamentje. Wat het juist was, kon hij niet zien, zozeer weerspiegelde het immers de gulle zonnestralen. Zozeer stak het ook de ogen uit en het humeur van de hooggeborene daalde op slag tot diep onder het vriespunt. Wat dacht die veredelde patattenboer wel? Wie is er hier de baas?
Minister Bourgeois schrikt wakker uit zijn droom. Halfdronken klampt hij zich vast aan zijn gedachten en grijpt naar het notaboekje en balpen die steevast geduldig in de nachtkastla wachten op een geniale nachtelijke inval. Veelal vergeefs, trouwens, maar nu vloeien de ranke volzinnen uit de pen. Het ene grensverleggende denkbeeld volgt de andere sublieme ingeving in razend tempo op. In minder dan geen tijd heeft hij zijn groenboek af.
Voortaan zal hij de baas zijn. Hij alleen. Akkoord, de buurtcomités mogen zelf ook nog wel wat beslissen. Hoe meer ze hun eigen boontjes doppen, hoe liever zelfs; zolang ze maar geen geld komen vragen… Maar de parvenus die zich er tussen hadden gemengd, die konden fluiten naar hun macht. Het stond er niet allemaal zwart op wit, de bewoordingen waren iets meer omfloerst, maar de teneur was duidelijk.
Helaas had niet iedereen het zo op zijn grootse plannen begrepen. Vooral dan de geviseerde middenkaders, die provincialisten, zouden hun nest met hand en tand verdedigen. En laat deze nu net een pak vriendjes hebben bij de collega’s van de minister; collega’s die het enthousiasme van de staatsman prompt danig temperden. Oké, hij mocht best wel wat knagen aan de randjes en vooral op de gelden die naar de onderliggende besturen vloeien. Wat denken die lokale schepenen wel? Daar, mag er best beknibbeld worden, die smaldenkers, zolang het allemaal maar niet te ingrijpend is en de politieke vrienden maar hoogwaardigheidsbekleders blijven. En zo verbleekte het groenboek tot iets pastellerigs, het bleef verbleken en verbleken tot er uiteindelijk een lijkbleek wit boek overbleef. Een witboek zonder enig leven, aspiratie noch inspiratie.
De minister mocht wel wat hervormen - zijn droom helemaal in gruzelementen slaan, wilden zijn ambtgenoten nu ook weer niet – maar het blijft toch vooral bij wat weinig ingrijpend geneuzel. De grote goesting om grote kuis te houden in de verrommeling werd gesmoord met wat gerommel in de marge.
De arme koene ridder, plat op zijn buik in het stof bijtend naast zijn paard.
Onlangs hoorden we een leuk verhaal van iemand die geheel toevallig eens op de tribune van een voetbalstadion was beland voor een match ergens in de kelder van tweede klasse. De persoon in kwestie zou, naar eigen aanvoelen, zelf niet misstaan hebben op het veld; zo bedroevend was het niveau.
Akkoord, geheel deskundig kan je die toeschouwer niet noemen en misschien zag ze de eventuele ingenieuze looplijnen en strategische flankwissels simpelweg niet. En akkoord, het niveau van tweede klasse ligt logischerwijs lager dan dat van de Jupilerleague. Maar toch…
Zuchten we allemaal niet eens diep wanneer we ons op een zeldzaam luie zaterdagavond in de zetel nestelen om te zappen van Studio Sport – Eredivie naar Studio 1 en later op de avond naar Match of the Day. Een diepe zucht omwille van het vaak bedroevende niveau van onze elite. En een diepe zucht er bovenop omwille van het feit dat we onze zo geroemde gouden generatie zien ronddartelen op de buitenlandse velden.
Onze supporters en ook onze spelers verdienen beter en volgens ons is dat ook mogelijk.
Deze week maakt de profliga het bestek op voor de verkoop van de rechten voor de voetbalwedstrijden, het voetbalcontract zoals dat heet. Een kwestie die, op het eerste zicht misschien verrassend, evenzeer het belang van de kijker als dat van de spelers en de ganse voetballerij dient. En ook al is profvoetbal niet meteen een voorwerp van Vlaams sportbeleid, toch heeft het een impact op de kwaliteit van ons gehele voetbal, ook de basis, en op het televisie-aanbod. Twee zaken waarover de Commissie Sport en Media wel een aardig woordje mee te spreken heeft.
Zijn we het erover eens dat het Belgische voetbal veel beter kan? Ja toch? We zijn in de staart van het Europese peloton gesukkeld. De betere Belgische en spelers worden verkocht aan vermogende buitenlandse clubs, in onze competitie moeten we het doen met tweederangs buitenlandse spelers. We schoppen het niet ver in de Champions League, als we er al in geraken en zelfs in de Europa League wordt elke overwinning aanzien als een half mirakel. Gelukkig hebben we een beloftevolle nationale ploeg, barstensvol talent, dat, hoe kan het ook anders, allemaal in het buitenland voetbalt.
Is daar nu echt niks aan te doen? Onze clubs kunnen de budgetten van de echte Europese toppers nooit benaderen, laat staan evenaren. En dus laten we de armen hangen? Een hoog niveau halen bereik je echter niet alleen door betere spelers, trainers, en omkadering in te zetten. We moeten ook onze ganse nationale competitie op een hoger niveau tillen. Dat kan door én ervoor te zorgen dat de topclubs meer tegen elkaar spelen én ervoor te zorgen dat het niveau van de kleinere clubs mee omhoog gaat. Vandaag zijn die verschillen te groot geworden, zodat er weinig of geen spankracht meer uitgaat van een duel tussen pakweg Anderlecht en Lierse.
Om die verschillen te overbruggen zorgen Amerikaanse federaties in het basketbal of het American football ervoor dat de televisierechten zo verdeeld worden dat ook de kleinere clubs genoeg middelen hebben om talentvolle spelers aan te trekken. Maar er is meer, er bestaan zelfs regels en afspraken om spelers die bij topclubs bankzitter zouden zijn, speelkansen te geven bij die kleinere clubs. Het systeem van wisselspelers van topclubs die tijdens de winterstop verkassen naar middenmotors, kennen wij ook, maar hier speelt eerder de intentie om de marktwaarde van die spelers te verhogen, want zelden of nooit keren die huurlingen terug in de hoofdmacht van hun moederploeg. Nee, ze belanden in de etalage.
Een tweevoudige herverdeling dringt zich op. Een nivellering van het niveau van de clubs, naar boven toe, en een herverdeling van de inkomsten. Dat levert gegarandeerd meer spanning op. Meer spanning die aantrekkelijk is voor het publiek. Het publiek dat in grotere getale naar de matchen komt kijken en/of bereid is om voor de wedstrijden op televisie te betalen. Twee keer bingo dus.
Is het mogelijk dat de voetbalrechten meer opbrengen dat de 45 miljoen euro die Belgacom er vandaag voor betaalt? Ja, maar dat kan enkel als er meer mensen dan vandaag een voetbalabonnement nemen op de rechtstreekse uitzendingen van de wedstrijden, aangevuld met afzonderlijke betalingen voor bepaalde topmatchen. Vandaag kunnen enkel de klanten van Belgacom TV, mits een toeslag bovenop hun digitaal abonnement de wedstrijden bekijken. Belgacom bedient in Vlaanderen slechts een gedeelte van de potentiële kijkers, in Wallonië het overgrote deel. Telenet is in Vlaanderen de grootste aanbieder van digitale televisie, naast Belgacom en de veel kleinere satelliet-aanbieders TV-Vlaanderen en Mobistar-TV.
Als de profliga nu eens zelf de exclusiviteit van één aanbieder zou doorbreken en de mogelijkheid zou voorzien dat elke distributeur het voetbal betalend zou kunnen aanbieden? Dat zou ook vriendelijk zijn voor de consument. Immers de technologie van de verschillende aanbieders is niet zo makkelijk uit te wisselen. Je gaat niet zo snel nieuwe gaten boren of leidingen leggen als je klant bent van bijv. Telenet, of Belgacom, of een andere distributeur. De technologie is verschillend, de settopboxen zijn niet compatibel, laat staan dat je er twee boven elkaar zou willen gaan zetten.
De profliga kan een bestek maken waarin zowel kan geboden worden voor exclusiviteit als voor samenwerking, uiteraard op voorwaarde dat de totale ontvangsten hoger liggen dan vandaag. Dan nog kunnen de verschillende operatoren onderling een concurrentieslag voeren met voetbalbeelden als toetje. Elke kijker krijgt er dan toegang toe, en de opbrengst voor de clubs stijgt.
Stel dat het lukt, en er dus meer geld binnenkomt. Dan kunnen we misschien, na Defour, ook Witsel op de Belgische velden houden. Willen Hazard of Chadli misschien nog wel eens proeven van hun vaderlandse competitie. Kunnen we genieten van het tactisch vernuft van trainers als Gerets of Preud’homme.
Ik bedoel maar dat daardoor ook het niveau van de Belgische competitie kan opgekrikt worden. En dan kunnen we Europees wat langer mee. Dat is voor de clubs lucratief en biedt hen mogelijkheden om een sterker spelerspotentieel te behouden of uit te bouwen. Het is een opwaartse spiraal. Ook voor de kleinere clubs, die dankzij de tv-rechten meer weerwerk kunnen bieden aan de groten, en nu en dan voor de sportieve verrassing kunnen zorgen.
Het is een oproep aan de bonzen van de voetbalwereld, de verantwoordelijken van onze topclubs, maar ook aan de politici die de kwaliteit van ons voetbal en het belang van de kijker hoog in het vaandel voeren. We weten het, het voetbalcontract is eigenlijk geen kwestie voor de politiek, maar ook wij willen graag beter voetbal, en daarom durven we ervoor pleiten dat de profliga enkele moedige beslissingen zou nemen.
Je hebt zo van die dagen. Van die dagen dat je het allemaal niet meer zo goed weet; heen en weer geslingerd wordt tussen welles en nietes; doe ik het (goed) of doe ik het niet (goed). Van die dagen dat je constant goede raad, wat zeg ik: de beste raad krijgt ingefluisterd. In beide oren tegelijk. Van die dagen dat je niet meer weet op welke schouder dat engeltje nu ook al weer zit en op welke het duiveltje. Je weet immers geeneens nog waar je hoofd staat.
Vorige week was ik mateloos gedegouteerd door een nota die in mailbox was beland. Het was de insteeknota die parlementsvoorzitter Peumans opstelde over de toekomst van de PPI’s, of beter over het ontbreken van een toekomst ervoor. De PPI’s, voluit de paraparlementaire instellingen, zijn vreemde wezens. Het kinderrechtencommissariaat (KRC), Vlaams Vredesinstituut (VVI) en Instituut voor Samenleving en Technologie (IST) huizen binnen het Vlaams Parlement, worden er door betaald, maar hebben evenzeer de autonomie om voluit kritiek te geven op het Vlaamse beleid, het federale beleid en op allerlei fenomenen in de samenleving. Geen wonder dat ze velen een doorn in het oog zijn, vooral dan dezen met de langste tenen.
Een meerderheid binnen het parlement vond het dan ook een goed idee om de werking van de PPI’s eens duchtig onder de loep te nemen. De nota Peumans geeft meteen de richting aan; de ruk naar rechts. Onder het mom van efficiënter werken worden de PPI’s uitgekleed, uitgerangeerd, kortom monddood gemaakt. De Groen!e stem, die ik in de werkgroep mag vertolken, werd in de nota niet eens weergegeven. Onze roep om de werking en de onafhankelijkheid van die instellingen, die niet enkele kritisch zijn, maar bovenal degelijk wetenschappelijk werk leveren in functie van het parlementair werk, te behouden.
Aan zo’n afbraakpolitiek, zo’n kroniek van een aangekondigde moord wou ik niet meewerken, maar de voorzitter, doorgaans (of tot voor kort) best een aimabele man, overtuigde me om vanmorgen toch nog eens naar de vergadering te komen. Ik ging erheen met drie vragen: de opname van ons standpunt in de startnota, de garantie dat het bestaan en de missie van de PPI’s een uitgangspunt is, en de inspraak van de betrokkenen bij de hervorming.
Nu heb ik in de politiek al veel meegemaakt en ik weet dat er een olifantenvel nodig is om er te overleven, maar wat ik vandaag allemaal naar het hoofd geslingerd kreeg… Een olifantenvel volstond niet om de vliegende tackles te weerstaan. Stalen beenbeschermers waren een absolute must. Er zijn van die collega’s die tacklen met beide voeten vooruit, en niet om de bal te spelen .... Aangenaam is anders, maar goed, daar kon ik nog mee leven.
Pas helemaal gortig werd het toen een ‘buitenstaander’ naar de vergadering werd gesommeerd, eigenlijk geen buitenstaander maar een directeur van één van die drie instellingen. De arme drommel had de vermetelheid gehad om in de pers zijn ongerustheid te uiten over het eventuele verdwijnen van zijn PPI. Mocht hij even, ja? Nee dus, hij werd afgeblaft, afgedreigd en net niet afgetuigd. Dit degoutante schouwspel was allerminst wat ik bedoelde met inspraak van de betrokken instellingen.
En dan zit je daar, kokend van woede, maar tegelijk onder tafel kruipend van plaatsvervangende schaamte. Je wil opstappen en de deur knallend hard achter je dichtslaan, maar dan geef je op, kan je je geliefde instellingen niet meer verdedigen, halen de luidst brullenden de prooi binnen. Of je kan zeggen: jullie kunnen alle kritische stemmen verstommen, alle waakhonden muilkorven, maar ik blijf op post, ik blijf mijn mening verdedigen, mijn idealen trouw, mijn volk vertegenwoordigen.
Je kan je zelfs verheugen in alle media-aandacht die je te beurt valt, genieten van Linda De Wins interesse. Ook al hoor je naast je iemand uit zijn nek kletsen dat alles de schuld is van die dekselse groenen. Dat zij altijd de meest vertrouwelijke informatie lekken (de mail van Lieten aan haar tefloncollega’s, de denkpistes van de raadsheren inzake het Fortisarrest, ja, het waren zelfs de groenen die de schuilplaats van Osama doorspeelden aan de CIA).
Ik geloof heel graag dat mijn collega’s het heel moeilijk hebben met de informatiedoorstroming. Ze zouden alles ongetwijfeld liever regelen in achterkamertjes, beschaamd als ze zijn om hun eigen ideeën openlijk te vertolken. Nee, sorry. Voor mij is en blijft politiek een open debat, een confrontatie van ideeën, een zoeken naar het ultieme compromis. En enigszins hoffelijk als het zou mogen.
Zo’n dag was het dus. Maar ik troost me met de gedachte dat ik, als ik straks van de trein stap, de geestelijke rollercoaster eventjes kan inruilen voor een echt exemplaar. Ik even verder een rondje kan meedraaien op een authentieke mallemolen. ‘t Is Paasfoor, weet je wel.
Dit jaar valt het Feest van de Arbeid samen met de Erfgoeddag, met als motto ‘Armoe Troef’. En er valt veel te vieren. De algemeen verspreide armoede uit de industriële revolutie heeft plaats gemaakt voor welvaart. En het werkvolk heeft gevochten voor menswaardige arbeid en goede werkvoorwaarden, en het heeft gewonnen. Er valt dus veel te vieren.
Maar toch knaagt het, dat gevoel dat we ondanks een nooit vertoonde rijkdom, er niet in slagen daar ook echt iedereen van te laten genieten. We leven in een tijdsgewricht waar zowat 15 procent van onze landgenoten onder de armoededrempel leven. De risico’s om in de armoede terecht te komen, zijn groter dan in de voorbije ‘gouden’ decennia.
Maar we vieren vandaag. Wat een ironie dat armoede zoveel mooie en interessante dingen heeft voortgebracht dat we dat ‘erfgoed’ zijn gaan noemen. Het is van ons, we eigen het ons toe. We zorgen er goed voor en tonen het aan elkaar. Op 1 mei kunnen we ons overal in Vlaanderen vergapen aan de miserie van onze voorouders. Er zijn tentoonstellingen, wandelingen en andere activiteiten rond kinderarmoede, over de geestelijke armoede achter het front, de armenzorg uit vroegere tijden, de ellende van weeskinderen, het fenomeen van de begijnen, de talloze bedelaars, de piepkleine woningen in de nog resterende beluiken.
Moge deze Erfgoeddag ons allemaal doen beseffen dat 1 mei nog een grote betekenis heeft voor vandaag én vooral voor morgen. We zien steeds meer snertjobs met te lage lonen, een reële daling van de waarde van vervangingsinkomens, veel barslechte woningen en vooral een sociaal vangnet met steeds grotere mazen.
Willen we van ‘Armoe Troef’ over een decennium geen jubileum vieren, dan moet iedereen, op welke positie ook in de samenleving, zich voluit inzetten voor de bestrijding van armoede.
Groen! wil, in navolging van Ricardo Petrella, de armoede onwettig verklaren zoals in de 19e eeuw de slavernij onwettig is verklaard.
Moge armoede ooit echt materieel en immaterieel erfgoed worden.
Ja! Zij zijn gelukkig; want het gebrek aen het tijdelijke zal door het bezit van ‘t eeuwige, door het bezit van het hemelrijk zelve beloond worden… Rijk zijn is zoo een groot last, rijk zijn is zoo ene groote verantwoordelijkheid! Een middel is er maer om die last te verminderen, om die verantwoordelijkheid af te leggen, en t’ is de aelmoes gedaen aen de arme lidmaten van Jesus Christus.
Uit de ‘Redevoering over de Christelyke liefdadigheid, […] op den 82e verjaardag van de Instelling der Armkamer’ te Kortrijk, 1856
Gisteren in Het Nieuwsblad, vandaag uitgebreid in Het Laatste Nieuws, telkens op de nationale pagina’s, grote artikels over rotondekunst. Ik viel bijna van mijn fiets, deze ochtend bij het passeren van rotondes. Twee populaire kranten die haast nooit een woord vuilmaken aan kunst, schrijven pagina’s vol over kunst. Of is het allen maar omdat ze op rotondes staan? Omdat een Kortrijkse schepen een merkwaardig standpunt inneemt? Lokale kunstenaar Carlo Herpoel moet een kunstwerk weghalen, en bond de rotondes de bel aan.
De stad Kortrijk stelt dat het wil investeren in een kwalitatieve omgeving en in een leefbare stad . In die gedachte past ook de integratie van sculpturen. Er zijn drie principes voor kunst in de publieke ruimte: artistieke kwaliteit, stedenbouwkundige relevantie en sociaal-maatschappelijke betrokkenheid. Geen probleem zou ik zeggen, integendeel.
Tegelijk stelt het bestuur dat kunstwerken op rotondes geen meerwaarde betekenen. Dat is natuurlijk een betwistbare stelling. Mobiel Vlaanderen, het agentschap van het Vlaamse Gewest stelt dat een rotonde neemt een centrale plaats inneemt in het wegbeeld en dan ook uitermate geschikt is voor een kunstwerk. Ze stellen letterlijk: “Een kunstwerk op een rotonde verfraait niet alleen de omgeving, maar verhoogt ook de herkenbaarheid ervan. Het thema van het kunstwerk kan te maken hebben met de historiek van de stad of de gemeente. Dat is uiteraard geen vereiste, maar het geeft wel een meerwaarde. Het kunstwerk moet qua verhoudingen zo goed mogelijk rekening houden met de grootte van de rotonde en kan het best ’s nachts verlicht worden, dat verhoogt ook de verkeersveiligheid.“
Veel voorbeelden zijn te vinden op www.rotondekunst.eu/, een Nederlandse website die voorbeelden verzamelt uit de hele wereld en er een top 40 van maakte. Het Nedederlandse Cultuurarchief stelt dat een rotonde het predikaat heeft onhandig en lelijk te zijn, maar ook potentie heeft: het is een interessant uitgangspunt om op het raakvlak van stedenbouwkunde en kunst in de openbare ruimte een artistieke ‘landmark’ te creëren!
In Kortrijk mogen twee kunstwerken op rotondes blijven: een plantenbuste van Cowboy Henk en het beeld van de wijsgeer Avicenna, een geschenk van Oezbekistan. Mevrouw de schepen: wat is daar de artistieke kwaliteit van?
Het is waar, al te vaak wordt voor zo’n onding als een rotonde gekozen voor middelmatig kunstenaar of hovenier. En dat is gek, want de rest van de openbare ruimte heel officieel en verantwoord wordt ingevuld. In Nederland bestaat de onhebbelijke gewoonte de eerste de beste kunstenaar uit de kast te halen. Wat hoveniers doen stemt velen vrolijker: die tonen op een paar vierkante meters zo danig veel, dat zelfs de traagste fietser ogen tekort komt.
De rotonde is een ontwerpopgave, vooral landschapsarchitecten zijn aan zet. Zij zijn het immers gewend om breder te kijken en dat is precies wat de invulling van het middeneiland nodig heeft. Die zou veel meer bij het omringende landschap moeten aansluiten. Daarvoor is het noodzakelijk om heel gedegen te analyseren wat er in een straal van een paar kilometer rondom de rotonde allemaal gebeurt. Neem nu de gemeente Baarn. Daar is vlakbij de A1 een rotonde aangelegd waardoor de oude lanenstructuur in de omgeving is beschadigd. Wij hebben de provincie Utrecht geadviseerd die te herstellen en de rotonde daarin een rol te laten spelen door bijvoorbeeld een boom in het midden te plaatsen. Tijs van den Boomen schreef een boek over rotondes, echt waar.
In het ook al Nederlandse Venray wil men de kunst op de rotondes regelmatig wisselen. Kunst in de openbare ruimte krijgt er een nieuwe betekenis. Vier rotondes die de poorten van Venray vormen, kregen een hedendaags en vernieuwend kunstwerk. Elk jaar komt er een ander spannend of spraakmakend kunstwerk op die rotondes.
Vlamingen zijn er minder mee bezig. Hoewel. De Vlaamse Bouwmeester (toen nog bOb Van Reeth) publiceerde een boek over kunst op rotondes. Je ziet er voorbeelden uit de hele wereld en van topkunstenaars. De conclusie is dat de beperkingen groot zijn. Meestal is kunst op een rotonde een onmogelijke opgave. Het ‘rond punt’ blijft een vreemd lichaam. Elke zinnige oplossing voor de ruimtelijke inrichting van een rotonde moet deel uitmaken van de globale aanleg van het landschap en de bebouwing eromheen. Kunst wordt dan deel van een landschap. Een geïsoleerd kunstobject is niet zinvol. In Kortrijk wachten we nog op de realisatie van het voorstel van de bouwmeester op de kluifrotonde aan De Appel: kunstenaar Jan De Cock werd uitgenodigd een artistiek concept te ontwikkelen, niet op de kluifrotonde zelf, maar op reeks blinde muren rondom. Hoe ver staat het?
Westkust geterroriseerd door hangjongeren? Of de parabel van het kanon en de mug.
De politie aan de westkust is duidelijk het noorden kwijt. Ze hebben er een nieuw instrument bij: irritatie en stalking. Niet alleen Bart Dhondt, voorzitter van Jong Groen!, verslikte zich deze ochtend in z’n koffie: Ook ik schrok me rot. Ik kon in de loop van de niet reageren wegens mailsgewijs onbereikbaar zijn – dat is overigens best een prettig gevoel, maar dat terzijde. Dat criminaliteit moet bestreden worden, daar is geen twijfel aan. Met dit voorstel slaat de politie aan de westkust echter niet alleen de bal mis, maar komt die slag recht in het gezicht van de jongeren terecht.
Waarom die stigmatisering van alle jongeren? Zijn alle jongeren criminelen? De aangekondigde VIP-behandeling – VIP staat voor very irritating police – komt overgewaaid uit Rotterdam. Jongeren worden dan irritant en agressief gecontroleerd, zeg maar gestalkt. Of je zo overlast wegneemt is zeer twijfelachtig. Integendeel, er kan alleen spanning groeien tussen jongeren, ook met het vergrote deel jonge gasten zonder kwade bedoelingen. En spanning escaleert.
Als er criminaliteit is, dan moet de politie snel en kordaat optreden. Punt. Aan preventie doen gebeurt niet via zo’n VIP-behandeling.
De leiders van de samenleving zijn hun hoofd kwijt. Er wordt een beleid gevoerd gedreven door angst, tolerantie is daarbij volledig zoek. In verschillende gemeenten wil men de gemeentelijke administratieve sanctie (GAS) uitbreiden naar jongeren, zelfs naar kinderen van 12 jaar, en nu dit”, betreuren onze jonge Groenen. En ze hebben gelijk. Jongeren komen op deze manier continue in een slecht daglicht te staan. Kinderen en jongeren moeten ruimte krijgen om jong te zijn.
Trouwens, dat hangjongeren ginds voor zoveel overlast zorgen, daarover lieten verschillende bewoners me vandaag weten dat ze daar nooit iets van gemerkt hebben. Spelende kinderen zijn er veel, gelukkig maar, en jongeren die samen komen om te praten, te roken, een pint te drinken ... die zijn er ook veel. Maar zijn dat criminelen? Moet de politie die te lijf gaan met een kanon?
Kortrijkse burgemeester: toename criminaliteit veroorzaakt door allochtonen
In Het Nieuwsblad van 19 april 2011, reageert Wout Maddens als plaatsvervangend burgemeester op een gewapende overval op het Overbekeplein. In zijn reactie stelt hij dat “er een verband is tussen de toename van allochtonen en de toename van criminaliteit.” God weet alles, maar Maddens is God niet. Waar zijn de analyses? En hoe draagt deze uitspraak bij aan de oplossing van het probleem.
Het klopt dat er in Kortrijk (net als in andere plaatsen in Vlaanderen) een probleem is met rondtrekkende (vaak buitenlandse) daderbendes. Het klopt dat in bepaalde zones in de stad steeds dezelfde mensen voor problemen zorgen. Het is absoluut waar dat deze problemen moeten worden aangepakt. Niemand wil immers slachtoffer worden van de misdaden van deze groepen. Waar wacht de politie op? Maddens zegt dat de politie ze kent. Allez, vooruit. Wordt bij opsporing samengewerkt met politiekorpsen uit andere zones?
De toename van criminaliteit linken aan de toename van allochtonen en daardoor meteen een hele gemeenschap door de mangel halen; is een brug te ver. Is het niet eerder zo dat de falende justitie er een hand in heeft dat (veel)plegers van stafbare feiten vaak onmiddellijk na arrestatie weer worden vrijgelaten? Kunnen ingrepen in de openbare ruimte er niet voor zorgen dat bepaalde zones minder aantrekkelijk worden om feiten te plegen die men liever in het verborgene houdt?
Om kort te gaan. Een kordate aanpak van misdrijven in de stad is essentieel. Maar de stad moet evenzeer ingrijpen aan het begin van de keten: bij het voorkomen van misdrijven.
De analyse dat de toename van criminaliteit gelinkt is aan de toename van het aantal allochtonen, is een burgemeester onwaardig.
Dit verhaal gaat over een zwaar bouwmisdrijf. Over een bouwheer van een appartementsblok op de Veemarkt in Kortrijk, die, zonder dat te melden, een ondergronds bouwlaag skipt, een stad die daar gewillig aan toegeeft, en gefoefel met BTW.
Veel mensen die in Kortrijk een woning willen bouwen of verbouwen botsen op strenge regels inzake de bouwvergunning. De regels van BPA’s, van RUP’s e.d. worden strikt toegepast. Er is weinig soepelheid. Dat is voor mensen die willen bouwen en voor architecten lastig. Maar, ik heb daar geen probleem mee. De tijd van onduidelijke regels, en politieke vriendendiensten zou achter rug moeten zijn. Vroeger werd daar losjes mee omgesprongen. Dat kan je zien in het straatbeeld.
Eenmaal een stedenbouwkundige vergunning toegekend, mag het dan ook geen vodje papier zijn. Ze moet uitgevoerd worden zoals toegekend. Punt. Ik kan me niet indenken dat de stad Kortrijk ook zo vlotjes om met veel kleinere stedenbouwkundige overtredingen van gewone mensen die een formaat van een raam aanpassen, of de dakhelling bijv.? En terecht. En daarom kan dat ook niet voor zo’n zware overtredingen.
Klik hier om het hele verhaal te lezen
Maandag was een mooie dag in het Vlaams parlement. Mooi omdat de kunstensector, in al haar verscheidenheid, een startdag organiseerde over de nieuwe ronde van het Kunstendecreet. De sector stelde er haar landschapstekeningen voor. En er kwam het heuglijke nieuws dat elke euro die de overheid in de kunsten investeert, liefst anderhalve euro uit de samenleving genereert. Als mooi toetje kregen we het Charter, een afsprakennota vol mooie intenties, opgesteld door het veld en onderschreven door de minister. De administratie presenteerde daarenboven een draaiboek om het geheel nog professioneler te ondersteunen. En de minister vertelde hoe zij de ronde aanpakt en met welk budget.
Allemaal goed nieuws, zo lijkt het wel. Maar is dat wel zo? Ik deed een beroep op de koffiepauze en de achterafreceptie. Het zijn wondermooie momenten, waarop de tongen los komen. Zelf hoef je niet zoveel te zeggen, luisteren des te meer.
Eerst het meest verderfelijke, maar ook het geniaalste onderdeel van haar verhaal: Schauvliege wordt goede vriendjes met de sector. De kunstenwereld die haar bij haar aantreden zo aan de schandpaal nagelde, wordt nu aan de borst gedrukt. Of doodgeknuffeld? De theatrale eensgezindheid van de kunstensector, kritische eigenzinnigaards van nature, baart me zorgen. Ik heb liever een militante belangenbehartiger, een kritische wetenschapper, een naar liefde hengelende of een boze minister. Debat moet er zijn, discussie over de grond van de zaak en over het geld.
Joke Schauvliege benadert deze subsidieronde als een koele notarisklerk, een beheerder die zal letten op de cijfers en op de correcte afhandeling van de procedures. Dat is haar goed recht, maar van een Cultuurminister verwachten we ook inhoudelijke insteken, niet op dossierniveau, wel over kwaliteit, over noodzaak, over artistieke lijnen en prioriteiten. Die kwamen er niet. Ze had het over geld, over procedures en een piepklein beetje over inhoud.
De minister geeft de indruk, meer dan haar voorganger, rekening te houden met de adviezen van commissies, ‘respect’ noemt ze dat. De commissies moeten tot één ranglijst komen, waarop ze haar beslissing zal baseren. Klinkt mooi op het eerste zicht, maar door een gebrek aan eigen keuzes schuift Schauvliege de hete aardappel door naar de Adviescommissie. Die krijgt een monsterlijke verantwoordelijkheid: oordelen of ze toneelgezelschap x achter danscompagnie y zet op de ranglijst. Appelen achter citroenen. Schauvliege maakt zo van de Adviescommissie een superarbiter. Dat is nooit de bedoeling geweest. Over verdelingsvraagstukken moet de politiek beslissen. Die vergen moed.
De Adviescommissie krijgt trouwens wel de beulenopdracht, maar niet het laatste woord. De minister beslist finaal. Alle achterpoortjes voor vriendendiensten afsluiten, kan immers ook niet de bedoeling zijn, lijkt het wel. Net nu in het Charter wordt opgeroepen om niet meer aan (subsidie-)lobbying te doen. Hmm.
Heeft Schauvliege dan echt geen visie? Ze stelt toch zeven aanbevelingen voor? Ja, maar wollig, bol van mooie intenties, in alle richtingen uitwaaierend. Geen zinnig mens kan iets hebben tegen samenwerking of clustering met andere spelers, tegen duurzaamheid, tegen aandacht voor de individuele kunstenaar, tegen maatschappelijke inbedding enz.
Hoe dan ook, de koele cijferaar in Joke Schauvliege haalt het. Er is 98 miljoen euro beloofd, maar daar ging de kaasschaaf twee keer over zodat er nu 93 miljoen euro naar de meerjarige werking van organisaties gaat en 3 miljoen naar projecten. Een scheefgegroeide situatie dus. Schauvliege stelt vanaf 2012 jaarlijks 87 miljoen euro ter beschikking voor de meerjarige werkingen, een daling met 11 miljoen.
En dan spreken we nog niet over de overgeslagen indexsprongen van de laatste vijf jaar, toch goed voor dik 10% waardeverlies. Samen is dat een feitelijke daling van 20 procent. Dat ze 10 procent van het totale bedrag wil vrijmaken voor projectsubsidies kunnen we wel toejuichen, maar dat dit alleen moet komen van zij die deze ronde niet overleven, is een brug te ver. Ze noemt geen bedrag, maar wil wel de begrafeniskosten helpen betalen van de organisaties die deze ronde niet overleven.
Je verwacht van een Cultuurminister dat ze ‘betrokken’ is, dat ze strijdt voor cultuur en bij haar collega’s opkomt voor de kunstenaars. Maar niks van dat alles. Als de conjunctuur verbetert, mag de culturele wereld daar toch ook wat van meegenieten, zou ik hopen. Joke Schauvliege weet blijkbaar dat er geen heropleving komt, alvast niet voor de cultuursector.
Ze wil versnippering en onderfinanciering tegengaan. Dat zal de selectie nog veel harder maken. Er zijn vandaag 296 organisaties die meerjarige subsidie krijgen. Daarvan zullen er 40 à 60 sneuvelen. Struggle for life. Voor veel organisaties komt er geen verlichting, maar gaat het licht uit.
Ik vind dat de minister keuzes moet maken, over het budget, maar ook en vooral over schaal en omvang van de verschillende disciplines. Mag de historische voorsprong van het toneel wat afgebouwd worden ten voordele van bijv. het sociaal-artistiek werk of de kunsteducatie? Zijn er dan geen keuzes te maken over de rol van kunstencentra, over ontwikkelingen in de dans, de beeldende kunst enz…? Ze kan zich daarvoor perfect baseren op de landschapstekeningen. Niks daarvan.
Het is een geniale numero van Joke Schauvliege. Koeken bakken met de sector, schijnbaar luisteren, maar verderfelijk verantwoordelijkheid ontlopen.
Er zijn nog zekerheden in het leven, al heeft een mens de indruk dat het er steeds minder en minder zijn. Zo kan je elk weekend gezellig naar het voetbal. Alle clubs spelen één keer thuis en één keer op verplaatsing tegen alle anderen en diegenen die op het einde van het seizoen de meeste punten heeft gesprokkeld, die is de terechte winnaar. Simpelweg.
Zo gaat het wekelijks op honderden voetbalvelden, verspreid over de meest onooglijke gehuchten van ons vlakke land. Op de met veel clubliefde onderhouden veredelde graslanden, omzoomd met betonplaten waar de lokale beenhouwer, brouwer en begrafenisondernemer hun zelfverzonnen reclameslogan op kalkten. Daarnaast, als even grote certitude, de uit gerecycleerde bouwmaterialen opgetrokken kantine waar na afloop de meest controversiële spelfases minutieus worden nagespeeld middels weidse gebaren en breedsprakerige bewoordingen.
Zo ging het tot voor kort ook op de haarfijn getrimde, professioneel gedraineerde en voorverwarmde biljartvelden, omzoomd door flitsende LCD-schermen beheerd door de Commercial Manager, met loges en business-seats waar zakelijk netwerken en culinair genieten het topvoetbal tot randanimatie laten verbleken.
Tot voor kort. Want de grote heren van ons vaderlandse voetbal vonden het nodig enige hervormingen door te voeren. Niet om het spelletje op te waarderen, of om de toeschouwers extra te verwennen. Nee, enkel en alleen voor het grote geldgewin. Meer ‘topmatchen’, meer televisierechten, meer VIP-arrangementen. Play-offs voor de elite en de mindere goden, elk volgens eigen ondoorzichtige wetmatigheden; play-downs waarvan de regels op twee dagen voor het einde van de ‘reguliere competitie’ nog geeneens vastlagen.
De ‘reguliere competitie’; hoe denigrerend kan een term klinken. De competitie voor de gewone man, voor de simpele werkmens. De competitie waarvan iedereen de regels snapt. De competitie zonder de verruimende blik van marketeers, managers en magnaten.
De profs bleken de grootste amateurs te zijn, zij het allerminst in de betekenis van liefhebbers.
De zakelijke belangen legden onze voetballerij lam en knepen ze langzaam dood. De procedureslagen waar de bobo’s nu verstomd staan naar te kijken, maar waar ze wel zelf de voedingsbodem voor creëerden, vormen een onverkwikkelijke soap. De kalendercommissie moet haast realtime gaan plannen, steevast inspelend op de meest recente beroepsprocedures of kortgedinguitspraken van de meest diverse rechtorganen.
Net nu onze Rode Duivels weer eens aan het winnen gaan, beleeft ons vaderlandse voetbal zijn grootste institutionele crisis aller tijden. De poenscheppers slachtten hun kip met de gouden eieren.
Net nu we enige weken terug vanuit Europa het heuglijke nieuws kregen dat voetbal een mensenrecht is en berichtgeving erover dus vrij beschikbaar moet zijn, dreigt er helemaal geen voetbal meer te zullen zijn.
Geef mij dan maar die andere favoriete volkssport, de wielrennerij. De bonkige kasseistroken die het peloton decimeren; de venijnige hellingen waar pure klasse en superbenen komen bovendrijven. De Vlaamse wielerklassiekers zijn tenminste nog eens echte sport. Een sport waarbij onveranderlijke een uit de Vlaamse klei geboetseerde held de zegepalmen in ontvangst mag nemen. Een Zwitser die het zou aandurven onze half- of hele goden in de prak te rijden, kan dit enkel middels een ingenieus motortje in het carbonnen frame.
Nee, in de koers wint altijd en alleen de beste.
En de UCI heeft zowaar beloofd dat we voor de start van de Tour de France zullen weten wie dat in de editie 2010 was.
Het bureau van het Vlaams parlement heeft mijn interpellatie over Decaluwé vs Lieten heeft geweigerd. Ik ben daar bijzonder boos om. De aanleiding was het interview, in Humo, van vorige week, waarin Calr Decaluwé uithaalt naar minister Ingrid Lieten.
“Maak er nu niet de kop van, maar Ingrid Lieten is de zwakste mediaminister die ik in vijftien jaar tijd heb meegemaakt”. Aan het woord is, om de terminologie van het weekblad te gebruiken: “De toornige tsjeef - Carl Decaluwé – de mediaspecialist van CD&V”.
Opboksen tegen elkaar in Humo mag blijkbaar wel, tot beider bekendheid. Daar lijkt het wel op: uithalen in een weekblad en zwijgen in het politieke halfrond. En de oppositie hierover het zwijgen opleggen uiteraard, een politieke discussie in de Mediacommissie van het Vlaams parlement durft deze meerderheid niet aan. Dat is ook handig om interne verdeeldheid te camoufleren.
Ik erger me zowel aan Ingrid Lieten als aan Carl Decaluwé. Ingrid Lieten functioneert zwak. Daarin heeft Decaluwé zelfs gelijk. Als het erop aan komt dat zwijgt ze. Ze ontbeert visie en assertiviteit, al is het maar om Decaluwé op zijn nummer te zetten. En collega Decaluwé, al heeft hij grotendeels gelijk over de dingen die hij zegt in Humo, mag straffeloos blijven blaffen, bijten kan hij blijkbaar niet. Het is alsof niemand er zich aan stoort, het is een bullebak zonder politiek gewicht. Is dat wel zo? Ik denk dat hij een vrijkaart heeft gekregen van Kris Peeters om Lieten het vuur aan de schenen te leggen.
Wat een cohesie in de Vlaamse regering.
Ik erger me mateloos aan dit systeem waarbij de meerderheid in het bureau van het parlement de oppositie monddood maakt.
Vandaag reageerde parlementsvoorzitter Jan Peumans. Hij verdedigt uiteraard de beslissing om mijn verzoek ongegrond te verklaren. Hij vindt mijn bewering dat de meerderheid de oppositie monddood maakt, “wel erg kort door de bocht”. Peumans herinnert eraan dat in het uitgebreid bureau alle fracties vertegenwoordigd zijn. Het had volgens hem ook een goede reden om het verzoek af te wijzen. “Een volksvertegenwoordiger moet de Vlaamse regering kunnen controleren, maar de regering interpelleren over uitspraken die een collega heeft gedaan, behoort niet tot de mogelijkheden. Dat logische principe - dat overigens niet nieuw is - heb ik als voorzitter ook verdedigd”, luidt het in een mededeling.
Hij zegt er een erezaak van te maken het controlerecht van alle volksvertegenwoordigers - ook die van de oppositie - te verdedigen.
Flauwe kul.
Ik schaaf geen millimeter af van mijn kritiek op het monddood maken van de oppositie in het parlement. Mijn interpellatie werd afgewezen met het argument dat een volksvertegenwoordiger de regering controleren, niet de uitspraken van een volkvertegenwoordiger. Ja, dat is inderdaad juist, maar in dit geval is het je reinste nonsens. De harde uitspraken van collega Carl Decaluwé gingen over het, in zijn ogen, slecht functioneren van minister Lieten. Het is dus zeer normaal dat de oppositie mag vragen of de cohesie in de Vlaamse regering wel sterk is en of minister Lieten nog wel kan functioneren? Ik wil van Kris Peeters horen of hij achter het beleid staat van Lieten. De uitspraken van de mediaspecialist van zijn partij laten niets te wensen over: dit is helemaal niet het geval. Volgens Peumans en co mag dat blijkbaar: leden van de meerderheid die elkaar voor verrot uitschelden via de media, en dan vrolijk het debat in het parlement hierover weigeren.
Als een parlementslid door zijn uitspraken een lid van de regering in het gedrang brengt, dan moet dat voorwerp zijn van politiek debat, op de plaats waar dat thuishoort, in het parlement.
Ja, het is juist wat mijnheer Peumans zegt dat in het uitgebreid bureau - de plek waar interpellaties al dan niet ontvankelijk worden verklaard - alle fracties vertegenwoordigd zijn, maar toch is daar ook de meerderheid de baas. Ze bepaalt de agenda. Groen! heeft al meermaals mogen ervaren dat interpellaties botweg werden afgewezen omdat ze de meerderheid in verlegenheid zouden brengen.
Daarom klinkt de verklaring van de parlementsvoorzitter dat hij er een erezaak van maakt het controlerecht van de volksvertegenwoordigers te verdedigen, hol. Hij brengt dat onvoldoende in de praktijk. Hij teert op de reputatie die hij opbouwde tijdens de vorige legislatuur. Maar vandaag gedraagt hij zich al te vaak als een lakei van de meerderheid, en lang niet als de onafhankelijke dienaar van de volksvertegenwoordiging, oppositie incluis. De incidenten stapelen zich op de laatste maanden.
En tenslotte over geweigerde interpellaties en vragen. De helft werd werd onontvankelijk verklaard. Dat is en blijft veel. Daar is pas de voorbije twee maanden duidelijk beterschap in gekomen. Dat gebeurde slechts nadat hierover werd tussengekomen bij de parlements- en de commissievoorzitter. Het betrof ook vragen met een minder kritisch karakter, toevallig? Sindsdien leek beterschap te komen, maar dat is dus niet zo. Ik neem daar akte van
“Met de vlam in de pijp scheur ik door de Brennerpas”. Het hoort even onlosmakelijk bij een truckerscabine als de gebronsde linkerarm die uit het raampje bengelt, de nummerplaten met de namen van het thuisfront op het dashboard of de lichtvergeelde lichtpikante foto’s in het slaapcompartiment. Het broodje van Henk Wijngaard is gebakken, want SABAM, de kruisvaarders der auteursrechten, gaan heel streng toezien op de muziek die door de boxen van de camions knalt. Ah ja, natuurlijk. Muziek op de werkvloer, daar moet SABAM op betaald worden, toch vanaf negen werknemers; en een beetje transportonderneming zit daar toch al snel aan.
Natuurlijk geldt het principe van loon naar werk en auteursrechten helpen Henks boterham mee betalen, maar is er iemand bij SABAM die zich afvraagt, hoe die eerlijke herverdeling van de geïnde taksen moet gebeuren? Was er iemand bij SABAM die zich afvroeg hoe Suzi Wan aan haar zoetzuur verdiende centen zou geraken?
We kunnen natuurlijk, naast de tachograaf, een muzikograaf inbouwen in elke truck. Zo kan SABAM exact nagaan worden naar welke zender de chauffeur luistert of welke CD’s er worden gedraaid in de cabine. Wie weet, misschien is dat bonkige uiterlijk maar schijn, en verzachten de fuga’s van Bach wel alle fileleed. Bach, die tot nader order geen lid is van enige auteursrechtenvereniging.
Truckers zijn echter niet de enigen met een mobiele werkvloer. Er zijn nog wel wat beroepscategorieën te bedenken. Handelsreizigers zijn evident, sportdirecteurs die in de volgwagen naar Sporza luisteren, al iets minder. En zal SABAM inspecteurs naar de kleedkamers sturen om te controleren met welke muziek de voetballers zich iPod-gewijs klaarstomen voor de wedstrijd? Mogen brandweerlieden “Fire” laten uitklinken boven het geloei van hun sirene? Of “Wij zijn bij de brandweer” van Samson en Gert?
Vroeger hadden we het kijk- en luistergeld en de autoradiotaks. Voorhistorische gedrochten die de tand des tijds niet overleefden. Gaan we die nu plots gaan herleven? Alhoewel, nu ik er zo over denk.
Misschien mag er wel een fikse extra taks komen op de 766.785 firmawagens die op onze wegen rondrijden (of stilstaan in de files die ze zelf veroorzaken). En injecteer dat geld dan in de muzieksector, of de kunstenwereld in het algemeen… Nee, ik droom.
Trouwens, kunstelaars aller landen, u weze gewaarschuwd. Als je één dezer aan de Scheldekaaien vertoeft en er de onweerstaanbare drang voelt om het aldaar oprijzende MAS te vereeuwigen op canvas of de gevoelige plaat, dan verwittig je maar beter eerst de architect. Je dacht misschien dat die arme man al riant vergoed was voor zijn geleverde werk, ja, zelfs met ons belastinggeld, maar nee. Mocht je je schilderwerkje te gelde kunnen maken op één of andere kunstbeurs of rommelmarkt, dan pikt de architect van het MAS graag zijn graantje mee.
Schilder dus maar liever de Onze-Lieve-Vrouwetoren en de lichtjes van de Schelde. Of zouden La Esterella en de erven Schoupen dan komen aankloppen?
| februari 2012 | ||||||
|---|---|---|---|---|---|---|
| z | m | d | w | d | v | z |
| 1 | 2 | 3 | 4 | |||
| 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 |
| 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 |
| 19 | 20 | 21 | 22 | 23 | 24 | 25 |
| 26 | 27 | 28 | 29 | |||

foto Viviane Decock
© 2009 - Bart Caron // Design: Het Concept / Matthias Malfr