vrijdag 19 maart 2010,

Bart Caron

VRT: back to basics

ingediend door Bart Caron op 17/03/2010 om 15u27

De VRT zal haar personeelsbestand met zowat 300 eenheden verminderen en stevig besparen op programma’s. Ik wil me niet uitspreken over het plan, maar wel over de grond van de zaak: moet de VRT besparen? Ja, de VRT moet en kan besparen. Niet om zwakker te worden maar om haar kerntaken beter uit te voeren.

Eerst een paar cijfers. Vreemd genoeg behoort onze openbare omroep niet bij de best gesubsidieerde omroepen van Europa. De Vlaamse belastingsbetaler geeft een dotatie van 48 euro per Vlaming. Bij de BBC is dat 82 euro per inwoner. In Zwitserland is dat 92 euro per inwoner, in Duitsland 88 euro en ga zo maar door. In vergelijking met het gemiddelde van de andere openbare omroepen uit West-Europa ligt de Vlaamse overheidsdotatie voor de VRT 30 procent lager. En laat ons duidelijk zijn, het marktaandeel van de VRT-zenders, zowel radio als tv, ligt hoger dan in de ons omringende landen. En het is precies dat dat steekt, zo vrees is.

Dat Vlaanderen moet besparen, dat is onvermijdelijk. Maar waarom moet de VRT meer, veel meer besparen dan andere Vlaamse agentschappen en overheidsdiensten. Neem de Vlaamse Opera, deSingel of de Bloso-sportcentra. Daar bedraagt de besparing gemiddeld 2,5 procent, met een maximum van 5 procent. Waarom is dat bij de VRT zoveel hoger? Dat heeft geen enkele excellentie gezegd. Er is dus meer aan de hand. Het gaat al lang niet meer om een redelijke bijdrage van de VRT aan de Vlaamse besparingen. Het gaat om marktaandeel en om politieke invloed.

Ik zal het duidelijk stellen: de meeste politieke partijen willen de positie van de VRT verzwakken. Dat doen ze niet echt om redenen van goed bestuur noch uit besparingsoverwegingen, maar simpelweg om de commerciële zenders te versterken. Minder VRT betekent meer VMMa (VTM, 2be, JOE fm, Q-music), meer SBS (VT4 en VIJFtv), en meer ruimte voor andere zenders. Niet alleen op tv. De radiomarkt biedt nog mooie toekomstperspectieven, gezien het historisch erg grote marktaandeel van de openbare omroep van rond de 70 procent.
Bizar is wel dat dit pleidooi vanuit economisch oogpunt niet eens nodig is. Dankzij de VMMa heeft Roularta voor het jaar 2009 nog een redelijk boekhoudkundig resultaat kunnen optekenen.

De politiek is gepolariseerd. Dat LDD in het anti-kamp zit, en de Open VLD ook zeer kritisch is, dat is logisch. De kampioenen van de vrije markt zijn trouw aan hun agenda. Maar de houding van de CD&V is een raadsel. Die partij is blijkbaar kwaad op de openbare omroep. In de mediacommissie laat de partij niet na om week na week met scherp te schieten, en zelfs de komst van Luc Van den Brande als nieuwe voorzitter werkt niet kalmerend. Is dat omdat de VRT te eigenzinnig, te eigenwijs of te weinig CD&V-minded is? Of is het toch het weinig transparante bestuur dat kwelt? Dat laatste begrijp ik nog. Dat sommige collega’s vinden dat de openbare omroep het de voorbije jaren al te bont heeft gemaakt, begrijp ik ook wel. Maar ze op die manier de les lezen?

Nog cynischer is het, dat de partij die de mediaminister levert en die in principe (ideologisch) de dikste vriend van de VRT zou moeten zijn, de kastanjes uit het vuur mag halen. Ingrid Lieten krijgt de ondankbare opdracht om barbertje te spelen. Zij, en bij uitbreiding de sp.a moeten hangen. Waarom laten ze dat in Godsnaam gebeuren? Dat is totaal onbegrijpelijk.

Laat ons een koe een koe noemen. Dat er een stevige stuiver kan bespaard worden bij de VRT is een open deur intrappen. Er gaat heel veel geld naar peperdure sportrechten – veel meer dan de VRT ooit kan uitzenden –  naar covering van entertainment en andere showbizz-gedoe, naar meerjarige en ook dure contracten met externe productiehuizen. Dat die bevolkt worden met ex-VRT-medewerkers … De meeste daarvan zijn indertijd zelfs gestimuleerd om zich extern te vestigen, met de belofte dat de omroep met hen zou samenwerken. Anderen zijn zelf weggetrokken, omdat hun creatief talent geen plaats kreeg in huis. Studio 100 en Woestijnvis vormen de toppen van een grote ijsberg. Slecht people-management, miskenning van talent, platte zakkenvullersmotieven, het is allemaal van de partij.

In deze brede rayon kan er dus stevig bespaard worden. Ook in het topmanagement. Er zijn nu wel enkele topmanagers minder, maar finaal zijn er nog veel te veel. Ook cynisch genoeg is het zo dat het de huidige saneerder van dienst, CEO Piet Van Roe, indertijd ook verantwoordelijk was voor de implementatie van de (dure) structuur.  Het vermaledijde woord ‘efficiëntiewinst’ kan zeker voor de VRT grote diensten bewijzen. Vooral dan door een betere organisatie.

En toch,  toch deugt de huidige operatie van geen kanten. Immers, de besparing heeft geen nieuwe finaliteit. Die dient niet om een nog betere of een andere VRT te maken. Wij kunnen leven met een stevige besparing als die uitmondt in een versterking van de kerntaken van de VRT. De steeds verder oprukkende commercialisering van de omroep heeft de grenzen van de fatsoenlijkheid bereikt. De VRT moet de commerciële radio- en tv-zenders niet beconcurreren met Rode Loper-achtige fait divers, evenmin met reclame voor Starbucks of andere koffie in tal van programma’s, noch met de ondraaglijke hoeveelheid plezier en ontspanning in de categorie ‘pluimgewichten’. Nee, de VRT moet beter zijn:  informatieprogramma’s, kwalitatieve duiding, goede eigen documentaires. Stevige Vlaamse fictie – een onvolprezen kwaliteit van onze VRT – cultuurprogramma’s, doordachte educatie. Niet dat er geen ontspanning mag zijn, niet dat we terug moeten naar Kunstzaken, maar de dominante ondraaglijkheid mag worden omgekeerd. Dat mag een beetje kijk- en luistercijfers kosten, niet teveel liefst. Dat zal wat inleveren zijn op het aantal uren tv en radio, maar er is meer dan genoeg. Als de kijkers maar merken dat onze openbare omroep er anders uitziet en klinkt dan de andere zenders: door de kwaliteit, de diepgang, de grondigheid. Niet dat we moeten eindigen met een kleine omroep met nicheprogramma’s die geen enkele commerciële zender ooit zou uitzenden. Maar een wat evenwichtiger aanbod?

Kortom, stuur de VRT terug naar de kerntaken. Die kerntaken versterken / herstellen kost ook geld. Dat kunnen we betalen met verstandige besparingen. Als we nu eens afspreken dat we besparen zoals in de andere Vlaamse instellingen, en met het verschil een nog betere VRT maken?

ingediend onder Bart schrijft... • (0) ReactiesPermalink

Dramajournalistiek of dramademocratie?

ingediend door Bart Caron op 10/01/2010 om 19u17

Het lijkt wel alsof de kranten, radio en tv voor de eindejaarsperiode een ladenkast staan hebben met vooraf gevulde schuifjes. Zie maar: de Kerstdagen komen er aan en er hotst een hele horde journalisten met pen en camera naar Zaventem om er de massaal vertrekkende Vlamingen in beeld te brengen. Groot nieuws! Als het dan begint te vriezen, komen de daklozen in beeld – helaas, de verontwaardiging ebt snel weg. Dan stappen we na koningswensen en vuurwerk over op de solden die al dan niet succesvol starten, of gekenmerkt zijn door een nieuw record geld-uit-de-muur afhalen. Dit keer was grote nieuws het weerbericht. Twee nachten vorst of 5 cm sneeuw volstaan om Vlaanderen te ontredderen. Zonder dat lekkers zouden we het moeten stellen met van die typische nieuwsfeiten over de media zelf.: wie breekt het record van de slimste mens? Belangrijk nieuws?

Mag ik nog even het belang van een goed geïnformeerde publieke opinie benadrukken?. En derhalve het belang van een onafhankelijke en kwalitatieve pers. Die is cruciaal voor het goed functioneren van een open, democratische welvaartsstaat. Helaas, de laatste restjes kwaliteitsjournalistiek in Vlaanderen dreigen kopje onder te gaan in de ‘logica’ van de vrije markt. Zelfs winstgevende kranten en tijdschriften ontslaan redacteuren en fotografen.

Ik ben Geert Buelens dankbaar voor zijn onvolprezen essay. Het kwam op tijd, maar zal de storm in medialand een rimpeling veroorzaken in de samenleving? De Dramademocratie van Mark Elchardus kreeg tenslotte ook geen prijs voor essayistiek.

Elke kritiek op de te lage kwaliteit van de pers / de media wordt weggewuifd met het argument dat de lezers dit soort krant willen lezen. Ik geloof die voorkeuren van de lezers maar half, media bepalen bepalen tenslotte zelf grotendeels wat nieuws is en wat niet. Vragen journalisten zich zelf nog eens, ouderwets misschien, of ze een verantwoordelijk dragen in de samenleving? Ik bedoel de lezers, kijkers en luisteraars correct en genuanceerd informeren, en met goede argumenten opiniëren. Maakt dat geen deel uit van hun ethiek?
Wat is kwaliteit? Enkel het lees- en kijkvoer voor hooggeschoolden? Nee, in elk medium, zowel in populaire als de zgn. kwaliteitspers is er werk aan de winkel. Ook als het over het wielrennen gaat, verdient de lezer kwaliteit. Ik wil geen pleidooi houden voor iets elitairs, waar geen kat in geïnteresseerd is. Nee, we willen geen bladen waarmee je kan uitpakken op de trein, in eerste klasse uiteraard, terwijl je er enkel de ‘dag allemaal’ mee camoufleert. Toegankelijkheid is een must, maar dat is niet hetzelfde als een journaal dat zijn eerste kwartier besteedt aan een laagje sneeuw, ook al rijdt er daardoor een bus een dokterspraktijk binnen. Het is zoeken naar een evenwicht tussen toegankelijkheid en diepgang.

Geert Buelens deed goede voorstellen. Maar er is nog meer beleid nodig, meer maatregelen met impact op de media. Dat bleek bijv. uit de voorbije Staten-Generaal, nog onder Kris Peeters, die geen opvolging kreeg. Mediaminister Ingrid Lieten wil wel wat doen, verdienstelijk, maar indrukwekkend is het ook niet echt.
Er is veel meer nodig. Om te beginnen een herziening van het protocol met de schrijvende pers. Dat moet een soort financiële kwaliteitsbonus worden – die pot moet echt groter worden –  voor voor opleiding, voor eigen buitenlandse en Europese berichtgeving, voor verslaggeving over de ‘under-reported stories’, voor cultuurberichtgeving. Het argument dat directe financiële steun de persvrijheid zou bedreigen, klopt in onze tijden niet meer. In de artistieke sector leert de ervaring dat subsidiëring in generlei mate de autonomie van de kunstenaar ondergraaft. Wel integendeel, zonder steun zou dat werk niet kunnen gemaakt worden.
Het goede Fonds Pascal Decroos voor onderzoeksjournalistiek, moet veel meer geld krijgen voor werkbeurzen voor journalisten. Er moet ook een fonds opgericht worden voor duidingsprogramma’s en documentaires op radio en televisie, bestemd voor de commerciële zenders. Zij investeren immers niet snel in programma’s met iets lagere kijkcijfers. En dan moet ook de opdracht van het Fonds voor de Letteren uitbreiden van literaire fictie naar non-fictie. Mag ik ook pleiten voor een structurele financiële ondersteuning van de regionale televisiezenders? Zij zijn een baken in streekgerichte berichtgeving. Kan een nieuwe subsidielijn voor starters van nieuwe (alternatieve) initiatieven op het vlak van nieuws, duiding en achtergrond, op websites en -platforms, zoals De Werktitel of Indymedia. En waarom schaft Ingrid Lieten de kleine subsidie af voor het verdienstelijke jeugdjournaal op VTM? Dat is zonde, het is een kijkerspubliek dat hier best wel deugd van heeft. En waar blijft dat beter redactiestatuut? Ik vind trouwens dat uitgevers zich ertoe moeten verbinden om de benoeming van de hoofdredactie afhankelijk te maken van een gekwalificeerde meerderheid van de redactie. En een goede krant betrekt de lezer (het publiek) bij het beleid van de krant, zoals bijv. de Franse krant Libération. Ik pleit ook voor een stichting die de kwaliteit van de media bewaakt., die bijv.  monitort wat de impact is van de internationale persagentschappen op onze (te eenzijdige?) berichtgeving.

Dat de VRT buitengewoon belangrijk is, staat buiten kijf. Maar die moet zich in de kijkcijferrace niet vooral willen meten met de commerciële zenders. Wie dat niet lust, volge Jambers. De VRT moet niet de grootste, maar de beste zijn: een rots in de journalistieke branding, minder spektakel, meer grondigheid. Ik verwijs naar de kritiek van Zinzen, Lambrecht en anderen. Jammer dat ze vooral spreken nadat ze vertrokken, maar kom. In de volgende beheersovereenkomst moeten echt kwalitatieve criteria worden opgenomen. En er moet voldoende geld voor zijn. Het is klinkklare nonsens dat de VRT met minder middelen beter zou presteren. Zeker een afkalving van de middelen voor nieuws en duiding zou van grote dwaasheid getuigen.

En mogen we van de media en van de journalisten zelf ook initiatieven verwachten? Een grondig zelfonderzoek? Onder impuls van de VVJ (de Vlaamse Vereniging van Journalisten)?
En ja, we hebben nood aan hoofdredacteurs die geworteld zijn in de journalistiek en niet in het management, aan journalisten die niet brood en spelen, maar een democratisch driesterrenmenu willen serveren. We hebben nood aan uitgevers en directies die soms wel eens lak hebben aan (vermeende) economische wetmatigheden. We hebben nood aan een overheid die kansen biedt om die folie te wagen, die een vangnet biedt bij sprongen in het ongewisse, die tijd en krediet biedt om iets te laten rijpen.

Tot slot. We mogen niet vergeten de lezer bij te trekken, door hem kritisch te vormen. Initiatieven als Kranten in de Klas zijn uitstekend, maar nog ruim onvoldoende. Omgaan met media moet een basic onderdeel worden van het schoolcurriculum. En we moeten veel krachtige inspanningen doen om iedereen mee te nemen in de digitale wereld.

PS Beste redactie, kijk nog eens naar de foto van de familie van Shana en Kevin in DS van 5 januari. De foto is ‘schijnbaar’ neutraal, maar dat is hij helemaal niet. Zou enige distantie niet gepast zijn?
image

ingediend onder Bart schrijft... • (1) ReactiesPermalink

Het nieuwe Cultuurbeleid, klein onderhoud?

ingediend door Bart Caron op 31/10/2009 om 16u30

De beleidsnota Cultuur doet me denken aan de oude dorpsgaragist. In klein onderhoud zoals olie verversen, lampen bijstellen, was hij goed en goedkoop. Maar als er een structurele breuk aan de wagen kwam, een joint de culasse moest vernieuwd worden of de airco defect was, haakte hij af. En nieuwe auto’s verkocht hij ook niet, laat staan dat hij de ambitie zou gehad hebben om een grote blinkende garage te bezitten, inclusief een mooie showroom, een grote neon aan de gevel en een kunstwerk, genre ‘de man die de wolken meet’, op het dak.. Hij kon het zich trouwens niet voorstellen hoe hij dat voor elkaar zou kunnen brengen. Nee, zijn dagelijkse kost verdienen was al genoeg.

Joke Schauvliege dreigt de dorpsgaragist van het Vlaamse cultuurbeleid te worden. Haar beleidsnota zal de samenleving niet veranderen, laat staan dat ze ten gronde iets zal veranderen aan de culturele gebeurtenissen en daden in Vlaanderen. De nota bevat namelijk geen gedachten die mij zouden verleiden om termen als bevlogenheid, visie en ambitie in de mond te nemen. De nota schetst wel hoe de minister denkt het klein cultureel onderhoud te organiseren.
Aan de ene kant stemt mij dat best gelukkig. De uitgezette lijnen van de voorbije tien jaar worden niet op de schroothoop gedumpt, integendeel ze worden meestal bekrachtigd. Er komt geen trendbreuk. Er gaat een zucht van opluchting door de culturele rangen. Eindelijk decretale rust, na een periode waarin de kaders van het cultuurbeleid grondig op hun kop gezet werden. Daarenboven, het is crisis, en dan is het meestal van ‘sauve qui peut’. Er komt geen trendbreuk dus. Dat is goed. Ik beschouw het zelfs als een compliment. Ik mocht jarenlang zelf meewerken in de ontwerpafdeling van de culturele garage en stel met genoegen vast dat de visionaire en ambitieuze aanpak ondertussen in regelgeving of in beleidsinitiatieven omgezet is.

In deze beleidsnota ontbreekt erg veel, maar vooral één frappant punt: liefde voor de kunsten en voor de kunstenaars. Zij zijn het hart van het cultuurbeleid en creëren het erfgoed van de toekomst. Een behartenswaardige uitspraak over muziek en orkesten, toneel, beeldende kunst of architectuur kan er niet van af. Wel dat er een analyse komt en er in de toekomst strengere keuzes moeten worden gemaakt: lees er zijn teveel gezelschappen die teveel maken. Merkwaardig genoeg wordt er meer geschreven over het Fonds voor de Letteren of het Vlaams Audiovisueel Fonds. De minister wil dat het Fonds ook non-fictie steunt. Zeer goed. Over Letterenbeleid valt er, behalve dan over het Fonds,  bitter weinig te lezen. De auteursvereniging is vragende partij voor een gesprek met de minister, maar hiervoor heeft de minister blijkbaar geen tijd. De afwezige aandacht voor de taal wordt pijnlijk geïllustreerd door een piepklein detail op pagina 23, een ‘dt’-foutje. Kan iedereen overkomen.

Het gebrekkige ambitieniveau zie je ook aan al wat niet eens een vermelding waard is. Er is geen woord gewijd aan de media. Ook niet aan de VRT, toch onze belangrijkste culturele organisatie. Moet er geen betere samenwerking komen? Er is geen wil om te komen tot een cultureel verdrag met onze dichtste buur Wallonië. De arthouse-cinema’s, sector in crisis, worden niet genoemd. De Nederlandse Taalunie, goed voor een flinke hap uit de begroting, is geen woord waard, evenmin als het Vlaams-Nederlands Huis in Brussel, de Brakke Grond in Amsterdam. Nochtans allemaal eigen initiatieven van de Vlaamse overheid.  De grote instellingen krijgen nauwelijks aandacht: hoe het verder moet met de orkesten, de Opera, de Singel enz. komen we niet te weten, alleen dat er criteria zullen ontwikkeld worden om hen te definiëren.

Met wat goede wil kan je twee prioriteiten vinden: de zorg voor ons erfgoed en cultuur op de digitale trein zetten. Die thema’s krijgen veel aandacht en een vrij concrete invulling, zeker het erfgoed. De toppers van de volgende periode zijn de bouw van de Waalse Krook (Audiovisueel Erfgoed) en de uitbouw van het Centrum voor Religieuze Kunst en Cultuur in Leuven als kenniscentrum van religieus erfgoed. Twee terechte toppers trouwens. En we lezen dat er voor de landelijke musea en voor het verwerven van topstukken meer geld moet zijn. Nergens anders lezen we zoiets.

Daarnaast zijn er een aantal beleidsdoelstellingen die we graag lezen: cultuureducatie in functie van de opbouw van culturele competentie wordt naar voor geschoven. Prima, maar hoe dat moet verwerkelijkt worden, staat niet in de nota. Over de uitermate belangrijke rol van het onderwijs wordt in dit kader niet gerept. We delen de zorg van de minister voor een betere afstemming van artistieke productie en spreiding; er wordt inderdaad te veel gecreëerd dat te weinig wordt getoond, alleen ontbreken ook hier ideeën hoe dat kan worden aangepakt.
De minister legt sterk de nadruk op participatie van kansengroepen en diversiteit. Uitstekend. Maar die belofte wordt al meteen geschonden. Bij de besparingen op cultuur worden deze kansengroepen niet ontzien, ze moeten evenveel inleveren.

Dat de individuele kunstenaars extra aandacht krijgen, kunnen we steunen en dat er een beter evenwicht moet komen tussen structurele en projectsubsidies in de Kunsten is geheel terecht. Alleen, volgend jaar wordt er meer bespaard op projecten dan op meerjarige subsidies, zodat het verschil nog groter wordt. Onbegrijpelijke woordbreuk.
En we kijken uit naar een krachtig internationaal beleid. Maar dat moet dan wel worden gedreven door de kunstenaars, en dat lezen we niet. Nee, ook hier staat ons erfgoed centraal en moet de uitstraling van Vlaanderen dienen. En zou er misschien een beetje aandacht mogen gaan naar cultuur in het zuiden? Cultuur speelt een doorslaggevende rol in ontwikkeling. Het Vti hield er met Mo een schitterende studiedag over, maar Schauvliege maakt er geen woorden aan vuil! Al goed dat tenminste de populaire cultuur meer zal gecoverd worden door Cultuurinvest met aandacht voor jongerencultuur, voor gaming, voor design en pop.
Ook de mantra van de planlastvermindering is in deze nota ruim aanwezig. Tot mijn colère worden de lokale sectorale plannen (cultuur, jeugd, sport enz.) afgeschaft en geïntegreerd in het algemeen meerjarig gemeentelijk plan. Wat een nonsens. Het is niet het ‘nadenken over’ dat leidt tot planlast, wel de uitgebreide rapportage ervan. Het tegengestelde van planning is willekeur. Schaffen de ministers straks ook hun eigen beleidsnota’s af? Waarom niet? Ondertussen worden plannen vervangen door of aangevuld met outputcontrole, benchmarking, registratie, meetbaarheid, enz., lelijke woorden die niets meer betekenen dan gegevens verzamelen, meer controle door de administratie, meer administratie.

Deze beleidsnota zal onderzoeken en evalueren dat het een lieve lust is. Is dat een bewijs van openheid of van gebrek aan visie? Er schuilen trouwens nog meer adders onder het gras, al zitten ze goed verstopt tussen de lijnen: het sociaal-artistiek werk moet weg uit het Kunstendecreet, de talrijke initiatieven voor participatiebevordering worden ingekrompen (in tegenstelling tot de retoriek over participatie), er komt een grote evaluatie van het Kunstendecreet (lees inkrimping), de kerntaken van steunpunten en belangenbehartigers dienen uitgeklaard (lees afbouw), enzovoort. We willen niet dat de vernieuwingen in het sociaal-cultureel werk of het lokaal cultuurbeleid worden teruggedraaid, maar bij het lezen van de tekst bekruipt ons het gevoel dat er een trage en haast onmerkbare restauratie zal plaatsvinden, terug naar de oude schema’s. Laat ons hopen dat dit een foute indruk zal blijken te zijn.

Het verhaal dat Schauvliege vertelt over natuur en cultuur, daar geloven we niet in. Nee, we moeten de artiesten de natuur niet insturen, we moeten een plan maken voor een groen cultuurhuizenplan, tegen 2025 de globale CO2-uitstoot van de cultuurhuizen met 60% verminderen. Maar dat lezen we niet.

We missen geloof, overtuiging, liefde voor kunst en cultuur en de sector. We willen een garagist die zot is van blinkende karossen, we willen een minister die meent dat de wereld niet zonder kunst en cultuur kan leven. Geen minister die schrijft: “cultuur biedt een oase aan rust, ontspanning en uitdaging”. We willen geen wereldvreemde titels en doelen lezen zoals “culturele onzuiverheid” of “competentieverwerving en -waardering stimuleren”.
Gvd, cultuurbeleid is meer dan klein onderhoud.

ingediend onder Bart schrijft... • (0) ReactiesPermalink

Over het nut van volksraadplegingen

ingediend door Bart Caron op 29/10/2009 om 11u07

imageMinister van Openbare Werken Hilde Crevits stelt zich in een recent interview vragen bij het nut van ‘referenda’. Dat deden collega’s ook al. Of ze zich dat ook zouden afgevraagd hebben mocht de Antwerpse bevolking onlangs ‘ja’ gestemd hebben, valt te betwijfelen. Misschien mogen wij haar er zelfs van verdenken een slechte verliezer te zijn.
Meteen stelt ze ook dat er iets grondig misloopt met de aanpak van ingrijpende infrastructuurwerken.”Wat je ook doet, we zien dat er telkens weerstand ontstaat.” De uitgebreide procedure met adviezen en openbare onderzoeken is bovendien nefast voor de snelle realisatie van al die mooie dossiers.

Welnu, misschien ontstaat er wel telkens weerstand omdat de koers die gevaren wordt fundamenteel verkeerd is. Het lijkt wel een spookrijder die zich ergert aan al die anderen die aan de juiste kant van de snelweg rijden. Misschien kan de minister zich beter eens de vraag stellen of de voorgestelde projecten wel deugen en of het protest van al die actiegroepjes niet terecht zou kunnen zijn. Niet elke tegenstander van de grootse plannen van de Vlaamse regering is noodzakelijkerwijs dom of egoïstisch.

Bovendien haalt minister Crevits zelf al een heel belangrijk element aan over het ontstaan van al die weerstand bij de bevolking. Er wordt slecht gecommuniceerd over het nut van al die wonderbaarlijke projecten. “Wist u dat er binnen de diensten Openbare Werken tot voor kort nul woordvoerders waren?”, stelt ze vol verbazing vast. “Weet u wie er de voorbije jaren de bevoegde minister van die diensten was?”, zou een logisch wederwoord moeten zijn.

Dat een goede, objectieve en begrijpelijke communicatie in elke fase van infrastructuurwerken onmisbaar is, treed ik graag bij. Dat deze veel wantrouwen en ongegronde angst kan wegnemen, evenzeer. Als de overheid een ingrijpend project wil realiseren, dan is het toch niet meer dan logisch dat zij de bevolking moet overtuigen van het nut van dat project. Lukt het niet dat draagvlak te creëren, dan ben je wel een heel slechte verliezer wanneer je de schuld bij de bevolking legt en democratische inspraakmechanismes in vraag stelt.

Want, ook al weigert ze zelf de link te leggen, toch lijken mevrouw Crevits’ uitspraken over de inperking van de inspraak ingegeven door de verloren volksraadpleging over de Lange Wapper. Uitgerekend dit referendum toonde ons nochtans dat zo’n ruime volksreflectie bijzonder nuttig kan zijn. Door de massale mobilisatie van de burgers is de politiek zelf van mening gaan veranderen. Door de groeiende impact van de actiegroepen zijn ook de meeste politieke partijen gaan schuiven. Het meest opvallend was de bocht van de partij van de burgemeester. Een bocht waar je je vrolijk kan over maken, maar die je ook kan zien als bewijs voor hun gevoeligheid voor de stem des volks. Groen! deed het hen lang voordien al voor, sommige Open VLD-politici sloten er zich op het eind bij aan. Voortschrijdend inzicht heet zoiets. Is het niet het ultieme bewijs van de kracht en het nut van de volksraadpleging?

Een volksraadpleging moet dan ook op een goed moment in een besluitvormingsproces worden ingepland. Ze mag niet worden georganiseerd wanneer de Vlaamse regering al 370 miljoen euro heeft uitgegeven aan een project. Het moet in een vroegere fase gebeuren en het moet over de grote lijnen gaan. Het zal de belastingsbetaler veel geld uitsparen en de politiek kan er veel tijd winnen, vooral als er nadien een alternatief moet worden ontwikkeld. Nu al schuiven de voorstanders van de Lange Wapper de schuld van de Antwerpse mobiliteitsproblemen af op al wie ‘nee’ stemde. Dat is toch een merkwaardige omkering van de waarheid. De Antwerpenaren mochten slechts op één vraag antwoorden. Ook dat is jammer, het voorleggen van twee evenwichtige scenario’s ware veel sterker geweest.

Waar er wel een probleem mee is, is de schaalkwestie. Een instrument als de volksraadpleging kan worden afgedwongen als het de belangen van de bewoners van een gemeente raakt. Dat is goed, uiteraard, maar het vertoont ook mankementen. Is de aanleg van een dergelijke snelweg een kwestie van lokaal belang? Nee toch? Kan een dergelijke volksraadpleging niet voor een grotere bevolkingsgroep? Waarom niet tegelijk voor Antwerpen en de omliggende gemeenten? Idem voor alle gemeenten langs bijv. het Schipdonkkanaal. Het zal het mogelijke NIMBY- gehalte verminderen en de uitslag een sterker draagvlak geven. De decreetgever, en ik wil daar zelf mijn bijdrage aan leveren, moet dat mogelijk maken.

En dan de eeuwige kritiek dat de uitslag van alle volksraadplegingen altijd ‘nee’ of ‘tegen’ is. Dat is natuurlijk het gevolg van het feit dat deze meestal ‘afgedwongen’ worden door een belangrijk deel van de bevolking, uiteraard de tegenstanders van een project. Het Gemeentedecreet laat toe dat de lokale overheid zelf een volksraadpleging organiseert. Waarom gebeurt dat niet vaker? Op die wijze kan een overheid een ‘ja’ vragen, en krijgen. Zo kan die overheid het draagvlak voor belangrijke beslissingen aftoetsen en er uitmuntend over communiceren.

Daarnaast, en erg belangrijk, het is onaanvaardbaar dat er een speciaal decreet zou komen om bepaalde infrastructuurprojecten te ‘forceren’, zoals de minister suggereert. We leven in een rechtsstaat, en dat betekent dat elke burger alle mogelijke rechtsmiddelen mag gebruiken die hij ter beschikking heeft. Het zou schandalig zijn dat die via een soort volmachten de grond worden ingeboord. Als de procedure voor de Raad van State niet deugt, dan moet die worden aangepast. Maar nooit à la tête du projet.
Ja, in een goed werkende democratie kan de besluitvorming wat langer duren dan in een centralistisch regime. Alles kan beter, maar daarom gaan we toch niet op ons democratisch instrumentarium inleveren?

En dan nog dit: de Vlaamse politiek mag een veel grotere bescheidenheid aan de dag leggen. De burger heeft altijd gelijk, de politiek niet. De politiek moet haar gelijk bewijzen, niet de burger.

ingediend onder Mijn gedachtBart schrijft... • (2) ReactiesPermalink

(Pop)muzikant, knelpuntberoep?

ingediend door Bart Caron op 13/10/2009 om 22u52

Ik heb te doen met de jonge artiesten, en bij uitbreiding met alle artiesten van bij ons. Het is inderdaad geen sinecure om vandaag je boterham te verdienen, en dan zal je er nog geen kaviaar moeten bij serveren. Ik begrijp jullie onvrede. Maar toch werd ik bij het lezen van de stukken in de krant behoorlijk boos. Niet omdat artiesten politici beschuldigen van schuldig verzuim, maar omdat de artiesten de muziekliefhebber in het vizier nemen. Het massale illegale downloaden is blijkbaar de enige schuldige.

Mensen kopen minder Cd’s en muziek dan vroeger. Dat is een feit. Er is een beeld ontstaan dat muziek gratis is. Maar van wie is dat de schuld?

Illegaal downloaden is zo makkelijk toegankelijk dat je al een straffe principiële gast moet zijn om het niet te doen. Ik doe het zelf niet – ik koop al mijn muziek – maar ik garandeer je niet dat mijn kinderen het niet doen. Overigens, in de tijd van de cassettes gebeurde het ook al massaal, al was het technisch complexer. Is het onwettig downloaden terug te draaien? Ik vrees van niet. Daarom vind ik dat er beter krachtiger werk moet gemaakt van sensibilisering van de muziekliefhebber dat het hier om een artistiek product gaat waar kunstenaars aan ‘werken’ en dus recht hebben op een inkomen. Liefst dan nog in combinatie met het verkleinen van de financiële barrière die er blijkbaar nog steeds is.

En dan de auteursrechten. Voor artiesten een belangrijke bron van inkomsten. Daar doe ik niks van af. Maar, de beheersvennootschappen, zeker Sabam zijn geen meesters in communicatie, noch in transparantie. Daarenboven slagen ze er in om zich onsympathiek te maken door jacht te maken op de verkeerde doelgroepen; denk aan de crèches, onthaalouders, bedrijfsateliers enz. En bij de collega’s zijn er joyriders die het al helemaal verbrodden. Denk aan SEMU die een illegale licentie aanbiedt voor het kopiëren van partituren.

Wat zeker helpt, is het draaien van wat meer muziek van bij ons – in welke taal dan ook, in welke genre dan ook – op onze radiozenders; Het overgrote deel van de ontvangen auteursrechten verstuurt Sabam naar het buitenland, vooral naar de States. Die verdeelsleutels zijn gebaseerd op wat er op onze radiozenders wordt gespeeld. Dat kan in het voordeel van de Vlaamse artiesten worden gekanteld. Hallo VRT?

En tenslotte, als we echt iets willen doen voor de kleine labels, voor de kleine artiestenbureaus en voor de artiesten die niet de grootverdieners zijn, dan moeten we ons wel vragen stellen bij de verdeling van de auteursrechten. Het systeem is lineair: hoe meer je gedraaid wordt en hoe meer je speelt, hoe meer je krijgt. Dat bevoordeelt de grote culturen en vooral de Engelstalige wereld. Ik ben niet geïnteresseerd in het rijk maken van de nazaten van Michael Jackson of van The Beatles. De auteurswet laat nochtans toe om een budget aan de kant te leggen voor creatie. Via het activeren van de billijke vergoeding en de dwanglicentie kan er dertig procent van de opbrengst worden gebruikt ter aanmoediging van de schepping van werken. Dat is nog steeds niet geactiveerd. De auteurswet zelf kan in die richting nog worden versterkt.

Muziek is een mondiaal fenomeen, beheerst door grote bedrijven. Zij stellen de wet van de muziek. En daar zijn er veel grootverdieners. Wel, voor hen wil ik het niet doen. De rechtvaardige verdeling van welvaart (en dus van inkomens) is voor mij een heilig principe. Dat succesvolle wereldgroepen goed verdien aan hun muziek, is geen probleem, maar de majors verdienen er evenzeer meer dan stevig aan, net als de grote concertpromotoren. Onze ‘kleine’ artiesten worden plat gedrukt in deze globalisering. Zij krijgen geen contracten van majors, en worden zelden internationaal gepromoot. Jammer genoeg. Ik wil de artiesten uitnodigen om samen te zitten en zelf voorstellen te formuleren waardoor zij, en niet die majors en hun bobo’s, er beter van worden. Zoals bijv. meer plaats op de playlists van radio en tv, een kleine heffing op mp3-spelers, meer steun van Cultuurinvest voor buitenlandse toernees, een beter kunstenaarsstatuut, lagere BTW op verkoop van muziek, tax-shelter voor muziekproducties enz.

Bart Caron
Vlaams volksvertegenwoordiger Groen!

ingediend onder Bart schrijft... • (0) ReactiesPermalink

image

Edinburgh: waar cultuur en de markt elkaar ontmoeten

ingediend door Bart Caron op 26/09/2009 om 15u21

Augustus is festivalmaand in Edinburgh. De stad wordt overspoeld door miljoenen bezoekers voor een geheel van festivals onder de roepnaam ‘The Edinburgh Festival’. Onder die veelkleurige vlag schuilen het Edinburgh International Festival, The Fringe, de wereldberoemde en razend populaire Military Taptoo bij het Edinburgh Castle, het Book Festival, een Jazz & Blues Festival en nog wat kleinere broertjes zoals het Festival of Politics. Dat laatste wordt georganiseerd door het zelfbewuste Schotse parlement en zo weet u meteen ook waar het Vlaams parlement vorige herfst de inspiratie haalde voor het eerste eigen Festival van de Politiek.

34.000 voorstellingen

Ik wil het hier vooral hebben over The Fringe. Omdat het zo’n buitengewoon ding is. Het is het grootste festival van de wereld. En toch is het geen muziekfestival. Het vindt jaarlijks plaats de drie laatste weken van augustus. Et spelen 2.098 verschillende producties die in totaal 34.265 gespeeld worden. Op 265 locaties, met telkens meerdere zalen en zaaltjes: van schouwburgen over aangepaste kerken tot achterzaaltjes en piepkleine zolders. De hele stad wordt ervoor ingezet. Zowat alle professionele culturele organisaties werken eraan mee, naast tal van semi-commerciële theaters. Die samenwerking mag eigenlijk al een wonder heten. Zo makkelijk zien we het in Vlaanderen niet gebeuren, vrees ik.

We hebben geen equivalent bij ons, al zien we in de rand van de Gentse feesten een gelijkaardig kleinschalig fenomeen. Daar lopen een aantal ‘off’-voorstellingen, dus buiten het officiële festivalprogramma. De Fringe is zo’n reuzegroot off-festival. Het evolueert naast het officiële Edinburgh International festival, een poepchique festival, in de rij van de grote Europese kunstenfestivals zoals Avignon of Bayreuth, alhoewel het in de internationale artistieke context ietwat in de schaduw blijft. Dat ligt misschien aan de ietwat klassiekere aanpak en de overwegende keuze voor muziek, opera en ballet. Je kan er de sterren van de klassieke schone kunsten jaarlijks bekijken en bijna aanraken: Jordi Savall, Sir Elliot Gardner, Philippe Herrewege met het Collegium Vocale Gent. Het Ballet van Vlaanderen danst er Il Ritorno d’Ulissa in Patria van Monteverdi. Niet kwaad, als is het festival is veel minder avontuurlijk dan pakweg het Klara Festival van Vlaanderen, en dat mag de lezer gerust als een compliment beschouwen.

Alternatieve cultuur of business?

The Fringe ontstond vijftig jaar geleden als een tegenbeweging van theatergezelschappen die boos waren dat ze niet mochten spelen op het officiële kunstenfestival. Er ontstond een vrij en open festival dat elk jaar groeide. Multidisciplinair, met veel stand-up en andere comedy (35% van het programma), veel theater (28%), dans, muziek in alle genres, muziektheater en ook tentoonstellingen. Alle genres zijn vertegenwoordigd in het reusachtige programma. Het is een charity-organisatie, zoals een vzw, die de opbrengst herinvesteert in het festival.
Indrukwekkende cijfers nodig? Er worden jaarlijks tussen de 1,5 en de 2 miljoen tickets verkocht voor voorstellingen, en er zijn zo’n half miljoen niet-betalende mee-eters die het gratis luik meepikken. Blijkbaar draagt een aangename festivalsfeer veel bij aan de cultuurparticipatie, naast een programma met veel keuzemogelijkheden voor het publiek. De blijvende stijging van de publiekscijfers staat haaks op de economische crisis, hoewel we dat fenomeen ook zien bij theater(achtige) festivals bij ons zoals Theater aan Zee, De Zomer van Antwerpen, Humorologie.

Op een doordeweekse augustusdag lopen zo’n 300.000 mensen in het stadscentrum rond, op weg van of naar voorstellingen. Edinburgh heeft 440.000 inwoners, een cijfer dat in augustus verdubbelt. Merkwaardig genoeg is, net zoals bij ons, 60% van het publiek afkomstig uit een gebied van 30 miles rond Edinburgh. 15% komt uit het buitenland. En er zit veel jong volk in de theaters. De stad is een interculturele smeltkroes van vooral jonge mensen die er hun culturele gading zoeken.

Op een doordeweekse augustusdag lopen zo’n 300.000 mensen in het stadscentrum rond, op weg van of naar voorstellingen. Edinburgh heeft 440.000 inwoners, een cijfer dat in augustus verdubbelt. Merkwaardig genoeg is, net zoals bij ons, 60% van het publiek afkomstig uit een gebied van 30 miles rond Edinburgh. 15% komt uit het buitenland. En er zit veel jong volk in de theaters. De stad is een interculturele smeltkroes van vooral jonge mensen die er hun culturele gading zoeken.

“The Fringe maakt helemaal geen artistieke keuzes, meer zelfs, het festival wil dat niet doen. Het is een ‘open arts festival wat betekent dat iedereen kan spelen zonder bemoeienis van The Fringe’. Dat is buitengewoon. Zowel een grote als een kleine, een traditionele of vernieuwende voorstelling kunnen hier spelen, in welk genre ook, en krijgen evenveel aandacht. Het publiek moet geen aanbevelingen verwachten, het moet zelf kiezen” aldus Tim Hawkins, General Manager. Het festival fungeert als een schakelbord tussen artiesten, venues, pers en publiek. The Fringe legt zelf sterk de nadruk op de artiesten. Het coördineert, adviseert en ondersteunt hen. Je meldt je aan en je wordt doorverwezen naar een theaterhuis of venue, zoals een zaal er heet. Die nemen je, afhankelijk van hun specialisatie in theater of dans of comedy. Sommige venues verhuren commercieel. “Globaal moeten artiesten wel 40 procent van hun recette afstaan aan de venue, en ze moeten 350 pond (420 euro) betalen aan The Fringe. Maar daar krijgen ze de promotie voor terug, de zaal, ticketverkoop, techniek enz. Al zijn er hier geen vaste regels voor, de cultuurmarkt van vraag en aanbod speelt gewoon”, aldus Tim Hawkins. Succesvolle artiesten bespelen de grotere zalen en bedingen lagere percentages, logisch. Economische principes domineren dus. Ook ticketprijzen zijn gevoelig voor de marktmechanismen. De prijzen lopen uiteen van 5 tot 16 euro per voorstelling en ze zijn goedkoper op weekdagen dan tijdens het weekend.

Vooral voor artiesten

The Fringe is vooral voor artiesten heel belangrijk. Ze vinden er niet alleen een gretig publiek en een brede pers, maar het is vooral een ‘world show case’ waarop ze zich presenteren aan organisatoren van over heel de wereld. Er komen er zowat 2.000, de helft van buiten het Verenigd Koninkrijk. Dat is ook zo bij de performers. Al is driekwart Brits, toch staan er 60 nationaliteiten op de scène, van Albanië tot Zimbabwe, met een sterke aanwezigheid uit de Verenigde Staten, Australië en Canada, niet toevallig de Engels sprekende landen. Muziek, dans en fysiek theater uit de hele wereld vind je hier, naast mensen als Hans Teeuwen, de strafste Nederlandse cabaretier die hier al jaren de pannen van het dak speelt in een Engelse comedyshow. Van bij ons is Ontroerend Goed een bijzondere performer. Ze kregen dit jaar de Fringe First 2009 van de Schotse krant The Scotsman, De voorstelling is dan ook uniek. De vijf acteurs gaan in ‘Internal’ op zoek naar een partner uit het publiek en gaan een gesprek aan ... Ze verzekeren een intieme en hoogst persoonlijke behandeling. Hmm.

Op The Fringe spelen zowel gesubsidieerde als niet-gesubsidieerde ensembles, zowel professionelen als amateurs, dans- en theaterscholen uit het Engelse taalgebied ... Heel erg uiteenlopend en kwalitatief verschillend. Buitenlandse overheden steunen wel vaak producties die de stap naar Edinburgh zetten. “The Scottish Arts Council doet pas sinds dit jaar zelf een bijzondere inspanning om werk van Schotse artiesten te ondersteunen en in de verf te zetten. Die artiesten krijgen daar projectsteun voor, ook als ze al meerjarig meerjarig gesubsidieerd worden door de overheid” aldus Anita Clark, Head of Dance van het Scottish Arts Council.
De overgrote meerderheid van de artiesten komt uit het vrije, lees niet-gesubsidieerde circuit Dat kennen we bij ons ook uiteraard, denk aan de stand-uppers, cabaretiers, zangers zoals De Nieuwe Snaar, Wouter Deprez of Raymond van het Groenewoud. In de Vlaamse cultuurcentra is het overgrote deel van het aanbod afkomstig uit dit vrije circuit.
In Edinburgh zoeken ook heel wat hedendaagse kunstenaars appreciatie en een publiek. Er worden veel nieuwe theaterteksten gespeeld en choreografen verkennen de grenzen van de hedendaagse dans. Dat daarin geen kwaliteitslijn te trekken valt, spreekt voor zich. Er is veel interessant aanbod te ontdekken, maar er is ook veel rommel.
The Fringe is een ongenadige filter. Wie geen vier sterren krijgt in de recensies ziet het publiekscijfers dagelijks afkalven. Dat goedmaken met hardnekkig flyeren en een showcase presenteren langs The Royal Mile, de belangrijkste straat, volstaat niet meer. Vele kunnen betere uitkijken naar ander werk. Er is in het Verenigd Koninkrijk geen behoorlijk sociaal statuut voor kunstenaars, alleen lagere tax-levels. Maar ja, daarvoor moet je natuurlijk genoeg verdienen.

Culturele economie

The Fringe leeft vooral van de artiestenbijdragen, en voor 10% van een subsidie van de Schotse overheid (zo’n 300.000 euro). Nee, er wordt niet geklaagd over de relatie met de overheid, integendeel. Met de andere festivals in de stad wordt samengewerkt in een overkoepelend ‘Festivals Forum’. De belangen lopen langs evenwijdige lijnen. Misschien ook eens in onze steden aanpakken?

De vele venues draaien mee in een culturele economie. Een aantal van hen zijn gesubsidieerde theaters, anderen zijn commerciële organisaties die vooral van The Fringe leven. Zij huren in augustus universiteits- en andere schoolgebouwen en bouwen die om tot theaters en concertzalen. Zoals The Assembly, het New Town Theatre, The Pleasance of The Gilded Balloon.
The Fringe en alle venues geven werk aan zowat 2.500 mensen in augustus, exclusief de 18.901 performers.

De festivals hebben een enorme economische impact. “De festivals in Edinburgh genereren voor de economie van Edinburgh en Schotland zo’n 184 miljoen pond per jaar.” aldus Anita Clark. Dat de pers zoveel aandacht besteedt aan The Fringe gebeurt niet of niet alleen voor de schone ogen van de artiesten maar om bedrijfsmatige redenen. Alle Britse kranten coveren het festival uitgebreid. De oplage van Schotse kranten stijgt in deze periode van het jaar met 250% ten opzichte van de rest van het jaar. Dagelijks verschijnen tientallen recensies. Kranten die hun oplage meer dan verdubbelen dank zij de culturele pagina’s ... ja, dat kan dus. Er zijn ook uitwassen: de volgeboekte hotels verdubbelen hun prijzen in augustus.

The Fringe is een mariage de raison van eerlijke en ambitieuze artiesten, commerciële cultuuractoren en gedreven overheden, waarin kunstenaars de artistieke ruimte krijgen die het zelf innemen. Waar ongenadig wordt gekozen. Door een groot publiek en heel veel pers. Het is bijna een model van een geslaagd huwelijk tussen cultuur en economie.
Maar bovenal is het een groot cultureel feest.

Bart Caron
——————————-

Niet blozen

De Schotse overheid is sinds 1999 net als de Vlaamse Gemeenschap binnen de federatie ‘exclusief’ bevoegd voor cultuur. De evolutie van het cultuurbeleid ging met horten en stoten. In tien jaar tijd werden om uiteenlopende redenen acht cultuurministers versleten.
De Scottish Arts Council - het wordt gefuseerd met het Film Instituut en zal Creative Scotland gaan heten - geeft op armlengte van de politiek uitvoering aan het beleid.
Er zijn drie grote doelen: het ondersteunen van kunstenaars en hun organisaties, de participatie aan kunst verhogen, en kunst, cultuur en creativiteit een plaats te geven in het hart van onderwijs. Het had Vlaanderen kunnen zijn.
Idem voor subsidies: er zijn meerjarige subsidies (voor 5 en voor 2 jaar) en projectsubsidies. Die worden toegekend na adviezen van beoordelingscommissies. Er zijn verder middelen voor individuele kunstenaars, voor tentoonstellingen enz. Het internationaal cultuurbeleid staat nog in de kinderschoenen. Er worden 48 organisaties structureel gesubsidieerd, met een totaalbudget van 61,06 miljoen pond. We moeten in Vlaanderen niet blozen, we besteden zowat het drievoudige, en aan veel meer organisaties. Bij ons is cultuur minder afhankelijk van commerciële inkomsten.

ingediend onder Bart schrijft... • (0) ReactiesPermalink

Sporten? Bah, ik mag toch nooit meedoen

ingediend door Bart Caron op 26/09/2009 om 15u11

De Week van de Sportclub heeft als slogan ‘Wij willen jou erbij’. Die Week is een lovenswaardig initiatief. Immers, in het Vlaamse sportbeleid, en ook bij de steden en gemeenten, ligt het accent op de sportclub. Niet onterecht, de sportclub is een goede basis voor kwaliteitsvolle en regelmatige sportbeoefening.

Die keuze heeft echter een schaduwzijde. De meeste sportclubs spelen nl. in een of andere competitie, en willen daar uiteraard zo hoog mogelijk eindigen. Dat leidt ertoe dat jeugdspelertjes, in welke sporttak ook, ingezet worden in de mate dat ze tot de kern, het fanionteam of de beteren van hun leeftijdscategorie behoren. Is hier sprake van uitsluiting?

Het is dus niet allemaal peis en vree bij de sportclubs. Naast de financiële drempels voor ouders - meestal niet opgeworpen door de clubs zelf maar door hun federatie- worden ze meteen geconfronteerd met de harde wet van de sport: het gaat erom tot de besten te behoren. En ja, moeder natuur heeft het begrip ‘gelijke kansen’ niet radicaal ingevuld: niet elk kind heeft evenveel talenten meegekregen en dus is niet elk kind even geschikt voor competitieve sport, of voor deze of gene sporttak.

En dan maak je het als ouder maar mee dat de clubverantwoordelijke of de trainer je doodgemoedereerd zeggen dat je zoon of dochter niet echt kan lopen, sjotten of volleyballen, of toch nooit een niveau zal bereiken dat hoog genoeg is om in het basisteam opgeteld te worden. Gelukkig gaat zo’n proces meestal geleidelijk. Kinderen en hun ouders ontdekken en verkennen hun eigen talenten, en maken dan uiteraard keuzes. Wie minder goed kan sporten, laat de sport helaas al te vaak links liggen.

Dat is nu eenmaal onvermijdelijk, kan je stellen. De talenten zijn ongelijk en verschillend, gelukkig maar. Maar het roept vragen op over sport voor iets minder getalenteerde kinderen en jongeren. Mogen zij nu niet meer sporten? Kunnen ze beter gaan dammen? Of naar de kunstacademie gaan? Of gewoon thuis voor de televisie zitten? Maar, staat dat niet haaks op de algemeen gedeelde opinie dat levenslang sporten wenselijk, zelfs noodzakelijk is. Echter, zo’n competitieve mentaliteit is hier niet erg bevorderlijk voor.

Je kan de problematiek op twee niveaus benaderen. Enerzijds heb je de kwestie van de opgefokte competitiedrang, van de schreeuwende papa’s langs de lijn. Die uiten een onredelijk ambitieniveau, zo hoog dat het voor de kinderen ontmoedigend in plaats van stimulerend werkt. Hier kan alleen aan verholpen worden door een kwaliteitsverhoging van de begeleiding in de sportclubs.

Anderzijds heb je de problematiek van de minder-getalenteerde kinderen en jongeren. Die gasten zullen door die te competitieve aanpak na een tijdje niet meer sporten - weet dat sporten hier samen gaat met spelen met vrienden.

Sommige clubs weigeren de inschrijving zelfs, anderen laten voelen dat het kind niet echt welkom meer is. Dat is uitsluiting. Het gevolg is dat kinderen stoppen met sporten. Heel vaak wordt geklaagd over de uitval van jongeren. Wellicht is een groot deel van de verklaring te vinden in deze al te competitieve aanpak.

Dan maakt een paradox zichtbaar: de Vlaamse overheid, net als steden en gemeenten, stimuleert het sporten via de sportclubs, maar bevordert daardoor (ongewild weliswaar) de uitsluiting van minder getalenteerde kinderen. Ook mindere ‘goden’ moeten toch kunnen sporten?

Het onderstreept de nood aan ‘recreatieve’ sportclubs, ook voor kinderen en jongeren. Daar mag een competitief element bij - winnen is hét kenmerk van de sport, maar jezelf overwinnen is dat ook - maar dan op het niveau van de beoefenaars, en niet als ultiem doel. Voor volwassenen zijn er vrij veel dergelijke sportclubs, maar haast niet voor kinderen en jongeren. Scholieren en studenten moeten of individueel, of met vrienden sporten. Lopen kan je dan wel, maar als je sportinfrastructuur wil gebruiken is dat een probleem. En wat met begeleiding dan? Hiervoor is niks voorzien.

Ik wil duidelijk standpunt innemen: een kind met minder of geen talent heeft evenveel recht op sport als een ander. Een dergelijke vorm van uitsluiting is niet te tolereren. En is het ook niet zo dat wetenschappelijk onderzoek heeft aangetoond dat de fysieke conditie van de jeugd niet goed is? Sporten is gezond, dus moet iedereen kunnen sporten.

Hier ligt in eerste instantie een opdracht voor de nationale sportfederaties. Zij hebben onvoldoende aandacht voor deze problematiek. Stimuleren zij de aangesloten clubs wel om ook recreatieve sportbeoefening mogelijk te maken? Ze moeten in ieder geval nog veel investeren in de opleiding van gekwalificeerde jeugdbegeleiders?

Minister Philippe Muyters en het Bloso kunnen hen hierbij stevig ondersteunen. Zij moeten de sportfederaties, de clubs en de gemeentelijke sportdiensten sensibiliseren, en als het nodig is ook de regels aanpassen zodat de recreatieve sportbeoefening nadrukkelijker zichtbaar wordt gemaakt. Ja, zodat elk kind en elke jongere weer zin krijgt om te sporten, en niet zoals nu zijn/haar loop- of voetbalschoenen weggooit omdat hij/zij nooit mogen meedoen.

Bart Caron, Vlaams volksvertegenwoordiger Groen!

ingediend onder Bart schrijft... • (0) ReactiesPermalink

Groene luxe

ingediend door Bart Caron op 21/08/2009 om 14u03

Ooit, en dat is nog niet eens zo gek lang geleden, drukte iemand er op een knopje en het licht ging aan in de kamer. Weinig wereldschokkend, zal je denken, maar die eerste keer moet het toch wel wat geweest zijn. Zomaar, out of the blue, ging er ergens, hoog aan het plafond, een schamel peertje aan het gloeien en wierp zijn gloed over de ontbijttafel; zonder gehannes met vuurstokjes.
Het zou de goegemeente worst wezen. Die elektriciteit, dat zou wel weer zo’n speeltje van de rijkelui zijn. Een folietje voor parvenu’s die bang waren hun nagels te beschadigen bij het aansteken van hun gasvlammetje. Een rage of trend avant la lettre, die even geruisloos zou wegdeemsteren als ze was gekomen.

Wanneer ik op mijn kantoor toekom, hoef ik aan geen knopje meer te komen; het licht verwelkomt mij van zodra ik de deur openzwaai, terwijl de airco meteen aanvoelt hoe zij mijn verblijf aangenamer kan maken. Collega’s die, in tegenstelling tot mezelf, niet zo opgezet zijn met deugddoende zonnestralen, moeten wel nog het knopje van de zonneweringen beroeren, maar ook hier is het tijdperk van de zwengels verleden tijd en rolluiklinten doen enkel nog dienst bij de verhuis van zwaardere meubelstukken.

Pure luxe, uiteraard, maar misschien moeten we het ook eens anders bekijken: Het licht en de luchtverversing gaan even automatisch uit wanneer ik mijn bureau verlaat of (zuiver theoretisch) wanneer ik indommel achter mijn computer…
Alleen al daardoor zal domotica, door velen nog steeds beschouwd als iets snobistisch of op zijn minst overbodig, ongetwijfeld een rol kunnen spelen binnen het concept van de groene economie.
Om één en ander uit te klaren trokken wij daarom, in volle verkiezingscampagne, met een delegatie van Groen! naar mijn culturele kompaan Stef, zaakvoerder van DOMOTIC.LOUNGE in Kuurne, die ons vermoeden alleen maar kon bevestigen.
Wij moeten onze huizen niet enkel goed gaan isoleren en investeren in duurzame energiebronnen. We moeten er ook voor zorgen dat onze huizen een beetje slimmer worden, en ze niet langer afhankelijk zijn van onze eigen ratio. We kunnen hen perfect aanleren hoe zij massa’s energie kunnen besparen, zonder dat ons eigen comfort er onder hoeft te lijden; integendeel zelfs.

Het vooroordeel dat zulks alleen zou weggelegd zijn voor de happy few wordt ontkracht. Uiteraard vergt de installatie van een domoticasysteem enige investeringen, maar dit blijkt niet minder rendabel te zijn dan pakweg de investering in zonnepanelen, ook al is het nog onontgonnen gebied voor subsidiërende overheden allerhande.

Maar er is meer. Domotica biedt ook een waaier aan mogelijkheden wanneer we het hebben over welzijn. Vaak maken kleine verschillen het onderscheid tussen de noodgedwongen verhuis naar een rusthuis, of een verlengd verblijf in de eigen vertrouwde woning: een videofoon met afstandbediening, om maar iets simpels te noemen. En hoe absurd is het niet dat rolstoelgebruikers nog steeds moeten worstelen met (zelfsluitende) klapdeuren in openbare gebouwen, terwijl zelfs de deur van de simpelste buurtslager verwelkomend openschuift van zodra je ze nadert.

Wat voor sommigen overkomt als gemakzucht, betekent voor anderen onmiskenbaar zelfstandigheid en levenskwaliteit. Dankzij pioniers als Stef, staat de technologie al heel ver en kan er voor veel zorgbehoevenden een pakket op maat samengesteld worden dat hen autonomie, eigenwaarde en dus welbehagen bezorgt. 

DOMOTIC.LOUNGE slaagt erin de koppeling te maken van duurzame omgang met energie, gebruiksgemak en levenscomfort. Meteen worden de criticaster de mond gesnoerd, die beweren dat het Groen!e economieverhaal Vlaanderen zou terug bombarderen naar de middeleeuwen. De innovatieve kracht van onze creatieve ondernemers kan maar beter niet onderschat worden.

ingediend onder Bart schrijft... • (0) ReactiesPermalink

image

Cultuur en de Regeerverklaring Peeters II

ingediend door Bart Caron op 15/07/2009 om 23u25

Waarde collegae,

Ik wil het hebben over Cultuur en haar ondergeschoven kinderen. Ik weet het, deze eerste zin drukt mijn appreciatie uit. Groen! is ontgoocheld. We kunnen ons niet van de indruk ontdoen dat Cultuur niet meteen tot de prioriteiten van deze regering behoort. Deze regering houdt duidelijk niet van kunst en cultuur.

De inleidende tekst in het regeerakkoord is min of meer samenhangend. Een samenhang die we heel hard missen bij de bevoegdheidsverdeling. Dit beleidsdomein wordt over maar liefst vier ministers verdeeld. Ooit bestond er zoiets als Beter Bestuurlijk Beleid, een project om homogene bevoegdheidspakketten te creëren. Beter Bestuurlijk Beleid is begraven. In de plaats daarvan kregen we Brak Bestuurlijk Beleid.

Groen! blijft pleiten voor één minister van Cultuur én Media. Ook nu zal de minister van Cultuur immers ondervinden hoe moeilijk het is een culturele politiek uit te bouwen zonder dat die gesteund wordt door de audiovisuele media en de openbare omroep waarover de bevoegdheid bij de minister van media ligt. Televisie blijft het middel bij uitstek om mensen vertrouwd te maken met kunst en cultuur. Een sterke minister van Cultuur en Media zou een tegengewicht kunnen bieden in de kijkcijferoorlog en zo het alibi om kunst en cultuur stiefmoederlijk te behandelen, ondergraven. Of vindt Vlaanderen het normaal dat het enige culturele programma op Eén ‘De Rode Loper’ is?

De inhoud dan. Groen! is ontgoocheld. Zo’n zwak stuk cultuurbeleid hadden wij echt niet verwacht. Of ik het nu eens ben met wat er staat, of niet, het doet niet eens ter zake. De nieuwe minister van Cultuur heeft alvast één voordeel: ze zal snel het onderdeel ‘cultuur’ van de regeerverklaring gelezen hebben. De anderhalve pagina vertegenwoordigt anderhalf procent van de beleidstekst van deze regering. De meester herkent men in zijn beknoptheid, wordt gezegd, maar hier heeft meester Peeters zich er toch wel heel snel van afgemaakt. Alsof kunst en cultuur niets meer zijn dan frivoliteiten waarmee ernstige politici zich niet hoeven bezig te houden.

Bezieling straalt de tekst ook al niet uit. Het is een onsamenhangend brouwsel waarin algemene opties en concrete dossiers door elkaar geklutst worden. Er is geen liefde voor de kunsten en kunstenaars, voor theatermakers, auteurs of muzikanten. Die woorden staan niet eens in de tekst.

Het is ook een toonbeeld van slecht Nederlands. Kreupele zinnen, onbegrijpelijke gedachtesprongen en warrige intenties. Ik zou de tekst niet durven gebruiken in een cursus Nederlands voor anderstaligen, zelfs niet voor zéér gevorderden.

Het hoofdstukje Cultuur is een ratatouille van soms concrete, maar veelal wollige opties. Je leest er zelfs de voorkeuren van de onderhandelaars doorheen. Ik ben ontgoocheld dat de erfenis van de vorige cultuurministers te grabbel wordt gegooid. Groen! heeft actief en constructief meegewerkt aan het recente cultuurbeleid, daarvan kan ik getuigen. Wat ik nu echter lees is ondermaats. En dat met drie partijen die bijna de hele vorige legislatuur deel uitmaakten van de regering. Ook voor de passages over het Kunstendecreet en het sociaal-cultureel werk. Het is een staaltje van dubbelzinnige schriftuur. Je leest de waarheid tussen de regels, als je veel voorkennis hebt tenminste. Dat hoort niet.
Een C-attest krijg je daarvoor, maar niet met de c van cultuur ...

Het is niet allemaal kommer en kwel. Zo is er veel en terechte aandacht voor het cultureel erfgoed. De aangekondigde inhaalbeweging mag er komen. Ze is dan wel al een tijdje bezig, maar ik begrijp dat elke nieuwe ploeg graag zelf het warm water uitvindt. Groen! is ook blij dat cultuureducatie aandacht krijgt. En er zal een meerjarenplan voor culturele infrastructuur worden opgemaakt, waarvoor de nodige middelen zullen worden voorzien. Mochten deze gevonden worden…Ik lees ook graag dat de Vlaamse regering de ambitie heeft te blijven investeren in een breed cultuur-, sport-, vrijetijds- en jeugdbeleid waarbij maatschappelijk engagement, participatie, interculturaliteit en sociale cohesie centraal staat. Creativiteit had er nog bij gemogen, net als kwaliteit.. Ook niet over de vanzelfsprekendheden.


Natuurlijk zijn het verenigingsleven en het vrijwilligerswerk belangrijk, uiteraard krijgen participatiedrempels en kansengroepen bijzondere aandacht, en ja, onze grote instellingen zijn belangrijk. Maar, Groen! mist oh zo veel. Er is geen aandacht voor film, beeldende kunst of dans, ook niet voor de amateurkunsten. En over het gesproken en geschreven woord: geen letter.

Wordt het niet eens tijd dat we in Vlaanderen nadenken hoe we mensen weer de liefde voor onze taal en onze literatuur kunnen bijbrengen? Een Vlaamse minister van cultuur mag best ambitieus zijn op dit vlak. Of ligt de lat werkelijk zo laag en leggen wij er ons bij neer dat Vlamingen nauwelijks nog andere boeken lezen dan afgeleide producten van televisieprogramma’s? De meest gelezen auteur in Vlaanderen is Piet Huysentruyt …

De opbouw van het regeerakkoord zorgt er ook voor dat je plotsklaps stukjes over bepaalde beleidsdomeinen vindt in andere hoofdstukken. Bijv. in het hoofdstukje interne staatshervorming. Daar lees je: “De verschillende plannen die de lokale en provinciale besturen nu maken (cultuurbeleidsplan, jeugdbeleidsplan, sportbeleidsplan, milieubeleidsplan,…) verdwijnen en worden geïntegreerd in dit meerjarenplan. (= legislatuurplan).” Wat krijgen we nu? Een algemeen meerjarenplan? Oh ja, het zal gaan zoals met dit regeerakkoord, anderhalve pagina aandacht voor cultuur en driekwart pagina voor jeugd. En dat alles onder het mom van planlastvermindering. Toen ik in de voorbije legislatuur voorzichtig opperde dat in kleinere gemeenten een vrijetijdsplan (cultuur, jeugd en sport) wel zinvol kon zijn, en geen drie aparte plannen, dan waren vele betrokkenen van sp.a en CD&V in alle staten. En nu lees ik dat de planning plots compleet wordt ontmanteld. Weet u, het tegengestelde van planning is willekeur. Mag ik dan niet ontgoocheld zijn?

Het mediabeleid dan. We kunnen het waarderen. Eigenlijk vinden we het niet meer dan normaal dat er geïnvesteerd wordt in een sterke Vlaamse openbare omroep. We lezen ook dat diversiteit onverenigbaar is met ongebreidelde mediaconcentratie. Juist. We hebben nog slechts drie krantenuitgevers in Vlaanderen … en dat is echt niet teveel. Groen! stelt zich wel de vraag hoe de regering omgaat met steun aan uitgevers die na het incasseren van het overheidsgeld hun zogeheten kwaliteitskrant ontmannen door gereputeerde journalisten op de keien te zetten? Redenen te over dus om niet te lang te wachten met het onthullen van het door u aangekondigde “beleid ter bevordering van de kwaliteitsjournalistiek”.

Er staan ook merkwaardige passages in de tekst. Zo lezen we: “Digitale televisie moet echter voor iedereen betaalbaar blijven: de kostprijs die de gebruiker moet betalen voor de basisdienstverlening mag hoger worden.” Dat begrijp ik niet. Of bedoelt u: “(...) het mag best wat duurder…” Ik hoop van niet … digitale televisie moet toegankelijk zijn voor iedereen. Het volledige lineaire VRT-aanbod, inclusief alle plusinitiatieven, moet ook voor iedereen gratis beschikbaar zijn, etherkijkers, zowel als kabelkijkers.

De regering meldt dat ze de “publieke opdracht van de openbare omroep nauwkeurig en doordacht wil definiëren.” Een nobel streven, maar wij hadden hier toch liever wat meer gelezen over de richting die de openbare omroep moet inslaan. De regering kondigt ook aan dat ze de “evenementenlijst van programma’s die verplicht in open net moet worden uitgezonden” wil herbekijken en mogelijks zelfs uitbreiden. Tekenend is dat de huidige lijst letterlijk voor negen tienden uit sportevenementen bestaat. Slechts één cultureel gebeuren is er in opgenomen : de finale-avond van de Koningin Elisabeth-wedstrijd.

“Vlaanderen investeert verder in de ondertiteling van televisieprogramma’s” meldt de regeringsverklaring. Dat kunnen wij alleen maar toejuichen, maar ligt hier geen kans om een positief beeld van Vlaanderen te promoten door programma’s ook in andere talen te ondertitelen? Dit gebeurt al bij zenders als TV-Brussel, die daardoor heel wat anderstalige kijkers aantrekken en zo de Vlaamse Brusselaars beter leren kennen. Het kan ook op VRT, die op die manier een ware ambassadeur van Vlaanderen zou kunnen worden…

We vernemen verder dat binnen het Vlaams Audiovisueel Fonds het “stimuleringsfonds voor televisieproducties” verder zal worden uitgebouwd. In andere Europese landen worden de televisiezenders verplicht om de eigen filmproductie te ondersteunen. Niet bij ons. De openbare omroep investeert slechts in films die afgeleid zijn van televisiereeksen. Het zou goed zijn mocht de VRT ook in andersoortige, meer auteursgedreven cinema investeren.

U wil “Vlaanderen ook promoten als filmlocatie”, iets wat wij enkel kunnen toejuichen. Hoe dat gaat gebeuren, vertelt u er jammer genoeg niet bij. Waarom niet een voorbeeld nemen aan het succesvolle “Wallimage” dat via een slim ondersteuningssysteem buitenlandse producenten naar Wallonië lokt?

In het hoofdstukje Jeugd lezen we het goede voorstel om een pact te sluiten met de jongeren. Ook de afspraak over het derde Vlaams Jeugdbeleidsplan kan onze goedkeuring wegdragen. Maar verder? Ontgoochelend weinig.

En ook voor het luik sport blijft Groen! op haar honger zitten. We missen echte ambitie: een Strategisch Plan voor Sportend Vlaanderen 2020 is prima, net als de samenwerking met de andere overheden van dit land in functie van een topsportbeleid, meer sport op school enz. Maar waar is de drive om grote sprongen vooruit te maken in het internationale sportlandschap? Waar is de wil om elke Vlaming levenslang te doen sporten?
Of beperkt de ambitie zich tot het steunen van de kandidatuur voor het WK voetbal in 2018.

Helaas kan ik ook over het Onroerend Erfgoed kort zijn. Er staat haast niks in het regeerakkoord tenzij dat er nieuw decreet komt en dat de administratie Onroerend Erfgoed een zichtbare entiteit wordt. Zal dit laatste echt gebeuren? Dat moet ik nog zien. Ook dit is een ontgoochelend mager stukje, hoop en al tien regels vage tekst.

Elders in het regeerakkoord vind je het addergebroed. Op pagina 48 lezen we dat de regeling in verband met de machtigingen door onroerend erfgoed bij vergunningsaanvragen wordt herbekeken, zodat sneller vergunningen uitgereikt kunnen worden. Lees: al die vertraging omwille van een beschermd gebouw of landschap, zijn we liever kwijt. Dit is pas een levensgrote bedreiging voor het onroerend erfgoed.

En verder lezen we: “We stellen een inventaris op van de koppelsubsidies en werken vervolgens de vereiste decretale wijzigingen uit om die koppelsubsidies af te schaffen.” Juist, restauraties worden met koppelsubsidies betaald. Als Vlaanderen de financiering niet overneemt zijn de gevolgen voor het Erfgoed niet te overzien.

Kortom, voor u staat een ontgoochelde cultuurpoliticus.
Bart Caron namens Groen!
15 juli 2009

ingediend onder Bart schrijft... • (0) ReactiesPermalink

Advocaat voor de duivel(tje)s

ingediend door Bart Caron op 07/07/2009 om 17u39

Dick Advocaat is de nieuwe bondscoach van de Belgische voetbalploeg. Onze hoop in bange dagen. Groot nieuws dat iemand het überhaupt aandurft.

Een ogenschijnlijk onbelangrijk onderdeeltje in het krantenbericht: onze nieuwe selectieheer zal jaarlijks 600.000 euro gaan verdienen. Dat is helemaal niet slecht betaald, maar waarom zou dat niet mogen? De voetbalbond is een particuliere organisatie, Dick Advocaat is een man die zijn marktwaarde kent en beide partijen kunnen dus vrijelijk de verloning bepalen.

Dat koning Voetbal niet ontsnapt aan de plaag van de toplonen weten we al langer. Een klein groepje topspelers verdient onwaarschijnlijke fortuinen. Dat is niet anders dan bij zangers, acteurs of andere vedetten uit het wereldje van glamour en glitter. En dan zwijgen we nog over de choquerende toplonen in de bankwereld. Waarom zou het dan niet mogen in het voetbal of de koers?

Van mij mag alles, maar ik hoef het niet OK te vinden. Mensen die met een uitzonderlijk talent gezegend zijn, en dat goed ontwikkelen, hebben geluk. Nu vind ik ‘geluk hebben’ op zich geen criterium voor verloning, maar ja, zo werkt het nu eenmaal. Het blijkt onvermijdelijk dat topspelers toplonen krijgen. Ze passen namelijk wonderwel in het reusachtig commercieel gebeuren, dat het voetbal vandaag is. Ze zijn radertjes in het mechanisme van merchandising, sponsordeals en uitzendrechten. Gaat het trouwens nog wel om het spel met de bal, of gaat het zuiver om de commercie. Gaat het om kijkcijfers die reclame-inkomsten genereren? Gaat het om voetbaltempel die verrijzen bij gratie van de aansluitende shoppingparadijzen?

De voetbalhemel, niet enkel sportief maar ook commercieel, blijft natuurlijk de deelname aan de grote tornooien. Vriend en vijand zijn het erover eens dat ons land momenteel over een lichting voetballers beschikt die geen mal figuur zou slaan op een EK of WK. Het is dan ook niet onverantwoord dat de Voetbalbond alles op alles wil zetten om ons eindelijk nog eens te kwalificeren.

Het aantrekken van een dure topcoach is een eerste stap, maar hiermee is de kous niet af. Dick Advocaat zal, hoe goed hij ook moge zijn, op zijn eentje het amateurisme van de Voetbalbond niet kunnen verdoezelen. Een betere kalender, betere afspraken met de clubs, goede infrastructuur … het had allemaal al lang geregeld kunnen zijn. Maar nee, de Bond gaat om met reusachtige bedragen maar gedraagt zich als het bestuur van de eerste de beste caféploeg.

En dat stoot me tegen de borst. Al jaren ijveren talloze mensen voor een zo groot mogelijke toegankelijkheid van de sportbeoefening voor zoveel mogelijk jongeren en volwassenen. Uit clubliefde zetten duizenden mensen zich wekelijks, geheel vrijwillig of voor een symbolisch bierbonnetje, in om hun club draaiende te houden. En er moet niet enkel vrije tijd worden geïnvesteerd. Voor nogal wat categorieën uit de samenleving is lid worden van een voetbalclub geen vanzelfsprekende zaak. 150 tot 175 euro lidgeld per jaar is geen uitzonderlijk bedrag om zoon- of dochterlief te laten sjotten bij de jeugd van FC Denderendewereld. Als je er zo twee of drie lopen hebt, en je moet leven van een modaal loon, dan is het moeilijk om de voetbaleindjes aan mekaar te knopen.
Dick Advocaat verdient 300 keer meer per jaar dan die mensen. Hij wil daarenboven een professionelere aanpak, waarbij hij meer dan enkel de sportieve leiding opeist. Daarin steekt onder meer de voorwaarde dat de ploeg logeert in een bepaalde hotelketen, waarvan de prijs per kamer zo’n 200 euro per nacht per man bedraagt. Je kan maar beter goed uitgeslapen op het terrein staan … Bij de VRT en in het Vlaams parlement, waar al meer is geruzied over de prijs van logies voor medewerkers of leden, mag dit ongetwijfeld een belletje doen rinkelen. Zijn dergelijke randvoorwaarden uitingen van zogenoemde ‘professionaliteit’? Of van hang naar luxe? Van ordinaire spilzucht of wereldvreemdheid?

Los van dergelijke folietjes, zal Advocaat de helft meer verdienen dan René Vandereycken. Nu zegt de penningmeester dat de voetbalbond daar geen enkel risico mee neemt en dat dit ingecalculeerd is. Vreemd, verschillende keren al meldde de voetbalbond via dezelfde penningmeester dat er, “in het kader van de optimalisering van zijn werking, verschillende voorstellen om nieuwe inkomsten aan te trekken en zijn kosten te reduceren voorliggen.” In de hun onnavolgbare bureaucratische taal geformuleerd. Er werd o.a. voorgesteld om de lidgelden van de bij KBVB aangesloten voetbalclubs te verhogen.

Het is bijna cynisch dat diezelfde voetbalbond straks hoogstwaarschijnlijk subsidies zal vangen van de Vlaamse Gemeenschap. Jarenlang is er door de Vlaamse overheid aangedrongen op een splitsing van de bond in een Vlaamse en een Waalse vleugel. Die is in voorbereiding. Op die wijze zouden er subsidies kunnen komen voor jeugdwerking en voor stadions. Dat zou gaan om een bedrag van 5,5 miljoen euro op jaarbasis waarvan 2 miljoen gereserveerd wordt voor de jeugdsport. Dat is niet niks natuurlijk.

Dergelijke extra inkomsten geven je al wat ademruimte wanneer je onderhandelt met een gegeerde coach. Maar misschien zijn er wel duurzamere manieren te bedenken om die bijkomende gelden te besteden. Misschien kunnen de lidgelden wat goedkoper worden? Misschien kunnen de kwaliteit en professionaliteit van de jeugdwerking van de bond, en van de clubs verbeterd worden? Krijgen de clubs van de bond een steuntje om hun werking te optimaliseren? Zeker de kleinere clubs die het hard nodig hebben? Of moet het voor hen blijven komen van pannenkoekenslagen, tombola’s en steunkaarten?
(De Standaard 7 juli 2009)

ingediend onder Mijn gedachtBart schrijft... • (1) ReactiesPermalink

image

‘NOMAD’  Roland Patteeuw

ingediend door Bart Caron op 22/06/2009 om 08u52

Roland Patteeuw. Een man uit één stuk? Een man uit vele stukken? Laat me maar voor dat laatste kiezen. Laat me dat illustreren aan de hand van een anekdote. Toen ik Roland – vrienden spreken elkaar aan met de voornaam – vorige maand aan de telefoon kreeg, na de mededeling dat de Kunsthalle Lophem geen structurele subsidie zou krijgen uit het Kunstendecreet, was Roland woedend. Hij zou alle leden van de commissies – begrijp de zelfverklaarde kunstpausen – aan de muur spijkeren via een vlammend betoog in een krant of een blad. Hij zou geen emotionele argumenten bezigen, maar dat doen met het argument dat ze niet uitgaan van de dynamieken en noodzaken die aan de kunst zelf ten grondslag liggen, én … Wat daarna kwam, laat ik voor zijn of voor mijn memoires. Het tweede feit waar ik naar wil verwijzen is de wijze waarop Roland het boek NOMAD aan mij bezorgde. Ook dat gebeurde op een merkwaardige wijze. We leven, hoewel beide West-Vlaming, toch een heel eind van elkaar af. We konden het niet anders regelen dan af te spreken op het perron van spoor 2 in Gent Sint-Pieters, in een tussenstop van de trein naar Antwerpen en Amsterdam. Wat Roland, die het boek pas had gekregen, op deze ene minuut zei was weinig of toch heel veel. Hij zei eenvoudig “ik ben ontroerd”. Meer niet, maar vooral ook niet minder.
Het zijn twee gebeurtenissen, twee fenomenaal belangrijke gebeurtenissen. Voor Roland Patteeuw en voor de kunst. Ze typeren de grootsheid van de kleine man, en ze typeren de kwetsbaarheid van de grote man.

Roland Patteeuw is een bijzondere figuur. Ik leerde hem echt kennen in de aanloop van Brugge 2002. Ik was toen eerst informateur en daarna coördinator van de culturele hoofdstad. In het toenmalige traject heb ik de problematiek van de hedendaagse kunst in de meest historische stad van Vlaanderen aangekaart. Daarin werd ik, zacht uitgedrukt, minstens gestimuleerd door Roland. Roland was toen voluit bezig met zijn incubaties, die zeer vruchtbaar zouden worden, ook voor Brugge 2002 zelf. Roland bepaalde, naderhand bekeken, het beeld van de hedendaagse kunst in de culturele hoofdstad, met onder meer Attachment+,  de belangrijkste hedendaagse kunsttentoonstelling van dat jaar.
We waren het er over eens dat dit ook het pijnpunt was van Brugge, nl. de gebrekkige omkadering van hedendaagse kunst in de oude stad. Jammer genoeg werd het aangezette traject van toen niet met dezelfde kracht doorgezet. Het Brugse Cultuurcentrum probeert, vooral in De Bond, de artistieke evoluties levendig te houden, en dat is bijzonder verdienstelijk. Maar stellen dat Brugge een biotoop is voor hedendaagse kunst en kunstenaars, is bedrog plegen. We ervaren er het typische klimaat van de kleine stad, van de historiserende stad, die vooral een toeristische illusie verkoopt. Dat laatste is voer voor een ander betoog. Immers, er is ook nog de Kunsthalle Lophem. Roland richtte ze pas laat in zijn artistiek parcours in. In 1993. Hij is dan al 48 jaar oud. Hij doet dat op een moment dat zijn artistieke geest en discours helemaal gerijpt zijn. Hij reikt kaders aan, aan kunstenaars die een stap of stappen willen zetten, die in hun artistieke proces de Kunsthalle kunnen gebruiken als milestone voor hun eigen ontwikkeling. En dat is ook wat echt is gebeurd.

In het verre Loppem hoor ik u al denken? Ik kan het dan niet laten om even te denken aan het – voor mij zeker – verre Balen, de plek waarop dit boek wordt voorgesteld. Balen, de plek van Jef Geys. Loppem, de plek van Roland Patteeuw. Twee zeer verwante artistieke zielen. Opererend vanuit het rurale Vlaanderen, maar zonder dat het een beletsel vormt voor een internationale visie en positie.
Het brengt me naadloos bij het belang van Roland Patteeuw voor de kunst en de kunstenaars. Ik zou deze passage eigenlijk liever overslaan. U gelooft het wellicht niet, maar toch is het zo. Een evaluatie maken is niet alleen delicaat, maar in het geval van Roland Patteeuw ook zeer moeilijk. Dat heb je zo met complexe persoonlijkheden. Hij past niet echt in een groep van Vlaamse curatoren of van auteurs. Hij wil er namelijk zelf niet bij horen. Roland mijdt vernissages en andere societymomenten. Hij vertoeft – zo denk ik toch – niet eens graag in gezelschap van de meeste, al dan niet zelfverklaarde, kunstpausen uit Vlaanderen. Roland houdt van authenticiteit, van eerlijkheid, van duidelijkheid. Deze drie kenmerken zijn inderdaad behoorlijk zeldzaam in het Vlaamse artistieke landschap, of liever landschapje. Dat, gemengd met een behoorlijke dosis eigenzinnigheid, koppigheid en een heel grote dosis visie, maken Roland tot was hij is. Hij is niet de grote mijnheer, of liever, hij wil niet de grote mijnheer zijn. Hij wil vooral een dienaar zijn, nederig maar met een mening, een dienaar van deze artistieke evoluties, van het werk van kunstenaars waarvan hij meent dat ze nu, maar vooral morgen bijzonder veel betekendend moeten zijn voor de kunst en voor de samenleving. De feiten geven hem meer dan gelijk.
Te beginnen met de periode voor de Kunsthalle. In 1968 al bouwde Roland Patteeuw tentoonstellingen. Hij deed dat eerst in Wakken. Die periode ken ik zelf niet. Hij ging toen in zee met kunstenaars als Roger Raveel, Dan van Severen en Raoul Dekeyser. In de vroege jaren ’70 zette hij projecten met onder meer Jef Geys, Jan Dibbets, René Heyvaert enz. Na een een aantal jaren zonder tentoonstellingen -Paztteeuw schreef en educeerde – richtte hij de Kunsthalle Lophem op en werkt er onder meer met Honoré d’O, Annemie Van Kerckhoven, Guillaume Bijl, Fabrice Hybert, Zhang Huang, Mario Airo of Yves Netzhammer … Allemaal kunstenaars die internationaal gewaardeerd worden. We mogen zonder enige terughoudendheid stellen dat Roland Patteeuw een buitengewoon belangrijke bijdrage geleverd heeft aan de artistieke evolutie en het traject van deze topartiesten, maar ook een buitengewoon belangrijke bouwsteen leverde aan de brede kunstevolutie in Vlaanderen en in Europa. Loppem of Venetië, Wakken of Sao Paulo, het relativeert een en ander. Een curator/auteur kan een grote invloed uitoefenen vanuit een ogenschijnlijk kleine plek.

De betekenis van Roland Patteeuw staat voor mij buiten de discussie. Er is geen plaats voor sceptici. Ik wil er nog een persoonlijk element aan toevoegen. Ik bewonder Roland omwille van de moed om blijvend tegen de schenen van het establishment te schoppen, niet alleen het artistieke, maar ook het algemeen maatschappelijke en politieke establishment. Op de hem eigen wijze, moedig de voor de hand liggende maatschappelijke schema’s en kunstopvattingen blijven bevragen. Dat doet Roland. Het heeft hem veel vijanden opgeleverd, maar ook veel vrienden. Ik heb bewondering voor iemand die dat kan en dat durft. Die zonder betweterig te zijn, uitkomt voor zijn ‘gedacht’, voor zijn mening.

Zijn mening over schilderkunst heeft mij al vaak aan het denken gebracht. Zegt hij letterlijk in het boek “Zo heb ik mij bijvoorbeeld vroeg bevrijd van de schilderkunst. Niet zomaar, maar om kunsthistorische en mentale redenen. Ik had nooit het parcours kunnen afleggen dat ik nu heb gevolgd, als ik had gedacht dat de schilderkunst nog een plaats had. Schilderkunst heeft vandaag voor mij geen echte potentie meer, in deze wereld van totaal nieuwe en andere media.” En ja, video en nieuwe media hebben de schilder bevrijd van zijn beperkingen. Roland heeft dus gelijk. Of ‘had’ hij gelijk? Zijn er niet toevallig enkele Vlaamse kunstenaars die vandaag wereldwijde furore maken met schilderkunst? Is er een nieuwe mentale ruimte ontstaan? Of is het toch maar schilderkunst in de commerciële sfeer, zoals Roland in het boek stelt. Controversiële stellingen dus, maar heel interessant.
Ik luister met heel veel plezier naar Roland, naar zijn opvattingen, ook al zijn ze niet automatisch de mijne. Dat zal wel iets te maken hebben met de pedagoog in Roland. Want dat heeft hij zijn hele leven al gedaan, mensen introduceren in hedendaagse kunst. Misschien kan je beter zeggen, mensen ‘verleiden’ om liefhebber te worden van hedendaagse kunst. Het is zoveel makkelijker om vanuit de ivoren toren van de beeldende kunst neer te kijken. Nee, dat doet Roland niet. Via lezingen, cursussen en kunstreizen brak hij de wereld van de kunsten open voor vele, voor zeer vele mensen. Roland mag je best beschouwen als een modelvoorbeeld van wat wij moment als de noodzaak van de kunsteducatie benoemen. Ik ben ervan overtuigd dat we de schare van kunstliefhebbers moeten verruimen door mensen de de kunsttaal, de codes uit te leggen, door heb een bruggetje te bouwen, en hen zo over de mentale/intellectuele drempel te helpen. En eenmaal ze binnen zijn in het grote huis, en te tonen dat er vele kamers zijn, veel uitdrukkingswijzen, veel werkwijzen. ‘Verdieping’ van de cultuurbeleving heeft dat vandaag. In het boek staat daarover een prachtige passage: “De Kunsthalle zou in 1993 de deuren openen. De Italiaanse kunstenaar Michelangelo Pistoletto, met wie Patteeuw een nauw contact had, zou tijdens zijn bezoek een paar dagen voor de opening zeggen: ‘Merkwaardig. Normaal opent men een ruimte en werkt men er vervolgens aan om een publiek op te bouwen. Hier is er al een publiek, dat een nieuwe ruimte aangeboden krijgt’.”

Ik zou het vandaag over nog zoveel meer kunnen hebben, over de levenslange samenwerking met Jef Geys bijvoorbeeld. Daar kan u beter het boek voor lezen. Het is een rode draad door zijn leven, zeer betekenisvol, met vele lagen en dimensies.

Ik wil graag nog even terugkeren naar de controverse. Ik wil een klein stukje voorlezen uit een column van Roland voor H’art Magazine.
“Hoepla, Canvas, Hoepla. Combinatie van carnavaleske stoet met talentenjacht.
Zoveel is duidelijk, de makers van de Canvascollectie hebben geen kaas van beeldende kunst gegeten. Een wedstrijd moedigt immers de verwarring bij het grote publiek nog meer aan. Er wordt gesuggerereerd dat kwaliteit in hun programma meetbaar (en dus controleerbaar) wordt. Dat heet: gebrek aan elementaire integriteit voor het ontstaan en de historie van de beeldende kunst. (…) Het behoort precies tot de taken van de ‘betere’ zender met cultuurpretenties het eenzijdig markttechnisch denken onderuit te halen. En op langere termijn een soort oplagplaats te creëren voor kwaliteit, d.w.z. kritische alertheid en dito ervaringen. (…) Kunst is en blijft een creatieve bezigheid die van de mens op zoek naar verruimende mentale ervaringen. Hou op met de de kijkers als culturele pubers te behandelen en beeldende kunst als een elitaire troep voor te stellen die toe is aan een populistische uitverkoop. Stop de lucratieve selectiespelletjes. Kom met inhoudelijke onderbouwde programma’s tot de kern van de zaak. Maak van kwaliteit een breed inhoudelijk discours!”
Ik ben het helemaal eens met Roland Patteeuw en zou het niet beter kunnen formuleren. Laat ons vooral blij zijn dat we nog iemand hebben die de moed heeft het zo duidelijk te zeggen.

Mag ik van de gelegenheid gebruik maken de blijvende strijd van Roland Patteeuw tegen de commercialisering van de kunst aan te halen? Hij is ook op dit terrein een eigenzinnige gast, maar ook mijn bondgenoot. Natuurlijk mag iedereen zijn boterham verdienen met kunst. Zo dik mogelijk belegd uiteraard. Maar een uitsluitende mercantiele benadering van beeldende kunst – nog steeds de belangrijkste – is en blijft ondraaglijk. Ook hier voel ik me zeer verwant met Roland Patteeuw.

Ik moet nog even terug komen op de situatie van de Kunsthalle Lophem. Meer in het bijzonder op de problemen die de instelling vandaag kent. Het dichtdraaien van de subsidiekraan heeft dramatische gevolgen. De werking staat gedwongen op een laag pitje. En toch is er net nu dit boek. Slechte mensen zouden dit boek wel eens kunnen beschouwen als een eindpunt, als de afronding van een carrière. Oh, wat kan perceptie toch verkeerd zijn.
De opeenstapeling van tegenslagen sinds eind 2006 heeft de werking weliswaar gehypothekeerd, maar ze is niet dood. Integendeel, het project NOMAD Roland Patteeuw is een tussenstand, geen eindstand. Na 40 jaar nationaal en internationaal curatorshap zet het Brugse Cultuurcentrum, met steun van de Vlaamse Gemeenschap, de carrière extra in de verf met een belangrijke tentoonstelling verspreid over 5 locaties en met dit boek uiteraard.

De ongenadige subsidieregels verdragen misschien nog wel eigenzinnige curatoren, maar zeker geen tegenslagen. De Kunsthalle Lophem is er het slachtoffer van geworden. Maar de problemen zijn (administratief) bijna van de baan. De Kunsthalle – een prachtige locatie – verdient een mooie toekomst. Ik ben er haast zeker van dat Roland daarvoor ook de weg gaat bereiden. Ik hoop dat hij zich daarbij omringt met zakelijke mensen die de financiële omkadering kunnen leveren, maar ook met bevlogen collega’s, die onvermijdelijk ook opvolgers zullen worden. Niemand heeft het eeuwig leven, behalve de kunst zelf.

Mag ik nog iets zeggen over het boek NOMAD? Ik kreeg de kans één van de eerste lezers te worden. Mag ik ook de auteur, Marc Ruyters gelukwensen? We kennen zijn kwaliteiten natuurlijk al langer, maar ook nu zien we weer een zeer goed geschreven boek. En mag ik het zeggen? Het is en toegankelijk en tegelijk niet vulgariserend. Het graaft diep, duidt, weidt even uit, situeert in een brede artistieke context, maakt het voortschrijdend proces dat Roland Patteeuw doormaakt, ook zeer helder. Het boek bevat ook de En vergeet de columns van Roland zelf, maar bovenal een zeer interessante collectie foto’s van de tentoonstellingen. Daar staat een schat aan materiaal in.

Ik rond af. De Kunsthalle is voor mij een ijkpunt. Een vergelijkingsplatform als ik op een ander kom. Het is een leerschool - dank u Roland. En het is een belangrijke halte van mijn eigen cultureel parcours. Ik hoop uit de grond van mijn hart hoop ik ook dat dit zo mag blijven.
Proficiat Roland.

Bart Caron

ingediend onder Bart schrijft... • (1) ReactiesPermalink

image

Een veelkleurige culturele lente

ingediend door Bart Caron op 15/01/2009 om 23u32
Participatie? Het doel is mensen te bekwamen in hun onafhankelijke ontwikkeling. Dit moet starten met het erkennen en waarderen van dat ene bezit zonder hetwelk zij in hun eigen ogen zouden ophouden te bestaan: hun cultuur.” Dit citaat komt uit het Unesco-conventie over culturele diversiteit.

Vorige week schreven drie vertegenwoordigers van de Open VLD een opiniestuk met hun visie op het cultuurbeleid. Het is een duidelijke visie in ieder geval. Vooral hun uitspraak over participatie heeft ons getroffen. Ze schrijven “Participatie is een hoog goed, ook voor ons. (…) men kan en mag die niet afdwingen. Dat is paternalistisch, zelfs neerbuigend tegenover de burger en cultuurconsument en maakt inbreuk op de vrijheid van de kunstenaar. Wat dat betreft kiest men beter voor intelligente investeringen in cultuureducatie en-introductie voor kinderen, jongeren en volwassenen waarbij iedereen nog steeds over de vrijheid beschikt om zelf te kiezen. Ook cultuur is immers een kansenverhaal.
Alleen de twee laatste zinnen plezieren ons: cultuureducatie is inderdaad dé sleutel tot participatie.

De eerste zinnen zijn ronduit onzin. “Participatie afdwingen”? Wil iemand dat? Cultuur is toch geen gevangenis van de vrije tijd en de uitspraak komt vrij neerbuigend over ten aanzien van de actor waar het in eerste instantie om te doen is: de burger.

Als het bij participatie gaat om ‘het bekwamen van een onafhankelijke ontwikkeling’ dan kan er geen sprake zijn van afdwingen. De klemtoon ligt op de bewuste keuze. Om een keuze bewust te maken moet je inzicht en overzicht hebben in en van de mogelijkheden. Zie de vergelijking met het onderwijs. Je kan de vraag of iedereen naar de universiteit moet, toch eenvoudig beantwoorden. Nee, natuurlijk moet niet iedereen naar de universiteit. Maar iedereen moet wel de kans krijgen, of preciezer gezegd: de maximale toegang krijgen tot onderwijs. Er wordt al vele decennia gewerkt aan het slopen van onderwijsdrempels, maar nog steeds gaat slechts een minderheid naar het hoger onderwijs en lezen we niet dat arbeiderskinderen en kinderen van allochtonen nog steeds een achterstand hebben? We willen dus dat het onderwijs alle jongeren de kansen geeft zijn/haar interesses te verkennen en zijn talenten maximaal te ontwikkelen.
Cultuurparticipatie is van eenzelfde orde en belang als onderwijsparticipatie. En dus zeer nodig en zinvol. Maar het is niet de verantwoordelijkheid van de kunstenaar hiervoor te zorgen. Dat zou hetzelfde zijn als zeggen dat de wetenschapper verantwoordelijk is voor gelijke onderwijskansen.
Je moet dus de mensen de kansen bieden om te kiezen, ook om af te wijzen. Wij behoren tot die gelukkige mensen die kunnen kiezen. Als we kiezen voor een avondje voetbal op tv, in plaats van het concert in de schouwburg, dan is dat oké. Durft iemand ons tegenspreken?

De VLD-collegae doen alsof cultuurparticipatie zich beperkt tot een deelname aan kunsten. Dat is niet zo natuurlijk. Het gaat ook over een musical of een film bekijken, een rockconcert of festival bijwonen of een boek lezen … Is het dan niet de bedoeling dat een organisator van rockconcerten zoveel mogelijk publiek bereikt? Om commerciële redenen uiteraard, maar toch ook omdat zoveel mogelijk mensen moeten kunnen 'genieten'? Als er veel publiek komt naar U2, daalt het niveau van het concert dan?
Ook de culturele verenigingen komen bij hen niet in beeld. Ze werken aan toeleiding, beter dan de beste marketeer, meer dan een educator, kunnen meer bieden dan het individuele bezoek, meer zijn dan een bemiddelaar .. Waarom? Omdat ze alles samen zijn. Participatie op je eentje doe je minder dan met andere mensen samen. Je moet niet eens ver in de geschiedenis teruggaan om te zien dat participatie in groep een sterk emanciperend effect heeft voor de individuele leden. 'Volksverheffing' nietwaar.

Er is echter meer. Bij participatie moet je naar het aanbod én naar de vraag kijken. Brede lagen van de bevolking komen onvoldoende in beeld / aan bod. Het aanbod sluit aan bij een vrij beperkt segment, en niet bij mensen die worden uitgesloten. De laatste groepen vragen erkenning van het feit dat alle mensen cultuur zijn en cultuur hebben. Een uitstekend voorbeeld hiervan is de sociaal-artistieke werkvorm.
Dat brengt ons naadloos bij de kansengroepen, bij mensen die minder kansen – en de bagage en de educatie –  hebben gekregen. Hun keuzemogelijkheden zijn de facto beperkter en daarom is een specifiek instrumentarium nodig. Dan doe je extra-inspanningen zodat die mensen 'kunnen' meedoen. Daar is niks neerbuigends aan, voor zover je mensen niet stigmatiseert noch dwingt. Artikel 27 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens stelt: “Je hebt het recht om te genieten van wat kunst en wetenschappen voortbrengen.”

En tot slot is er de uitspraak dat participatie een inbreuk zou plegen op de vrijheid van de kunstenaar? Betekent dat dan dat de autonomie van de kunstenaar het beste gediend is zonder publiek? Willen theatermakers liefst lege zalen, auteurs geen lezers, beeldende kunstenaars geen kijkers? En organisatoren van festivals lege weiden? Nee toch?
Kunstenaars willen aandacht krijgen en geliefd worden. Kunst moet aandacht, emotie, reactie losweken bij de bezoeker of de toeschouwer. Kunst is communicatie. Dus wil de kunstenaar publiek zien en voelen. Bij voorkeur een publiek dat mee stapt in het artistieke proces dat de kunstenaar aflegt, een publiek dat openstaat voor zijn ideeën of vragen. En bij voorkeur ook een zo ruim mogelijk publiek. Wie wil kunst creëren met de bedoeling om die aan zo weinig mogelijk mensen te laten zien of horen? Dus graag met velen, maar ook kwaliteitsvol. De kunstenaar wil, terecht, dat de toeschouwer zich inspant om de kunstenaar te volgen. Interactie is een wederkerig proces.

Participatie verbindt de begrippen cultuur, empowerment en democratie. Maar dat vereist toegang tot zeggenschap en macht. Participatie is dus democratie in actie. En die richt zich tot een gemeenschap die iets deelt, waar geen schaarste maar overvloed van is.

Wie de participatiegedachte wil verbannen, kom uit bij de woorden van Enzensberger:
Omdat het dus iemand anders is,
altijd iemand anders,
die daar spreekt,
en omdat degene
van wie dan sprake is,
zwijgt
.’


Bart Caron, onafhankelijke
Ann Demeulemeester, voorzitter Demos
Ivo Janssens, directeur Demos
ingediend onder Bart schrijft... • (0) ReactiesPermalink

pagina 1 van 5  1 2 3 >  Laatste »

Groen!


maart 2010
Z M D W D V Z
  1 2 3 4 5 6
7 8 9 10 11 12 13
14 15 16 17 18 19 20
21 22 23 24 25 26 27
28 29 30 31      

Abonneren


Zoeken


Muziek

This text will be replaced by the flash music player.

Bart Caron met contrabas (foto: Viviane Decock)

foto Viviane Decock

 

Nieuws


© 2009 - Bart Caron