
Voorstel van resolutie van de heren Tom Dehaene, Jean-Marie Dedecker, Kris Van Dijck, Bart Caron en Johan Sauwens houdende herziening van de regelgeving betreffende het voorkomen van de veteranenziekte of legionellose op voor het publiek toegankelijke plaatsen.
Voorstel van resolutie
Het Vlaams Parlement,
– gelet op:
1° het besluit van de Vlaamse Regering van 11 juni 2004 betreffende het voorkomen van de veteranenziekte of legionellose op voor het publiek toegankelijke plaatsen, hierna het legionellabesluit te noemen;
2° het antwoord van Vlaams minister van Cultuur, Jeugd, Sport en Brussel, de heer Bert Anciaux, op de vraag om uitleg van de heer Tom Dehaene betreffende het legionellabesluit, in commissie behandeld op 13 januari 2005;
3° het antwoord van Vlaams minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, mevrouw Inge Vervotte, op de vragen om uitleg van mevrouw Marleen Van den Eynde en de heren Tom Dehaene en Jean-Marie Dedecker betreffende het legionellabesluit, in commissie behandeld op 25 januari 2005;
4° de maatschappelijke, ethische en beleidsmatige noodzaak om de zware preventieve inspanningen die ‘hoogrisico-inrichtingen’ en ‘matigrisico-inrichtingen’ in het kader van het legionellabesluit moeten leveren, af te wegen tegenover de grootte van het risico en het bewijskarakter van de effectiviteit van de te leveren inspanningen;
5° de vraag van minister Inge Vervotte aan de administratie om een stand van zaken te geven met betrekking tot de toepassing van het legionellabesluit, met inbegrip van de knelpunten die daarbij vastgesteld worden;
6° het Vlaamse regeerakkoord 2004-2009 dat bepaalt dat bijzondere aandacht moet worden geschonken aan de vermindering van de planlasten;
– overwegende dat:
1° het aantal gevallen van legionellose of veteranenziekte zeer beperkt is in Vlaanderen;
2° verenigingen, openbare besturen en privéinstellingen zware fi nanciële inspanningen moeten leveren om te voldoen aan de bepalingen van het legionellabesluit;
3° er, ook indien men de bepalingen van het huidig legionellabesluit naleeft, nog steeds een risico op besmetting bestaat, zeker voor bestaande installaties;
4° de garantie niet kan worden gegeven dat zich geen besmetting in deze inrichtingen zal voordoen, of sterker nog, dat wetenschappers bevestigen dat het vrijwel onmogelijk is legionella uit te sluiten voor bestaande inrichtingen;
5° de inrichtingen met het hoogste risico op besmetting, inrichtingen waarvan de exploitant kan aantonen dat er op één dag nooit meer dan tien personen komen, buiten het toepassingsgebied van het legionellabesluit vallen;
6° het bijna ondoenbaar is om grote installaties met heet water te spoelen en dat bovendien niet zonder risico is voor de gebruikers van de installatie;
7° wekelijks of dagelijks spoelen op termijn zeer duur is en energie- en waterverspilling impliceert;
8° de meeste inrichtingen enkel nog maar een beheersplan hebben opgesteld en nog niet begonnen zijn met de nodige verbouwingen;
9° rusthuisuitbaters overwegen om geen douches te plaatsen in de kamers van nieuwe voorzieningen, ten koste van het comfort van de bewoners;
10° er tegenwoordig eenvoudigere en goedkopere technieken bestaan om legionella te voorkomen;
– vraagt de Vlaamse Regering:
1° het legionellabesluit op korte termijn, binnen zes maanden, te herbekijken op grond van de hierboven gestelde overwegingen;
2° in afwachting van een definitieve beslissing overleg te plegen met vertegenwoordigers van de betrokken voorzieningen en de toepassing van het huidige legionellabesluit op te schorten;
3° het legionellabesluit zo aan te passen dat het praktisch haalbaar en betaalbaar is voor de betrokken inrichtingen en dat er minder energie en water verloren gaat.
Tom Dehaene, Jean-Marie Dedecker, Kris Van Dijck, Bart CARON, Johan Sauwens
Met redenen omklede motie van de heer Bart Caron, mevrouw Cathy Berx en de heren Dany Vandenbossche, Sven Gatz, Kris Van Dijck en Steven Vanackere tot besluit van de op 10 maart 2005 door de heren Jurgen Verstrepen en Jos Stassen in commissie gehouden interpellaties tot de heer Bert Anciaux, Vlaams minister van Cultuur, Jeugd, Sport en Brussel, respectievelijk over de koppeling van subsidies voor sport-, cultuur- en jeugdverenigingen aan quota voor allochtonen en over allochtonen in cultuur-, jeugd- en sportverenigingen
Het Vlaams Parlement,
– gehoord de interpellaties van de heren Jurgen Verstrepen en Jos Stassen;
– gehoord het antwoord van minister Bert Anciaux;
– gelet op:
1° de aandacht voor het verenigingsleven in het Vlaamse regeerakkoord: "de Vlaamse Regering geeft prioriteit aan het verenigingsleven, neemt faciliterende maatregelen en vult witte plekken in het aanbod aan, zodat het verenigingsleven haar eigen initiatieven optimaal kan uitbouwen";
2° de intenties van de minister zoals beschreven in de beleidsnota’s Jeugd, Sport en Cultuur 2004-2009: "het ontwikkelen en het stimuleren van een diversiteitsbeleid met specifieke aandacht voor interculturaliteit staat centraal. Interculturaliteit beoogt het werkelijk samenleven met elkaar van mensen en groepen met verschillende culturele achtergronden.
Uitgangspunt is dat interculturaliteit een ‘gewenste realiteit’ is, waarbij het bewust omgaan met verscheidenheid centraal staat. (…) De uitdaging ligt erin niet passief naast elkaar te bestaan maar actief samen te werken aan een interculturele dynamiek. Ontmoeting staat hierbij centraal. Een cultuur-, jeugd- en sportbeleid moet ontmoeting tussen individuen en groepen aanwakkeren.";
3° het belang van een beleid dat bijdraagt tot de realisatie van een diverse, verdraagzame en rijke Vlaamse samenleving;
– vraagt de Vlaamse Regering bij de uitvoering van het beleid inzake Jeugd en Cultuur, zoals geformuleerd in het Vlaamse regeerakkoord, de Verklaring van de Vlaamse Regering en de beleidsnota’s Jeugd, Cultuur en Sport 2004- 2009:
1° de strategische doelstellingen die in de beleidsnota’s Jeugd en Cultuur 2004-2009 worden geformuleerd met betrekking tot diversiteit en interculturaliteit uit te werken en te concretiseren in een diversiteitsplan dat gefaseerd wordt uitgevoerd tijdens de volledige legislatuur;
2° dit tot stand te brengen in samenspraak met de diverse actoren;
3° steeds rekening te houden met de eigenheid van de verschillende verenigingen, actoren, sectoren, disciplines en etnisch-culturele minderheden, en tegelijk alle betrokkenen ertoe aan te zetten om de onderlinge en interne kennismaking, ontmoeting en samenwerking te stimuleren, zowel op het individuele als op het collectieve vlak.
Bart Caron, Cathy Berx, Dany Vandenbossche, Sven Gatz, Kris Van Dijck, Steven Vanackere
De heer Bart Caron:
In de wielersport is er blijkbaar een probleem met de beroepsprocedure in dopingzaken. Nochtans was de wielerbond enkele jaren geleden vragende partij om de vervolging van doping binnen de bond zelf te organiseren. Daarmee was hij een uitzondering in de Vlaamse sportwereld. Nu wil de bond blijkbaar van die situatie af.
Waar wil de wielerbond naartoe? Meent hij dat er binnen de Vlaamse Gemeenschap een meer coherente procedure wenselijk is? Wat zijn de gevolgen op internationaal vlak? Is er een aanpassing van het decreet nodig of is de wielerbond zelf verantwoordelijk? We moeten in ons land op een volwassen manier omgaan met de dopingbestrijding in het wielrennen.
Minister Bert Anciaux:
Er was al overleg met de wielerbond, vandaag volgt er een tweede. Enerzijds moeten we gaan naar een correcte procedure, gelijk voor alle sporten, waarin de rechten op verdediging gewaarborgd zijn, en anderzijds moeten we de internationale manifestaties kunnen behouden. Een open oorlog met UCI is dus uit den boze, maar ik mag me ook niet blootstellen aan kritiek op de tuchtprocedures.
Er bestaat zeker een oplossing. De verklaring van Kopenhagen heeft niets te maken met het erkennen van de procedure van de wielerbond. In de beleidsnota staat duidelijk dat we ons volledig willen aanpassen aan de WADA-code. Dat zullen we systematisch en versneld doen.
Toch is er in de WADA-code onduidelijkheid over het TAS in Lausanne: mij lijkt het perfect mogelijk om naast de drie normale stappen in de procedure -eerste aanleg, beroep bij de disciplinaire commissie, en de Raad van State - ook in de extra mogelijkheid van het TAS te voorzien. Daardoor zou beantwoord worden aan de WADA-code die we hoe dan ook helemaal in onze eigen regelgeving zullen opnemen. De situatie kan vergeleken worden met de stappen in de burgerlijke rechtspraak: eerste aanleg, beroep, cassatie, en ten slotte de mogelijkheid tot internationale procedures. In die logica is een alles overkoepelend geheel van tuchtprocedures in overeenstemming met het WADA perfect mogelijk. We zullen de WADA-code dus systematisch opnemen in onze eigen regelgeving.
Volgens mij schaadt de mogelijkheid onmiddellijk na eerste aanleg naar het TAS te gaan, de rechten van verdediging niet. Uiteraard vind ik het recht op verdediging belangrijk. Maar ik wil niet mee aansturen op straffeloosheid van dopinggebruik door verwarring te schoppen. We moeten naar duidelijke regels voor iedereen, met waarborg van de rechten van de verdediging. Ze mogen uiteraard niet in strijd zijn met de WADA-code, zodat de internationale manifestaties gevrijwaard kunnen blijven.
Vraag om uitleg van de heer Caron tot mevrouw Vervotte, Vlaams minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, over de maatregelen tot beheersing van de uitgaven inzake hulpmiddelen en aanpassingen.
De heer Bart Caron: Mijnheer de voorzitter, mevrouw de minister, op 17 december 2004 keurde de Vlaamse Regering maatregelen goed inzake uitgaven
voor hulpmiddelen. Dat was een aanpassing van het toenmalige besluit. Er zijn een aantal overgangsmaatregelen bepaald. Er is in 2005 geen indexering geweest van de refertelijst voor de hulpmiddelen, die worden pas in 2006 opnieuw geïndexeerd. De terugbetaling van bedden en elektronische relaxzetels wordt stopgezet vanaf 1 januari 2005. Mijn vraag gaat vooral over een uitvoerende modaliteit van die regeling. Bedden moeten in principe ten laste worden genomen door de ziekteverzekering. Via het Vlaams Fonds was er een surplus aan mogelijkheden gecreëerd, maar dat budget staat onder grote druk. Daarom is beslist dat die extra dienstverlening via het Vlaams Fonds wordt stopgezet. Elektronische relaxzetels dragen bij tot het levenscomfort. Ook in dat verband werd via het Vlaams Fonds een inspanning gedaan. De Vlaamse Regering heeft echter beslist dat het niet langer opportuun is om dergelijke hulpmiddelen terug te betalen. Alleen voor mensen die aan de ziekte van Huntington lijden, blijft de mogelijkheid tot terugbetaling behouden.
Er zijn een aantal overgangsmaatregelen genomen, maar die ga ik niet allemaal gedetailleerd behandelen. Het principe is echter dat wie vóór 1 januari 2005 een toezegging had, maar de relaxzetel of het bed niet voor diezelfde datum heeft aangekocht, geen terugbetaling meer krijgt. Indien de aankoop vóór 1 januari 2005 gebeurde, is er geen probleem. Dan is er nog steeds de mogelijkheid tot terugbetaling via het Vlaams Fonds. Ik begrijp dat er overgangsmaatregelen worden genomen. Op die manier kunnen potentiële misbruiken worden tegengegaan, worden onduidelijkheden vermeden en heerst er rechtszekerheid bij de zorgvragers. Er zijn een aantal knelpunten in deze regeling. Mensen die in de loop van 2004 een positief antwoord kregen in verband met de terugbetaling, maar om de een of andere reden hun aankoop een beetje hebben uitgesteld, zullen geen terugbetaling meer krijgen. Dit is een moeilijke kwestie. Belofte maakt schuld. Hoe streng moet deze regeling eigenlijk worden toegepast? Bepaalde mensen worden heel hard getroffen door deze maatregel. Bovendien zijn de mensen die hun aankoop uitstellen, net mensen die het financieel minder goed hebben. Juristen spreken nu over rechtsonzekerheid. Ze vragen zich bovendien af of dit wel een daad van behoorlijk bestuur is.
Daarom mevrouw de minister had ik u graag volgende vragen gesteld:
- Bent u bereid om de beslissing opnieuw te bekijken?
- Bent u bereid om voor de personen die een positieve beslissing kregen van het Vlaams Fonds, maar hun aankoop niet vóór 1 januari 2005 hebben gedaan, een uitzondering te maken? Er wordt gesteld dat bedden eigenlijk door de ziekteverzekering ten laste moeten worden genomen.
- Kunt u bevestigen dat dat ook echt gebeurt?
- Welke oplossingen hebt u voor de eventuele knelpunten die er nog zijn in verband met personen met een handicap en chronisch zieken?
Minister Inge Vervotte: Mijnheer de voorzitter, collega’s, dit heeft te maken met de besparingen waarvan iedereen solidair zijn deel heeft opgenomen. Bij de besparingsvoorstellen hadden we er in eerste instantie voor gekozen dat de sector van de individuele materiële bijstand, de residentiële sector en de ambulante sector elk een beetje zouden besparen. We hadden voor elk van die sectoren een verhoging van het budget kunnen verwezenlijken, maar de compensatie daarvoor was dat elke sector zijn verantwoordelijkheid zou opnemen wat de besparingen betreft. Dat is voor niemand plezant, en er zijn altijd 1001 redenen om te vragen om die besparingen niet te moeten doorvoeren. Uiteindelijk is er een globaal voorstel voorgelegd aan de raad van bestuur van het Vlaams Fonds. Er werd toen ook duidelijk gezegd dat alternatieve voorstellen welkom waren. Voor ons was het belangrijk dat de raad van bestuur van het Vlaams Fonds achter de beslissing zou staan. Er zijn echter geen alternatieve voorstellen uit de bus gekomen. De besparingsmaatregel zou 600.000 euro opleveren. Ik ben bereid om de beslissing van 17 december 2004 opnieuw te bekijken. Dat betekent dat ik een gewijzigd besluit voor advies zal voorleggen aan de raad van bestuur van het Vlaams Fonds. Voor mij is het echter zeer duidelijk dat we onze budgettaire inspanningen moeten leveren. Ik ben dus bereid om het besluit te wijzigen en het voor advies voor te leggen aan de raad van bestuur van het Vlaams Fonds, maar we moeten wel onze verantwoordelijkheid opnemen in verband met de budgettaire impact. De raad van bestuur van het Vlaams Fonds zal dus met een voorstel op de proppen moeten komen, want de besparing moet worden gerealiseerd. We vonden deze maatregel verantwoord omdat verschillende ziekenfondsen bedden te huur aanbieden tegen een zeer lage huurprijs.
De heer Bart Caron: Mevrouw de minister, ik dank u voor uw antwoord. Het is inderdaad zo dat in verhouding de besparingen op de individuele hulpmiddelen procentueel een stuk hoger liggen dan de algemene besparing die u hebt moeten inbrengen in uw begroting. Ik hoop dat er een alternatief komt, want uiteindelijk komen we opnieuw terecht bij de situatie van tijdens de opmaak van de begroting, namelijk dat u het Vlaams Fonds vraagt een alternatieve vorm van besparingen voor te stellen. Ik hoop dat het Vlaams Fonds zicht kan krijgen op eventuele meevallers, waarmee ik dus bedoel dat bepaalde kostensoorten misschien door omstandigheden moeten worden verschoven. We weten allemaal wat daarmee wordt bedoeld. Misschien kan deze anomalie dan verdwijnen. Ik dank u alleszins voor uw bereidheid om iets te doen aan dit probleem.
Schriftelijke Vraag van Bart Caron, Vlaams volksvertegenwoordiger aan de heer Kris Peeters, Vlaams minister van Openbare Werken, Eneergie, Leefmilieu en Natuur over de uitbreiding en het onderhoud van het Stadsrandbos (Preshoekbos) te Kortrijk.
In het beleidsplan van de Vlaamse Regering is een van de besparingsposten het aankopen van bossen. Hierover heeft de minister reeds in de eerste week van september in de media een verklaring afgelegd. Hij vindt dat de Vlaamse overheid niet langer massaal bossen en gronden dient aan te kopen voor de aanplanting van nieuwe bossen. Bovendien is hij ook de mening toegedaan dat bossen evengoed privé kunnen worden beheerd en dat de overheid in het verleden ook vaak te veel betaald heeft voor het aankopen van bossen.
Die uitlatingen van de minister vielen niet in goede aarde bij Spirit, sp·a en Groen! en al helemaal niet bij de mensen van de Bond Beter Leefmilieu. Daarom rijst de vraag of het Stadsrandbos Kortrijk, Preshoekbos in de volksmond, een bos in ontwikkeling, één van de bedreigde bossen is. Van dit bos werd door de Vlaamse Regering in het verleden reeds 36 ha aangekocht en beplant. Overigens was de planning om 256 ha bos aan te kopen. Blijft dus nog 220 ha bos over.
De slechts twintig van de geplande veertig hoogstammige fruitbomen en de halfvolwassen Preshoeklinde werden kort na de aanplanting door vandalen doormidden gezaagd. De nieuwe aanplantingen in 2003 zijn verdord en de nieuwe jonge twijgjes van het bos aan de Kapelhoekstraat zijn overwoekerd door onkruid. Dit bij gebrek aan onderhoud door de dienst Beplanting van het Vlaams Gewest.
Daarom meneer de minsiter, had ik u graag volgende vragen gesteld:
1. Wordt de resterende 220 ha van het Stadsrandbos Kortrijk (Preshoekbos) nog aangekocht, of is dit bos bedreigd door de besparingsmaatregelen ?
2. Kan de minister meedelen of er problemen zijn met het onderhoud van het betrokken bos ?
3. Zijn er plannen om met de privé-sector overleg te plegen inzake het beheer of de uitbouw van het Stadsrandbos Kortrijk ?
Antwoord van minister Kris Peeters:
1. Op dit ogenblik is reeds 73 ha aangekocht (87 ha met inbegrip van de verkeerswisselaar). Deze winter wordt een bijkomende 10 ha beplant. Tevens werd een hoeve aangekocht als dienstwoning en arbeidersloods. Het is geenszins de bedoeling om dit project, waarvoor overigens het gewestplan aangepast werd, te verlaten.
2. Er zijn geen wezenlijke problemen met het beheer van dit bos. Het is wel mogelijk dat sommige personen veeleer een parkbeheer verwachten dan een normaal bosbeheer. Dit houdt onder andere in dat in de jonge beplantingen voornamelijk distels gemaaid worden, maar dat andere kruidvegetatie getolereerd wordt. Dit biedt nu reeds belangrijke biotopen voor diverse vogelsoorten. Het slaagpercentage van het overgrote deel van de recente beplantingen (meer dan 10 ha) is overigens zeer goed te noemen.
Het is duidelijk dat het uitzicht van deze beplantingen in de komende vijf jaar wezenlijk zal veranderen. Er zijn zoals vermeld wel problemen met één of meer onbekenden. De Preshoeklinde, die de aanplanting van het nieuwe bos symboliseert, werd inderdaad doormidden gezaagd en ook de nieuwe aanplanting werd het groeien belet door herbiciden. Deze trieste daad wordt door de grote meerderheid (ook bij de landbouwers) volmondig gelaakt. Ook de rest van dit kleine perceeltje (36 are) is inderdaad niet goed aangeslagen. Dit komt omdat de bodem van dit restperceeltje sterk verstoord is en er heel wat puin in te vinden is.
3. Het Vlaams Gewest staat steeds open voor inbreng van particulieren bij de uitbouw van het stadsrandbos. Van minstens één eigenaar is geweten dat hij een tiental jaar geleden een bosje heeft aangeplant in het gebied en dat hij dit bosje ook wenst te behouden. Het Vlaams Gewest heeft geen enkel probleem met deze visie en zal integendeel deze eigenaar waar mogelijk ondersteunen. In de regel zijn de eigenaars echter niet bereid om zelf hun gronden om te zetten naar bosgrond.
De afdeling Bos en Groen heeft eigen materiaal en arbeiders om de dagelijkse onderhoudswerken in het bos in eigen beheer uit te voeren. Dit wil niet zeggen dat er geen beroep wordt gedaan op de privé-sector. Vooral grotere investeringswerken worden uitbesteed.
In de Markebeekvallei wordt een halfopen bosstructuur nagestreefd. De begrazing waarin hierbij voorzien
wordt, zal geregeld worden via beheerovereenkomsten met landbouwers. Diverse beplantingen werden ook uitgevoerd door middel va bosplantacties. Bij deze educatieve acties wordt een groot deel van de bevolking betrokken. In het kader van het toekomstige bosbeheerplanzal ook in een participatief luik voor de bevolking voorzien worden.
1) Vraag om uitleg van de heer Bart Caron tot mevrouw Inge Vervotte, Vlaams minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, over de tabaksverkoop aan min-16-jarigen en de ratificatie van de Kaderovereenkomst van de Wereldgezondheidsorganisatie.
2) Vraag om uitleg van de heer Bart Caron tot mevrouw Inge Vervotte, Vlaams minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, over het tabaksfonds.
De heer Bart Caron: Mijnheer de voorzitter, mevrouw de minister, geachte collega’s, tot u spreekt een ex-kettingroker. 4 februari 2002 was voor mij een glorierijke dag. Op die dag ben ik definitief gestopt met roken. Het geeft wel aan dat ik een band heb met het thema.
Velen onder ons zullen wel herinneringen hebben over het roken van de eerste sigaret op school. Het hoorde bij de stoerdoenerij en het puberaal gedrag. Ik was dan ook gefrappeerd over de discussie of het nu wel zinvol is om het roken te verbieden aan min-16-jarigen. De verboden vrucht smaakt altijd zoeter. De vraag is dan ook of dit wel de goede strategie is om het roken tegen te gaan.
Mevrouw de minister, u bent me eens te meer te snel af geweest. De regering heeft vorige vrijdag een ontwerp van decreet met betrekking tot het ratificeren van de Kaderovereenkomst van de Wereldgezondheidsorganisatie inzake de bestrijding van het tabaksgebruik goedgekeurd. Ik zal niet alles herhalen. Ik zal me beperken tot de kern van de zaak. De regering heeft ook haar akkoord uitgesproken over de andere delen van de overeenkomst. Ik wens het hier alleen te hebben over het feit of het zinvol is het roken te verbieden.
Ik sluit me grotendeels aan bij het advies van de Vlaamse Jeugdraad. Er zijn nog andere adviezen, zoals die van de Gezondheidsraad. De Vlaamse Jeugdraad stelt dat het er voor hen in eerste instantie op aankomt om aan de preventie te werken. Zo stelt ze: ‘We geloven in de kracht en competentie van kinderen en jongeren. Precies vanuit dat geloof in de jongelui, plaatsen we vraagtekens bij de huidige ‘boom’ aan verbodsbepalingen. We vinden het belangrijk dat kinderen en jongeren betrokken en bevraagd worden bij beleidsacties en –beslissingen, dat ze aangesproken worden op hun stuk verantwoordelijkheid, zonder andere verantwoordelijkheden te negeren. Als Vlaamse Jeugdraad zijn we het niet eens met het verbod op tabaksverkoop aan min-16-jarigen.’ Uit een steekproef is trouwens ook gebleken dat het verbod op zich zeer moeilijk te controleren is en dat het ook niet werkt.
In het advies staat verder: ‘Omdat we geloven dat preventie en informatie op maat veel effectiever kunnen zijn, en recht doen aan het feit dat iedereen zelf moet kunnen beslissen. Omdat opvoeding thuis dient te gebeuren en niet van bovenaf kan en mag opgelegd worden door de overheid. Omdat het opleggen van verbodsbepalingen betuttelend is en – zeker dit concrete verbod – bovenal onterecht slechts 1 groep viseert en zelfs bombardeert tot criminelen. Omdat iedereen het recht heeft op welzijn, maar dus ook – en vooral – het recht om in alle vrijheid eigen keuzes te maken. Ook jongeren. Omdat zij competente burgers zijn, die heel wat in hun mars hebben. Je moet daar wel in durven geloven.’
Mevrouw de minister, graag had ik u volgende vragen gesteld:
- Wat is uw mening over het advies van de Vlaamse Jeugdraad?
- Werd er overleg gepleegd met andere jongerenorganisaties over deze materie? Zo ja, op welke wijze?
Ik heb begrepen dat de Vlaamse Regering over deze zaak geen uitspraak doet omdat het om een federale materie gaat. Ze heeft wel de intentie om de samenwerkingsovereenkomst goed te keuren.
- Denkt u eraan preventieprogramma’s of -campagnes op te starten om jongeren aan te zetten tot stoppen met roken of het starten met roken te ontmoedigen? Zo ja, zal dit gebeuren in overleg met jongerenorganisaties?
Het tweede deel van de vraag gaat over het tabaksfonds, dat door minister Demotte werd opgericht. Het fonds zou door de gemeenschappen, de gewesten en de federale overheid worden bestuurd. In het verleden bestond er ook al een tabaksfonds. Het werd gespijsd met middelen van de tabaksindustrie. Ik denk dat ze met de winst de Formule 1-wedstrijd in Francorchamps kunnen sponsoren. Er is nu een onafhankelijk fonds. De tabaksindustrie is er niet meer bij betrokken.
Bij dit soort thema’s is minister Demotte heel fel. Dat geldt ook als het om alcohol gaat. Dat siert hem. Toch denk ik dat hij op de rand van zijn bevoegdheden balanceert. De wetgever stelt dat er een coördinatiecomité moet worden opgericht en dat er een samenwerkingsovereenkomst moet worden afgesloten. De federale overheid mag niet zomaar gelden overhevelen naar de gemeenschappen of de gewesten. Hetzelfde probleem heeft zich voorgedaan met de auteursrechten en het creatiefonds voor kunstenaars.
Dit zeg ik geheel terzijde: als in de loop van deze legislatuur nog wordt overlegd over een verdere staatshervorming, dan hebben we hier wel een goed dossier voor een pleidooi voor meer homogene bevoegdheidspakketten in handen. De bevoegdheidsverdeling van vandaag is echt niet werkbaar.
Minister Demotte overschrijdt met de beste bedoelingen zijn bevoegdheden. Maar dat mag Vlaanderen er niet van weerhouden op dat terrein uit te pakken met acties en preventiecampagnes.
Ik wil daarom de minister enkele vragen voorleggen.
- Ten eerste, is er reeds nieuw overleg geweest tussen de federale overheid en de gemeenschappen en gewesten betreffende het tabaksfonds?
- Ten tweede, is er reeds een overeenkomst bereikt voor de opstart van het coördinatiecomité? Is het nog realistisch te verwachten dat er middelen uit het federale tabaksfonds worden overgeheveld naar Vlaanderen?
- Ten derde, wat is het budget dat de Vlaamse Gemeenschap zal inbrengen in het tabaksfonds of in een eigen fonds? Of zal de Vlaamse Gemeenschap, onafhankelijk van dit fonds, zelf een aantal preventieacties uitwerken? Welke acties kunnen dat zijn?
- Ten vierde, bij de begrotingsbespreking is gebleken dat de allocaties voor tabakspreventie op nul zijn gebracht. Zult u hiervoor bij de begrotingscontrole een bedrag uittrekken? Of blijven de middelen beperkt tot subsidies voor de drie organisaties waarvan eerder sprake? En om hoeveel geld gaat het?
Minister Inge Vervotte: Ik zal op de verschillende vragen antwoorden, maar niet noodzakelijk in de volgorde waarin ze hier zijn gesteld. Het verbod op de verkoop op tabaksproducten is een federale aangelegenheid. Dat is duidelijk, daarover mag geen misverstand ontstaan. De ratificatie van de overeenkomst betekent niet dat de toestand van de min-16-jarigen wijzigt.
De heer Caron vroeg wat mijn visie is over het standpunt van de Vlaamse Jeugdraad. Ik deel de mening dat een preventiebeleid niet enkel kan bestaan uit regels die de beschikbaarheid van bepaalde producten aan banden legt. Wel is het zo dat een van de meest effectieve maatregelen inzake tabakspreventie, zoals aanbodbeperking en prijszetting, in reglementen moet worden vertaald om efficiënt te zijn. De jongeren stellen dat de overheid inzake maatschappelijke problemen niet automatisch de jeugd met de vinger moet wijzen. Jongeren vormen niet altijd de meest problematische doelgroep. Zo doen problemen met alcoholgebruik zich vooral voor bij mensen uit oudere leeftijdscategorieën.
Ik heb daar niet met de jongeren- of jeugdorganisaties over gedebatteerd. Het advies van de Vlaamse Jeugdraad getuigt van voldoende deskundigheid, en de raad is voldoende representatief. Afgelopen vrijdag hebben we de ratificatie goedgekeurd. De invulling van die kaderovereenkomst moet gebeuren in de cel Gezondheidsbeleid drugs. In die cel zijn alle ministers bevoegd voor de volksgezondheid vertegenwoordigd.
In de eindtermen voor de eerste graad van het secundair onderwijs staat met betrekking tot gezondheidsopvoeding dat leerlingen moeten weten dat het gebruik en het misbruik van genotsmiddelen zoals tabak gevolgen hebben voor de eigen gezondheid, de gezondheid van anderen, sport- en leerprestaties en de sociale relaties. Het VIG ondersteunt methodieken zoals de wedstrijd ‘rookvrije klassen’. Het doel is om er in klasverband voor te zorgen dat de leerlingen gedurende zes maanden niet roken en niet experimenteren.
Een fundamenteler debat heeft te maken met het tabaksfonds. Ik heb hier vroeger al uiteengezet welke stappen we terzake al hebben gezet. Er was een conflict gerezen omdat de Raad van State had gesteld dat het federale niveau het geld niet naar de gemeenschappen mag doorstorten. Vlaanderen had ook ernstige vragen over de omvang van de bedragen: het jaarlijks geïnvesteerde bedrag van 2 miljoen euro staat in schril contrast met het bedrag van 2 miljard euro dat de federale staat jaarlijks int via de accijnzen op tabak. We hebben deze zaak op de interministeriële conferentie geagendeerd. Tijdens een overleg hebben we duidelijk gezegd dat we akkoord gaan met de basisidee die nog dateert uit de tijd van minister Aelvoet. Men legde dan een voorstel op tafel waarin de gemeenschappen geld zouden moeten storten aan de federale regering. Vlaanderen zou echter zeer weinig inbreng kunnen hebben in de uitwerking van de projecten. Wij hebben dat voorstel verworpen. Het kan niet dat we geld zouden storten zonder dat we een substantiële inbreng kunnen doen.
We proberen opnieuw te overleggen om een oplossing te kunnen uitwerken. Als dat niet lukt, zullen we een protocol met het federale niveau uitwerken waarin het federale niveau alleen nog maar geld zal kunnen en mogen besteden voor projecten die binnen de exclusieve bevoegdheden van de federale overheid vallen, naar analogie van het protocol over het Nationaal Voedingsplan.
Er was ook een vraag over de basisallocatie. Er is geen sprake van een reële daling. Het geld was in de begroting ingeschreven. Omdat er op korte termijn geen uitzicht was op een oplossing, hebben we echter besloten om geen verwarring te zaaien en de bedragen tot nul te herleiden. De allocaties zelf zijn behouden, want we hopen daarop in de toekomst geld te kunnen plaatsen. De budgetten voor tabakspreventie zijn constant gebleven. Het Vlaams Instituut voor Gezondheidspromotie krijgt jaarlijks een subsidie van 1.145.000 euro. Dat geld moet prioritair worden aangewend om te werken aan de realisatie van de gezondheidsdoelstellingen. Het budget van de 25 LOGO’s bedraagt 3,7 miljoen euro. De Vlaamse Liga tegen Kanker krijgt elk jaar 260.000 euro om de preventie van het roken te verzorgen.
Er wordt dus verder overlegd met de federale overheid om geld te krijgen. Als dat niet lukt, zullen we een protocol afsluiten om ons beleid niet te hypothekeren.
De heer Bart Caron: Ik dank de minister voor haar duidelijk antwoord. Ik dank haar ook omdat ze de visie van de jongeren steunt, ook al is dat geen Vlaamse bevoegdheid. En ik dank haar ook omdat ze veel aandacht opbrengt voor preventie.
Ik hoop wel dat we op een of andere wijze ervoor kunnen zorgen dat Vlaanderen duidelijkere afspraken kan maken over samenwerking en het genereren van fondsen. Dat moet toestaan om federale gelden aan te wenden voor het beleid van de gemeenschappen. Zo kunnen we eigen accenten leggen. Ik ben tegen betutteling, maar tezelfdertijd ben ik, net zoals de Jeugdraad, gewonnen voor een sterke preventieve aanpak. We kunnen op dat vlak nog een tandje bijsteken.
Minister Inge Vervotte: Het grote probleem is niet alleen dat wij een overeenkomst moeten maken met de federale overheid, maar dat de andere gemeenschappen en gewesten die ook moeten ratificeren. Op dat punt ben ik niet zo optimistisch.
Vraag om uitleg van de heer Bart Caron tot mevrouw Inge Vervotte, Vlaams minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, over het belang van het kind bij echtscheidingen.
De heer Bart Caron: Mevrouw de minister, op 16 februari verscheen in De Standaard een vrije tribune die was ondertekend door mensen die enige autoriteit bezitten inzake opvoeding, zoals verantwoordelijken van de Gezinsbond, van het Kinderrechtencommissariaat, universiteiten, CAW’s en bezoekersruimten. Ze deden een oproep tot een betere begeleiding van de onderbroken of de conflictueuze ouder-kindcontacten, zoals dat in het vakjargon heet.
Opnieuw duikt het communautaire probleem op. Een aantal bezoekruimten passen in het justitieel beleid. De middelen daarvoor gaan naar de CAW’s, die echter onder de bevoegdheid van Vlaanderen vallen.
Mevrouw de minister,
- Bent u bereid om in overleg met de federale bevoegde minister ervoor te zorgen dat scheidende ouders met kinderen de mogelijkheid hebben om kennis te maken met conflictbeheersende bemiddeling?
- Wilt u werk maken van de verdere uitbouw van de bezoekruimtes waar ouders en kinderen professioneel worden begeleid en stapsgewijs kunnen werken aan betere onderlinge verhoudingen? Wellicht moet dat gebeuren in het kader van de werking van de CAW’s.
- Bent u van plan om overleg te plegen met de kinderrechtenorganisaties om tot betere maatregelen te komen ten voordele van kinderen die zijn betrokken in echtscheidingsregelingen?
Minister Inge Vervotte: Mijnheer de voorzitter, dames en heren, de belangen van het kind, dat niet voor de echtscheiding van zijn ouders kiest, staan voor ons centraal. In Vlaanderen is inzake familiale bemiddeling door de CAW’s veel ervaring opgedaan.
Twee weken geleden is in de federale Kamer een wetsontwerp over de bemiddeling goedgekeurd. In het wetsontwerp zijn criteria opgenomen voor de erkenning van bemiddelaars, met inbegrip van de erkenning van de familiale bemiddelaars. We zullen daarover moeten overleggen met federaal minister Onkelinx, want die wet zal gevolgen hebben voor de erkenning van de bemiddelaars in de autonome centra van de CAW’s. De centra krijgen een groot aantal relatieondersteunende hulpvragen bij scheidingen.
Die centra hebben de jongste tijd een enorme deskundigheid opgebouwd, en beschikken over heel wat praktijkervaring in deze problematiek. Ik streef er dan ook naar dat scheidende ouders hun weg kunnen blijven vinden naar deze laagdrempelige dienstverlening. We weten dat ze ook elders terechtkunnen, maar de expertise is laagdrempelig uitgebouwd in de familiale bemiddeling in de Centra voor Algemeen Welzijnswerk.
De neutrale bezoekruimtes die daar eveneens deel van uitmaken, zijn eigenlijk een aanvulling bij de familiale bemiddeling. Als een echtscheiding toch uitmondt in een conflictsituatie, kan de omgang tussen ouders en kinderen gewaarborgd worden in die neutrale bezoekruimtes.
De werking van die neutrale bezoekruimtes wordt nu verfijnd en afgestemd op het decreet betreffende de rechtspositie van de minderjarige in de integrale jeugdhulp. Het is de bedoeling dat in het hulpaanbod van de bezoekruimtes meer rekening wordt gehouden met het belang van het kind. Het gaat dan bijvoorbeeld om kinderen die in het kader van een gerechtelijk vonnis tegen hun zin en onder dwang naar de bezoekruimtes worden gebracht. We zullen het ene met het andere in overeenstemming moeten brengen.
Daarnaast hebben we ook gesprekken gehad met het steunpunt Algemeen Welzijnswerk. Die mensen hebben zich ertoe geëngageerd een uniforme werkwijze uit te werken in de omgang met de verschillende vragen die ze daaromtrent krijgen in hun verschillende CAW’s.
Uiteraard zal ik contact opnemen met alle relevante actoren, opdat het kinderrechtenperspectief voldoende aan bod zou komen en ook in deze thematiek zijn uitvoering zou kunnen vinden.
De heer Bart Caron: Mevrouw de minister, ik dank u voor het antwoord met perspectief.
Vraag om uitleg van de heer Bart Caron tot de heer Bert Anciaux, Vlaams minister van Cultuur, Jeugd, Sport en Brussel, over de situatie van trainers, vrijwilligers en infrastructuur in de Vlaamse sportclub.
De heer Bart Caron: Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, collega's, uit een Bloso-studie bij 20.147 Vlaamse sportclubs blijkt dat de sportclubs steeds moeilijker het hoofd boven water kunnen houden. Als er niet snel een oplossing wordt gevonden, zal sport steeds duurder en dus minder democratisch worden. Bij heel wat clubs is nu al sprake van drop out, ledenverlies en fusies van een aantal sportclubs.
We kunnen ons de vraag stellen in welke mate er op dat vlak een verschil bestaat tussen de profclubs en de amateurclubs, tussen grote en kleinschalige clubs en tussen recreatieve sport en competitie- en topsport.
Volgens Bloso is er een ernstig tekort aan vrijwilligers. Een fiscaal voordeliger statuut zou dat eventueel kunnen verhelpen. Terloops wil ik erop wijzen dat het begrip 'vrijwilliger' steeds meer evolueert naar het begrip 'licht betaalde vrijwilliger'. Het woord 'semi-agoraal werk' komt steeds meer in beeld. Er is een groot donkergrijs circuit voor wat de betalingen betreft, maar dat is ook zo in de culturele sector. Enerzijds is er een tekort aan vrijwilligers en anderzijds is er een probleem met licht betaalde medewerkers.
De agora is de marktplaats. Hier is dat een metafoor voor de markt van de economie. Het gaat over werknemers die half legaal werken, en dus met andere woorden een bijkomende job hebben. Dat probleem heeft te maken met vrijwilligerswerk. Bijvoorbeeld voetbalclubs vinden bijna geen jeugdtrainers meer om echt als vrijwilliger pur sang met jeugdige spelers bezig te zijn. De mensen die iets willen doen zonder vergoeding, of hooguit voor een kilometervergoeding, worden steeds zeldzamer. Het zijn steeds meer 'halfbetaalde krachten' waarvoor een legale oplossing wordt gezocht, en die men wil stimuleren omdat ze het tekort aan echte vrijwilligers opvangen. Ik doe daarover geen morele uitspraken; het is een beweging in de samenleving die evengoed geldt voor dirigenten van koren, harmonies of fanfares, als voor regisseurs in het amateurtoneel of trainers van sportclubs.
Het aantal gediplomeerde trainers ligt blijkbaar ook zeer laag. 53 percent van de trainers kan geen diploma voorleggen. Bij jeugdtrainers is het zelfs 55 percent. Dat is verbazingwekkend, gelet op het feit dat de Vlaamse trainersschool al vele jaren intens met trainersopleidingen bezig is.
Qua sportinfrastructuur zit 34 percent van de sportclubs met de handen in het haar. 80 percent van de ploegen vinden dat zelfs een hinderpaal voor hun groei.
Mijnheer de minister, deze conclusies zijn algemeen geldend voor Vlaanderen, en ik trek ze ook niet in twijfel. Zijn er markante verschillen tussen de steden en de regio's? Om niet van verdachtmakingen te worden beschuldigd, voeg ik er graag aan toe dat in mijn stad een zeer voorbeeldig sportbeleid wordt gevoerd, dat qua faciliteiten bijzonder gunstig is voor de lokale clubs. Er is heel veel sportinfrastructuur. Daarom juist vraag ik me af of er duidelijke regionale verschillen zijn in Vlaanderen.
Meneer de minister, graag had ik u graag volgende vragen gesteld:
- Wie moet er investeren in die infrastructuur? Zijn het de lokale besturen, de provincies of de Vlaamse Gemeenschap?
- In welke mate zijn de lokale besturen verantwoordelijk voor de tekorten?
- Is het een algemeen probleem voor de sport, of zijn er ook verschillen tussen de sporttakken?
- Is de problematiek voor het voetbal bijvoorbeeld helemaal anders dan voor indoor sport?
Wat met het fiscaal statuut van vrijwilligers? Dat is een federale bevoegdheid, maar mijn vraag is of u van plan bent ervoor te pleiten bij federaal minister Reynders, eventueel samen met de Franse Gemeenschap. De problematiek zal daar immers niet anders zijn.
- Hoe denkt u dat de Vlaamse overheid de trainersopleiding kan verbeteren en bevorderen? We beschikken over een zeer gedegen Vlaamse trainersschool. Kan of moet de werking daarvan niet worden uitgebreid?
Ik citeer graag nog het Bloso: 'Als de tekorten niet snel worden bijgewerkt, bestaat de kans dat sport duurder en dus minder democratisch wordt.' Waarop baseert het Bloso zich? Is er een oorzakelijk verband tussen dit en de afname van het vrijwilligerswerk, het tekort aan gediplomeerde trainers en het tekort aan infrastructuur?
Minister Bert Anciaux: Mijnheer de voorzitter, collega's, in het kader van de Bloso sensibilisatiecampagne omtrent sporten in clubverband voor 2003, 2004 en 2005 werd door Bloso een onderzoek uitgevoerd bij de Vlaamse sportclubs. In een eerste fase en ter voorbereiding van de staten-generaal van de sportclubs in september 2003, werden in 2003 alle Vlaamse sportclubs bevraagd. 2.480 sportclubs reageerden op die enquête. Het getal 20.000 moet ik dus een beetje relativeren.
Om de betrouwbaarheid van dit onderzoek nog te verhogen, werd deze bevraging in 2004 herhaald bij de niet-respondenten. Dit resulteerde in bijkomende informatie van 1.725 sportclubs. Uiteindelijk heeft dat onderzoek dus betrekking op 4.205 clubs hetzij 22 percent van de 23.861 Vlaamse sportclubs.
Zoals terecht gesteld door het geacht lid, hebben de Vlaamse sportclubs te kampen met voornamelijk 3 belangrijke problemen. Er wordt een terugloop van het aantal vrijwilligers vastgesteld; er is een tekort aan sportinfrastructuur en er is nood aan een groter aantal gediplomeerde trainers. Mijnheer Caron, u zei ook dat 'als het van het Bloso afhangt, een aantal clubs zullen samensmelten'. Dat was echter een aanbeveling van de staten-generaal van de sportclubs.
In deze fase van het genoemde globale onderzoek in Vlaanderen, werd geen geografische indeling gemaakt, maar wel een indeling op basis van het aantal beoefende sporttakken - uni- of omnisportclubs -, de missie - competitief of recreatief - en de grootte van de sportclubs. Verder onderzoek is mogelijk, ook regionaal, maar er worden niet onmiddellijk grote regionale verschillen verwacht.
In een tweede beperkte bevraging die door het Bloso in 2003 werd uitgevoerd bij de 308 Vlaamse gemeenten, werden wel provinciale vergelijkingen gemaakt. Daarin werden wel regionale verschillen vastgesteld. Zo is het gemiddeld subsidiebedrag per gesubsidieerde sportclub in de provincie Antwerpen 946,47 euro, en in de provincie Vlaams- Brabant 519,41 euro. Dat wijst echter op verschillen in het gemeentelijk subsidiebeleid, en als ik me niet vergis trouwens ook in het provinciaal subsidiebeleid.
Wat betreft het tekort aan sportinfrastructuur, blijkt uit een bevraging van de schepenen van sport in 2003 inderdaad een tekort aan overdekte sportinfrastructuur, dus sporthallen, van 39,3 percent. Deze gegevens werden bevestigd in de bevraging van de Vlaamse sportclubs, waarin ook 34 percent van de sportclubs verklaarde een tekort aan infrastructuur te hebben en 23 percent dit bleek te zien als een belemmering voor een uitbreiding van het aantal leden. Omdat het gaat om een tekort aan overdekte infrastructuur, zijn het dus vooral de zaalsporten die het tekort ervaren.
In 1990 werd het Gemeentelijk Investeringsfonds opgericht, inmiddels vervangen door het Gemeentefonds. Hierbij werd door de Vlaamse overheid aan de lokale overheid de keuze gelaten om haar beleidsprioriteiten te bepalen. Vastgesteld wordt dat sinds de invoering van het investeringsfonds de bouw van nieuwe sporthallen is teruggelopen. Bovendien werd in het kader van het kerntakendebat beslist dat de gemeentelijke overheid zou instaan voor het lenigen van lokale noden aan sportinfrastructuur en dat de Vlaamse overheid verantwoordelijk is voor de invulling van de noden aan infrastructuur van Vlaams of internationaal belang en van innovatieve projecten. Er is dus een strikt onderscheid gemaakt.
Zoals terecht gesteld, is een fiscaal voordelig statuut voor vrijwilligers een federale bevoegdheid. Dit is de verklaring voor het feit dat de Vlaamse overheid tot nu toe voor de sportvrijwilligers geen succesvol initiatief heeft kunnen nemen. Zoals ik in mijn beleidsnota Sport 2004-2009 heb gesteld, is een van de kritieke succesfactoren de 'herwaardering en ondersteuning van het vrijwilligerswerk in de sport'. Daarom zullen in deze regeerperiode onderhandelingen aangeknoopt worden met de federale overheid over een eigen statuut voor de vrijwilliger, waarbij rekening wordt gehouden met de specifieke situatie van de sportvrijwilliger op het vlak van aansprakelijkheid, verzekering en een billijk fiscaal en sociaal statuut.
De Vlaamse overheid dient inderdaad de opleiding van trainers in sportclubs te bevorderen. Zo blijkt uit de enquête bij de sportclubs dat, bij die sportclubs die over tenminste een trainer beschikken, 53 percent van de trainers niet-gediplomeerd zijn. Dat betekent dat heel wat Vlaamse sportclubs zonder gediplomeerde lesgevers werken.
De Vlaamse Trainersschool heeft de voorbije jaren, zowel wat het aantal als wat de inhoud van de opleidingscursussen betreft, belangrijke inspanningen gedaan. Zo blijkt dat van de 47 percent trainers die wel over een diploma beschikken, niet minder dan 31 percent dat via de VTS cursussen hebben bereikt. Het volgen van deze cursussen vergt echter zowel van de sportclubs als van de trainers een inzet van tijd en geld.
Op de staten-generaal van de sportclubs in september 2003 werd een aantal voorstellen geformuleerd om de sportclubs te stimuleren hun trainers naar opleidingscursussen te sturen. Het ging onder andere om financiële ondersteuning voor sportclubs. Uiteraard verwachten de gediplomeerde trainers na hun geleverde inspanningen ook financieel beloond te worden. Gezien de beperkte financiële middelen van de meeste Vlaamse sportclubs is dat niet vanzelfsprekend.
De daling van het aantal vrijwilligers in de sportclubs en de beoogde stijging van het aantal gekwalificeerde trainers zullen de kosten van de Vlaamse sportclubs ontegensprekelijk verhogen. Aangezien niet minder dan 43 percent van de inkomsten van de sportclubs afkomstig is van de inning van lidgelden, het gemiddeld lidgeld tussen 60 euro en 84 euro schommelt en de sportclubs gemiddeld 125 leden hebben, beschikken de Vlaamse sportclubs duidelijk over onvoldoende financiële draagkracht.
Het steunen van de Vlaamse sportclubs dient dan ook een van de beleidsprioriteiten te worden. Het Overlegplatform Sport voor Allen heeft een visienota over het te voeren Sport-voor-Allen beleid opgesteld op 8 juli 2004. Het overlegplatform start in februari 2005 met de tweede fase van haar opdracht, met name het opstellen, op basis van de visienota, van een actieplan Sport voor Allen.
In mijn beleidsnota heb ik duidelijk gesteld dat dit een even grote prioriteit is als de topsport. Onlangs heb ik al aangekondigd dit een jaar eerder te willen uitvoeren.
Nochtans deel ik zoiets gewoonlijk eerst aan het parlement mee.
In de visienota wordt de ondersteuning van de Vlaamse sportclubs als een prioritaire beleidsoptie voorgesteld. Ik verwacht dan ook dat in het actieplan concrete voorstellen zullen worden opgenomen om de Vlaamse sportclubs daadwerkelijk te ondersteunen. Mijnheer Caron, in tegenstelling tot wat u beweert, heeft Bloso op geen enkel ogenblik verklaard dat als de tekorten niet snel worden bijgewerkt, de kans bestaat dat sporten duurder en dus minder democratisch wordt. Dit was een conclusie van de journalist na zijn interview met de voorzitter van een Hasseltse sportclub.
Tot slot meen ik dat er ook een debat moet komen met de federaties om na te gaan welke rol zij kunnen spelen bij de ondersteuning van de sportclubs. De federaties en de clubs zullen, naast de gemeenten en de scholen, een belangrijke plaats innemen in het nieuwe decreet op het sport-voor-allenbeleid.
De heer Bart Caron: De problematiek die Bloso naar voren schuift, is op zich niet nieuw. Toen ik 10 jaar geleden bij de VVSG werkte, werden we geconfronteerd met precies hetzelfde verhaal. Mijnheer de minister, ik denk dan ook dat u voor een grote uitdaging staat.
Het nieuwe decreet op de federaties heeft blijkbaar niet het effect dat we hadden verwacht of dat het decreet had geschapen.
Ik wil van dit parlement geen streekgebonden of provinciaal forum maken maar het interesseert me wel te weten of de problematiek in Brussel anders is en of de problematiek tussen landelijke gemeenten en centrumgemeenten verschillend is. In het kader van het stedelijk beleid kan sport een belangrijke motor zijn voor de algemene maatschappelijke ontwikkeling. Als Bloso de moeite doet om op basis van bestaande gegevens een aantal regionale analyses te maken, dan kan dit een waardevolle aanvulling betekenen voor het sportbeleid.
| september 2010 | ||||||
|---|---|---|---|---|---|---|
| Z | M | D | W | D | V | Z |
| 1 | 2 | 3 | 4 | |||
| 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 |
| 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 |
| 19 | 20 | 21 | 22 | 23 | 24 | 25 |
| 26 | 27 | 28 | 29 | 30 | ||

foto Viviane Decock
© 2009 - Bart Caron // Design: Het Concept / Matthias Malfrère | Webontwikkeling: ikhona