Hoe kun je taalkennis gebruiken om mensen zonder inkomen te zetten?
IK heb me maandagmorgen dik gemaakt op Sofie Staelraeve van Open VLD (,,De uitbuiting van armoede'' DS 2 april). Zij presteert het om te beweren dat een aantal partijen ,,armoede uitbuiten'', dat ze het tot heet hangijzer uitroepen van de federale verkiezingscampagne.
Dat een rechtse liberaal dat niet doet, is te begrijpen, maar de argumenten waarom zijn dat allesbehalve. Dat de leeflonen in België te laag zijn, wordt door haar enigszins lacherig ontkend. Ze zet alles in op de 'werkloosheidsval'. En ja, dat is nog juist ook.
Het verschil tussen het leefloon en de laagste inkomens uit arbeid is, zeker voor alleenstaanden met kinderen, te klein.
Daar zijn drie oplossingen voor.
Eén: verhoog de laagste lonen, bij voorkeur door de bruto lonen (licht) te verhogen en de sociale lasten verder te verlagen zodat het nettoloon behoorlijk stijgt.
Twee: investeer in arbeidstoeleiding en opleiding.
Drie: verhoog de leeflonen voor wie finaal toch nog door de mazen van het net dreigt te vallen.
Maar dat is slechts één facet.
Armoede is nog veel meer het gevolg van ofwel het ontbreken van een inkomen - denk aan de asielzoekers - of een andere al te lage uitkering of vervangingsinkomen. Neem de lage pensioenen, van onder meer mensen zonder volledige loopbaan, van kleine zelfstandigen, van werkmensen met een toenmalig laag arbeidsinkomen. Of denk aan de ziekte-uitkeringen voor mensen die niet eens kunnen werken. En zo kom je aan een meer dan marginaal deel van de bevolking. Het gaat dus bijlange niet alleen over leefloners.
De vervangingsinkomens hebben de welvaartsstijging niet gevolgd, zo stelde onder meer Bea Cantillon, en lopen steeds verder weg van de arbeidsinkomens. Dat veroorzaakt een stijgende groep armen, of mensen die er dreigen in terecht te komen. Overigens wordt er in België een internationale standaard gehanteerd om de armoede in kaart te brengen. Het gaat om een inkomen dat lager is dan zestig procent van de mediaan van de Belgische inkomens. Daar zit 14,5 procent van de Belgen onder. Dat is toch geen cijfer om fier op te zijn?
Sofie Staelraeve mag als OCMW-voorzitter van Kuurne ondervinden dat er steeds meer mensen bij het OCMW aankloppen. Dat is voor haar geen bewijs van toenemende problemen, waaronder armoede. Van wat dan wel? Van het feit dat steeds meer mensen de moed hebben om hun eigen situatie in handen te willen nemen?
Wel, dat is dan het enige goede nieuws. Toch blijkt uit alle cijfers dat het aantal mensen met schulden elk jaar stevig toeneemt. Dat er groeiende wachtlijsten zijn voor schuldbemiddeling. Voor die problemen zijn er veel redenen. Redenen die vaak buiten de wil van mensen om liggen. Het is al te eenvoudig om je er met een 'eigen schuld, dikke bult' vanaf te maken. Schulden zijn trouwens geen kenmerk van 'armen', maar komen evenveel voor bij middenklassers en rijke mensen.
En dan wil ik nog even stilstaan bij de onderliggende racistische ondertoon van het stuk van Staelraeve. Schrijven dat ,,in de praktijk het leefloon vooral toekomt aan nieuwe migranten'' is de waarheid al verdraaien, maar beweren dat de toekenning van het leefloon moet worden gekoppeld aan verplichte taallessen en een examen na één schooljaar, is er ver over. Taalkennis gebruiken om mensen zonder inkomen te zetten is ... ik heb er geen woorden voor. Maar waarom moet zo'n regel alleen gelden voor hen? Wat doen we dan met buitenlandse werknemers die hier topfuncties of knelpuntjobs komen invullen, en helemaal geen Nederlands kennen? Zij moeten toch ook geen kennis hebben van onze taal, en ze leven ook tussen ons?
Tot slot. Het Instituut voor de Nationale Rekeningen liet vorige vrijdag weten dat de lonen in de meeste West-Europese landen en in de VS trager stegen dan het bbp. Het aandeel van de lonen in het bbp is abnormaal laag. De bedrijfswinsten groeien fors. Ook de loonspanning neemt snel toe. Regeringen, centrale banken en vele andere bewindslui waarschuwen ervoor dat de stijgende ongelijkheid negatieve economische gevolgen kan hebben. Als liberaal moet Sofie Staelraeve daar even stil bij staan, zeker als ze ziet dat het aantal armen toeneemt.
Vogels en Vervotte botsen allebei op een muur van onmacht.
Dinsdag haalde Mieke Vogels in een interview in deze krant enigszins betweterig uit naar welzijnsminister Inge Vervotte. In een opiniestuk van woensdag reageert Inge Vervotte even fel, wat venijnig, met messcherpe sneertjes Het moge duidelijk zijn, de twee dames liggen mekaar niet.
Wie weet het nu het best? Voert Vervotte inderdaad een CD&V-beleid van restauratie? Of moeten we de satire bijtreden van hen die Groen! de CVP in het kwadraat noemen?
De kern van de zaak is: Vervotte botst nu op dezelfde muur als haar voorgangster Vogels, namelijk een muur van onmacht. We leven in een samenleving die, hoe welvarend ze ook is, geconfronteerd wordt met een hypercompetitieve wereld, met alle gevolgen van dien, zoals individualisering, en sociale uitsluiting. Maar de bevolking wordt ook steeds veeleisender: mensen willen goede zorgen, een kwaliteitsvolle hulpverlening, degelijke kinderopvang enzovoort. Dat CD&V het varkentje van de wachtlijsten wel snel zou wassen en het mangelende paarse beleid zou remediëren, was te hoog gegrepen. Het was vooral te simplistisch. We kunnen de noden niet zo snel kunnen invullen.
Sinds 2004 worden zowat alle wachtlijsten langer in plaats van korter. En dat is niet eens de schuld van deze of gene welzijnsminister. De zorgvragen nemen gewoon supersnel toe. Ouderen en personen met een handicap werden vroeger in familiaal verband opgevangen. Nu vragen mensen systematisch externe hulp. Daarnaast leven we nu eenmaal langer, hebben we meer nood aan kinderopvang enzovoort. En vooral, wachtlijsten roepen wachtlijsten op. De schrik van mensen dat ze geen hulp krijgen, zet hen aan om zich zo snel en zo vroeg mogelijk in te schrijven. Daarnaast knallen we hard tegen de muur van onze staatsindeling aan. Ons welzijnsbeleid botst permanent op federale hindernissen zodat Vlaanderen niet eens goed kan besturen. We mogen ook niet vergeten dat we in Vlaanderen nog steeds een zeer grote impact zien van de zuilen.
Welzijnswerk is bij ons in ruime mate verpand aan vooral christelijke en in kleine mate anders geïnspireerde voorzieningen. Ze doen schitterend werk, maar ze wegen als lood op het beleid, omdat hun directe belangen primeren op het algemeen belang. Vogels probeerde ze te verleiden, maar hield te weinig rekening met hun noden. Welke coalitie ook aan de macht is, er is altijd te weinig politieke bereidheid om de nodige middelen vrij te maken. Dat is een regelrecht schande. Maar geld alleen brengt niet de oplossing. De welzijnssector moet ook durven te vernieuwen. De vorige minister is daarmee begonnen, jammer genoeg staat de huidige ploeg wat op de rem. De regelgeving in welzijnsland is complex en verstikkend. Ze laat weinig vernieuwing of flexibiliteit toe. Daar lijkt de huidige minister ook weinig aan te willen veranderen.
Niet dat er niet hard wordt gewerkt in deze regeerperiode. Vervotte trekt na een aarzelende start de slee met kracht vooruit: het Globaal Plan in de Bijzondere Jeugdzorg, de inspanning voor de infrastructuur van rusthuizen, voorzieningen voor gehandicapten enzovoort. Het kan veel slechter. Ze verdient dus onze steun, maar ze moet ook inzetten op zorgvernieuwing en op zorgzekerheid, om een beetje afstand te nemen van belangen van de bevriende zuil, maar vooral om de collega´s van de regering en Vlaams parlement een geweten te schoppen. Dat er in het onwaarschijnlijke kluwen toch nog een behoorlijk beleid wordt gevoerd, vandaag én gisteren, kan alleen te danken zijn aan het engagement van de huidige en voormalige minister.
Gisteren, vandaag en morgen hebben we koningin Beatrix op bezoek. Vorige week vierden we in Amsterdam 25 jaar de Brakke Grond. Net daarvoor zagen we de bouwplannen voor het Vlaams-Nederlands huis deBuren in Brussel. Momenteel werkt de Nederlandse Taalunie aan een nieuw meerjarenbeleidsplan. Zit de Vlaams-Nederlandse culturele samenwerking in de lift? Of moeten we scheiden, zoals Harold Polis voorstelde (DM 15/6)? Zijn bloednuchter pleidooi voor meer pragmatiek bevalt me anders wel. Emotionele betogen over Groot-Nederlandsgezindheid gaan aan mij voorbij.
Bij nader toezien hebben we buiten een gemeenschappelijke taal niet zoveel 'samen' met Nederland. Is dat erg? Nee. Ik wil pleiten voor het 'verschil'. Als we in Vlaanderen pleiten voor culturele diversiteit, in leefstijlen, cultuuruitingen en religie, precies omdat een diverse samenleving rijker is dan een monoculturele, dan moeten we dat ook doen in onze internationale culturele relaties. Hoe diverser, hoe rijker. Dat is ook de reden waarom de Europese Unie artistieke uitwisseling stimuleert. Een cultuur met muren eromheen lijdt snel aan bloedarmoede.
Streven naar culturele gelijkheid met Nederland kan nooit zinvol zijn. We leren meer uit het verschil dan uit het gelijke, ondergaan er meer artistieke invloed van, reflecteren intenser, en genieten... Laten we proberen het verschil te maximaliseren. De culturele relaties met Nederland zijn niet anders dan die met pakweg Marokko.
Of toch wel? We hebben toch een gemeenschappelijk taal? Dat is een ijzersterk instrument voor functionele communicatie. En het is veel meer dan dat. De taal staat niet los van cultuur, maar is er nauw mee verbonden. Ze is drager van artistieke expressie in de letteren, het toneel of de film. Een gemeenschappelijke taal verbreedt de keuzemogelijkheden. Het aanbod aan voorstellingen, boeken en televisieprogramma's is groter. Het biedt theatermakers en auteurs de mogelijkheid hun werk ruimer te (ver)spreiden.
Het is een meerwaarde, die we echter niet voldoende zichtbaar maken. De meeste instituten die we met onze noorderburen delen, blonken niet steeds uit in creativiteit en in dynamiek. De onverholen kritiek van Harold Polis op de Nederlandse Taalunie is, alhoewel onjuist, begrijpelijk.
Ja, het verdrag hanteert nog een taal uit de vorige eeuw. Maar uit de beleidsplannen en de werking van de Taalunie komt een hedendaags taalinstituut tevoorschijn, met een zeer verscheiden werking, internationaal gericht, en met een grote aandacht voor de sociale rol van de taal, in inburgeringsprocessen bijvoorbeeld. Kijk gewoon op http://www.taalunieversum.org/taalunie. Alleen, dat huis loopt wat gebukt onder zijn statuut, onder de verambtelijking, de beperkte externe communicatie en de politieke sturing die leidt tot een 'stil' bestaan en trage besluitvormingsprocessen. Het Comité van (vier) ministers neemt de beslissingen na complexe procedures, de invloed van de parlementen is beperkt tot een adviserende rol via de Interparlementaire commissie. Het is de enige officiële Vlaams-Nederlandse commissie, maar ze heeft haast geen formele bevoegdheden en dus weinig invloed.
Een gemeenschappelijke taal onderhouden is niet vanzelfsprekend. We groeien uit elkaar, vooral in de uitspraak. Wij ondertitelen Nederlandse fictieseries van het type Baantjer en de NOS doet hetzelfde met Flikken. In Nederland is er een protestbeweging tegen de spellingaanpassing. Het platform De Witte Spelling ontwikkelt een alternatieve spelling, een 'wit boekje' met eenvoudiger regels.
Veelbelovend zijn de evoluties bij deBuren en De Brakke Grond. DeBuren positioneert de samenwerking in een Europees en breed cultureel discours. In de Brakke Grond is er een nieuwe en krachtige artistieke dynamiek. Het is een uiterst levendig huis, zo konden we ervaren bij het feest naar aanleiding van het 25-jarig bestaan. Het is een uitvalsbasis en artistiek centrum.
Laten we dus pragmatisch samenwerken. Laten we vanuit een gedeelde taal samenwerken rond alles wat ermee verbonden is, zoals een gemeenschappelijk internationaal letterenbeleid, hoger onderwijs, televisie en filmproductie, enzovoort. Niet om tot homogeniteit te komen, maar om het verschil te beklemtonen. Voor de rest hebben we inderdaad geen gedeelde cultuur, gelukkig maar.
Op donderdag 24 februari 1972 werd in een lokaal van de Senaat het Cultuurpact geparafeerd door vertegenwoordigers van wat toen de drie grote politieke families van dit land waren: BSP-PSB, CVP-PSC en PVV-PLP. Ook het FDF-RW en de KP-PC sloten zich daarbij aan. Enkel de Volksunie bleef aan de kant staan.
Het Cultuurpact kwam er naar aanleiding van de vrees die aan beide zijden van de taalgrens was ontstaan, namelijk dat de defederalisering van het cultuurbeleid mogelijks zou leiden tot de achterstelling van vrijzinnigen en katholieken in respectievelijk het noorden en zuiden van het land.
Het pact kreeg een juridische verankering via de wet van 16 juli 1973 waarbij de bescherming van de ideologische en filosofische strekkingen gewaarborgd wordt. Enkele maanden later, op 28 januari 1974, stemde ook de Vlaamse Cultuurraad een decreet betreffende het Cultuurpact.
De bepalingen van het Cultuurpactdecreet zijn van toepassing op alle overheidsmaatregelen in verband met culturele aangelegenheden. Eén van die aangelegenheden, punt 6, zijn de radio-omroep en de televisie.
Volgens artikel 8 moeten de overheden "de gebruikersgroeperingen en de ideologische en filosofische strekkingen volgens een billijke democratische en werkelijke vertegenwoordiging met medebeslissende of adviserende stem betrekken bij het beheer van de culturele instellingen, opgericht door of ressorterend onder de overheid."
Dat recht op vertegenwoordiging steunt hetzij op het bestaan van een vertegenwoordigende gebruikersorganisatie in het bevoegdheidsgebied van de overheid, hetzij op het bestaan van een vertegenwoordiging van de ideologische en filosofische strekking in de vertegenwoordigende vergadering van de overeenstemmende overheid.
Waar er voor de gewone culturele instellingen drie mogelijkheden zijn om de Raad van Bestuur samen te stellen (politiek, specialisten of een mengvorm) maakt het Cultuurpact voor Radio en Televisie een uitzondering: "De instituten voor radio en televisie moeten, in de samenstelling van hun bestuurs- en beheersorganen, de evenredige vertegenwoordiging van de politieke fracties in elke Cultuurraad in acht nemen."
Een kwestie van perceptie?
Het zijn met andere woorden de grote politieke fracties in het Vlaams Parlement die elk een aantal bestuurders aanduiden en afvaardigen. Het aantal wordt bepaald door de getalsterkte in het parlement, conform het systeem D'Hondt. Concreet betekent dit dat de twaalf huidige bestuursleden aangeduid zijn door de vier grote partijen in Vlaanderen. VB, VLD, sp.a en CD&V tellen elk drie vertegenwoordigers in de Raad van Bestuur[1]. Groen!, N-VA en spirit geen.Deze twaalf vaste bestuursleden zetelen op basis van veronderstelde expertise. De partijen worden geacht deskundigen af te vaardigen, maar dit wordt eigenlijk niet gecontroleerd. Er is geen concrete functiebeschrijving waarnaar gehandeld wordt en ook geen selectieprocedure om de beste kandidaten uit te filteren. Deze werkwijze werd in het verleden herhaaldelijk aangeklaagd. Onder meer de gedelegeerd bestuurder gaf te kennen er moeite mee te hebben om bedrijfsgevoelige informatie door te spelen aan de Raad van Bestuur, laat staan om beslissingsmacht over te dragen. Links en rechts viel te horen dat niet alle bestuursleden de deontologische code even strikt naleven en soms strategische informatie, via de partijhoofdkwartieren, doorspelen aan de concurrentie.
Correct of niet, de Raad van Bestuur heeft snel de schijn tegen. Een blik op wie er namelijk in de Raad zetelt, versterkt dit gevoel. Het VB, dat in het verleden niet naliet te procederen tegen de VRT[2], stuurt onder meer twee van haar gemeenteraadsleden. Sp.a vaardigt onder andere de voorzitter van het socialistische ziekenfonds en de vrouw van parlementsvoorzitter De Batselier af. CD&V kiest voor een naaste medewerker van oud-voorzitter Stefaan Declercq, de woordvoerster van het ACW, en de voorzitter van Familiehulp (CM). VLD tenslotte stuurt onder andere een voormalig medewerker van fractieleider Patricia Ceysens (nu algemeen en politiek directeur van de VLD), en een voormalig ondervoorzitster van de partij.
Dit alles wil geenszins zeggen dat deze mensen onbekwaam zijn voor de functie van bestuurder of dat zij ter kwader trouw zouden zetelen, integendeel. Maar het onderstreept wel dat de huidige benoemingsprocedure geen enkele garantie biedt op een evenwichtige, deskundige en onafhankelijke samenstelling. Dit vertaalt zich in een soms uitgesproken wantrouwen tussen de Raad van Bestuur enerzijds en de Gedelegeerd Bestuurder en het Directiecomité anderzijds. In de voorbije jaren zijn er hierdoor enkele openlijke conflicten ontstaan.
Dit vertaalt zich in een soms uitgesproken wantrouwen tussen de Raad van Bestuur enerzijds en de Gedelegeerd Bestuurder en het Directiecomité anderzijds. In de voorbije jaren zijn er hierdoor enkele openlijke conflicten ontstaan.
Corporate governance
In een poging de spanningen tussen Raad van Bestuur en Directiecomité te ontmijnen werd op 21 maart 2005 een Charter van Deugdelijk Bestuur door de Raad van Bestuur aangenomen. Het Charter is een soort reglement van inwendige orde dat binnen de lijnen van de mediadecreten opereert. Daarin wordt voor de bestuurders een soort gedragscode geformuleerd met elementen als discretieplicht, het vermijden van belangenconflicten, en onafhankelijkheidscriteria[3]. Indien de Raad van Bestuur oordeelt dat een bestuurder zijn absolute discretieplicht heeft geschonden of de regels inzake belangenconflicten niet heeft gerespecteerd, zal de voorzitter aan de Algemene Vergadering, met name de Vlaamse Regering, voorstellen om deze bestuurder uit zijn functie te ontslaan.
Het Charter is duidelijk geïnspireerd door de Belgische Coporate Governance Code[4] die eind 2004 in de nasleep van het Picanol-schandaal onder de leiding van Graaf Maurice Lippens werd ontwikkeld. Hoewel deze Code enkel van toepassing is voor beursgenoteerde vennootschappen, strekt het ook de grote overheidsbedrijven tot aanbeveling om de richtlijnen van de Code op te volgen. De overheid heeft inzake corporate governance namelijk een belangrijke voorbeeldfunctie te vervullen. Dit geldt zeer zeker voor de openbare omroep, een NV van publiek recht, met een uitermate belangrijke rol in het functioneren van onze samenleving en democratie.
De Corporate Governance Code geeft onder meer enkele principes en richtlijnen over de samenstelling van de Raad van Bestuur. Principe 2 stelt dat die Raad doeltreffend, efficiënt en minstens gedeeltelijk onafhankelijk moet zijn. Principe 4 bepleit een rigoureuze en transparante procedure van benoeming en beoordeling van de bestuursleden, op basis van selectiecriteria en de in de Raad van Bestuur noodzakelijke kennis. De wijze waarop evenwel de leden van de Raad van Bestuur van de VRT worden benoemd, voldoet geenszins aan deze principes.
Inzake onafhankelijkheid stelt het Charter van Deugdelijk Bestuur van de VRT dat "de vertegenwoordiging van een politieke fractie van het Vlaams Parlement op zich niet noodzakelijkerwijs de onafhankelijkheid in gevaar brengt." Daarmee probeert men het probleem van de politieke aanduiding van bestuurders te omzeilen, maar niet echt op afdoende wijze. Immers, als het Charter stelt dat dit systeem van benoeming "niet noodzakelijkerwijs" de onafhankelijkheid in gevaar brengt, wordt de mogelijkheid dat dit toch het geval is dus niet expliciet uitgesloten.
Men kan zich overigens grote vragen stellen bij de afdwingbaarheid van het Charter. De beslissing om een bestuurder te ontslaan, blijft immers bij de Vlaamse Regering liggen. Het is met andere woorden de bevoegdheid van de politieke fracties om over het ontslag van een bestuurder, die aangeduid is door één specifieke fractie, te oordelen. Gezien het concurrentieel politiek en electoraal landschap, en gezien ook het belang van de democratische vrijheden, is dit een uiterst delicate oefening. In het verleden hebben we in meerdere gevallen kunnen vaststellen dat er een zeer grote terughoudendheid vanwege de politieke fracties bestaat om te oordelen over andere fracties. Denken we bijvoorbeeld aan de opheffing van parlementaire onschendbaarheid of de opschorting van partijdotaties[5].
Coöptaties
Op 10 mei 2006 werd in het Vlaams Parlement een nieuw VRT-decreet gestemd dat onder meer de verhouding tussen Raad van Bestuur en Gedelegeerd Bestuurder vastlegt. Voortaan is het voor de Raad van Bestuur mogelijk om nog drie bijkomende bestuurders te coöpteren op basis van aantoonbare expertise inzake het mediabeleid of het bedrijfsbeleid. De memorie van toelichting motiveert dit door te wijzen op het grote belang van de toepassing van corporate governance bij een vennootschap als de VRT. Uit het verslag van de besprekingen in de commissie valt op te maken dat de bevoegde minister benadrukt dat het om onafhankelijke experts gaat, die los van het Cultuurpact of van politieke verhoudingen worden aangeduid. Indien bij de coöptatie toch rekening zou gehouden worden met de politieke achtergrond, dan zou dit absoluut indruisen tegen de geest van het decreet.
Deze mogelijkheid is uiteraard een stap in de goede richting. Maar ook hier is er geen spijkerharde garantie voor de onafhankelijkheid van de gecoöpteerde bestuursleden. De coöptatie gebeurt immers niet op basis van een onafhankelijke selectieprocedure, maar op voorstel van de via het Cultuurpact benoemde bestuursleden. Bovendien kunnen zij deze mogelijkheid ook negeren en geen bijkomende experts coöpteren. Overigens kan de nieuwe bepaling die coöptatie van onafhankelijke experts mogelijk maakt, geïnterpreteerd worden als een impliciete bekentenis dat de huidige procedure geen garantie biedt op de noodzakelijke deskundigheid om een mediabedrijf van dergelijke omvang te besturen.
Vraag is eveneens of deze decreetwijziging de toets met het Cultuurpact kan doorstaan. In haar advies heeft de Raad van State hier geen enkele opmerking over gemaakt, niet in positieve zin en niet in negatieve zin. Het blijft echter twijfelachtig of een eventuele coöptatie van nieuwe bestuurders een klacht bij de Cultuurpactcommissie of de rechtbank het hoofd kan bieden. In die optiek is het interessant te verwijzen naar de functie van de Gedelegeerd Bestuurder, die enkel met adviserende stem zetelt in de Raad van Bestuur. Bij de totstandkoming van het Minidecreet in 1995 kreeg de Gedelegeerd Bestuurder in eerste instantie stemrecht. De Raad van State oordeelde toen echter dat in dat geval het Cultuurpact ook op deze functie van toepassing was. De bevoegde minister heeft toen het ontwerp van decreet gewijzigd en de Gedelegeerd Bestuurder enkel een adviserende stem toegekend, met de uitdrukkelijke bedoeling op deze wijze de functie te onttrekken aan het Cultuurpact.
Exit Cultuurpact?
Kortom, het charter en de mogelijkheid om drie deskundigen te coöpteren, zijn niet veel meer dan lapmiddelen. Een handige poging om een discussie over de kern van de zaak te vermijden, met name de partijpolitieke samenstelling conform het Cultuurpact. Nochtans zijn er genoeg argumenten te bedenken om tot een depolitisering van de Raad van Bestuur over te gaan.
Allereerst is het Cultuurpact een grotendeels achterhaald instrument. Een evenredige vertegenwoordiging van de diverse politieke en filosofische strekkingen had allicht zijn nut in de jaren zeventig, maar is nu volledig gedateerd. Onze samenleving is in belangrijke mate ontzuild. Men kiest niet meer van de wieg tot het graf voor deze of gene ziekenbond of vakbond. De strijd tussen katholieken en vrijzinnigen woedt enkel nog op de achtergrond. Er zijn diverse wettelijke instrumenten om de diversiteit af te dwingen, en vooral: politieke partijen kleven niet meer op filosofische strekkingen zoals dit ooit het geval was[6]. Bij VLD en sp.a vind je vandaag ook talrijke gelovige kiezers, net zoals vrijzinnigen ook voor CD&V kunnen stemmen. Andere filosofische strekkingen, bijvoorbeeld de islam, kennen geen politieke vertegenwoordiging. Filosofische diversiteit bekom je dus niet door de sterkte van politieke partijen af te meten.
Een dergelijk Cultuurpact kan je dus maar beter naar de geschiedenisboeken verwijzen. Dat is het standpunt van diverse politieke partijen. De opvolgers van de VU, spirit en N-VA, blijven uiteraard ijveren voor ontzuiling, net als Groen!. Maar ook CD&V, bij monde van Marc Van Peel en Ludwig Caluwé, heeft reeds meermaals een wetsvoorstel tot schrapping van het Cultuurpact ingediend[7]. En ook sp.a pleit in haar verkiezingsprogramma van 2004 voor een afschaffing van het Cultuurpact en wenst de politisering van cultuur een halt toe te roepen[8]. Vreemd dan ook dat deze twee partijen nadrukkelijk stellen niet voor een depolitisering van de Raad van Bestuur van de VRT te kiezen[9].
Of vastgeroeste traditie?
Die depolitisering zou het logische sluitstuk zijn van een proces dat zich reeds jaren voltrekt. In het verzuilde Vlaanderen van enkele decennia terug was een evenredige vertegenwoordiging van de diverse politieke en filosofische strekkingen allicht noodzakelijk om te vermijden dat de openbare omroep naar een bepaalde strekking zou overhellen. Dat evenwicht werd in alle geledingen doorgetrokken, zodat ook management en personeel op basis van partijkleur werden benoemd. Een recent doctoraat toont aan dat zelfs de journalisten zich tot een bepaalde partij moesten bekennen en dat er een evenwicht tussen die partijen werd nagestreefd[10].
Dit mocht dan misschien min of meer een garantie zijn voor onpartijdigheid, het resulteerde niet in kwaliteit en slagkracht. Dit werd pijnlijk duidelijk bij de opkomst van de commerciële omroepen in Vlaanderen. De toenmalige BRT kreeg rake klappen in de kijkcijfers en zag zijn voortbestaan openlijk in vraag gesteld.
De Vlaamse Regering en parlement besloten daarop de openbare omroep drastisch te hervormen, door haar een maximale autonomie te verlenen. Dankzij onder meer het Minidecreet (22 december 1995) en het Maxidecreet (29 april 1997) herwon de BRT, intussen omgedoopt tot BRTN en later VRT, haar dynamiek. De politiek zou zich niet langer bemoeien met programmatie en personeelsbeleid, door deze bevoegdheid exclusief bij de Gedelegeerd Bestuurder in plaats van de Raad van Bestuur te leggen. De nieuwsdienst kreeg een redactiestatuut en een deontologische code die haar onafhankelijkheid verankerde. Enkele jaren later, in 2001, werden ook de uitzendingen door politieke derden afgeschaft. De motivatie hiervoor was het quasi unaniem aanvaarde uitgangspunt dat de VRT in haar nieuws- en duidingsprogramma's reeds voldoende onpartijdigheid en pluriformiteit aan de dag legt[11].
De laatste directe partijpolitieke inmenging is vandaag dus nog de samenstelling van de Raad van Bestuur. Uit het verslag bij de bespreking van het Minidecreet kunnen we opmaken dat toen reeds enkele parlementsleden openlijk de vraag stelden of een partijpolitieke samenstelling van de Raad van Bestuur wel noodzakelijk is om de pluriformiteit van de openbare omroep te waarborgen. Ook de afwezigheid van een functiebeschrijving voor de bestuurders werd op de korrel genomen. Dit deed twijfels rijzen over de ernst waarmee een depolitisering werd nagestreefd. Op deze kritiek werd bij de invulling van het decreet echter geen antwoord gegeven.
Dat is en blijft verwonderlijk. De partijpolitiek samengestelde Raad van Bestuur in Vlaanderen en Wallonië lijkt haast een natuurlijk zaak te zijn waar zelfs in de pers weinig vragen worden rond gesteld. Maar in het buitenland is kennelijk geen Cultuurpact nodig om neutraliteit en diversiteit af te dwingen. In de ons omringende landen worden de Raden van Bestuur van de openbare omroepen heel divers samengesteld. Zo worden in Nederland de leden van de Raad van Toezicht geselecteerd door een non-profitorganisatie, met name het Nationaal Register. Die selecteert op basis van een aantal specifiek afgelijnde profielen[12]. In Groot-Brittannië gebeurt de aanstelling van de Board of Governors volgens de richtlijnen van de Office of the Commissioner for Public Appointments, die werkt conform de Nolan-principles[13]. In Frankrijk en Ierland zetelen bijvoorbeeld ook vertegenwoordigers van het personeel in de bestuursraad. Maar een aanduiding door politieke partijen op basis van de onderlinge sterkte, dat moet zowat uniek in de wereld zijn.
Betekent dit dat de politiek haar handen volledig van de VRT moet afhouden? Natuurlijk niet. Maar die politiek heeft vandaag reeds voldoende invloed via de mediadecreten, de vijfjaarlijkse beheersovereenkomst, de besprekingen van het jaarverslag in de commissie media, de commissaris-revisor en, als je de benoeming van de bestuursleden zou objectiveren, de profielopstelling voor de leden van de Raad van Bestuur. Bovendien zorgen het Rekenhof en de Vlaamse Regulator voor de Media voor een afdoende controle. Extra inmenging is echt niet nodig.
Kortom, er zijn bitter weinig argumenten om de huidige samenstelling van de Raad van Bestuur te behouden. De VRT, als groot multimediaal bedrijf met een omzet van meer dan 400 miljoen euro, heeft nood aan een professionele structuur, aan een deskundige en onpartijdige Raad van Bestuur die in volle vertrouwen samenwerkt met het directiecomité. Wel komaan dan, wat houdt ons tegen?
Bart Caron, Vlaams volksvertegenwoordiger
Pieter Vandenbroucke, directeur studiedienst spirit
________________________________________________________________________________________
[1] Voor het VB: Ludo Leen, Erik Deleu en Dimitri Hoegaerts ; voor sp.a: Guy Peeters, Henny De Baets en Jozef Deleu ; voor CD&V: Chris Lecluyse, Kristina Houthuys en Annelies Van Cauwelaert ; en voor VLD: Thérèse Deshayes, Johan Hanssens en Eric Dillens.
[2] De aanwezigheid van het VB in de Raad van Bestuur is voor menig waarnemer een doorn in het oog. Niet alleen voert de partij obstructie tegen de VRT, onder meer door het herhaaldelijk indienen van klachten, bovendien werd ze in 2004 veroordeeld voor racisme. Volgens een advies van Voorhoof en Braeckman (2004) is daardoor een uitsluiting van de drie VB-leden mogelijk, op basis van artikel 3 §1 van het Cultuurpactdecreet en van artikel 96 §2 van het Gecoördineerde Omroepdecreet. Op dit advies is nooit echt een politieke reactie gekomen.
[3] In bijlage B van het VRT Charter van Deugdelijk Bestuur worden al bij al vrij strenge kwalificaties geëist. Zo stelt de tekst onder meer "Bestuurders moeten voldoen aan hoge standaarden van beroepsbekwaamheid en oordeelsvermogen en moeten toegewijd zijn, samen met de andere Bestuurders, om de langetermijnbelangen van de VRT te dienen". Maar het grote mankement is dat deze eisen helemaal niet afdwingbaar zijn wegens gebrek aan selectieprocedure en evaluatiecriteria. Het Charter heeft op dit punt dus weinig nut en spant eerder de kar voor het paard: men zit in de Raad van Bestuur, dus zal men wel beroepsbekwaam zijn. Of nog: je moet je bekwaamheid niet bewijzen om benoemd te worden, maar men moet je onbekwaamheid bewijzen om ontslagen te worden.
[4] De Code kwam er op initiatief van de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen (CBFA), Euronext Brussel en het Verbond der Belgische Ondernemingen (VBO). Ze fungeert als aanvulling op de Belgische wetgeving. De federale wetgever is overigens aan een moeilijke oefening bezig om een variant van de Code in nieuwe wetgeving om te zetten.
Enkele bepalingen uit de Code zijn in de context van dit artikel zeer relevant, met name "4.1. Er dient een rigoureuze en transparante procedure te bestaan voor de efficiënte benoeming en herbenoeming van bestuurders. De raad van bestuur stelt benoemingsprocedures en selectiecriteria op voor de bestuurders, waarbij specifieke regels kunnen gelden voor uitvoerende en niet-uitvoerende bestuurders," en "4.3. Voor elke nieuwe benoeming in de raad van bestuur gebeurt er een evaluatie van de bekwaamheden, kennis en ervaring die reeds aanwezig zijn in de raad en deze die nodig zijn. In het licht van deze evaluatie wordt een beschrijving uitgewerkt van de vereiste rol, bekwaamheden, kennis en ervaring."
[5] Recent voorbeeld is de klacht van Kif Kif en MRAX tegen het Vlaams Belang, ingediend bij de Raad van State op 18 mei 2006. Om die klacht te kunnen behandelen, moest minstens 1/3 van de leden van de Controlecommissie van Kamer en Senaat hun handtekening leveren. Aan Vlaamse zijde waren enkel sp.a en spirit daartoe bereid. Ook Groen! verklaarde zich akkoord maar deze partij beschikt niet over federale verkozenen. De andere Vlaamse partijen, CD&V, VLD en N-VA, verklaarden dit niet te willen doen. Als argument gaven zij op dat het niet aan politieke partijen is om te oordelen over andere partijen. Ietwat vreemd, aangezien ook VLD de wet die de procedure instelt mee heeft goedgekeurd, en aangezien het niet de partijen zijn die oordelen maar wel de Raad van State. In het geval van de Raad van Bestuur van de VRT moeten wel de politieke partijen oordelen over bestuurders van andere partijen. De kans dat dus een bestuurder op deze wijze tot ontslag wordt gedwongen, is uiterst klein.
[6] Talrijke politieke onderzoeken tonen dit aan. De drie traditionele partijen (christendemocraten, socialisten en liberalen) verloren de laatste decennia een belangrijk deel van hun aanhang aan niet-verzuilde partijen zoals VU, Agalev en VB. Ook de partijtrouw neemt af, wat betekent dat kiezers steeds makkelijker migreren van de ene partij naar de andere. Reeds in 1993 schreven Elchardus, Pelleriaux, Deschouwer en Stouthuysen in het boek "Kiezen is Verliezen": "De affiniteit van de vrijzinnigen met de SP heeft slechts gedeeltelijk met de levensbeschouwing zelf te maken en dient voor het grootste deel op rekening van andere sociologische kenmerken van de vrijzinnigen te worden geschreven". Een analyse van het electoraat door professor Deschouwer in "De Kiezer heeft zijn Redenen" uit 2002 toonde aan dat bij de VLD-kiezers 24,3% zich omschreef als kerkelijk en 11,4% als kerks katholiek. Bij de SP was dit respectievelijk 18,5% en 11,4%.
[7] Stukken Kamer 837/1 (1992-1993) en Senaat 1-157/1 (1995-1996)
[8] Vlaams programma 13 juni 2004, pagina 48, voorstel 367, en pagina 76, voorstel 568
[9] Dany Vandenbossche (sp.a) verklaarde bij de besprekingen in de commissie dat een samenstelling van de Raad van Bestuur volgens het Cultuurpact geen onoverkomelijk probleem is. "De raden van bestuur van andere culturele instellingen functioneren immers niet beter of niet slechter dan die van de VRT." Volgens Carl Decaluwé is het Cultuurpact er en moet het worden nageleefd. Zijn partijgenoot Eric Van Rompuy noemde in het plenair debat het betoog van Bart Caron (spirit) dat het cultuurpact op termijn moet worden afgeschaft "heel gevaarlijk".
[10] Proefschrift "Dat was het nieuws! Een multimethodisch historisch onderzoek naar de ontwikkeling van het televisiejournaal en de nieuwsproductiepraktijk op de Vlaamse openbare omroep (1953-1990) op basis van origineel beeldmateriaal en geschreven bronnen van het VRT-Beeld- en Documentenarchief." van dr. Lieve Desmet (2005)
[11] Het betreffende voorstel van decreet werd gestemd op 4 juli 2001 en was ingediend door vertegenwoordigers van alle democratische partijen. In de Toelichting staat te lezen: "Er zijn bijgevolg
waarborgen, zowel in rechte als in feite, [dat] de politieke fracties, hun werking en hun standpunten uitvoerig aan bod komen bij de openbare omroep – zowel Vlaams, federaal als Europees."
[12] De laatste vernieuwing van de Raad van Toezicht gebeurde eind 2005. Er werd gezocht naar kandidaten met grote bestuurlijke kennis en ervaring uit het bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties. Gevraagd werden o.a. kennis en ervaring met betrekking tot de mediawereld, bedrijfsmatige en financiële zaken en juridische deskundigheid in het Europese recht. Voorts werd een lid met bestuurlijke ervaring in de publieke sector en een specialist op het gebied van Human Resource Management gezocht.
[13] Er zijn er zeven: Ministerial responsibility (The ultimate responsibility for appointments is with ministers), Merit (All public appointments should be governed by the overriding principle of selection based on merit, by the well-informed choice of individuals who through their abilities, experience and qualities match the need of the public body in question), Independent scrutiny (No appointment will take place without first being scrutinised by an independent panel or by a group including membership independent of the department filling the post), Equal opportunities (Departments should sustain programmes to deliver equal opportunities principles), Probity (Board members of public bodies must be committed to the principles and values of public service and perform their duties with integrity), Openness and transparency (The principles of open government must be applied to the appointments process, its working must be transparent and information provided about the appointments made), Proportionality (The appointments procedures need to be subject to the principle of proportionality, that is they should be appropriate for the nature of the post and the size and weight of its responsibilities).
Vorige week gaf Carl Decaluwé (CD&V) in De Morgen commentaar op een eventuele overname van de Vlaamse Mediamaatschappij door een buitenlandse groep. Hij wil dat de politiek een economisch kader creëert om VTM rendabel en dus in Vlaamse handen te houden. Bart Caron, Vlaams volksvertegenwoordiger voor spirit, reageert.
De aanleiding van het overnamegerucht zijn de slechtere financiële resultaten van VTM, die het gevolg zijn van dalende reclame-inkomsten. Die daling is niet abnormaal, alleen komt ze in Vlaanderen wat later dan in de rest van de wereld. Oorzaak is de slijtage van de klassieke reclameclip. Reclame op tv verliest weer aan kranten en tijdschriften. Dat zal men bij Roularta en De Persgroep misschien niet eens zo erg vinden, maar dat terzijde.
Commerciële televisie is niet meer de kip met de gouden eieren die ze in de jaren negentig wel was. Zoals overal in Europa werd ook in Vlaanderen het monopolie van de staatsomroep doorbroken. Onze politici hebben toen bewust gekozen voor een tweestromenland door VTM een monopolie van achttien jaar te schenken. Zo creëerden we geen alternatief voor de openbare omroep, maar een regelrechte concurrent. VTM werd een slagkrachtig, financieel sterk algemeen net, mét een dure maar degelijke nieuwsdienst. Een ongekende luxe in Europa. De VRT werd op eigen terrein bekampt maar sloeg na enkele hervormingen succesvol terug. VTM verloor marktaandeel.
Bovendien hield ook het commerciële monopolie niet lang stand. De Europese Commissie floot Vlaanderen terug en midden de jaren negentig deden de eerste concurrenten hun intrede. Vlaanderen werd zo steeds minder een tweestromenland. De opkomst van VT4 (SBS) en van doelgroepen- en themazenders zoals Vitaya markeren de toekomstige ontwikkelingen, net zoals video on demand of digitale televisie. Die toekomst zal er een zijn van meervoudigheid, weg van het huidige duale landschap. De slag om de kijker wordt steeds harder gevoerd. Nieuwe spelers komen bij, andere worden overgenomen door buitenlandse groepen. Het is onvermijdelijk in een commerciële omgeving.
Dat de openbare omroep in deze concurrentieslag een sterke positie behoudt, dankt hij aan zijn gevarieerd aanbod, dat grote en diverse groepen kijkers weet aan te spreken. Maar het is niet de VRT die VTM schaadt. De grote concurrent waarmee VMMa zich moet meten is niet de Reyerslaan maar de doelgroepen- en themazenders die vaker de kop opsteken. Soms zijn het zenders van bij ons zoals Vitaya, maar almaar vaker zijn het buitenlandse omroepen zoals het bij kinderen erg populaire Nickelodeon. Vijftv, die mikt op de huisvrouw, rukt op in de kijkcijfertabellen. Een geslaagde zet van SBS en een gemiste kans voor VMMa?
Natuurlijk willen we graag een goede VTM, en het liefst een VTM in Vlaamse handen. Maar niet ten koste van de openbare omroep. Als Carl Decaluwé stelt dat de politiek de marktgerichtheid van de VRT moet afremmen, dan bedoelt hij dat de VRT geen inkomsten meer mag verwerven uit radioreclame of sponsoring. Dat kan twee dingen betekenen. Ofwel wil CD&V die private middelen met overheidsgeld compenseren en dan moet de Vlaamse regering de dotatie met ruim 56 miljoen euro verhogen (een cadeau aan de VMMa, duur betaald door de belastingbetaler). Ofwel wenst CD&V die middelen niet te compenseren en dan verliest de VRT een kwart van het budget. Net op het ogenblik dat de omroep bijkomende fondsen nodig heeft om zich te wapenen in het digitale landschap.
Moeten we de VRT pijn doen om VTM te redden? Moeten we de dotatie aan de VRT afhankelijk maken van de reclame-inkomsten van VTM? Nee, dat zou de wereld op zijn kop zijn. We gaan de VRT toch niet slechter maken omdat de reclamemarkt minder op VTM adverteert?
Wat spirit betreft moet het commercieel potentieel van de VRT niet afgeremd, maar net versterkt worden. Wij kiezen resoluut voor een diagonale financiering. De VRT krijgt een duidelijke openbare opdracht. De financiering bestaat enerzijds uit een vaste dotatie en anderzijds uit private opbrengsten die niet begrensd worden. Een deel van die opbrengsten wordt afgeroomd en vervolgens via het Vlaams Audiovisueel Fonds opnieuw geïnvesteerd in ondersteuning van kwaliteitsvolle programma's op de Vlaamse private omroepen. Op die manier zorgt een slagkrachtige VRT mee voor leefbare en inhoudelijk sterke commerciële zenders.
Wat écht telt, is dat Vlaanderen beschikt over een goede openbare omroep en een kwalitatief, gevarieerd en Vlaams commercieel aanbod. Het liefst met een Vlaamse verankering. Maar niet ten koste van alles. VT4 behoort vandaag al tot een buitenlandse groep. Kanaal Twee niet. Heeft iemand dat verschil al gemerkt?
Bij de VRT heeft de Vlaamse overheid alle aandelen in 'eigen' handen. Dat is pas een verankering. Laten we van die openbare omroep maar onze echte prioriteit maken.
1. Cultuur op VRT
Moet de VRT meer aandacht hebben voor Kunst met een grote K?
Of is Vlaanderen Vakantieland minstens zo belangrijk?
De VRT heeft al openbare omroep een culturele opdracht. Kunst is er het ‘hart’ van.
Vlaanderen subsidieert een brede waaier aan artistieke creatie en steunt de spreiding ervan. De VRT moet het publiek informeren en goesting doen krijgen om er naar te gaan kijken. Op elk net, maar op de wijze die elk net eigen is, dus anders op ‘één’ dan op Klara, en zeker niet drammerig of schoolmeesterachtig. Het aanbod op de beeldbuis en de radio vult het ‘levende’ kunstgebeuren aan. Je kan er een groot publiek mee bereiken op de meest laagdrempelige wijze. En je ondersteunt er kunstenaars mee, filmmakers, acteurs, dansers, muzikanten enz.
Daarnaast moet de VRT het belangrijkste klank- en beeldgeheugen van Vlaanderen zijn door artistieke manifestaties, net als sportevenementen of politieke gebeurtenissen te capteren en te tonen. In die zin is kunst even belangrijk als sport, informatie of educatie. Ze zijn de bouwstenen van de culturele instelling die de VRT is. Vlaanderen Vakantieland is tof, ook omdat kunst en cultuur er vaak te zien zijn, omdat ze deel zijn van onze vakantie.
Is een apart cultuurkanaal noodzakelijk? Of is het niet verantwoord om een aparte zender te lanceren die enkel de culturele elite bedient? En moet dat dan een Vlaams-Nederlands initiatief zijn, of hebben Vlamingen en Nederlanders veel te weinig met elkaar gemeen? Of moet de VRT dit initiatief overlaten aan de markt (1080)? Wat mag het de overheid kosten?Samenwerking met Nederland geniet onze voorkeur, maar moet niet dwangmatig als de Noorderburen niet willen. De markt is vrij, dus als er andere aanbieders komen zijn die altijd welkom. Maar het is vooral een taak voor de openbare omroep, die de kennis in huis heeft. Het kan, los van commerciële druk, een breed cultuurprogramma brengen, met ook aandacht voor de minder spectaculaire cultuur, lees commercialiseerbare cultuur. De commerciële zenders besteden aandacht aan babes, idolen en populaire cultuur. 1080 kan een Europese speler worden die vooral culturele evenementen met internationale uitstraling (en afname) kan brengen. Met een exclusief aanbod tegen betaling!
De dotatie aan de VRT is op twee na de laagste van Europa. Een verhoging mag prioritair worden aangewend voor dit initiatief. Het bedrag moet een goed kanaal mogelijk maken. Van ons mag reclame en sponsoring op een net die een ‘unserved audience’ bereikt, maar van het regeerakkoord niet.
Moet de Vlaming gratis het VRT-archief kunnen raadplegen? Moet de VRT zelf zijn audiovisueel archief ontsluiten (en financieren) of opteert u voor de oprichting van een gemeenschappelijk digitaal Vlaams Audiovisueel Fonds?Behoort Donna tot de publieke opdracht? Of moet de zender geprivatiseerd worden?
Donna hoeft niet geprivatiseerd te worden. Als de VRT alle Vlamingen wil bereiken, is Donna een onmisbare schakel. Via Donna kan de openbare omroep een doelpubliek aansnijden dat anders moeilijk toegankelijk is. Zo kan ze mondjesmaat informatie en cultuur aanreiken en het publiek warm maken voor andere programma's op andere openbare netten.
Moet de openbare omroep met programma’s als Sam de sociale cohesie proberen te bevorderen?
De VRT heeft enkele duidelijke maatschappelijke taken, zoals het versterken van de sociale cohesie. Het is een zender van de Vlaamse Gemeenschap en moet meebouwen aan een gemeenschapsgevoel, zonder mensen uit te sluiten.
Sam was daartoe een nobele poging, maar je krijgt uiteraard geen sociale cohesie op bestelling. Het hoeft er niet altijd vingerdik op te liggen, om resultaat te boeken.
Moet de VRT bieden op de tv-rechten voor topsport? Of moet ze sporten brengen die commerciële omroepen niet brengen?
Sport in het algemeen is zeer zeker een kerntaak van de VRT, en ook voor topsport moet er ruimte zijn. Niet alleen omdat je via bepaalde topsporten (voetbal, wielrennen) een groot publiek naar je kanalen kan lokken, maar ook omdat andere topsporten (turnen, atletiek) op de private omroepen niet of nauwelijks aan de bak komen en best wel wat ondersteuning kunnen gebruiken.
Het heeft evenwel geen zin om tegen de private concurrenten op te bieden bij aankoop van sportrechten. In dit kader herhaalt spirit haar voorstel uit 2003 om via een publiekprivate samenwerking tussen de VRT en de private omroepen een gemengd sportkanaal op te richten.
3. De digitalisering
Moet de VRT digitale kanalen (sport, cultuur, educatie, wetenschap...) ontwikkelen? Of moet hij zijn opdracht vervullen via de bestaande algemene zenders? Of moet er een openbare aanbesteding uitgeschreven worden voor de themakanalen die de Vlaamse overheid gerealiseerd wil zien?Wat spirit betreft, kunnen bepaalde kanalen of een deel ervan ook uitbesteed worden, zij het onder strenge voorwaarden inzake programmering, kwaliteit, bereik, toegankelijkheid (gratis) enzovoort.
Moet de VRT het voortouw nemen? Innoveren of de evolutie volgen?
De VRT moet vooroplopen, en hoeft daarbij niet passief te wachten tot 500.000 gezinnen over digitale televisie beschikken. Voor spirit heeft de VRT immers de opdracht om een voortrekker te zijn inzake nieuwe media. Net zoals de BBC dat in Groot-Brittannië is.
Moeten de digitale en interactieve diensten van de VRT gratis zijn? (podcasten, tv on demand, enzovoort)
Indien ze behoren tot de openbare opdracht, dienen ze uiteraard gratis te zijn. Maar wat spirit betreft, staat het de VRT vrij om daarnaast nieuwe diensten te ontwikkelen die tegen marktprijs worden aangeboden. Wij hebben er dus geen probleem mee dat een dienst zoals "Net gemist" betalend is.
4. Controle
Kwaliteit is een belangrijke maatstaf, maar hoe meet je dat?
Kwaliteit is voor een stuk subjectief, maar is voor een stuk ook meetbaar. Het wordt een belangrijke uitdaging om hiervoor een systeem van beoordeling op te zetten. Daarbij kunnen allerlei factoren in rekening gebracht worden: werkt men met gediplomeerd personeel, met technologisch hoogstaand materiaal, werd het script aan een scriptdoctor voorgelegd, betreft het een originele of een gekopieerde format, is een proefopname gemaakt en aan een testpubliek vertoond … Je kan daarnaast ook werken met externe beoordelingcommissies, het systeem van waarderingscijfers verbeteren enz..
Mag de raad van bestuur ingrijpen als hij vindt dat een programma niet tot de taak van de openbare omroep behoort?
Neen, de raad van bestuur keurt enkel het algemene programmabeleid goed, maar mag niet tussenkomen bij individuele programma's. Dat is een exclusieve taak van het directiecomité. Dat is zo in elk bedrijf. Daarenboven is de raad van bestuur politiek samengesteld zodat inmenging in het programmabeleid uit den boze is.
5. De financiering
Moet de VRT meer middelen krijgen om zijn opdracht uit te voeren? Is de vraag van Tony Mary (200 miljoen extra) realistisch?
We staan aan de start van diverse belangrijke nieuwe technologische middelen, zoals digitale televisie. Spirit wil dat de VRT ook op die domeinen een publieke opdracht vervult en dat kost uiteraard extra geld. Al is de som van 200 miljoen euro natuurlijk niet haalbaar. Een realistischer groeipad zal nodig zijn. Wat ons betreft, mag de VRT ook extra inkomsten op de vrije markt gaan zoeken.
Moet de openbare omroep volledig reclame- en sponsorvrij gemaakt worden? Of mag de VRT naar het voorbeeld van de meeste buitenlandse openbare omroepen net meer inkomsten uit reclame- en sponsoring. Is tv-reclame bespreekbaar?
De VRT haalde in 2004 zo'n 56.000.000 euro binnen via reclame en sponsoring. Als de overheid dit wil compenseren, moet ze haar dotatie met ruim 25% verhogen. En dan bekomen we alleen nog maar een status quo. De nieuwe digitale ontwikkelingen rechtvaardigen net een verhoogde dotatie. Het is weinig realistisch dat de overheid het hele bedrag in deze budgettair moeilijke tijden zou ophoesten.
Spirit is niet vies van beperkte en beheerste reclame op de openbare omroep. De VRT zou zelfs meer uit de markt kunnen halen. Tachtig procent van de openbare omroepen in Europa hebben nu al televisiereclame. Een deel van dat geld kunnen we vervolgens afromen om bepaalde kwaliteitsprogramma's op private omroepen structureel te ondersteunen.
Mag de VRT andere commerciële activiteiten ontwikkelen (merchandising, boek- en muziekuitgeverij, enzovoort)Als de advertentiemarkt zakt, moeten de inkomsten van de VRT dan ook naar beneden? M.a.w. is het evenwicht in de markt belangrijker dan de missie van een openbare omroep?
Neen, een openbare omroep heeft financiële stabiliteit nodig om haar publieke opdracht te vervullen. De positie van de commerciële concurrenten staat daar volledig los van.
Drie pijlers
Eerst en vooral dient een activerend werkgelegenheidsbeleid ontwikkeld te worden. Ten tweede moeten er voldoende faciliterende maatschappelijke voorzieningen uitgebouwd worden. Centraal daarbij staat kinderopvang, als een basisvoorziening en als een recht, net zoals de school dat is. Kinderopvang heeft naast een economische ook een sociale en een pedagogische functie. Wij willen gratis kinderopvang tijdens de werkuren. Het stimuleert de arbeid, maakt de combinatie met de zorg voor gezin mogelijk en is een verrijkend opvoedingsmilieu voor de kinderen. Te duur? Kinderopvang buitenhuis is altijd goedkoper voor de samenleving en voor de gezinnen dan als er één ouder voor thuis blijft. Gratis kinderopvang bevecht ook de werkloosheidsval en heeft een sterk activerend effect. Als we naar de Scandinavische landen kijken waar kinderopvang als basisvoorziening georganiseerd wordt, zien we dat het een invloed heeft op de activiteitsgraad, voornamelijk dan van de vrouwen.
Ten derde is het essentieel voor het combinatiemodel dat diezelfde actieve mannen en vrouwen zich op tijd en stond kunnen terugtrekken om zorgtaken op zich te nemen. Een gezinsvriendelijke bedrijfscultuur, flexibele arbeidstijden, zorgverloven met voldoende hoge uitkeringen, 4/5 banen, vaders die niet voor hun job moeten vrezen als ze van het vaderschapsverlof gebruiken,…
De realisatie van een combinatiemodel is enkel mogelijk door een mentaliteitswijziging bij elk van ons. Zowel de gezinnen als de bedrijven en de overheid moeten overtuigd raken van de meerwaarde van het goed combineren. Dit evenwicht dat perfect past in de basisbeginselen van spirit: gelijkheid, vrijheid en verantwoordelijkheid.
Download de tekst (Word) door eerst op de titel te klikken en daarna hier. Het is een hoofdstuk uit het boek 'Cultuurparticipatie' van Kunst en Democratie.
Ruim een jaar later wordt identiek dezelfde argumentatie gebruikt om de 5-minutenregel af te schaffen. Welke stappen de minister ondertussen heeft ondernomen in de richting van andere lidstaten blijft onduidelijk.
De minister verklaart principieel voorstander van de 5-minutenregel te zijn, maar helaas te moeten vaststellen dat deze regel niet werkt. De private omroepen zouden het decreet niet naleven of ontwijken door na kinderprogramma's videoclips te draaien. Ik vraag me af waarom we dan met veel poeha een nieuwe en sterke regulator voor de media hebben opgericht. Deze instelling moet toch voor een krachtige handhaving instaan?
Een recente Europese studie toont aan dat België in Europa nu al het hoogste percentage van op kinderen gerichte reclame heeft. Niet minder dan 8,9 percent van de reclamespots is op kinderen gericht. Het Europese gemiddelde bedraagt 5,7 percent. In Frankrijk gaat het om 7,1 percent, in Nederland om 3,9 percent, in Duitsland om 3,6 percent en in Groot-Brittannië slechts om 2,5 percent.
Volgens Bourgeois heeft Vlaanderen met betrekking tot kinderreclame de strengste regels van Europa. Hij is van mening dat dit niet houdbaar zijn. Diezelfde Europese studie heeft de wetgeving ter zake in tien Europese lidstaten onderzocht. Zeven van de onderzochte landen blijken verder dan de Europese minimumwetgeving te gaan. Het gaat onder meer om het verbod op het tonen van reclame voor alcohol en medicijnen rond kinderprogramma's in Groot-Brittannië, het verbod om kinderprogramma's voor reclame te onderbreken in Duitsland, Polen en Oostenrijk en een volledig verbod op reclame gericht op kinderen jonger dan 12 jaar in Zweden. Zo uniek is onze strenge wetgeving dus niet.
Eén punt in het betoog van de minister is terecht. De 5-minutenregel geldt enkel voor de Vlaamse zenders. Buitenlandse omroepen als Nickelodeon en Cartoon Channel hoeven hier geen rekening mee te houden. Dat is niet eerlijk. Hiervoor moeten we een oplossing vinden. Dit betekent evenwel niet dat al het Vlaams geld voor kinderreclame momenteel naar het buitenland verdwijnt. De situatie zit iets ingewikkelder in elkaar. De reeds aangehaalde Europese studie brengt in dit verband interessante cijfers naar voren. Daaruit blijkt dat het niet nodig is om reclame rond kinderprogramma's uit te zenden om inkomsten uit op kinderen gerichte reclame te werven.
Op 3 december 2004 heeft de minister overigens in Het Nieuwsblad nog verklaard niet bepaald wakker te liggen van de concurrentie van Nickelodeon. Ik citeer: "We erkennen dat probleem, maar omwille van één buitenlandse zender moeten we ons mediadecreet nog niet aanpassen. Kinderprogramma's moeten reclamevrij blijven."
Niettemin heeft Bourgeois een bocht genomen en dat stoot op veel kritiek. De Gezinsbond en Testaankoop verklaarden in de Commissie voor Media dat zij radicaal tegen de verregaande liberalisering van de reclame op televisie zijn. Zij willen strengere Europese normen. De Gezinsbond spreekt haar teleurstelling uit over het plan om de 5-minutenregel af te schaffen en zal dan ook alles in het werk stellen om dit alsnog te voorkomen. Ze pleit voor een verbod op alle reclame tijdens kinderprogramma's.
Volgens de American Academy of Pediatrics zouden kinderen jonger dan 8 jaar niet in staat zijn de bedoeling van reclame te begrijpen. Ze accepteren de claims van advertenties als waarheid. Ze kunnen advertenties niet van gewone televisieprogramma's onderscheiden. Dit is geen onbelangrijk element in het debat.
Laten we daarom het kind niet met het badwater weggooien. Vergeeft u mij de woordkeuze. Indien we de 5-minutenregel afschaffen, moeten we in ruil een regeling treffen die kinderen een maximale vorm van bescherming tegen reclame biedt. Dit geldt zeker voor de allerjongsten. We moeten de kinderen tegen publiciteitsboodschappen wapenen door ze met de gebruikte methodiek vertrouwd te maken. De Vlaamse commerciële zenders moeten een actieve, specifiek op kinderen gerichte informatiestrategie uitwerken. Ik denk in dit verband aan programma's, zoals nieuwsuitzendingen, die de weerbaarheid van kinderen tegen de beïnvloeding door reclame helpen verhogen. We verwachten van de privé-omroepen dat ze de meerinkomsten uit reclame gedeeltelijk aan de producties van eigen jeugdprogramma's besteden. Indien deze zenders dan toch op de afschaffing van de 5-minutenregel gebrand zijn, zullen ze deze prijs zeker willen betalen.
Van de minister verwachten wij serieuze inspanningen om de lat op Europees niveau gelijk te leggen. Ik bedoel daarmee dat de Europese reclameregels op een zo hoog mogelijk niveau moeten liggen. Het ontwerp van richtlijn over televisie zonder grenzen is op dat vlak niet veelbelovend. Als dat niet lukt, is een wijziging wellicht onvermijdelijk. Er zijn wel voorwaarden. Er moet een deontologische code zijn die goedgekeurd wordt door onder meer de Gezinsbond, de Vlaamse Jeugdraad en de verbruikersorganisaties en er moeten meer eigen Vlaamse kinder- en jongerenproducties komen op onze zenders.
Niemand moet zich illusies maken. De minister van Jeugd en de spirit-fractie in het Vlaams Parlement zullen geen afschaffing aanvaarden, zonder dat in de plaats een ernstige inspanning wordt geleverd om de weerbaarheid van kinderen te verhogen door een duidelijke informatieverstrekking.
Het belang van kinderen is geen commerciële handelswaar.
| september 2010 | ||||||
|---|---|---|---|---|---|---|
| Z | M | D | W | D | V | Z |
| 1 | 2 | 3 | 4 | |||
| 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 |
| 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 |
| 19 | 20 | 21 | 22 | 23 | 24 | 25 |
| 26 | 27 | 28 | 29 | 30 | ||

foto Viviane Decock
© 2009 - Bart Caron // Design: Het Concept / Matthias Malfrère | Webontwikkeling: ikhona