Zou het licht bij ons uitgaan als we geen elektriciteit meer produceren met kerncentrales, zoals sommige doemdenkers stellen? Nee, er zijn verschillende scenario’s waaruit blijkt dat de wereld perfect alle nodige energie kan produceren zonder kerncentrales. Europa kan vanaf 2050 voor 100% op hernieuwbare energie draaien.Ondertussen zijn er alternatieven mogelijk zoals stroomproductie met biomassa, gas enz. Niet perfect, maar al veel veiliger dan kernenergie. Hoe dan ook, je huis verlichten met kaarsen zal geen optie moeten zijn. Tenzij om romantische redenen.
Ik leef mee met de slachtoffers in Japan. De beelden zijn hallucinant, de ellende niet te overzien. Het toont ook aan dat de mens toch zo klein en onmachtig is. De droom om de natuur te beheersen zal nooit uitkomen, wij moeten ons aanpassen aan de natuur. Daarbij is kernenergie geen optie. Dat bevestigen de gebeurtenissen in Japan. En al zijn de seismische omstandigheden bij ons anders dan in Japan, er zijn dan weer andere risico’s bij ons. En er is geen veilige oplossing voor het eeuwig stralende radioactief afval. En laat ons ook niet vergeten dat kernenergie de verspreiding van atoomwapens in de hand werkt.
Laat ons verdorie krachtig investeren in hernieuwbare energie. Het is bron van jobs en geeft een push aan onze economie, zoals o.a. in Duitsland het geval.
Ik doe het niet vaak, maar dit keer wel. Ik roep op om samen met Greenpeace uit de kernenergie te stappen. Ga naar http://www.greenpeace.org/belgium/nl/stap-uit-kernenergie/ en stap er uit.
Kan het ons schelen wat er gebeurt in Japan? Een straffe aardbeving gevolgd door een tsunami ... Ja, het is erg voor de mensen daar, maar raakt het onze koude kleren nog wel? De beving misschien niet, maar misschien wel de problemen die dreigen met verschillende kernreactoren? Want dat zou ons ook wel kunnen overkomen ... Misschien niet meteen door een bevende aarde, maar door een tsunami, of een terroristische aanslag, of gewoon door pech. Hoeveel risico kan of mag een samenleving nemen om meer welvaart te creëren bij haar inwoners?t
In Libië herovert kolonel Kadhaffi steeds meer steden die in handen waren gevallen van opstandelingen. Een harde repressie zal daarop volgen, zoveel is zeker. Kijkt het westen naar de andere kant? Laten we dat gebeuren ten bate van koning olie? Om de bevoorrading niet in gedrang te brengen, ook in België? Mag zo’n staatsterrorist, eerder een halve gare als j ‘t mij vraagt, ongestraft zijn volk beschieten? Wanneer komen we dan tussen? Waar wacht de UNO op om een no-fly zone in te stellen, om een economische boycot in te stellen, de grenzen te sluiten enz..; Welke landen hebben decennia lang wapentuig geleverd aldaar?
In eigen land geraken we geen millimeter dichter bij een nieuwe regering, laat staan bij een staatshervorming. De politici rekken en trekken de tijd, om maar niet naar de kiezer te moeten stappen, doodsbang als konijnen voor de lichtbak. Die lichtbak wordt bediend door N-VA-personeel. En dat laatste ras heeft de moed niet om tot een akkoord te komen, doodsbang dat de opgejutte achterban het nest zal verlaten, als ratten op een zinkend schip. Want een compromis zal te weinig Vlaanderen opleveren. Ze dreigen naar de nog radicalere nationalisten terug te lopen.
En nu de Kortrijkse deken is gevonden, wellicht gestorven na zelfmoord, nu ex-bisschop Roger Van Geluwe zich nog steeds in het verborgene bevindt, een lokale pastoor voor de rechtbank moet verschijnen wegens diefstal en heling na afpersing, vragen gelovigen zich af welk houvast er voor hen nog overblijft.
Kan het iemand schelen?
Ik ben gaan kijken naar de laatste voorstelling van The Broken Circle, een prachtige theatervoorstelling van Cie Cecilia. Over liefde en wanhoop, over onmacht en verzet. Een kruising tussen een smartlap en grote kunst. Ontroerend, krachtig, aangrijpend. Over de kleine mens, maar daardoor ook over de grote wereld. Met een schitterende Mieke Dobbels en Johan Heldenbergh. En een band die akoestische bluegrass en country brengt met o.a. Patrick Riguelle en Pol Depoorter. Vingers likken. De voorstelling zijn voorbij, uitgespeeld, maar geen paniek, er komt een film van.
Het kon de mensen in de zaal heel veel schelen.
Zaterdag stond een opvallend opiniestuk van auteur Erwin Mortier in de Morgen. Daarin pleit hij voor de oprichting van een federaal cultureel niveau. Het is stuk is polemisch maar ook provocatief bedoeld. Interessant genoeg om een debat te starten.
Ik heb een hekel aan naties en regio’s die kunst en cultuur gebruiken voor eigen belang, profilering, prestige. Kunst- en cultuurbeleid moeten gevoerd worden omwille van de intrinsieke waarde van kunst en cultuur zelf. Goede artiesten moet je steunen. Voor waardevol erfgoed moet je goed zorgen. Daarom vind ik het niet goed om te pleiten voor cultuur op federaal niveau als noodzakelijk uithangbord voor de Belgische natie. La Belgique à papa als argument, bah, daar heb ik een hekel aan. Evenveel als aan wielerkoersen waar fanatici massaal met Vlaamse leeuwen zwaaien.
Het federale niveau is al eeuwen verantwoordelijk voor de eigen culturele en wetenschappelijke instellingen. Ze heeft die federale culturele instellingen decennia lang verwaarloosd. Schandelijk. Let op, de opeenvolgende federale regeringen wisten en weten maar al te goed hoe belangrijk Bozar (Paleis voor Schone Kunsten), de Musea en de Munt waren en zijn voor Belgiës prestige, toch zijn ze steeds meer verkommerd geraakt. Ik pleit er hard voor om het nodige geld uit te trekken om deze instellingen op internationaal artistiek niveau te brengen. Ze hebben dat in potentie, of maken dat in aanzet ook waar, zoals Bozar en de Munt. Zij zijn het voorwerp van een federaal cultureel niveau. Dat is echter versnipperd geraakt over de diensten van Wetenschapsbeleid en van de eerste minister. Herstel de eenheid, benoem een minister of staatssecretaris als verantwoordelijk voor deze instellingen, en geef ze gepaste middelen, ook voor internationaal werk.
De band met de federale overheid heeft er ook voor gezorgd dat deze instellingen te ambtelijk zijn geworden en te direct onder politieke invloed staan. Topbenoemingen zijn er altijd het gevolg van politiek gekonkel. Ze moeten dringen worden verzelfstandigd, naar het voorbeeld van Bozar, dat een NV van publiek recht is. Zo krijgen ze ruimte voor culturele dynamiek, een eigen personeelsbeleid, een zoektocht naar private financiële middelen. Politiek-bestuurlijk blijven ze dan onder de verantwoordelijkheid van de federale regering, maar in hun werking krijgen ze autonomie.
Laat in ons land alle gemeenschappen en gewesten overal actief zijn als ze dat willen. Bijv. Vlaamse instellingen in Namen, Waalse in Leuven, Turkse in Gent, federale in Brussel maar ook in de gewesten voor bepaalde activiteiten, de Vlaamse in Amsterdam (waar ze al zijn), Berlijn enz. Geef vooral ruimte aan iedereen om cultureel initiatief te nemen, wars van staats- en regiogrenzen. Daarover zou er in deze staatshervorming best een cultureel samenwerkingsakkoord worden afgesloten, dus ook met het federale niveau. Kunst en cultuur zijn open. Gebruik ze aub niet om cultuur-imperialistische redenen, maar omdat de kunstuiting of het erfgoed zo waardevol zijn. We moeten culturele organisaties en instellingen stimuleren om samen te werken, internationaal, interregionaal, interdisciplinair. Waar dan ook in België. Helaas werken de federale culturele instellingen te weinig samen met de Vlaamse en de Waalse. Ze leiden aan eilanddenken, omdat ze in een ander bestuurlijk kader gevat zijn.
En tenslotte, er zijn naast de federale instellingen een hele rits culturele huizen die vandaag bicultureel werken, permanent (bijv. Kunstenfestivaldesarts) of occasioneel (bijv. KVS). Laat de culturele huizen zelf beslissen waar ze subsidies proberen te vinden. Vlaanderen doet veel voor hen, dat is goed. Als het goed is, dan moet je het niet noodzakelijk veranderen. Als er maar openheid is voor meertalige en interculturele initiatieven.

Ik laaf me graag aan marginaliteiten. Gisteren stond er één artikel in de krant, dat meteen mijn aandacht trok: “frituuruitbaters pleiten voor erkenning als werelderfgoed”, omkaderd met negen foto’s van de meest kitcherige frituren die we in ons schamel landje bezitten.
Fantastisch toch: de Oer-Vlaamsche koterij verheven tot norm, tot roemrucht verleden, tot te koesteren erfgoed. Minister Bourgeois moet dringend uit zijn kot komen om gans die handel te beschermen. Al durf ik te vermoeden dat hij er een dermate ascetische levenswandel op nahoudt, dat hij geen vast kot heeft; geheel in tegenstelling tot zijn meer Bourgondisch ogende partijvoorzitter.
Bourgondisch, het epitheton ornans waarmee wij Vlamingen ons onderscheiden van die gestrenge Hollanders. Toegegeven, ook boven de Moerdijk kan je, naast het broodje-kroket-uit-de-muur, wel eens aan een patatje raken, maar dan spreken we al snel van voorgebakken diepvriesfrieten met zoete mayonaise, verkocht in een rijtjespand dat er niet uitspringt. Nee, geef mij maar die authentieke Vlaamse frietkoten. Gammele caravans zonder wielen, tuinhuisjes die doorheen de jaren uitbreidden tot tuinhuisjes met uitbreidingen. Oervlaamse krakkemikkigheid troef
Eilaas, wat blijkt uit het artikel: ook in Wallonië blijken er frituren te bestaan, die bovendien sterke gelijkenissen vertonen met ons erfgoed. En in Wallonië spreken ze Frans (net als in Bourgondië trouwens, doch dit terzijde). Kortom: onze Vlaamse frietkoten zijn Belgisch. Bestaat er dan toch nog zoiets als Belgische cultuur? Vormen, naast het vorstenhuis, Eddy Merckx, Raymond Goethals en de nationale voetbalploeg (die van Mexico ’82), de frituren de essentie van de Belgische identiteit? Benieuw wat dat de trouwste klant van ’t Draakske daar van vindt.
Hoe dan ook: Het is klaar als een klontje dat we het verheffen van onze frietkoten en frietcultuur tot Unesco werelderfgoed op onze buik mogen schrijven. Tegen dat alle deelregeringen hierover een eensgezind compromis hebben bereikt, is de laatste barak al kompleet weggeroest, ingesijpeld tot het grondwater en mogelijkerwijs zelfs al gebotteld tot mineraalwater van Spa of Ordal. Idealiter verwerkt tot Westvleteren of Orval.
Verdwijnen zullen ze. Hoe talrijk zijn immers niet de burgervaders die de frietkoten weg willen uit hun straatbeeld, bezeten als ze zijn door properheid. Niet te verwarren met schoonheid, esthetiek. Dat is zo hun ding niet, maar echte properheid, zoals in het wieden van onkruidjes op nauwelijks gebruikte voetpaden of de aanplanting in geometrische motiefjes van gele en oranje stinkertjes als openbaar groen. De regulitis als symptoom van uit de hand gelopen hygiëne. Een omgebouwde, walmende caravan strookt niet met het gedroomde stadsgezicht.
Blijft de vraag of ik het erg zou vinden mochten ze verdwijnen. Awel, ik worstel met een paradox. Enerzijds zijn het natuurlijk walgelijke gedrochten die beter vakkundig kunnen gerecycleerd worden, als eufemisme voor proper opgekuist. Anderzijds blijken ze onmiskenbaar een deel van onze cultuur te zijn. Of het nu Belgische, Vlaamse of, voor mijn part Markse cultuur is, je m’en fou. Maar cultuur zijn ze, in hun meest rudimentaire vorm geven ze gestalte aan een samenleving. In al hun lelijkheid zijn ze gemeenschapsvormend, brengen ze mensen samen. Laagdrempelig. De arbeiders springen er na hun shift van de fiets om weer krachten op te doen, Sjieke dames klauteren er uit hun SUV omdat ze een hekel hebben aan frietwalmen in hun design-keuken, partijvoorzitters springen er binnen voor een snelle hap na een rondje bilaterale onderhandelingen.
Officiële bescherming van dit onmiskenbare erfgoed zit er niet in, maar mogen we desalniettemin hopen op enig respect en mededogen. Laten we koesteren wat ons bindt, ongeacht of het nu ‘ons Belgen’, ‘ons Vlamingen’ of ‘ons Markenaars’ is. Of ‘ons Bourgondiërs…
Ik heb er goeie hoop op. Eens, na de verkiezingen van 2012, alle steden en gemeenten geregeerd worden door een alliantie van nieuwe Vlamingen, zal er van hogerhand vast een ordonnantie komen die quota oplegt voor frituren in het straatbeeld. Heuse investeringsfondsen voor de restauratie van frietvoorzieningen worden in het leven geroepen. Dit, plus de dringende aanmaning om voortaan enkel nog te afficheren in het Vlaams.
Voortaan schrijven we frikadellen en niet meer frikandellen. Eindelijk gedaan met de meest voorkomende taalfout in ons taalgebied.
De Arabische wereld maakt een revolutie door. Niet alle autoritaire regimes laten zich echter zonder slag of stoot aan de kant zetten. Ik heb weinig begrepen van hetgeen Kadhafi gisteren allemaal stond te blaffen, maar het klonk toch vrij beangstigend.
En op de VRT zagen we de naar democratie hunkerende bevolking ook zwaaien met de wapens die tegen het eigen volk werden gebruikt. Het waren Waalse wapens - jawel, Siegfried, geen Belgische wapens, maar Waalse.
Vlaanderen zou nooit wapens leveren aan een schurkenstaat als Libië. Akkoord, de legervoertuigen die momenteel de orde bewaren in Bahrein, komen misschien wel uit Hooglede, maar wapens leveren aan Libië: nooit! Tenzij natuurlijk dat de wapens die we op tv zagen, uit de FN-fabriek van Zutendaal kwamen, maar dan nog blijft het een Waals bedrijf. Vlaanderen voert niets uit naar malafide legers.
Nee, Vlaanderen levert nauwelijks wapens aan legers. Als we de jaarverslagen van het Vlaams Vredesinstituut er op naslaan, zien we dat meer dan drie kwart van onze wapengerelateerde productie naar ‘de industrie’ gaat. Dat dit wapentuig allicht niet dient voor de opleuking van bedrijfsfeestjes van ‘de industrie’, maar uiteindelijk wel bij één of andere, hopelijk betrouwbare, krijgsmacht terecht komt, kan enkel vermoed worden. Waar precies? Daar hebben we het raden naar, maar de Vlaamse Regering kan wel de handen in onschuld wassen.
Welnu, dat kunnen we niet langer verdragen. De voorbije maanden, nog lang voor de revolte in de Arabische wereld losbarstte, stak ik dan ook veel werk in de opmaak van een voorstel voor een nieuw wapenhandeldecreet. Absolute speerpunt van dit decreet is uitgerekend de absolute transparantie over de eindgebruiker en het eindgebruik. We willen weten waar het Vlaams wapentuig uiteindelijk terecht komt en waarvoor het gebruikt wordt.
We willen ook een stem bieden aan de mogelijke slachtoffers van de Vlaamse wapenexport of doorvoer. Vredesbewegingen en mensenrechtenorganisaties moeten gerechtelijke stappen kunnen zetten tegen onterecht toegekende uitvoervergunningen, als tegengewicht voor de batterijen advocaten die de wapenindustrie kan inzetten tegen afgewezen vergunningsaanvragen.
En we willen absolute openheid over welk wapentuig er Vlaanderen verlaat. Een heldere en vrij toegankelijke rapportering over wie, wat, waarheen en waarom.
Een wereld zonder wapens zou mooi zijn, maar laten we realistisch beginnen. Laten we beginnen met een duidelijke regelgeving zonder achterpoortjes, laten we beginnen met een decreet waar geen zinnig mens kan tegen zijn.
Het volledige decreetsvoorstel vind je hiernaast, onder de rubriek ‘nieuws’.

Op 22 februari in het avondjournaal van de RTBF kwam de Vlaamse wapenhandel aan bod. Om dit item te zien, is hier een link opgenomen.
Klik hier
Het stond vandaag in De Standaard, en, zo ben ik opgevoed, het zal dan ook waar zijn. Er zijn vele collega’s van mij in het Vlaams parlement die door de krant als verstokte spijbelaars worden gebrandmerkt. Het parlement heeft zelf de aandacht gevestigd op de aanwezigheidslijsten, door te weigeren die bekend te maken. Dan gaat een slimme krant zelf op zoek naar de cijfers. En dan komt het parlement er beschadigd uit.
Het Bureau van het Vlaams Parlement vreesde verkeerde interpretaties van de absenties. Een parlementslid kan bijvoorbeeld afwezig zijn in de ene commissie, omdat hij in een andere wordt verwacht. Tja, met zo’n argumenten worden alleen die collega’s beschermd die weinig werk presteren in het parlement. Dat verbergen is natuurlijk de bedoeling. En dat is jammer. In deze tijden mag het volk van zijn vertegenwoordigers weten hoe hard die voor hen werken. Of niet soms? Ik ben vast lid van de commissie Cultuur, Jeugd, Sport en Media en van de commissie Bestuurszaken, Inburgering en Toerisme. Ik kom nog in andere commissies zonder er officieel lid van te zijn. Zo volg ik onroerend erfgoed en wapenhandel. In de commissies wordt het echte werk gepresteerd.
Ik sta zelf op een eervolle vijfde plaats, op 124 deelnemers. Goed hé. Hoewel, je moet dit soort statistiekjes natuurlijk wel stevig relativeren. Het is niet omdat je vaak aanwezig bent dat je goed levert; kwantiteit leidt niet vanzelf tot kwaliteit. En aanwezigheid betekent evenmin dat je politieke werk ertoe doet. En zeker al niet dat de kiezer je ervoor beloont. Maar laat het wel een paar andere vragen naar boven halen. Is het aanvaardbaar dat sommigen vooral elders een volgens hen veel belangrijker politieke job hebben en blijven cumuleren? Als burgemeester bijv., zoals Patrick Janssens (Antwerpen), Marleen Vanderpoorten (Lier), Jan Verfaillie (Veurne), Marcel Logist (Tienen), Marc Vanden Bussche (Koksijde), Johan Sauwens (Bilzen), Filip Antheunis (Lokeren) en enkele anderen, zij het dan wel van kleinere gemeenten; zij zijn meestal wel meer in het parlement.
Er zijn ook parlementsleden die gewoon liever andere dingen doen. Het mag van mij, beste Herman Schueremans, maar misschien moet je dan kiezen. Ik doe zelf ook nog andere zaken, zoals muziek spelen. Maar ik let er wel op dat mijn politieke werkzaamheden daar niet onder lijden – ten bewijze ... Herman is niet de enige, wel de bekendste.
En verder: “toch zegt ook de aanwezigheid iets. De commissies zijn de werkplaats van het parlement. Elk initiatief dat ooit een decreet wordt, moet hier passeren. Het grondige werk vindt hier plaats, meer dan tijdens het spektakel van de plenaire vergadering. Je werk doen kan alleen als je ook aanwezig bent. Als je er niet bent, heb je een verdomd goede reden nodig” vindt Open VLD-fractieleider Sven Gatz. Duidelijk toch!
Met grote heren is het kwaad kersen eten, zo blijkt. Bart De Wever, Filip De Winter e.d. vertonen zich nooit in de commissies. Zij bedrijven liever de grote politiek, liefst meteen voor de televisiecamera’s. Och ...
Je leest er nog meer over op www.standaard.be/absenties
Volgens sommigen luidde het vertrek van Oscar als trainer al het begin van het einde in. Of het moment dat DDT Verschooten werd, de kleurloos verschoten versie van zichzelf. De echte fanatici zagen in Pol zelfs nooit een waardige vervanger voor Pico, niet in het bed van Doortje, maar evenmin in de spits bij FC De Kampioenen.
Toch bereikte de serie de volle wasdom van 21 jaargangen. Nooit kelderde de populariteit evenzeer als de kwaliteit van de verhaallijnen. Vlaanderen raakte niet uitgelachen, al waren de scenario’s in al hun voorspelbaarheid nog zo van de pot gerukt. Geef toe, een mens stelt zich wel eens de vraag: “Die één miljoen kijkers, wie zijn ze? Wat bezielt hen?”
Voorheen konden zij zich wentelen in de anonimiteit van lezersbrieven in de vakpers of heftige discussies op gespecialiseerde internetfora. Nu komen ze op straat. Niet om te pleiten voor een snelle regeringsvorming. Nee, zelfs niet voor het terugdraaien van de beslissing om een punt te zetten achter hun Kampioenen. In dichte drommen zakken ze af naar het Antwerpse Centraal Station om binnen te treden in de decors waar zij zich al jaren kijkbuisgewijs aan vergaapten. Komen ze eens voelen aan een échte Kampioen, zichzelf onderwijl met de andere hand in de arm knijpend om zich er van te vergewissen dat het geen droom is. Mogen ze aanschuiven aan de toog en met een fikse knipoog ‘een dagschotel’ bestellen. Een portooke voor madam en een chocomelleke voor de kindjes.
Na 21 jaargangen bleek het vat van de Kampioenen echt wel af. En dan wordt de koe maar uitgemolken. In een schier eindeloze rij schuiven ze aan, de gezinnen die het gejengel van de kids niet langer konden weerstaan. De passage aan de kassa is een bittere pil, maar die wordt snel verguld wanneer je het protserige kantoor van de nv Boma binnenstapt. Moeder de vrouw gewapend met een exclusief exemplaar van het personalityblad Carmen in plaats van de obligate stofmops. Vader speurend naar achtergebleven ‘pussycat’-poesjes.
Uiteraard is het een goede zaak dat de openbare omroep zo nu en dan de muffe Reyerslaan verlaat en zich onder zijn klanten-financiers mengt. Dat populaire fictiereeksen een goede insteek zijn, bewezen de roemruchte Flikkendagen al. Ook meespeuren met Witse bleek een groot succes en wie herinnert zich niet hoe Haspengouw haast letterlijk werd leeggeplukt in de nasleep van Katarakt.
De Kampioenen-expo vertrekt van eenzelfde nobele gedachte: breng de tv naar de mensen. Helaas is het hele project danig ontspoord. Flikken adoreren kostte niks, fietsen tussen de boomgaarden idem dito. Voor een speurboekje van Witse betaalde je 5 euro. Met entreeprijzen van 16 en 14 euro verzetten de Kampioenen de bakens, en gaan ze over de schreef. Wie? De Kampioenen of het evenementenbureau dat de expo organiseert? Want, laten we wel wezen: het zijn niet Xavier of Bieke die rijk zullen worden op kap van hun fans. Nerooke zal geen extra botje verdienen. Het zal zelfs al heel goed moeten lopen, wil de VRT er een mooie frank aan overhouden.
Nee, het zijn slimme evenementenbureaus die er mee gaan lopen. Zij mogen het sterke merk FC de Kampioenen ongegeneerd te gelde maken. De hype waar de openbare omroep jarenlang in investeerde, de in de VRT-ateliers geboren decors, het binnen zijn genre kwaliteitslabel dat gecreëerd werd door scenarioschrijvers, acteurs en regisseurs: het wordt nu nog eens uitgemolken. Tot lering en vermaak van elkeen die de serie jarenlang bekostigde, maar dan nog eens op hun kosten.
Het is toch niet omdat het over ‘patattenstampers’ gaat, dat we boerenbedrog moeten verdragen. De fans van de Kampioenen verdienen beter. Een ‘tournée zénérale’ bijvoorbeeld.
Het lijkt er op dat nogal wat collega’s uit de journalistiek hun plezier vinden in Bracke-bashing. Maar sinds kort wordt daar ook de openbare omroep in meegesleurd. Ook door mr. Bracke zelf natuurlijk. Zijn politieke avonturen, onder zeer originele schuilnamen, liepen parallel met zijn opdracht bij de VRT.
Ik wilde er ook niet over spreken tot ik het artikel zag waarin ik las dat de VRT geen graten ziet in het werk dat de oud-journalist jarenlang voor de de SP leverde. Ik lees dat zijn columns in het SP-ledenblad Doén, de paginalange interviews voor datzelfde blad en zelfs het meeschrijven aan het ideologisch manifest van de SP, geen probleem vormen. Het is volgens de openbare omroep niet in strijd met het redactiestatuut van de VRT-nieuwsdienst. Niet te geloven.
Het redactiestatuut stelt echter dat een journalist ook buiten de uitoefening van zijn functie niets mag doen dat het vertrouwen van het publiek in de onpartijdigheid en de goede trouw van de VRT-nieuwsdienst zou kunnen verstoren. En omdat hij onder een pseudoniem schreef en anoniem meewerkte, mag dat blijkbaar. Niet te geloven.
Maar zijn voormalige collega Jos Bouveroux, ook ex-hoofdredacteur bij de VRT-nieuwsdienst, reageert scherp in een opiniestuk. “Als ik lees wat je allemaal geschreven hebt én tezelfdertijd Wetstraatverslaggever was bij het belangrijkste medium, dan choqueert me dat”, schrijft hij. “Ook al weet ik dat we bij de BRT later VRT allemaal wel dingen gedaan hebben die eigenlijk niet hoorden, zo bruin als jij hebben toch weinigen het gebakken.”
Het is niet goed voor het imago van de VRT. De schizofrenie van mijnheer Bracke is niet goed voor onze intellectuele gezondheid. Mijnheer Bouveroux stelt terecht dat het hoog tijd is dat de huidige leiding voor eens en voorgoed een duidelijke veroordeling uitspreekt en afstand neemt van het rampzalige, (volgens mij ‘gepolitiseerde’) verleden.
Bracke deed niets liever dan politici blameren. Ik heb het persoonlijk meegemaakt in een debat dat gemodereerd werd door mijnheer Bracke. Ik kreeg de mantel uitgeveegd voor mijn stap van Spirit naar Groen!, nota bene het vertrek bij een partij die ermee ophield. Of ik de kiezer nog recht in de ogen durfde kijken … wel wel mr. Bracke.
Zijn schizofrenie is ronduit schandalig. Als je alles leest wat geschreven is door mr. Bracke en je weet dat hij tezelfdertijd Wetstraatverslaggever… Blijkbaar was dat bij de BRT/VRT schering en inslag. Maar wat mr. Bracke deed is er ver over. Interviews met dezelfde toppolitici afnemen voor een partijblad én tevens voor de VRT, columns die dezelfde politici kapittelden.
Sorry, maar Bracke heeft jarenlang het redactiestatuut straal genegeerd. Wie kan begrijpen dat hij tot na de uitzending van Het journaal ‘objectief en onpartijdig’ was en even nadien in een ander personage kroop. Kom zeg. Wat meer is, ik dacht dat die politisering uit de slechte oude tijd dateerde, dat die kwaal al een paar decennia was uitgeroeid bij de VRT. Maar nee.
Wat mij het meeste beroert is het imago van de VRT. Niet dat het het rood, een oranje of een blauw bastion zou zijn (geweest), al dan niet met lichtgroene of gele randjes.
Met wat nu bovenkomt doet het onze openbare omroep geen goed. En blijkbaar vindt het huis van vertrouwen dat het zo kan blijven doorgaan, want het is niet eens in strijd met het redactiestatuut, aldus de woordvoerster.
Ik meen dat de VRT een huis van journalistieke kwaliteit moet zijn, en daar is objectiviteit absoluut de basis van. En dus moet het redactiestatuut, en zeker de interpretatie ervan, tegen het licht worden gehouden.

Vandaag werden in het Vlaams parlement drie filmmakers gelauwerd. Nobel. Goed bedoeld. Verdienstelijk. Je kent dat wel: als iemand je werk verdienstelijk vindt, dan weet je dat niet goed genoeg is. De gelauwerden verdienen wel zo’n erepenning, zoals iedereen die een medaille krijgt, ook het dikkertje dat twee keer wordt gedubbeld in de schoolcross. Niet zo nodig, maar onschadelijk dus.
Pas onnozel is het verhaal achter de toekenning van die gouden erepenningen. Het belangrijkste criterium is niet de verdienste voor de Vlaamse film, maar de vraag of de nominatie past in het politieke plaatje van de grote partijen in het bureau van het parlement. De volksvertegenwoordigers mochten kandidaten voordragen, of beter, de fracties droegen kandidaten voor. En zo verschijnt de politieke gevoeligheid op het filmdoek. Coalities worden gevormd voor of tegen deze of gene regisseur, producent of acteur. Voor die ene keer dat het Vlaams parlement filmmensen huldigt, kiest het eigenlijk niet voor de mensen die we wel absoluut moeten vieren.
Nee, niet helemaal waar. Raoul Servais verdient zo’n penning. Maar verder? Krijgt Jan Verheyen die erepenning voor zijn bijdrage tot de filmische en morele opvoeding van het Vlaamsche volk? Of toch voor zijn hele oeuvre? Hmm. Het is Jan gegund hoor, duivel-doet-al, koning van het ietwat intelligenter dan gemiddeld amusement. Ooit verdienstelijk als bedenker van Fait Divers op VTM. Het siert Jan dat hij zijn voorgangers in de hulde betrok, Harry Kümel, Roland Verhaevert, Robbe De Hert e.a. De eerste van dit lijstje verdient eigenlijk die prijs.
En producent Erwin Provoost? De belangrijkste producent van bij ons, zeker. Man achter o.a. Brussels by Night, Coco Flanel en de Zaak Alzheimer. Ja, belangrijk.
Valt het op dat er geen enkele acteur bij is? We hebben er een aantal die het niet alleen bij ons, maar ook internationaal hebben waar gemaakt, en die een palmares hebben waar mijn bibliotheek tegen verbleekt. Er was er één geselecteerd, maar die speler bedankte voor de eer. Gelijk heeft hij ...
Raoul Servais verdient zijn penning absoluut. Hij is dé pionier van de animatiefilm, denk aan Taxandria, en heeft een oeuvre om u tegen te zeggen. Zijn dankwoordje was al even indrukwekkend. “Overal word ik gevierd omdat ik tachtig ben geworden. Maar ik ben achterdochtig. Ik moet wellicht begrijpen dat ik al genoeg pellicule heb verbrast en hete tijd is om peterselie te kweken.” Hij hield ook een kort en krachtig pleidooi voor de rol van de kunst in de samenleving. Moedig en terecht!
Och, de geschiedenis zal wel oordelen over wie finaal een vermelding verdient in de encyclopedie van de filmgeschiedenis. Die Vlaamse film is nog jong. De jaren ‘80 en ‘90 waren pioniersjaren. De laatste pioniers van toen, zijn die echt al vergeten?
En het culturele belang van die gouden erepenningen? Ik denk dat de culturele prijs van de cultuurraad van Lendelede een grotere maatschappelijk belang heeft dan die bij ons. Foei.
PS Wie wil weten welke filmmaker politiek gewraakt werd, en door wie, moet mij maar proberen om te kopen. Uit respect voor de makers noem ik hier liever geen namen. Maar de wijze waarop het Vlaams parlement met de Vlaamse filmakers-kunstenaars omgaat, is een heel slechte B-film.
Quasi-monopolie van SABAM is niet meer van deze tijd
In de reportage van Basta (maandagavond) werd aangetoond dat SABAM facturen opstelt voor optredens van onbestaande groepen. Dat kan toch niet. De muzieksector is gebaat met auteursverenigingen die auteursrechten int en verdeelt in alle transparantie. Een toegankelijke online databank en de marktdominantie van SABAM afbouwen, zijn twee belangrijke maatregelen om meer openheid en flexibiliteit voor de artiesten en de gebruikers te creëren.
Wij pleiten in de eerste plaats voor een toegankelijke online databank waar gebruikers efficiënt kunnen consulteren bij welke beheersvennootschap muzikale auteurs zijn aangesloten. Daarnaast moet de overheid de muzieksector meer ondersteunen om de geest van de Europese regelgeving om te zetten in de praktijk en de marktdominantie van één vereniging af te bouwen.
SABAM handelt alsof ze alle muzikale auteurs in dit land vertegenwoordigt, maar dat is niet zo. Bovendien illustreert de reportage van Basta dat SABAM zich gedraagt als een auteurspolitie die zich inhalig opstelt. Een aantal muzikanten en kleine concertorganisatoren worden in het debat te weinig gehoord. De keukenrobot van Basta staat symbool voor auteurs die vandaag niet zijn aangesloten bij SABAM, maar waarvoor wel rechten worden geïnd. Een muzikant moet alle moeite van de wereld doen wanneer hij of zij voor een benefiet afstand wil doen van auteursrechten. Kleine concertorganisatoren die artiesten uit het buitenland programmeren, ervaren ieder jaar opnieuw dat SABAM rechten probeert te innen van artiesten die voor hen onbekend zijn.
Strikt genomen is SABAM ook niet verplicht om de rechten die zo onterecht hebben geïnd terug te betalen. Dat staat vastgelegd in Art 69 van de auteurswet. Maar als SABAM zegt dat ze het terugbetalen, dan moeten ze dat ook doen. Ze doen het echter niet, ze liegen dus. Het blijft even in een ‘wachtrij’ staan van niet-geïdentificeerde rechthebbenden en verdwijnt dan in de grote pot.
SABAM vertelt vandaag bij monde van Johan Verminnen in de krant ook een flagrante leugen. SABAM zegt dat het repertoire-onderzoek doet op eigen initiatief en zelfs stappen zou zetten om gelden die ze niet kunnen doorstorten naar artiesten terug te betalen aan zij die aan SABAM betaalden…
Ik zou wel eens willen weten hoeveel onterecht geïnd geld zo jaarlijks wordt terugbetaald… nul euro als je het mij vraagt. Wie dat probeert op te zoeken in de jaarverslagen vindt er niks van terug. Volgens betrouwbare bronnen int SABAM ongeveer 30% inkomsten waarvoor het niet weet aan wie ze het moet uitbetalen.
Tot voor kort was het zo dat men zelfs moest betalen als men als organisator gewoon wilde zeggen dat een bepaald deel van het geplande repertoire niet-SABAM repertoire was. Men moest dan expliciet een repertoirestudie vragen die 25 euro per onderzocht repertoire (dus per band die optreedt) kostte. Vandaag moet je nog steeds zelf die vraag stellen, maar je moet er niet extra meer voor betalen.
SABAM heeft de afgelopen 15 jaar zeker inspanningen geleverd om minder oubollig en transparanter te functioneren, maar aan de kern van de zaak is niets veranderd. Voor muziek heeft SABAM nog steeds een quasi-monopolie, en dit heeft negatieve effecten voor muzikale auteurs. Het quasi-monopolie van SABAM is niet meer van deze tijd. Meer openheid en meer flexibiliteit zal er alleen komen wanneer muzikale auteurs echt kunnen kiezen tussen verschillende beheersvennootschappen.
Het wordt ook stilaan tijd dat technologische middelen (bv. automatische nummerherkenning zoals je met Shazam op je iPhone doet) wordt ingezet om op fuiven te scannen wat er wordt gespeeld. Wat uiteraard geven dj’s geen speellijsten door en kunnen organisatoren die info dan ook niet aan SABAM geven.
Samengevat, SABAM kan nog veel doen om de klantvriendelijkheid te verhogen.
Ach ja, SABAM is niet de slechtste leerling van de klas ... Uradex is eigenlijk veel erger en daar hoor je niemand over.
PS. Wat die repertoire-analyse betreft: in zowel tarief 210 (concerten), 211 (festivals) als 105 (fuiven) is degressiviteit ingebouwd indien er slechts gedeeltelijk SABAM -repertoire gebruikt wordt. Maar om dat te weten moet men in de bijlagen van het tarief gaan zoeken (bv. http://www.sabam.be/website/data/tariffs/tnl210-100.pdf). Daar staat dan dat je uiterlijk 10 dagen op voorhand een gedetailleerde lijst moet geven van wat welke artiest gaat brengen… Dit is in de praktijk gewoon niet werkbaar.
Als het overnamebod van Woestijnvis op de zenders VT4 en VIJFtv doorgaat, dan heeft dat twee grote voordelen: het Vlaamse televisielandschap wordt rijker dan ooit tevoren, en het biedt een mooie kans voor de VRT om eigen én nieuw talent kansen te geven.
Natuurlijk is het een aderlating voor de VRT als hofleverancier Woestijnvis op eigen vleugels zou gaan vliegen. De openbare omroep verliest een groot deel van de haar beste programma’s, een pak bekende schermgezichten en vooral veel creativiteit. Maar er is zijn Vlaanderen meer creatieve brains en die moeten we aanspreken om de leegte die Woestijnvis zal veroorzaken in te vullen. Zowel in de VRT zelf als bij andere Vlaamse productiehuizen is dat potentieel aanwezig. Het biedt nieuwe kansen aan nieuwe mensen. En het kan het profiel van één, Canvas en Ketnet verhelderen. De overgang hoeft ook niet bruusk te gebeuren. Er zijn afspraken tussen de VRT en Woestijnvis dat de succesprogramma’s van Woestijnvis nog minstens één jaar op de VRT-zenders blijven.
Dat Woestijnvis een eigen zender of zelfs twee zenders wil, is niet onlogisch. Het is een normale ambitie van een audiovisueel mediabedrijf om uit te groeien tot volwaardig en zelfstandige omroep. In de sector werd een dergelijke beweging reeds langer verwacht en dit is een unieke gelegenheid… Het is een goede zaak dat VT4 en VIJFtv zouden worden overgenomen door een Vlaams bedrijf, liever dan door een buitenlandse commerciële mediagroep. En, het meest succesvolle productiehuis heeft bewezen kwaliteit voor een groot publiek te kunnen leveren, zodus ...
Daarmee zou het medialandschap wel drastisch dooreen geschud kunnen worden. Het zou niet alleen voor de openbare omroep, maar ook voor VTM een grote impact kunnen hebben. Maar dat zou ervoor zorgen dat de Vlaamse kijker een nog boeiender televisie-aanbod krijgt.
Alors? On danse.
| februari 2012 | ||||||
|---|---|---|---|---|---|---|
| z | m | d | w | d | v | z |
| 1 | 2 | 3 | 4 | |||
| 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 |
| 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 |
| 19 | 20 | 21 | 22 | 23 | 24 | 25 |
| 26 | 27 | 28 | 29 | |||

foto Viviane Decock
© 2009 - Bart Caron // Design: Het Concept / Matthias Malfr