
De veiligheidsproblematiek van Kortrijk haalt de voorbije maanden regelmatig het nieuws. Zou mijn stad echt zo’n gevaarlijke plek geworden zijn? Is de Lange Steenstraat te vergelijken met de Ramblas uit Barcelona? Is de Zwevegemsestraat geëvolueerd als Kuregem? Of is er een ernstig probleem met de politie zelf? Is die te laks? Pakt die de zaken verkeerd aan? Of is het parket laks en laat ze de gemelde problemen links liggen?
Een paar feiten eerst. De stad sloot een aantal theehuizen omdat die administratief niet in orde waren of omdat ze ware oorden van drugshandel waren geworden, vooral door dealers van buiten de stad. Dat verantwoordt een krachtig optreden. Dan zijn er een aantal problemen gemeld in enkele straten en pleinen met drugshandel, jongeren die wandelaars lastig vielen ... De fietsendiefstallen aan het station zijn een plaag ... maar geraken niet echt onder controle, ondanks de vele camera’s.
De problemen zijn kenmerkend voor elke centrumstad. Ze zijn er, ze zijn ernstig en moeten worden aangepakt. En er is een roep naar repressief optreden en naar camera’s. En daar knelt het schoentje net het hardst. Ik heb de stellige indruk dat de politiezone Vlas de problemen al jaren op haar beloop heeft gelaten, en nu onder druk van de bevolking en de media kiest voor een eenzijdige, repressieve aanpak. Dat is ronduit slecht politiewerk. Het is spektakelpolitie, opgezet door spektakelpolitici. De politie had al veel eerder, in overleg met justitie, de problemen moeten aanpakken. En parallell een preventieve aanpak had moeten organiseren.
Een harde aanpak moet, als het niet anders kan. Een zachte aanpak moet, waar dat wel kan. Die zachte aanpak kan je ook ‘preventief’ noemen. Daar is de voorbije jaren in Kortrijk weinig of niet in geïnvesteerd. Zo zijn bepaalde buurten verwaarloosd, ook in het politiewerk, en dat trekt kleine criminaliteit aan en veroorzaakt overlast.
De voorbije dagen maakte de stad ook bekend dat ze een reeks kleine misdrijven met een gemeentelijke sanctie zal bestraffen. Ik kan akkoord gaan voor winkeldiefstallen of pogingen daartoe, en zoekgedrag naar drugs dat overlast veroorzaakt. Vandaag worden al administratieve sancties gegeven voor wildplassen, hondenpoep, sluikstorten en het plaatsen van reclameborden zonder vergunning.
Mag ik me ernstig zorgen maken over deze steeds verder uitdeinende Gemeentelijke Administratieve Sancties (GAS)? Zijn ze geen uiting van een wantrouwende samenleving? Van een onmachtige overheid en vooral van een falend politiebeleid? Van dat laatste kan je in Kortrijk geen spoor terugvinden. Er is geen gewoon geen politiebeleid, enkel een ad hocbeleid dat inspeelt, veel te laat, op problemen.
Het bewijs daarvan is dat in de nieuwe regeling vanaf volgend jaar in Kortrijk burgers die politieagenten beledigen, voortaan kunnen bestraft via deze GAS. Ze kunnen dan een boete krijgen van 50 tot 250 euro. Kortrijk is de eerste gemeente die dergelijke inbreuk bestrijdt met een GAS-sanctie. Niet echt om fier op te zijn, als je het mij vraagt. Zou de politie niet beter een beetje meer bezig zijn met de problemen van de burgers in plaats van met zichzelf?
Al dat ge’GAS’ op lokaal niveau is een ware plaag: de kas spijzen en perfect instrument voor normatief beleid en disciplinering van inwoners. Nadenken over achterliggende oorzaken of alternatieve oplossingssporen hoeft niet meer.
Joost Bonte, verantwoordelijke voor het straathoekwerk in Oost- en West-Vlaanderen verklaarde in de krant dat de keuze voor de harde aanpak niet werkt. ‘Het probleem daarbij is dat zo de kleine garnalen aangepakt worden maar de kopstukken ongemoeid blijven. Hoe harder de politie optreedt, hoe vaker grote groepen in opstand zullen komen en zich zullen isoleren. Dat houdt gevaren in. Repressie kan geweld oproepen.’ En kleine criminaliteit, drugsproblemen en andere overlast verschuiven gewoon naar andere straten en buurten.
Hij stelt dat Kortrijk - net als andere centrumsteden - niet goed raad met de nieuwe sociale fenomenen die opduiken, zoals de instroom van inwoners uit de Maghreb-landen of uit Oost-Europa. Hij pleit er voor om - naast de straathoekwerkers - nog meer sociale werkers de straat op te sturen en hen contacten te laten leggen met rondhangende jongeren en volwassenen. Dan kunnen ze horen wat er aan de hand is. Er zijn er voldoende in Kortrijk, maar velen verdoen hun tijd met administratieve taken.’ Zeer juist Joost.
Ik schrijf normaal niet over andermans portemonnee. Elke persoon moet zijn eigen rekening maken. Maar als die persoon ook een politicus is, dan is dat toch anders. Hoe rijkdom (of toch de toegang ertoe) verdeeld worden, is een heikele kwestie. Daar ligt de ideologische grondslag van elke discussie over belastingen en inkomens. We accepteren dat we ons persoonlijk niet bemoeien met andermans loon of inkomen. Dat is privé, zo klinkt het. Akkoord. Al kan je mijn inkomen* perfect vinden, zo hoort dat bij publieke personen als politici.
Hoe ver kan je gaan? Het drama op Pukkelpop heeft veel harten beroerd.
Er rees begrip voor de constructie van organisator van Chokri Mahassine om de mensen die een ticket kochten, maar door de ramp niet van de muziek konden genieten, niet terug te betalen, maar de volgende jaren te compenseren via (verhandelbare) drankbonnen. Niet iedereen vindt dat zo correct. Een aantal mensen willen hun geld terug, maar dat wil Pukkelpop niet doen, en kan het naar verluidt ook niet doen, want dan zou het festival failliet zijn. De drie miljoen euro op de rekening van de vzw zou daar niet voor volstaan, en dan heeft het festival in de toekomst geen financiële liquiditeiten genoeg om de artiesten uit te betalen. Dat is een plausibele uitleg. Een faillissement brengt ook niks bij aan onze rockscene.
En toch wringt het een beetje. Ik voel mij er ongemakkelijk bij. De weledele rockmuziek is al lang de kinderschoenen ontgroeid, of liever heeft de sfeer van het idealisme achter zich gelaten. Muziekplezier wordt nu verrekend in harde valuta. Ik vertrouw Chokri wel, al staat hij volgens mij iets te dicht bij dat andere wonder uit de rockwereld, Herman Schueremans, ook een collega uit het Vlaams parlement. Herman Schueremans leidt Live Nation, dat het overgrote deel van de bands levert die optreden op Pukkelpop. Live Nation beheerst immers de internationale markt van de rock en pop. Deze situatie is overigens niet anders voor de andere muziekfestivals in ons land. Monopolievorming is een meer dan dreigend fenomeen op deze markt van muzikaal plezier.
Maar nu is bekend geraakt dat aan de aandeelhouders van het festival een groot dividend is uitbetaald. Qué Pasa, zo heet de vennootschap achter Pukkelpop, heeft in 2010, voor het eerst sinds de oprichting in 1996, een eenmalig dividend uitbetaald. Chokri en zijn echtgenote betaalden zichzelf 882.353 euro uit. Een boos kamerlid van Open VLD meent nu dat Chokri daarvan een deel moet terugbetalen om het festival uit de financiële nood te helpen. Correct? Mahassine vindt het alvast populistisch, aldus de krant De Tijd: ‘Alsof ook alle Dexia-bestuurders hun bonussen van de afgelopen zestien jaar zouden moeten terugstorten’.
Mijn opvoeding heeft me geleerd niet te snel te oordelen, en zeker niet te veroordelen. Ik doe dat dus niet, maar de situatie roept toch veel vragen op. Mijn gewaardeerde collega uit het Vlaams parlement is een sympathieke man, een sociaal-democratische politicus met een grote gevoeligheid voor sociale thema’s, een man met een goede neus voor goede muziek en en een onvolprezen festivalorganisator. Maar in de big business van de rockmuziek overeind blijven met je principes, is zeker niet eenvoudig ... En eerlijk gezegd, ik zou ook niet in zijn schoenen willen staan. Dividend of niet ...
*Zie de website van De Standaard.
(http://www.standaard.be/extra/financieelrapport2009/detail.aspx?persoon=10)
Reclamemakers hebben de aangeboren neiging om creatief om te gaan met het verpakken van hun boodschap. Mensen op het verkeerde been zetten, zien ze niet zelden als een welgekomen neveneffect dat de aandacht richt op het merk waarvoor reclame gemaakt wordt.
Nu wil ik allerminst gaan morrelen aan de creatieve vrijheid van deze reclamemakers, maar in sommige gevallen is verwarring scheppen tussen feiten en promotie toch wel nefast. Dit geldt zeker voor radioreclame, en al helemaal voor radioreclame op de openbare omroep.
Het lijkt een trend te worden om reclameboodschappen te verkopen als iets redactioneels. Nogal wat weekbladen maken daar een gewoonte van. Het onderscheid tussen redactionele stukken en publi-artikels is vaag, sommige uitzendingen op de regionale tv zijn dat evenzeer.
Maar op de openbare omroep, onze VRT zou je duidelijkheid verwachten. Maar .... Sinds kort horen we regelmatig een reclamespot van Electrabel die in interviewvorm enige ‘feiten’ over kernenergie en de veiligheid van de kerncentrales duidt. Gegoochel met namen van overheidsinstanties versterkt nog de indruk dat het om informatie gaat, eerder dan om promotie.
Moeder van het genre is echter de zogenaamde ‘rubriek business-info’ die elke avond voor het nieuws van 20 uur te horen is op Radio 1. BNP Paribas Fortis biedt de luisteraar elke dag anderhalve minuut informatie voor zakenmensen, in verband met financiën, fiscaliteit, erfrecht of dies meer. Serieuze zaken verpakt als objectieve zaken.
Deze ‘rubriek’ vult bovendien telkens het volledige reclameblok, waardoor hij nog minder reclame blijkt te zijn.
Kortom de verwarring met de redactionele onafhankelijkheid en objectiviteit wordt steeds vaker doelbewust opgezocht. Vanuit marketingoogpunt een verdienstelijk streven naar grotere impact van de reclame, maar voor mij een gevaarlijke tendens die maar beter enige opvolging verdient.
Decretaal is bepaald dat er geen verwarring mag geschapen worden. “Radioreclame moet duidelijk herkenbaar zijn en moet kunnen worden onderscheiden van redactionele inhoud”. Daarnaast, of net daarom, worden afzonderlijke reclamespots ook als uitzonderlijk beschouwd, bijvoorbeeld wanneer er niet meer reclames verkocht worden.
Ik wil uitleg krijgen van mediaminister Ingrid Lieten. Zij, of liever haar VRT en de VAR moeten waken over de inhoud van de reclamespots. De grens tussen reclame en informatie moet toch herkenbaar zijn? Ik vraag me ook af of er de voorbije jaren spots geweigerd werden om die reden. En vooral: hoe is het mogelijk dat een bank het alleenrecht blijkt te hebben op het reclameblok van even voor achten ’s avonds op Radio 1?
dag burgemeester,
Je bent gestorven. Ik schrok toen ik werd gebeld. Je was al een dagje ouder, maar nog zo aanwezig. Voor mij was je nog steeds elke dag een deeltje van mijn leven. Misschien geloof je dat niet, maar het is echt wel zo.
Een broekje was ik toen ik dienst kwam bij jou. Ik kwam niet bij jou in dienst, maar bij de gemeente Marke, maar dat is eigenlijk hetzelfde, is het niet? Ik kwam, in dienst op 1 december van 1976, een maand voor de fusies van gemeenten. Dat je dat nog voor mekaar kreeg, was een krachttoer. Maar je wou absoluut nog twee mensen aanwerven voor je Ontmoetingscentrum en de openbare bibliotheek. En je deed dat dan ook. Want zo was je ook, als je iets wilde, dan duwde je door. Er was een politiek verdeelde gemeenteraadszitting voor nodig. Maar ja, een maand voor het verdwijnen van die raad was partijtrouw diep weggezakt. De democratie vierde even hoogtij, en jij kreeg je zin. Je wierf een broekje aan, of liever een idealist van het hippie-type. iemand die toch alleszins niet in jouw politieke hoek kon gesitueerd worden. En toch deed je dat. Ik heb dat van uit een rationeel oogpunt nooit begrepen, maar wel steeds gewaardeerd. Ons raakvlak was het geloof in de democratisering van kunst en cultuur, in het belang van het verenigingsleven, in cultuurparticipatie. Ik kreeg alle ruimte om die doelen te helpen realiseren.
Achteraf begreep ik het beter. Sommigen noemden je de rode baron omdat je openbaar initiatief huldigde - denk aan de WVEM, elektriciteitsproducent en -verdeler - ook in het culturele leven kende je een uitdrukkelijke rol toe aan de overheid, die van schepper van goede randvoorwaarden zoals de bouw van culturele infrastructuur, wat onder meer resulteerde in het netwerk van OC’s in de Kortrijkse deelgemeenten om cultuur dicht bij de mensen te brengen, maar ook om aanvullend cultuuraanbod te brengen. Ik heb die gedeelde overtuiging mijn hele leven meegedragen. Ik heb later, op het kabinet van de cultuurminister, met deze principes cultuurbeleid gevoerd. Je, of liever onze gedeelde visie, heeft de grenzen van Marke en Kortrijk ver overstegen. Het werd een model voor Vlaanderen.
Ik merk dat ik ik je in deze brief met ‘je’ aanspreek, iets wat ik, burgemeester, mijn hele leven nooit heb gedaan. Mag ik dat nu? Toen hoorde dat ook niet. Maar ondertussen heb ik het ook redelijk ver gebracht in het land van de cultuur (en de politiek), is het niet? Heb ik de keuze die je toen voor mij maakte beschaamd? Nee hoop ik toch?
Je woonde trouwens op een prachtige plek, dat kasteelpark van jou is een droomlocatie. Ik ben er zo vaak geweest toen ik als cultuurfunctionaris nog voor de stad Kortrijk werkte. ‘s Ochtends naar jouw private kantoor in de zijvleugel van het kasteel, eigenlijk in het koetshuis en de verbouwde stallingen. Ik voelde dat aan als een feest, het bezoek aan de locatie (het park en het kasteel) en de gelegenheid om face tot face vragen en probleempjes van het beleid te bespreken.
We hadden, vreemd genoeg misschien, nog wel meer raakvlakken. We deelden de zorg voor het roerend en onroerend erfgoed. Je koesterde de geschiedenis. En je koesterde papier. Boeken en tijdschriften over onze provincie. Ze gaan samen. Ik was blij dat ik op Vlaams niveau mee kon werken aan een regelgeving om private stichtingen mogelijk te maken. Ik hoop dat daardoor de unieke archief- en bibliotheekcollectie van de familie de Bethune als één erfgoedgeheel kan worden bewaard. Jullie privébezittingen gaan me niet aan, maar het is zo’n collectie die de hele samenleving ten nutte is. Je hebt aan je kinderen en familieleden wel gezegd dat ze er goed moeten voor zorgen.
Ik ben toch één keer heel kwaad op je geweest. Dat was in 1995, niet eens zo lang geleden dus. Toen je een nieuwe directeur Cultuur wilde aanstellen. Je kondigde dat al jaren daarvoor aan, zodat de interne kandidaten op tijd aan de voorwaarden konden voldoen, onder meer het halen van een universitaire graad. Ik haalde die ook, als werkstudent dan nog, een prestatie waar ik eigenlijk wel fier over ben. Maar finaal benoemde je iemand anders, die het diploma niet had. Ik solliciteerde elders en vertrok. ‘Wie in het leven iets wil bereiken moet niet in Kortrijk blijven hangen’, zei je toen. Brussel, daar moet je zijn, daar worden de beslissingen genomen die er toe doen. Je moet die sprong durven wagen en de stad Kortrijk verlaten. Ik was boos, weet je beste burgemeester. Zo’n flauwekul, enfin zo kwam dat toen over. Maar nu, dik vijftien jaar later, moet ik je helemaal gelijk geven. Ik waagde de sprong, en sedertdien heb ik de mooiste dingen mogen beleven. De VVSG, Brugge 2002, kabinet Cultuur, Vlaams parlement .... Mijn boosheid is mijn geluk gebleken. Dat verdient een merci. Gelukkig was me dat al veel vroeger duidelijk geworden. De boosheid was al lang weggeëbd. We hadden nu en dan nog contact en de relatie bleef hartelijk.
Ik had die ‘merci’ graag zelf uitgesproken. Die was sedert gisteren gepland. Gisteren, uitgerekend gisteren kreeg ik een mail van ‘E. de Bethune’. Ik was aangenaam verrast. Je secretaresse schreef het bericht: op vraag van Sabine de Bethune.‘Volgens haar hebt U een boek geschreven (of is het nog in de maak) i.v.m. cultuurbeleid. Ze zou graag een exemplaar bestellen voor haar vader Emmanuel. Indien U het zou kunnen opdragen aan haar vader en signeren zou zij dit zeer op prijs stellen.’
Ik was het zo graag zelf komen brengen om toch nog bedankt te kunnen zeggen.
Hartelijk en nog eens bedankt voor de kansen,
Bart
ex-cultuurfunctionaris en Markenaar
Gisteren werd de Brugse vzw Tapis Plein uitgeroepen tot laureaat van de Vlaamse Cultuurprijs voor Cultureel Erfgoed. Om het met de woorden van Vlaams Cultuurminister Joke Schauvliege te zeggen: “Tapis Plein weeft een schitterend en eigentijds verhaal rond het cultureel erfgoed en blaast zo erfgoed nieuw leven in voor het grote publiek”.
Diezelfde vzw moest deze week aan al haar medewerkers een ontslagbrief bezorgen. De volledige staf staat in vooropzeg omdat het nu, eind oktober, nog niet duidelijk is of Tapis Plein ook volgend jaar zal gesubsidieerd worden. Door gebrek aan visie en doortastendheid van diezelfde Cultuurminister.
De beoordelingscommissie gaf een negatief advies over de subsidieaanvraag van Tapis Plein. Aan Tapis Plein werd gevraagd haar werking bij te sturen en een nieuwe koers te varen, meer gericht op immaterieel cultureel erfgoed en minder op erfgoedparticipatie.
Het is me niet meteen duidelijk wie de verantwoordelijkheid draagt voor die opgelegde koerswijziging, maar dit is slecht beleid waarvan een ‘geprezen’ organisatie het slachtoffer is. Feit is dat er duidelijk een probleem is van afstemming tussen kabinet, administratie, steunpunt en beoordelingscommissie. Naar verluidt zal de minister het advies volgen en dus Tapis Plein niet meer subsidiëren. Een prijs geven en dan weggooien .... je moet maar durven.
Maar het drama is veel ruimer dan die ene negatieve beoordeling van Tapis Plein. De hele sector verkeert nog in het ongewisse over haar verder werking. Ook tientallen andere organisaties moesten recent hun medewerkers in vooropzeg plaatsen. Zelfs organisaties met de meest schitterende rapporten, hebben nog geen zekerheid over hun subsidiëring voor de volgende jaren.
Het is decretaal bepaald dat de Vlaamse Regering uiterlijk op 1 oktober moet beslissen over de meerjarige subsidies van de musea, de organisaties voor volkscultuur, de archieven, de expertisecentra, enz. Helaas slaagde minister Schauvliege er nog steeds niet in met een voorstel op de proppen te komen.
Het is pijnlijk duidelijk dat de minister geen hart heeft voor deze sector. Ze beseft gewoonweg niet dat ze door haar onverschilligheid en nonchalance een ganse sector verlamt. Nu staan honderden banen op de tocht en alle expertise dreigt verloren te gaan omdat de deskundigen eieren voor hun geld kiezen en op zoek gaan naar een job met meer zekerheid.
Tijdens de plenaire vergadering ondervroeg ik de minister over de situatie. Zij bevestigde dat er binnen de Vlaamse Regering vertraging zat bij het uitklaren van de begroting en dat daardoor de deadline van 1 oktober niet werd gehaald. Op zich is onenigheid binnen de regering natuurlijk geen reden om niet te moeten voldoen aan decretale bepalingen en het is vooral sneu wanneer honderden mensen daardoor in twijfel achterblijven.
Anderzijds ben ik wel tevreden met de toezegging van de minister dat de organisaties nog deze week licht zullen zien aan het eind van de tunnel en dat er voor het specifieke geval van Tapis Plein gewerkt wordt aan overgangsoplossing zodat hij hun bekroonde werk kunnen verderzetten.
Het zit er jaren aan te komen, maar het stationsbuffet van Kortrijk glijdt langzaam maar zeker als een smeltende gletsjer richting dal. Als ervaren treinreiziger, vooral geoefend in wachten op verlate treinen, onderga ik de onvermijdelijke neergang van die buffetten.
Ze stralen stuk voor stuk vergane glorie uit. Dat van Oostende is al een paar jaar dicht, dat van Gent overleeft dankzij het gebrek aan concurrentie en dat van Kortrijk zit dicht bij de afgrond.
Het Gentse stationsbuffet is in ieder geval de kampioen van de slechte smaak. Het café, een droomplek voor studenten akoestiek, is gevuld met goedkoop tuinmeubilair, grote televisieschermen en ver voor zich uitstarend personeel. Het is begrensd door een lawaaierige stationshal en het lichte geurtje van de nabije toiletten, waarvan de exploitant denkt dat de klant er wel aan went.
Ik durf het hardop te zeggen, ik ben kenner geworden van stationsbuffetten. Ik heb er menige euro gespendeerd aan middelmatige koffie, ik heb er uren geoefend in de nobele kunst van de observatie, maar ik heb er vooral de tijd verdreven, een eufemisme voor het wachten op een trein in vertraging. Of op de volgende trein, wanneer ik de voorziene trein weer eens net niet heb gehaald, zoals deze morgen. (Mijn excuses trouwens aan de mensen die wel stipt op tijd op de afspraak waren en geduldig wachtten.)
In de loop der jaren is het stationsbuffet fundamenteel veranderd. Let op het lidwoord ‘het’. Het staat voor onzijdig, en dus voor elk Belgisch stationsbuffet. Zeker sinds de invoering van het rookverbod, zijn die buffetten getransformeerd. Tot voor kort waren ze een verzamelplaats, niet van verkleumde daklozen, maar toch van een subgroep uit de uitdeinende kaste van marginalen in onze samenleving. Oneerbiedige zin, ik besef het. Maar eerlijk is eerlijk. Hoe anders omschrijf je de mensen die om 7u30 ‘s ochtends met een overdaagse stoppelbaard, gele vingers en een pluizende pull met vetvlekken, lurken aan een triple van een of andere abdij of een verse pint, en roken alsof het hun laatste sigaret is voor de elektrische stoel? Als ik de trein mis, of, God zij geprezen, ik eens wat later naar Brussel mag, dan zitten deze mensen er nog. Ik begrijp dat dát hun tijdsbesteding is, maar in hoeverre is het hun zelf gekozen levensinvulling? Was een leven slijten in stationsbuffetten een kinderdroom?
Het vaste publiek werd vast meubilair, en dus is er langzaam maar zeker een band gegroeid. Geen echt vriendschappelijke band, er werden geen zielenroerselen, laat staan zielsgeheimen uitgewisseld, maar een hoofdknikje als teken van herkenning en van respect, was erbij gaan horen.
Maar lang toeven in een stationsbuffet was er meestal niet bij. Als voormalig kettingroker kan ik rokende mensen verdragen, maar in zo’n café, gerookt als een hesp die de beschaving moet overleven, is het niet te harden. Vlug een koffie drinken, of die in een bekertje meenemen, tot daar aan toe.
De grote transformatie moet merci zeggen aan de invoering van het rookverbod. Sindsdien is de ellende nog groter geworden. Niet voor mij, maar voor die mensen, alleen aan hun tafeltje, hun ochtend passerend in gezelschap van alcohol en nicotine, al te goed beseffend dat hun leven niet echt een topsucces is geweest. Zij zijn drastisch uitgedund, gedecimeerd, figuurlijk uitgerookt. Het merendeel van die mensen is uit de perimeter van het hoofdknikje verdwenen, opgegaan in de anonimiteit van de stad.
En het stationsbuffet, gepatineerd door oude rook, geurend naar volle asbakken al is het lokaal rookvrij, kent nog minder klanten.
Ooit was dit de plek van de américain met frieten, van de heren met aktetassen, van
de dames op leeftijd op uitstap naar de kust ... Niks meer daarvan. Vandaag staan nieuwe uitbaters in de zaak, de muziek op studio Brussel met de volumeknop op zeven. Maar in het stationsbuffet geen enkele vaste luisteraar van dat radionet. Wel die enkele mensen, waaronder mezelf, wachtend op een trein. Observerend, schrijvend, mij vooral afvragend waar die mensen van ‘s ochtends, tot vóór de zomer toch, nu hun tijd doorbrengen.
Ik voorspel het: Nog voor de volgende zomer is het buffet gesloten, of, in het beste geval, overgenomen door een nieuwe uitbater.
Het zal niemand ontgaan zijn. Dag op dag nog één jaar te gaan en we mogen weer eens een hoogmis van de democratie beleven. Het zal niemand ontgaan zijn, want de regionale media brachten het grote geschut in actie. Elk zichzelf respecterend dag- of weekblad, regionale omroep of digitaal medium vergast ons op een exclusieve vooruitblik met de hoofdrolspelers van de dorpspolitieke soap, licht voor ons in primeur al de eerste tipjes van de lijstvormingssluier. Zonder dat we hoeven na te denken, vertellen ze ons wat we denken over onze gemeente en haar bestuurders. Het tussentijdse rapport wordt opgemaakt. Vermanend wordt er op gewezen dat een herkansing in tweede zit er niet inzit.
Het buikgevoel van de goegemeente, vertaald in procentpunten.
Het zal niemand ontgaan zijn, en dat is op zich goed. Hoe meer betrokkenheid bij het bestuur, hoe beter. Maar mag het met iets meer serieux?
Mag er een evaluatie gemaakt worden van vijf jaar gemeentelijk beleid in meer dan twee knelpunten?
Zijn gezonde financiën voor een stad onbelangrijk omdat niet elke burger dit meteen als topprioriteit aanduidt (in tegenstelling tot de gezondheid van zijn eigen portemonnee)?
Waar moet er het meest aandacht naar toe gaan? Armoedebestrijding of verkeersveiligheid? Aan jou de keuze… en ‘beide’ staat niet bij de keuzemogelijkheden.
Moet je een burgervader tegenkomen aan de toog? Of liever in de penarie?
Je kan je lezers, kijkers en luisteraars uitgebreid bevragen, maar je kan zo ook gewoon simpelweg een vogelpik laten spelen. Als Kortrijkzaam krijg je dan een pertinente vraag voorgeschoteld: “Wie wil jij als burgemeester van je stad?” Om het niet al te moeilijk te maken, krijg je keuze uit 4 mogelijkheden: De burgemeester, zijn plaatsvervanger, die andere ontslagnemende minister of ‘weet niet’.
Ewel, ik weet het wel. Dus optie vier vervalt. Maar als het van mij afhangt, dan liever ook niet één van de drie andere suggesties. Ik kan niet inbreken in de peiling om ongegeneerd ‘mezelf’ te antwoorden, mocht ik daarvoor al de ambitie hebben. (niet dus!). Ik kan niet kiezen voor een ommekeer in het bestuur, mocht ik daar al zin in hebben. (wel dus!).
Het is zonder meer interessant om te weten waar de bevolking van wakker ligt, om de wensen en de verzuchtingen te kennen. Maar een bestuursploeg, die nu, op één jaar voor de verkiezingen aan de slag moet gaan met de lijstjes uit de kranten, kan zichzelf beter de moeite besparen. Als ze het nog niet lang wisten, is het nu hopeloos te laat.
Misschien kunnen de media volgend jaar eens de zelfde diepgravende peiling herhalen. Dan kan het buikgevoel vertaald worden in een beleid, niet in een verkiezingscampagne.
Frank Creyelman, VB-er en lid van het Vlaams parlement, beschouwt zich als een witte ridder. Hij ging deze week als een Vlaamse samurai te keer in de commissie Cultuur in het Vlaams parlement. Hij wilde de organisatie Kif Kif neersabelen, de minister moest hun subsidie wegschaven. Kif Kif noemt zichzelf een interculturele beweging die strijdt voor gelijkheid en tegen racisme. Mooi doel, als je het mij vraagt.
Frank Creyelman heeft trouwens helemaal geen wit zieltje. Laat staan dat hij een onbesproken blad zou zijn. Een paar weken geleden amper, bij een officiële reis van een delegatie van het Vlaams parlement met het Vlaams Vredesinstituut naar Catalonië, slaagde hij erin om op geen enkel officieel moment aanwezig te zijn, zelfs niet bij het bezoek aan het Catalaanse parlement, wat een mythologische plek zou moeten zijn voor elke recht(s)geaarde Vlaming met separatistische gevoelens. Frank Creyelman reisde duidelijk mee op kosten van het parlement, maar had duidelijk een andere agenda. Zo iemand noem ik geen ‘ongedierte’, dat doe ik niet meer, maar ik durf het wel denken
. Voortaan noem ik hem ‘C’, elke letter meer is een blamage voor het parlement.
Terug naar Kif Kif. Deze organisatie werd volgens hyperdemocraat C de voorbije jaren gul ondersteund door de Vlaamse overheid, onder meer door de Vlaamse minister van Inburgering. Zelfs de VDAB organiseerde in samenwerking met Kif Kif in het verleden reeds interculturele jobbeurzen. Schande! Immers, in de praktijk verkondigt zij vreemde standpunten. Op de website van Kif Kif worden onder meer artikels gepubliceerd die scherp uithalen naar het Belgische boerkaverbod, naar het Vlaams Belang en N-VA, maar ook het haatproza tegenover Israël op de website van Kif Kif wakkert het antisemitisme aan. Aldus C.
Ja, Kif Kif neemt het op voor de Palestijnen. Ze pleiten voor een boycot van Israëlische producten, voor een wapenembargo e.d. Dat lijken me zelfs heel normale vragen. Maar haat verspreiden is het helemaal niet. Dat lijkt mij eerder een specialiteit van het Vlaams Belang zelf.
Mijnheer C wil dat de cultuurminister de subsidiëring van Kif Kif stopt. Kif Kif krijgt via Cultuur 154.000 euro. Moet de overheid wel subsidie geven aan kritische organisaties, zeker als die zelfs de overheid op de korrel durven nemen? Ja. Dit raakt de kern van de democratie. Het is kenmerkend voor het cultuurbeleid in Vlaanderen dat de overheid zich niet moeit met de inhoudelijke werking van de organisaties die zij subsidieert. Ze geeft subsidie op basis van criteria en voorwaarden die decretaal zijn bepaald, maar niet op basis van een oordeel over de inhouden en standpunten. Prachtig toch? Het is een kwaliteit van het Vlaamse cultuurbeleid, gedurende vele decennia reeds. Ja, wij hebben de moed om ook die stemmen te subsidiëren waarmee we het niet eens zijn. Welke organisatie ook en welk standpunt ook, de criteria van de regelgeving moeten als toetssteen dienen voor de beoordeling en niet de standpuntbepaling as such. De overheid moet niet ingrijpen op inhoud. ‘Wiens brood men eet, diens woord men spreekt’ is een spreekwoord dat gelukkig niet van toepassing is op ons cultuurbeleid. Er is artistieke vrijheid en vrijheid van meningsuiting.
Kif Kif is erkend op basis van een procedure dier neutraal en objectief is verlopen. Ze werden positief beoordeeld door een deskundige adviescommissie. Het kleurenpalet in het sociaal-cultureel werk gaat van links tot rechts. Het is een vorm van rijkdom van ons cultuurbeleid.
Dat betekent niet dat iedereen alles mag zeggen. Er zijn wetten over eerroof, racisme en negationisme. C kan die gebruiken. Waar wacht hij op?
En nog dit over Kif Kif. Het wil de stem van jonge allochtonen laten horen in het maatschappelijke debat. Er zijn cursussen journalistiek en mediawatch, en het wil ook zelf een rol spelen in het maatschappelijke debat via debatten, lezingen en de verspreiding van persberichten en opiniestukken. Zo hoort dat.
En zou mijnheer C opgemerkt hebben dat de artikels die worden gepubliceerd op de website van Kif Kif, niet altijd van de hand zijn van Kif Kif, maar ook van bijvoorbeeld van Vrede vzw, het Vlaams Palestina Komité, Palestina Solidariteit, en vele andere?
Waarom zoveel artiesten fulmineren tegen de nationalistische politieke leiders? Er is veel emotie mee gemoeid, zeker in het artistiek milieu. Irrationeel dus. Het is vooral een principiële anti-nationalistische houding: kunst kent geen grenzen en kunst is de facto internationaal gericht en dat botst met het nationalisme.
Er is ook een rationele verklaring. Het nationalisme noemt is bij ons nauw verwant met conservatieve stromingen. Het voedt zich meer dan ooit met de angst van de mensen voor hun toekomst, het onbehagen over de politiek en de migratie die als bedreigend worden aangevoeld. Dat nationalisme is conservatief, ook cultureel, al zijn nationalisten geen cultuurhaters. Het zijn meestal cultuurminnaars, maar dan vooral van die kunstuitingen die al tot de canon behoren, dat is het erfgoed, de literatuur, de klassieke kunsten. Er is een voorliefde voor Vlaamse cultuuruitingen, bij uitbreiding Europese die wij in onze cultuur geïntegreerd hebben. Cultuur moet de Vlaamse identiteit bevestigen en versterken. Daar is trouwens niks mis mee. Maar het is een onvolkomen denkpatroon omdat het weinig ruimte laat voor de hedendaagse kunstuitingen die meestal anders, afwijkend, eigen, en vaak kritisch zijn ten opzichte van de maatschappij.
Dit alles resulteert in een denkpatroon waar eigenlijk weinig ruimte overblijft voor kunstenaars die vernieuwend en afwijkend zijn. Het nationalistische denken klikt niet echt met de autonomie en de vrijheid die we vandaag aan kunstenaars garanderen.
Zijn kunstenaars anti-Vlaams? Nee, dat denk ik niet, Ze erkennen dat Vlaanderen een realiteit is, een interessante zelfs. Alleen willen ze niet binnen die grenzen blijven maar er uitbreken.
Vlaanderen, en zeker het Vlaams-nationalisme is als een overjas die twee maten te klein is. Je kan er wel in, maar die voelt zeer oncomfortabel aan. Na een tijdje ga je je er mateloos aan ergeren.
Dat de figuur van Bart De Wever daarbij vaak in het vizier komt, is niet meer dan logisch. Hij is een charismatische leider, en de emanatie van dat denken, uitdrukkelijk en zelfverklaard conservatief. Maar, het gaat niet om de persoon van De Wever, maar als de voorzitter van die partij, maar ja, charisma lokt ook felle reacties uit bij tegenstanders.
Het is altijd leuk om goed nieuws te brengen. Veel leuker is het echter nog om goed nieuws te brengen dat je zelf hebt gemaakt. Zo moet het ongetwijfeld aangevoeld zijn bij de VRT, eerder deze week. Met de nodige luister en nauwelijks verholen trots werd de diversiteitsmonitor 2011 voorgesteld. Een tweejaarlijkse screening van het scherm, speurend naar andersgekleurde, mindervalide, ja zowaar bejaarde of godbetert vrouwelijke wezens.
‘We zijn goed bezig, ook al zeggen ze van niet’ parafraseert de VRT een beruchte TV-familie van een bevriende zender. Dat die familie nu ook weer niet zo goed bezig is, mediatiek noch sportief, leek eventjes bijzaak. Nee, de diversiteitsmonitor maakte het zonneklaar: onze openbare omroep is onmiskenbaar op de goede weg. Steeds meer mag er ook eens een niet-blanke medemens opdraven op het witte scherm (pun intended). En dan zelfs geeneens uitsluitend in een geënsceneerde docuserie over grootstedelijke criminaliteit.
Canvas slaagt er zowaar in al eens een vrouw met enige deskundigheid in de Terzake-studio te krijgen. Voorwaar een huzarenstuk.
Toegegeven, één is de voorbije twee jaar een ietsje vermannelijkt, maar de schier eindeloze herhaalde kampioenen vormen nu eenmaal een mannenbastion op zichzelf. Ook de talloze kiekens, koeien en teven in nesten of zootje allerhande tellen niet mee, wegens niet menselijk. Het gekakel en geblaat van desperate huiswijven compenseert het enigszins, maar kan de trend niet volledig omkeren.
Het zieke broertje is en blijft de medemens met een beperking. Van alle zogenaamde ‘sprekende actoren’ heeft slechts 1,8% een functiebeperking. Hierbij dringt zich uiteraard meteen de vraag op hoe we dit moeten definiëren. Dat doofstommen uit de boot vallen, is evident, maar wat doen we met alle behaagzieken die wijlen ‘de Rode Loper’ bevolkten? Wat met de excentriekelingen die werden opgevoerd in ‘man bijt hond’? Om over de geestelijke gezondheid van ‘Tomtesteron’ nog maar te zwijgen’. En, ik zal het maar zelf zeggen: Zijn niet het gros van de actoren uit ‘villa politica’ enigszins anders? Al bij al valt het dus ongetwijfeld wel mee met disfunctionerende mensen op TV.
Eventjes terug naar de diversiteit in kleur. Vooral Ketnet steekt de loftrompet met een reuzensprong vooruit. De jongerenzender werd de voorbije twee jaar 8% meer kleurentelevisie. Heel lovenswaardig, maar als je laag genoeg zakt, is een steile opmars uiteraard wel een pak makkelijker.
In 2009 scoorden de niet-witte actoren amper 4 en een halve procent. En daarbij zaten er dan wellicht nog een nest Teletubbies. 4 en een halve procent. Ronduit beschamend voor een kinder- en jongerenzender die het forum bij uitstek is om een multiculturele samenleving als een evidentie in beeld te brengen.
Zo beschamend dat de VRT in 2009 besliste om niet te communiceren over haar diversiteitsmonitor. Het werd meer opportuun geacht om de onderzoeksresultaten te reserveren voor intern gebruik. Dan is het natuurlijk wel stom om nu met de nodige bombarie de cijfers van 2011 vrij te geven, steevast in perspectief geplaatst met de cijfers van de rampzalige vorige monitor. Cijfers die plots wel het daglicht te zien krijgen. Geen idee of de communicatiedienst van de VRT zich daarvan bewust is.
Tja, misschien moet je er iets voor over hebben om goed nieuws te kunnen brengen. Hoe kan je anders zelfvoldaan verkondigen dat onze gekleurde medemensen in non-fictie-programma’s op één aan een mooie opmars bezig zijn; van 10 tot 12 procent. Over 2007, 17%, wordt zedig gezwegen.
En wanneer de herwaardering van de gemeenteraad?
De Vlaamse regering wil een uittredingsvergoeding invoeren voor burgemeesters en schepenen. Dat stond al in het Witboek over de interne Vlaamse staatshervorming en werd nu beslist. Wij kunnen ons achter dit voorstel scharen. Immers, lokale uitvoerende mandatarissen hebben geen enkel sociaal vangnet als ze niet ‘herverkozen worden. En het kan de aantrekkelijkheid van de lokale politiek verhogen. Ja dus, voor zover de uitwassen die vandaag bij de parlementsleden voorkomen, niet herhaald worden.
Maar toch wringen er nog behoorlijk veel verschillende schoentjes. Het voorstel klinkt goed, maar pakt maar een beperkt deel van de problemen aan, namelijk dat van de burgemeesters en schepenen. Daar staat het Vlaams parlement wel voor open, het zit vol met schepenen en burgemeesters. Fijn dat ze hun collega’s die geen parlementair mandaat hebben, zo willen steunen (sic).
Maar fundamenteler, en dubbel jammer, is dat er voor de gemeenteraadsleden die geen schepen of burgemeester zijn geen oplossingen worden voorgesteld. Daar zit de kern van het probleem. De gemeenteraad heeft zwaar aan belang ingeboet door de toenemende macht van de uitvoerende organen en door de talrijke afspiegelingscolleges. Met dit laatste bedoel ik het feit dat veel colleges een samenstelling hebben die overeenkomt met de Vlaams en/of de federale meerderheid, wat goed uitkomt om Vlaamse subsidies, bijvoorbeeld voor grote openbare werken, naar hun stad te irrigeren. Het belang van het lokaal bestuur taant, mede omdat Vlaanderen al decennia lang een Jozef II-bestuur voert. Duizenden regeltjes versmachten de lokale beleidsruimte en blokken politieke keuzes af.
Terug naar de raad. Te weinig mensen voelen zich aangetrokken tot deze functie van raadslid. Logisch, de bevoegdheden en de werking van de gemeenteraden zijn uitgehold. De gemeenteraad verdient een stevige herwaardering. Daarbij hoort een behoorlijke vergoeding, een ondersteuning van het fractiewerk met eigen personeel, meer mogelijkheden om werk en politiek te combineren, meer vormingsmogelijkheden, en ook een kleine uittredingsvergoeding voor wie niet meer verkozen is. Deze maatregelen worden best bepaald in verhouding tot de grootte van de stad of gemeente. Gemeenteraadslid zijn in Gent of Antwerpen is een arbeidsintensieve opdracht, die veel tijd en inzet vergt. Een raadslid kan de complexiteit van het lokaal besturen niet meer vatten zoals de vrijwilliger van een eeuw geleden. Willen we goede raadsleden? Dan is het noodzakelijk te investeren in inhoudelijke en materiële ondersteuning en in een betere verloning. In de grote steden kan dat tot een halftijdse job uitgroeien. Maar ook in kleine gemeenten is de complexiteit groot en ondersteuning nodig. De verloning en de uittreding moeten veel beter worden geregeld!
Inhoudelijk moet deze functie geherwaardeerd worden. De raad is veelal verworden tot een stemmachine van de meerderheid; goed wetende dat alle beslissingen eigenlijk al lang genomen zijn, dat er van de leden van de meerderheid vooral verwacht wordt dat ze zwijgen en ja-knikken, willen ze zelf ooit schepen worden. Want dat is vandaag helaas de feitelijke rol van de gemeenteraad: wachtkamer voor de sprong hoger op.
Herwaarderen is ook een sterkere inhoudelijke betrokkenheid, betere informatieverstrekking, garanties op grondig debat, exclusieve toewijzing aan de raad van beslissingen over strategische kwesties ... Daarnaast zouden de raadsleden een belangrijke rol kunnen spelen in participatie-initiatieven in steden en gemeenten, als brugfiguren tussen de burger en de colleges van burgemeester en schepenen.
Nog dit over de schepenen en burgemeesters: zij worden, net zo min als ministers, rechtstreeks aangeduid door de kiezer, maar door hun partij. Als zij hun mandaat beëindigen zouden zij, aldus minister Geert Bourgeois recht hebben op zo’n vergoeding. Dat is terecht voor zover die beëindiging noodgedwongen gebeurt. Maar het moet niet gelden als mandatarissen vrijwillig stoppen, net zo min als voor parlementairen. Dat is ook niet geval voor gewone werknemers. Het ware goed dat de politieke klasse zich zou spiegelen aan (de meerderheid van) haar kiezers.
Mag ik even stellen wat we eigenlijk weten: het lokale bestuursniveau is het belangrijkste! Het verdient waardering en ondersteuning. In die zin is het moedig van Jean-Michel Javaux (Ecolo) die ook burgemeester is van de Waalse gemeente Amay dat hij zijn gemeenteraad liet voorgaan op het federale onderhandelingen. Daar komt het blijkbaar toch niet op een dag min of meer. Nogal wat kranten hebben er vandaag plezier in, ja maken een karikatuur van de man. Van mij krijgt hij een gelukwensen voor zijn moed en doorzettingsvermogen. Natuurlijk is ‘s lands belang ondergeschikt aan het dorpsbestuur van Amay. Als symbool kan het tellen. En daarenboven, het ligt niet aan Javaux dat het land niet aan een nieuwe bestuurploeg geraakt, nietwaar?
Tenslotte, als we de gemeenteraden zouden herwaarderen, dan kunnen we het statuut van de raadsleden en schepenen misschien evenwijdig ontwikkelen met dat van nationale politieke mandaten. Dat zal cumuleren en jobhoppen ook tegengaan, en dat is nodig voor een hoge kwaliteit van bestuur. Of nog straffer: moet de Vlaamse overheid dat weer als een keizer-koster vanuit Brussel regelen? Kunnen de gemeenten dat eigenlijk zelf niet, ervan uitgaande dat ze dat zouden mogen doen van Vlaanderens Binnenlandminister.
Tijdens het internationale Jaar van de Bossen stellen we elke maand een bijzonder bos in de spotlight. Deze maand het Lappersfort Zuurstofbos in Oostende. Dat deed ik samen met mijn collega uit het Vlaamse parlementsleden Dirk Peeters en kamerlid Wouter Devriendt.
Meer info over het Lappersfort Zuurstofbos vind je op de sites van Buitengoed en het Groene Gordel Front.
| februari 2012 | ||||||
|---|---|---|---|---|---|---|
| z | m | d | w | d | v | z |
| 1 | 2 | 3 | 4 | |||
| 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 |
| 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 |
| 19 | 20 | 21 | 22 | 23 | 24 | 25 |
| 26 | 27 | 28 | 29 | |||

foto Viviane Decock
© 2009 - Bart Caron // Design: Het Concept / Matthias Malfr