
Voorstel van resolutie van mevrouw Margriet Hermans en de heren Carl Decaluwe, Dany Vandenbossche, Mark Demesmaeker en Bart Caron betreffende de billijke vergoeding verschuldigd door de lokale radio’s.
Toelichting
Dames en heren, in het Vlaamse regeerakkoord staat de volgende passus met betrekking tot de billijke vergoeding: “De Vlaamse overheid zal de billijke vergoeding financieel en administratief ten laste nemen en onderhandelt de fi nanciering van een vrijstellingsregeling inzake auteursrechten voor sociaal-culturele verenigingen.”.
Tot de sociaal-culturele verenigingen behoren onder andere de jeugdhuizen en de culturele centra. De maatregel is een goede zaak. Er valt echter ook nog een andere sector onder, die door de billijke vergoeding in moeilijkheden dreigt te komen. Het betreft meer specifiek de lokale radio’s. Het koninklijk besluit (de billijke vergoeding is een federale materie) van 9 maart 2003 bepaalt hoeveel verschuldigd is door de radio-omroepen, waaronder de lokale radio’s.
De berekening gebeurt als volgt:
– voor lokale radio’s opgenomen in de CIM-studie aan de hand van de luistercijfers zoals blijkt uit die studie. Zij betalen 4 euro per luisteraar, met een minimum van 400 euro;
– voor lokale radio’s niet opgenomen in de studie wordt dat een forfaitair bedrag van 400 euro. Voor de lokale radio’s waarvan de billijke vergoeding wordt berekend aan de hand van de CIMluistercijfers is er een reëel probleem. Een lokale radio met bijvoorbeeld 10.000 luisteraars betaalt dus 40.000 euro, wat toch een enorm bedrag is. Het is dan ook duidelijk dat de leefbaarheid van de lokale radio’s hierdoor bedreigd wordt. Ze moeten immers ook nog andere vergoedingen betalen zoals Sabam, of de vaak torenhoge rekeningen die men krijgt van het BIPT terwijl ditzelfde instituut er niet in slaagt de radio’s het nodige luistercomfort te garanderen.
Deze tarieven zijn het resultaat van lang aanslepende onderhandelingen binnen de commissie Billijke Vergoeding Radio’s. Aan deze commissie, die paritair is samengesteld uit vertegenwoordigers van de beheersvennootschap en de organisaties van de betrokken sector, is de vergoeding verschuldigd. Het principe van de billijke vergoeding mag niet in vraag worden gesteld, en wordt ook niet in vraag gesteld. Het is bovendien ook een federale materie. Het is billijk dat een uitvoerder of producent een vergoeding krijgt voor zijn werk. Maar een billijke vergoeding moet ook billijk blijven voor diegene die ze verschuldigd is. En men kan zich de vraag stellen of dit hier wel het geval is.
Het lijkt overigens in het eigen belang van de uitvoerders en producenten dat er zoiets blijft bestaan als een dynamisch radiolandschap. Ze hebben er geen belang bij om de leefbaarheid van de lokale radio’s in het gedrang te brengen.
Vandaar dat wordt voorgesteld over te stappen naar een ander systeem. Bijvoorbeeld zou kunnen gedacht worden aan een vast bedrag afhankelijk van de zendsterkte, en dus niet langer op basis van de luistercijfers
Voorstel van resolutie
Het Vlaams Parlement,
– gelet op het Vlaamse regeerakkoord waarin wordt bepaald dat de Vlaamse Regering de billijke vergoeding voor sociaal-culturele verenigingen financieel en administratief ten laste zal nemen;
– overwegende dat:
1° de billijke vergoeding een federale materie is;
2° het principe van de billijke vergoeding niet in vraag wordt gesteld, maar dat het moet gaan om een redelijke vergoeding voor diegene die ze verschuldigd is;
3° de huidige regeling zoals bepaald door de commissie Billijke Vergoeding Radio’s, de leefbaarheid van de lokale radio’s in het gedrang brengt;
4° de muziekwereld belang heeft bij een dynamisch en actief radiolandschap;
– vraagt aan de Vlaamse Regering om er bij de bevoegde federale minister op aan te dringen te komen tot een heronderhandeling, opdat afspraken worden gemaakt over rechtvaardiger tarieven, bijvoorbeeld in de vorm van een forfait afhankelijk van de zendsterkte. De bedoeling moet zijn de fi nanciële leefbaarheid van de lokale radio’s te vrijwaren.
Margriet Hermans, Carl Decaluwe, Dany Vandenbossche, Mark Demesmaeker, Bart CARON
____________________
Vraag om uitleg van de heer Bart Caron tot de heer Bert Anciaux, Vlaams minister van Cultuur, Jeugd, Sport en Brussel, over de artistieke vernieuwing in het amateurtoneel, naar aanleiding van de niet-uitreiking van het Koninklijk Landjuweel.
De heer Bart Caron: Mijnheer de voorzitter, ten gevolge van de begrotingsbesprekingen heeft deze vraag om uitleg in feite al wat van haar actualiteitswaarde verloren.
Ongeveer een maand geleden is in de media vrij veel commotie ontstaan over het feit dat het Koninklijk Landjuweel dit jaar niet is uitgereikt. Het Koninklijk Landjuweel, de meest prestigieuze theaterprijs voor amateurtoneel van de lage landen, heeft een lange geschiedenis.
De heer Vancraeynest, voorzitter van de jury en voormalig directeur van het Vlaams Centrum voor Amateurkunsten, heeft in dit verband zware kritiek geuit: 'Geen enkele voorstelling kon van begin tot eind boeien. De amateurgezelschappen zijn niet of voldoende meegegaan met hun tijd. Amateurtoneelspelers moeten zich gaan herbronnen en daarbij oog hebben voor de reden waarom een auteur een tekst schrijft en waarom men deze wil gaan spelen. Oude wijn kan niet zomaar in een nieuwe zak gepresenteerd worden.'
Slechts zeventien gezelschappen hebben aan de wedstrijd deelgenomen. Drie gezelschappen, die overigens al eerder hadden deelgenomen, zijn door de jury genomineerd. Alle genomineerden hebben teksten gebracht die binnen het genre als klassiekers gelden. De gezelschappen hebben furieus op de beslissing van de jury gereageerd. Vanuit het oogpunt van het gezelschap dat de prijs zeer graag had gewonnen, is dit enigszins begrijpelijk.
Het Koninklijk Landjuweel is reeds een paar jaar geïntegreerd in Opendoek, de landelijke organisatie voor amateurtoneel, die ten gevolge van bepaalde decretale ingrepen vier of vijf jaar geleden is ontstaan. De herstructurering van de amateurkunsten heeft de vroegere versnippering ongedaan gemaakt en heeft tot een organisatie per kunstdiscipline geleid.
Opendoek is zich bewust van de huidige problemen en is bereid zich hierover te bezinnen. Zo leeft onder andere de idee om een intendant aan te stellen, maar daar wil ik nu niet dieper op ingaan. Dit incident roept immers een andere belangrijke vraag op. Hoe is het gesteld met het amateurtoneel in Vlaanderen? Hoe zit het met de artistieke kwaliteiten van ons amateurtoneel?
Het is in dit verband misschien zinvol eens een blik op het professioneel theaterlandschap te werpen. In de loop van de voorbije twintig jaar heeft het professioneel theater een ongelooflijke evolutie doorgemaakt. Vroeger brachten de professionele gezelschappen vooral het traditionele lijsttheater. Het is geen toeval dat de drie grote stadsgezelschappen de afgelopen tien jaar van aard, van stijl, van directie en zelfs van naam zijn veranderd. De KVS is niet van naam veranderd, maar heeft wel voor een totaal andere aanpak gekozen. Het Toneelhuis is het gevolg van een fusie. Het Publiekstheater heeft zijn naam in NTG veranderd. Wat de stijl, de gespeelde teksten, de interpretatie van de stukken en de omgang met het publiek betreft, heeft zich een belangrijke artistieke vernieuwing voltrokken. Bepaalde mensen vinden zelfs dat het hedendaags theater voor brede publieksgroepen moeilijk toegankelijk is geworden, maar daar gaat het hier niet over.
De amateurtoneelgezelschappen hebben die beweging niet of in veel mindere mate gemaakt. Deze gezelschappen zitten nog vrij vast in het klassieke lijsttoneel. Het beste voorbeeld hiervan is allicht de klassieke deurenkomedie. In het gesubsidieerd toneel is dit genre verdwenen, maar in het amateurtoneel tiert het nog welig.
Ik doe geen uitspraak over de kwaliteit. Het amateurtheater zal wellicht slechts een plaats in het culturele landschap krijgen als het ook die evolutie ten dele doormaakt. Het professionele theater moet niet worden nageaapt, maar een evolutie is toch nodig. Misschien is het de moeite eens na te gaan in welke mate amateurtheater en professioneel theater een verschillend publiek hebben. Volgens mij verschillen ze grondig, en dat is opnieuw een indicator van die dualiteit.
In de beleidsnota van de minister staan verwijzingen naar de artistieke evoluties en de wederzijdse bevruchting van amateurtheater en professioneel theater. Het zijn allemaal aanzetten tot een reflectie over het noodzakelijke vernieuwingsproces.
Met mijn vraag wil ik geen afbreuk doen aan de kwaliteiten van het amateurtoneel: het samenbrengen van mensen, de ontmoetingsmogelijkheden, de gemeenschapsvorming, de ontwikkeling van competenties, het plezier van het spelen zelf, dat uiteindelijk primeert boven het spelen voor een publiek.
Darrom, meneer de minister had ik u het volgende willen vragen:
- Erkent de minister de nood aan vernieuwende impulsen in de amateurkunsten in het algemeen en in het amateurtheater in het bijzonder? Zo ja, welke inspanning kan de Vlaamse overheid leveren om de kwaliteit van de artistieke creatie in de amateurkunsten te verhogen? Ik heb het dan over het theater, de muziek - de fanfares, de harmonieën, de brassbands -, de dans, het koorleven en de beeldende kunsten.
- Kunnen daartoe de projectsubsidies die zijn verankerd in het decreet over de amateurkunsten, meer worden aangewend dan vandaag het geval is?
- Bestaan er nog andere instrumenten?
- En ten slotte: is een grotere samenwerking tussen het amateurtheater en het professioneel theater niet aangewezen? Zou de minister steunpunten zoals Opendoek daar niet bij kunnen betrekken?
Minister Bert Anciaux: Mijnheer de voorzitter, geachte leden, het is al een tijdje geleden dat we het bericht vernamen van de verrassende uitspraak van de jury van het Koninklijk Landjuweel. Uiteraard was ook ikzelf verrast door het niet-uitreiken van de eerste prijs. Het Koninklijk Landjuweel is sedert vele jaren een van de meest prestigieuze wedstrijden voor het amateurtheater in Vlaanderen. Ik betreur ten zeerste dat de jury niet tot een besluit is kunnen komen om een winnaar aan te duiden.
Het lijkt mij echter weinig zinvol om hieruit onmiddellijk te concluderen dat het niet goed zou gaan met het amateurtoneel in Vlaanderen. De invoering van het nieuwe decreet heeft niet enkel impact op een kwaliteitsverbetering van de ondersteuning van de sector. Wel moet de basis van deze kwaliteitsverbetering in eerste instantie gelegd worden bij de erkende organisaties voor amateurkunsten.
Het feit dat de jury van het Koninklijk Landjuweel er niet in slaagde om een eerste prijs toe te kennen en dat er zich slechts 17 gezelschappen inschreven, heeft op zich niets te maken met de al dan niet kwaliteitsvolle en vernieuwende voorstellingen in het Vlaams theaterlandschap. De reden hiervoor moet veeleer worden gezocht in een vrij behoudend en misschien wel verouderd reglement van het Koninklijk Landjuweel, zoals zonet door drie leden is gezegd.
Sedert twee jaar werd de organisatie van het Koninklijk Landjuweel toevertrouwd aan de vzw Opendoek, als overkoepelde organisatie voor het amateurtheater. Binnen Opendoek werden de nodige stappen gezet om een artistieke en organisatorische vernieuwing te brengen in het Koninklijk Landjuweel. Opendoek zal onder meer door bijkomende visitaties aan de lokale groepen, een soort van kwaliteitsdetectie doorvoeren. Daarnaast zal het reglement van het Koninklijk Landjuweel worden aangepast aan de huidige theaterpraktijk. Niet enkel grootschalige traditionele theaterwerken, maar ook vernieuwende, minder traditionele theatervormen zullen aan bod kunnen komen.
Het recente decreet amateurkunsten biedt via het systeem van de projectfinanciering de mogelijkheid om vernieuwende en verbredende initiatieven de nodige impulsen te geven. De projectfinanciering is een nuttig en belangrijk instrument en in het regeerakkoord wordt daar uitdrukkelijk naar verwezen. Zonder afbreuk te willen doen aan de onvervangbare sociaal-culturele rol van het amateurtoneel, volgt mijn administratie de vernieuwing en verbreding op de voet op. Tijdens de jaarlijkse bezoeken ter plaatse wordt hierop steevast de nadruk gelegd.
Ik zal een aantal hoofdaccenten van de werking van de theaterorganisatie Opendoek opsommen.
Een eerste accent zijn de kwalitatieve begeleidingen, waarvoor elke theaterproductie in aanmerking komt. Een professionele begeleider die deskundig is in een specifiek aspect van het productieproces, begeleidt de regisseur, het bestuur, de acteurs en de technische ploeg met het oog op de kwalitatieve verbetering van de productie. Dit jaar maakten 150 theatergroepen gebruik van deze mogelijkheid.
Een tweede aspect zijn de cursussen. Het hele cursuspakket biedt acteurs, regisseurs en technici de kans om zich bij te scholen en zich te vervolmaken op het vlak van de actieve theaterbeoefening. Voor de docenten wordt uitsluitend een beroep gedaan op professionele deskundigen.
Een derde aspect zijn de evenementen. Via de organisatie van diverse evenementen wordt het werkveld gestimuleerd om - naast hun reguliere werking - vernieuwende projecten en producties aan te pakken en te presenteren aan het publiek. Vernieuwing is een premisse bij de organisatie van dit soort evenementen en situeert zich op het vlak van repertoire, methodiek, locatie, vormgeving, enzovoort.
Een vierde aspect zijn de wedstrijden. De organisatie van wedstrijden houdt eveneens impulsen in die leiden tot kwaliteitsverbetering.
Een laatste aspect zijn de contacten met het professionele theater. De uitbouw van contacten met dat theater is de hefboom om de knowhow, deskundigheid en nieuwe tendensen die in het professioneel theater aanwezig zijn, te implementeren in het amateurtheater, en voor wat mij betreft ook andersom. Deze contacten resulteren ook in de rekrutering van docenten, begeleiders, regisseurs en juryleden voor het Landjuweel.
Ook voor de huidige beoordelingscommissie 'projecten amateurkunsten' is het vernieuwend karakter van een ingediend project een van de meest belangrijke elementen in de beoordeling van de dossiers. Daarnaast is de brug tussen de professionele en amateurkunstensector een belangrijk beoordelingselement.
Getuige van beide aandachtspunten voor de beoordelingscommissie zijn de dit jaar goedgekeurde projecten. Op het terrein van de vernieuwing werd het Theaterkostuumatelier van Opendoek goedgekeurd. Hier kunnen lokale groepen hun theaterkostuums laten ontwerpen en maken via provinciaal opgestarte ateliers. Een ander goedgekeurd project is Spots Op West van Opendoek. Binnen dit project worden vernieuwende en alternatieve, kleinschalige theatervoorstellingen aangeboden. Een derde goedgekeurd project is Aktie! van het Centrum voor Beeldexpressie. Het is een project waarbij aan jongeren het hele filmproces praktijkgericht wordt bijgebracht, van scenario tot afgewerkt product. Een laatste goedgekeurd project is 100 percent Puur, wat een spreidingsproject voor popgroepen is.
Op het terrein van het bruggen slaan tussen professionele en amateurkunsten werden ook een aantal projecten goedgekeurd. Feest! van Opendoek is een totaalproject met zowel professioneel theater als amateurtheater, film en muziek. Talenspalet van Kunstwerkt is een kunstenproject voor amateurs en professionele kunstenaars in samenwerking met het deeltijds kunstonderwijs. Dans-Art van Danspunt is een samenwerkingsproject tussen Danspunt als amateurdansorganisatie en professionele dansorganisaties met als doel nieuwe dansvormen te integreren in de amateurdanswereld.
Dergelijke projecten, en de adviserende en stimulerende rol van de administratie en het steunpunt zullen in de toekomst blijvend mijn aandacht hebben, om naast de organisatorische kwaliteitsverbetering ook systematisch voor de nodige artistieke vernieuwing te zorgen.
Het 'accident' met het Koninklijk Landjuweel mag ons echter niet blind maken voor het feit dat het amateurkunstenlandschap bloeit als nooit tevoren. Ik beschouw de vraag van de heer Caron ook niet als een uiting van geen geloof te hebben in de amateurkunsten. We delen de bezorgdheid dat er een dynamiek tot stand moet worden gebracht. Naast de evoluties in de eerder traditionele subsectoren, heeft het decreet ook de erkenning van nieuwe, volwaardige kunstdisciplines mogelijk gemaakt.
Mijn beleidsnota geeft reeds aan dat het ons op dit moment aan voldoende specifieke instrumenten ontbreekt om hier ten volle op in te kunnen spelen. Het vergroten van de zichtbaarheid van de artistieke kwaliteiten van de amateurkunsten moet bijvoorbeeld ook kunnen gebeuren door het specifiek ondersteunen van producties van wat 'de betere gezelschappen' wordt genoemd. We hebben nieuwe aandacht voor het semi-professionele circuit dat een eigen benadering voorstaat. Het is belangrijk om hier de volgende maanden de nodige initiatieven voor te nemen.
In het kader van de herschikking van het kunstenlandschap, waar we de komende maanden keihard aan moeten werken, lijkt het me nuttig om de semi-professionele kunsten te versterken. Het is ook belangrijk om het decreet een nieuwe impuls te geven. Het is niet mijn bedoeling om het Koninklijk Landjuweel geen kansen meer te geven, integendeel. Ik blijf dit subsidiëren en Opendoek is goed bezig om de vernieuwing te realiseren. Het is essentieel dat er tijdens deze legislatuur extra impulsen worden gegeven aan de amateurkunsten, zij het bescheiden maar toch duidelijk. Deze sector verdient meer kansen.
De heer Bart Caron: Mijnheer de minister, ik kan me helemaal in uw antwoord vinden. Ik wil me helemaal niet negatief uitlaten over het amateurtheater, integendeel. De crisis in het Landjuweel is wel een bewijs dat een aantal structuren aan het vermolmen zijn. Een dergelijke crisis kan goed zijn voor de vernieuwing. Ik wil duidelijk stellen dat ik geen uitspraak doe over lokale groepen.
Het ondersteunen van de producties in het semi-professionele circuit beantwoordt aan een bestaande nood. Ik ben ook blij dat de beoordelingscommissie evolueert op een goede manier. Ze was te veel belangenbehartiger geworden van de grote organisaties. Ik was actief participant van Spots Op West. Ik treed de heer Verstreken bij dat zeker dertig van de veertig producties tot het vernieuwend theater kunnen worden gerekend. Dat leverde dan weer een moeilijke relatie op met het publiek, dat dit niet gewend is.
Actuele vraag van de heer Bart Caron tot mevrouw Inge Vervotte, Vlaams minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, over de financiële ondersteuning van de psychiatrische dagcentra.
De heer Bart Caron (Op de tribune): Mijnheer de voorzitter, mevrouw de minister, collega's, het lijkt om een klein verhaal te gaan, maar het gaat over 1.600 mensen. Er werden 23 dagactiviteitencentra erkend en gesubsidieerd door federaal minister Demotte, waarvan 19 in Vlaanderen, 1 in Brussel en 2 in Wallonië. We kunnen ons de vraag stellen in hoeverre een communautair aspect een rol speelt in dit verhaal, maar dat is geen thema voor deze vergadering.
Het gaat over een beperkt budget van 1,6 miljoen euro. Dit is 86.000 euro per dagactiviteitencentrum, dat gemiddeld per dag 50 personen opvangt.
Deze dagactiviteiten voor personen met ernstige of langdurige psychische problemen situeren zich op vier domeinen: toeleiden naar arbeid, toeleiden naar vorming, vrijetijdsactiviteiten en dagstructurering, ontmoetingsmogelijkheden en dergelijke. Collega's, deze vier domeinen behoren tot de Vlaamse bevoegdheid. Dit is welzijnswerk en geen gezondheidszorg.
Federaal minister Demotte heeft pas eind oktober aangekondigd dat op 20 december 2004 de. nanciële kraan wordt dichtgedraaid voor deze 50 centra met 1.600 mensen. Het is ongehoord dit zo laat aan te kondigen.
Mevrouw de minister, bent u bereid de bevoegdheid over de dagactiviteitencentra over te nemen, en zo snel mogelijk de middelen hiervoor in te schrijven in de begroting?
Minister Inge Vervotte (Op de tribune): Mijnheer de voorzitter, geachte leden, federaal minister Demotte heeft inderdaad in oktober eenzijdig beslist om deze proefprojecten stop te zetten, dus zonder enig overleg met de betrokken sectoren of met de gemeenschappen. Het gaat over 19 projecten, waarvan er zich 16 in Vlaanderen bevinden en 3 in Wallonië. Er wordt vaak gezegd dat in de geestelijke gezondheidszorg een patiënt toch een patiënt is, maar dit voorbeeld toont aan dat er verschillende dynamieken zijn en verschillende accenten worden gelegd in de verschillende gemeenschappen. In de geestelijke gezondheidszorg is dat zeker het geval.
Deze beslissing druist rechtstreeks in tegen een eerdere beslissing die werd genomen op een interministeriële conferentie in mei 2004. Toen werd afgesproken om te komen tot een geïntegreerde visie in de geestelijke gezondheidszorg. Er werd in de afspraak zelfs expliciet opgenomen dat de zorgfunctieactivering ook in de interministeriële werkgroepen zou worden besproken. Er is dus woordbreuk gepleegd, en daarom heb ik deze zaak opnieuw op de interministeriële conferentie van afgelopen maandag gebracht.
Minister Demotte heeft toegegeven en zal vrijdag een werkgroep opstarten. Drie punten vind ik belangrijk in deze werkgroep. We moeten ten eerste komen tot een oplossing waarbij de kennis, expertise en knowhow die in Vlaanderen is ontwikkeld, niet verloren zal gaan. We moeten vervolgens zo snel mogelijk het overleg opstarten om tot een geïntegreerde visie te komen in de geestelijke gezondheidszorg. Ten slotte zullen middelen die vrijkomen, opnieuw kunnen worden gealloceerd op alles wat te maken heeft met activeringsprojecten waarbij ruimte wordt gelaten voor de accenten die we in Vlaanderen willen leggen.
U zegt dat dit een Vlaamse bevoegdheid is, maar ze staat momenteel opgenomen bij het federale takenpakket. Een KB legt dit op als taak in het kader van het beschut wonen. Ik wil daar graag over discussiëren, maar dan in overleg. Daarom heb ik het overleg ook willen opstarten. Als eruit zou blijken dat Vlaanderen daar een grotere verantwoordelijkheid in zal nemen, wil ik die graag nemen en dit opnemen in de discussies over de enveloppefinanciering van de centra geestelijke gezondheidszorg die zullen ingaan op 1 januari 2006.
De heer Bart Caron: Mevrouw de minister, ik dank u voor het antwoord, maar ik ben er wel erg bekommerd om dat er een ernstig hiaat in de werkingen zal ontstaan. Ik betreur dit, u wellicht ook. Ik pleit voor een offensieve aanpak ter zake zodat Vlaanderen toont dat het in deze materie vooroploopt.
Er is een zeer verschillende aanpak in de psychiatrie, die in Wallonië nog altijd heel erg medisch wordt benaderd, terwijl we in Vlaanderen psychische problemen vanuit een maatschappelijke dynamiek en vanuit het welzijnsgegeven benaderen. Mijn bekommernis gaat naar de 1.600 mensen. Vlaanderen mag de verantwoordelijkheid voor hen niet ontlopen.
Minister Inge Vervotte: Ik ben het daar volledig mee eens. Daarom wordt het overleg nu vrijdag ook opgestart. We moeten de discussie in overleg voeren. De voorziene middelen moeten in het overleg worden opgenomen. Ik ben graag bereid mijn verantwoordelijkheid op te nemen.
Beleidsnota Cultuur 2004 - 2009, met redenenen omklede motie van mevrouw Margriet Hermans, de heer Steven Vanackere, mevrouw Gracienne Van Nieuwenborgh en de heren Kris van Dijck en Bart Caron
- Nr. 1: Beleidsnota
- Nr. 2: Met redenen omklede motie 187
Het Vlaams Parlement,
– gehoord de bespreking van de beleidsnota Cultuur 2004-2009;
– gehoord het antwoord van minister Bert Anciaux;
– gelet op de intenties van de Vlaamse Regering, zoals geformuleerd in het Vlaamse regeerakkoord;
– vraagt de Vlaamse Regering bij de uitvoering van het beleid inzake Cultuur, zoals geformuleerd in het Vlaamse regeerakkoord, de Verklaring van de Vlaamse Regering en de beleidsnota Cultuur 2004-2009;
1° de strategische doelstellingen die in de beleidsnota Cultuur 2004-2009 worden geformuleerd, gefaseerd om te zetten in een concreet beleid en te implementeren, met prioriteit voor de bevordering van de gemeenschapszin en de ontwikkeling van de eigenheid van de diverse kunst- en cultuursectoren;
2° die doelstellingen uit te voeren met enerzijds aandacht voor de continuïteit van het beleid – daarbij expliciet tijd makend voor monitoring, evaluatie en een open dialoog met de betrokken actoren uit het middenveld – en anderzijds voor de geplande actualisering, uitbreidingen en vernieuwingen, en in het bijzonder voor het evenwicht tussen de geformuleerde ambities, de administratieve verplichtingen en de structureel beschikbare budgetten;
3° de vernieuwing in het bijzonder te operationaliseren rond drie specifieke onderdelen, met name de culturele industrieën, de semiprofessionele aanpak en de uitdaging van de digitalisering, om het beleidsinstrumentarium van de Vlaamse overheid inzake het cultuurbeleid in belangrijke mate te verrijken;
4° de recente decreten betreffende sociaal-cultureel werk voor volwassenen, lokaal cultuurbeleid, erfgoed en musea, kunsten en amateurkunsten uit te voeren, nauwlettend te volgen en indien nodig bij te sturen;
5° het cultuurbeleid als geheel en in zijn diverse onderdelen te toetsen en te spiegelen aan de Europese en ruimere internationale context;
6° een geïntegreerd en omvattend infrastructuurbeleid te ontwikkelen waarbij duidelijke prioriteiten worden bepaald;
7° bijzondere aandacht te besteden aan het slagkrachtig maken van de prioriteiten die in duidelijke dwarsverbindingen met verschillende beleidssectoren gesitueerd worden, zodat een performante interdepartementale samenwerking ontstaat die leidt naar concrete beleidsvoering;
8° het belang van de participatie in en aan het cultuurbeleid permanent te accentueren en te concretiseren, met bijzondere aandacht voor interculturaliteit en het bereiken van mensen die met (kans)armoede geconfronteerd worden;
9° belangrijke groeikansen te garanderen voor het cultuurbeleid als geheel en in zijn diverse onderdelen, meer bepaald voor het erfgoed, het internationale cultuurbeleid, het kunstendecreet, met bijzondere aandacht voor de beeldende kunsten en het sociaal-artistiek werk, de sociaal-culturele sector en de bevordering van de participatie aan cultuur;
10° zo spoedig mogelijk de geplande evaluatie van de steunpunten, de administratie en de adviesraden uit te voeren en te vertalen in een strategisch plan, zodat hun ondersteunende werking tijdens deze legislatuur geoptimaliseerd kan worden;
11° het kerntakendebat voor het cultuurbeleid verder uit te werken en af te ronden, en in afwachting daarvan overleg aan te gaan om eenzijdige voorafnamen te vermijden.
Margriet Hermans, Steven Vanackere, Gracienne Van Nieuwenborgh, Kris Van Dijck en Bart Caron
__________________
Beleidsnota Jeugd 2004-2009, met redenen omklede motie van mevrouw Sabine Poleyn en de heren Chokri Mahassine, Kris Van Dijck, Bart Caron en Herman Schueremans
– Nr. 1: Beleidsnota
– Nr. 2: Met redenen omklede motie
Het Vlaams Parlement,
– gehoord de bespreking van de beleidsnota Jeugd 2004-2009;
– gehoord het antwoord van minister Bert Anciaux;
– gelet op de intenties van de Vlaamse Regering, zoals geformuleerd in het Vlaamse regeerakkoord;
– vraagt de Vlaamse Regering bij de uitvoering van het beleid inzake jeugd, zoals geformuleerd in het Vlaamse regeerakkoord, de verklaring van de Vlaamse Regering en de beleidsnota Jeugd 2004-2009:
1° de vooropgestelde acht beleidsprioriteiten uit de beleidsnota Jeugd (jeugdwerkbeleid, integratie van het kinderrechten- en het jeugdbeleid, participatie, jeugdinformatie, jeugdwerk en jongeren internationaal oriënteren, diversiteit – met bijzondere aandacht voor interculturaliteit –, de inrichting van concrete beleidsrotondes op weg naar een integraal jeugdbeleid en de ontwikkeling van belangrijke concepten en tendensen die richtinggevend kunnen zijn voor een positieve en offensieve kijk op jonge mensen) op gefaseerde wijze om te zetten in concrete beleidsdoelstellingen en maatregelen;
2° deze acht beleidsprioriteiten uit te voeren met enerzijds aandacht voor de continuïteit van de beleidsvoering – daarbij expliciet tijd makend voor monitoring, evaluatie en een open dialoog met de betrokken actoren uit het middenveld – en anderzijds voor de geplande actualisering, uitbreidingen en vernieuwingen en daarbij bijzondere aandacht te hebben voor het evenwicht tussen de geformuleerde ambities, de administratieve verplichtingen en de structureel beschikbare budgetten;
3° bijzondere aandacht te besteden aan het slagkrachtig maken van de prioriteiten die in duidelijke dwarsverbindingen met verschillende beleidssectoren gesitueerd worden, zodat een performante interdepartementale samenwerking ontstaat die leidt tot concrete beleidsvoering;
4° de visie en de prioriteiten uit de beleidsnota met nadruk te introduceren bij de opmaak van het tweede Vlaams jeugdbeleidsplan en de concretisering ervan te ontwikkelen via een constructieve en open dialoog met de betrokken actoren uit het middenveld, de andere overheidsniveaus en – indien nodig en gebruikmakend van de kennis, de gegevens en de diensten van gespecialiseerde instellingen en verenigingen – ook individuele kinderen en jongeren te raadplegen;
5° op een open, dynamische en concrete wijze de werkzaamheden te verrichten die nodig zijn in alle sectoren, geledingen en niveaus van het Vlaamse overheidsapparaat om de coördinerende opdrachten van de Vlaamse minister bevoegd voor het jeugdbeleid en het kinderrechtenbeleid optimale kansen te geven;
6° de voorgaande doelstelling met prioriteit in beleidspraktijk om te zetten in het kader van de beleidsrotondes die in de beleidsnota Jeugd worden vermeld;
7° systematisch en blijvend beleidsaandacht te hebben voor het jeugdwerk, zodat de verdere groeikansen voor het jeugdwerk gewaarborgd blijven;
8° de maatschappelijke participatie van jonge mensen als leidmotief in het Vlaamse jeugdbeleid te (h)erkennen en dat aandachtspunt intersectoraal vorm te geven; daarbij een positieve en emanciperende houding aan te nemen ten aanzien van kinderen, jongeren en hun organisaties; de decretale engagementen inzake advisering door de Vlaamse Jeugdraad en de kindeffectrapportage daarbij als hulpmiddel te gebruiken.
Sabine Poleyn, Chokri Mahassine, Kris Van Dijck, Bart Caron, Herman Schueremans
Beleidsnota Ruimtelijke Ordening, Monumenten en Landschappen 2004-2009, met redenen omklede motie van de heer Patrick Lachaert, mevrouw Joke Schauvliege en de heren Bart Martens, Jan Loones, Bart Caron en Jos Bex
Zie: 92 (2004-2005)
– Nr. 1: Beleidsnota
– Nr. 2: Met redenen omklede motie
Het Vlaams Parlement,
– gehoord de bespreking van de beleidsnota Ruimtelijke Ordening / Monumenten en Landschappen 2004-2009;
– overtuigd van de behoefte aan een duurzame ruimtelijke ordening, waarbij het zorgzaam en creatief omspringen met de Vlaamse ruimte essentieel is;
– overtuigd van de integrerende en coördinerende rol van de ruimtelijke ordening;
– overtuigd van de behoefte aan de grootst mogelijke rechtszekerheid voor de burger;
– vraagt de Vlaamse Regering om:
1° inzake het planologische beleid:
a) de processen tot afbakening van de stedelijke gebieden voort te zetten en zo snel mogelijk af te ronden;
b) de processen tot afbakening van de agrarische gebieden en de natuurgebieden zo snel mogelijk en gelijktijdig te starten en af te ronden;
c) de gemeenten meer tijd te verlenen om te voldoen aan de vijf voorwaarden die zijn opgenomen in het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, zonder dat dat tot een afstel mag leiden; de mogelijkheid om autonoom stedenbouwkundige vergunningen uit te reiken blijft daarbij onverkort gekoppeld aan het voldoen aan de vijf voorwaarden;
2° inzake het vergunningenbeleid:
a) de procedures terzake verder te vereenvoudigen;
b) de procedures voor het verkrijgen van vergunningen op het vlak van ruimtelijke ordening en leefmilieu op elkaar af te stemmen en in
Beleidsnopta Media 2004-2009, met redenen omklede motie van de heren Carl Decaluwe, Dany Vandenbossche, Mark Demesmaeker, Bart Caron en mevrouw Margriet Hermans.
Zie:91 (2004-2005)
- Nr. 1: Beleidsnota
- Nr. 2: Met redenen omklede motie 193
het Vlaams Parlement,
– gehoord de bespreking van de beleidsnota Media 2004-2009;
– gehoord het antwoord van minister Geert Bourgeois;
– gelet op de belangrijke evoluties die het Vlaamse medialandschap momenteel doormaakt, zowel op het vlak van de technologie waar digitalisering en convergentie verder groeien, als wat betreft de betrokken markten waar zich nieuwe spelers, onder meer de telecommunicatieoperatoren, aandienen;
– gelet op het ontstaan van nieuwe distributieplatformen en -kanalen voor de transmissie van omroepsignalen, en op de behoefte aan een adequaat beleid terzake dat een divers en kwaliteitsvol media-aanbod kan garanderen;
– gelet op de waarde van een eenduidig en transparant regelgevend kader en van een correcte controle op de naleving ervan, voor de belangen van kijkers, luisteraars en lezers en voor het ontstaan van een evenwichtige en gezonde mediaomgeving waar elke marktspeler naar behoren kan functioneren;
– overwegende dat met de toename van het aantal informatiekanalen de kwaliteit, de diversiteit en de pluriformiteit van het mediaaanbod gewaarborgd moeten blijven en dat een toegankelijk, ruim en divers media-aanbod voor iedere burger de doelstelling moet zijn van het beleid betreffende de media voor morgen;
– vraagt de Vlaamse Regering bij de uitvoering van het mediabeleid, geformuleerd in het Vlaamse regeerakkoord, de Verklaring van de Vlaamse Regering en de beleidsnota Media:
1° een regelgeving uit te tekenen die een grotere financiële transparantie van de VRT waarborgt, en die een beter evenwicht tot stand brengt in de institutionele structuren van de VRT, waarbij maximaal rekening gehouden wordt met de principes van ‘deugdelijk bestuur’;
2° vooraleer de onderhandelingen over de nieuwe beheersovereenkomst met de openbare omroep van start gaan, de rol en de opdracht van de openbare omroep, onder meer inzake haar culturele, informatieve en educatieve opdracht, grondig te evalueren via een brede wetenschappelijk begeleide maatschappelijke enquête die uitmondt in een VRT-verwachtingsrapport dat als basis kan dienen voor het parlementaire debat;
3° de beperking van de reclame op de openbare omroep door te voeren door een strikte naleving van de plafonds voor radioreclame op te leggen, waarbij de terugstortingsmogelijkheid wordt opgeheven en door sponsoring op televisie te beperken tot evenementen;
4° bijzondere aandacht te besteden aan de toegang tot de audiovisuele media voor doven en slechthorenden aan de hand van een zo maximaal mogelijke ondertiteling;
5° met het oog op de maximale beluisterbaarheid van alle radio-omroepen die door de Vlaamse overheid erkend zijn, de etherimpasse op radiogebied te doorbreken, indien nodig via juridische weg;
6° de openbare en de particuliere radio-omroepen op technologisch en organisatorisch vlak op dezelfde wijze te behandelen, zodat ook particuliere initiatieven maximale ontplooiingskansen krijgen;
7° rekening houdende met de resultaten van recent wetenschappelijk onderzoek, voldoende aandacht te besteden aan een vlotte en gedemocratiseerde toegang tot de digitale media voor alle Vlamingen, in het bijzonder digitale televisie met zijn onderscheiden toepassingsmogelijkheden, onder meer in het kader van de aanpak van de digitale kloof;
8° de geschreven pers in Vlaanderen verder te steunen met het oog op de vrijwaring van een pluriforme, onafhankelijke en performante Vlaamse opiniepers, gekoppeld aan de naleving van de regels van de journalistieke beroepspraktijk en -ethiek en aan het waarborgen van de redactionele autonomie; 9° rekening houdend met hun belangrijke maatschappelijke opdracht, de economische leefbaarheid en de redactionele onafhankelijkheid van de regionale televisieomroepen veilig te stellen;
10° bij prioriteit de oprichting en de uitbouw te realiseren van een nieuw, performant, transparant en laagdrempelig toezichtorgaan voor de media in Vlaanderen: de Vlaamse Regulator voor de Media;
11° bijzondere inspanningen te leveren op alle terreinen om een volledige Vlaamse bevoegdheid voor omroep en telecommunicatie te bereiken, en nu reeds met de federale overheid te overleggen over een aantal andere moeilijkheden waarmee de mediasector geconfronteerd wordt.
Carl Decaluwe, Dany Vandenbossche, Mark Demesmaeker, Bart Caron, Margriet Hermans
Beleidsnota Sport 2004-2009? met redenen omklede motie van mevrouw Margriet Hermans en de heren Johan Sauwens, Andr
Actuele vraag van de heer Bart Caron tot de heer Geert Bourgeois, Vlaams minister van Bestuurszaken, Buitenlands Beleid, Media en Toerisme, over computerangst en de digitale kloof in Vlaanderen.
De heer Bart Caron (Op de tribune): Mijnheer de voorzitter, leden van de regering, dames en heren, een derde tot de helft van de Vlamingen zegt een negatief gevoel te hebben bij de actuele digitale ontwikkelingen. 45 percent van de Vlamingen zegt van zichzelf niet goed met de computer te kunnen werken en 40 percent gebruikt zelfs niet eens graag een computer. Een derde van de mensen zegt hoe minder ze met een computer te maken hebben, hoe liever. De helft van de Vlamingen zegt het internet niet te begrijpen. Een derde is zelfs bang om het te gebruiken. Bijna de helft van de Vlamingen gebruikt nooit een computer en ongeveer 40 percent heeft er zelfs geen thuis.
Uit het onderzoek blijkt dat de digitale kloof in Vlaanderen veel dieper is dan gedacht. Als de computer enkel maar een voorwerp van ontspanning zou zijn, dan zou dat nog niet eens zo erg zijn. In de arbeidssituatie neemt de computer echter steeds vaker een centrale plaats in. Mensen die minder goed met de computer om kunnen, worden vaak ook op andere terreinen van de samenleving uitgesloten. Er is een absoluut verband tussen het kunnen omgaan met moderne media, mediadragers en technieken en de mate waarin iemand zichzelf kan ontwikkelen in de samenleving. Er is met andere woorden een verband met sociale uitsluiting. Mensen krijgen moeilijker toegang tot bepaalde informatie, worden in hun arbeidssituatie benadeeld, enzovoort.
De kloof is heel diep en sterk gerelateerd aan de leeftijd. Hoe ouder mensen zijn, hoe minder vaak ze een computer gebruiken. Er is ook een sterke relatie met het opleidingsniveau. Hoe lager de opleidingsgraad, hoe minder de computer wordt gebruikt. De Vlaamse Regering is zich wel bewust van het probleem. In het regeerakkoord staat: 'We realiseren een doorgedreven actieplan om de digitalisering van de communicatie in de samenleving te ondersteunen en de digitale kloof te helpen overbruggen.'
Mijnheer de minister, wat is de stand van zaken met betrekking tot het actieplan? Kunt u al een tipje van de sluier oplichten? Ziet u een relatie met andere grotere spelers in de samenleving, zoals computerfabrikanten, distributeurs van signalen, softwareontwikkelaars, televisie? Wat kunnen we doen om de pc-loze en internetbange burger toch over de streep te halen zodat er geen sociale achterstand op dat vlak ontstaat?
Minister Geert Bourgeois (Op de tribune): Mijnheer de voorzitter, geachte collega's, in mijn beleidsnota Media staat vermeld dat het gebruik van pc en internet stagneert. De vaststelling is niet nieuw. Ze wordt bevestigd door het onderzoek waarnaar u verwijst. Dat onderzoek op basis van telefonisch ingewonnen informatie is in 2001 door de afdeling Communicatiewetenschappen van de universiteit van Leuven uitgevoerd. Het rapport van het onderzoek wordt binnenkort gepubliceerd. Ik relativeer het onderzoek een beetje, in die zin dat het niet om een erg recente studie gaat.
De tendensen in die studie lijken me echter nog altijd geldig te zijn. Uit de studie blijkt dat maar 60 percent van de mensen zeggen een pc te hebben.
Het percentage internetgebruikers ligt nog lager. Belangrijk in die studie is inderdaad de attitude tegenover het internet. Veel mensen vinden zichzelf te oud daarvoor. Anderen zeggen dat ze daarvoor geen interesse hebben. Een derde van de ondervraagden zegt het internet niet nodig te hebben. Veel ondervraagden zeggen bang te zijn van het fenomeen. Ze weten niet hoe ermee om te gaan. Dat zijn belangrijke vaststellingen.
Hoe moeten we daarop reageren? De heer Caron is erg snel met zijn vraag voor een actieplan: mijn beleidsnota is nog maar pas in de commissie besproken. Ik wil er wel werk van maken. Ik zie drie denksporen. Een: als minister van e-government werk ik een plan uit. Ik doe dat ook als minister van Media. Twee: we moeten dat regeringsbreed aanpakken. Het actieplan Digitaal Vlaanderen, dat tijdens de vorige zittingsperiode is gelanceerd, is een zaak van alle ministers. Dat is een aangelegenheid van onderwijs, cultuur, bibliotheken. Dat is een zaak van binnenlands bestuur, want de gemeentebesturen moeten erbij worden betrokken. Het middenveld moet ook in actie komen.
Als minister voor Media kies ik voor de digitalisering van tv. We houden echter rekening met het een en het ander dat in de beleidsnota is opgenomen. De kabel- en telefoonmaatschappijen werken aan de opwaardering van hun netten. Technisch staat dat nog niet op punt.
Daarnaast is er nog het economische aspect. Men wil daaraan geld verdienen. Ten slotte is het van belang dat we de distributeurs blijven verplichten om ook nog analoog uit te zenden. Dat moet zo blijven zolang veel Vlamingen alleen analoge tv kunnen ontvangen. De omschakeling moet dus voorzichtig, gradueel en planmatig worden aangepakt. De doorbraak van digitale radio staat voor de deur. Digitale tv komt later. Ook daar moeten we in het plan rekening mee houden.
Ten slotte wil ik zeggen dat ik niet erg verrast was door de resultaten van het onderzoek. In de toelichting van de beleidsnota heb ik dat ook gezegd. We moeten alles een beetje relativeren. Welke inspanningen we ook leveren, steeds zullen er mensen zijn die niet meekunnen. We moeten dus aandacht blijven schenken aan de toegankelijkheid van de fysieke loketten.
De heer Bart Caron: Ik dank de minister voor zijn antwoord. Ik stel vast dat hij mijn bekommernissen deelt.
Televisie is de meest verspreide informatiedrager in de samenleving. Het is een droom televisie te gebruiken om ook de minder vaardige en minder ontwikkelde burgers toegang te verlenen tot de digitale wereld.
Er worden projecten op het vlak van e-government ontwikkeld, maar misschien kunnen we verdere stappen zetten.
Schriftelijke vraag van Vlaams volksvertegenwoordiger Bart Caron aan de heer Kris Peeters, Vlaams minsiter van Openbare Werken, energie, leefmilieu en Natuur over de heraanleg van de gewestweg N43 te Aalbeke.
Op de N43 te Aalbeke zijn structurele onderhoudswerken gepland. Deze zijn op het meerjarenprogramma van het Vlaamse Gewest voorzien voor 2006.
De herinrichting van de doortocht in de stadskern is gepland voor 2005. De aanleg van een fietspad van Aalbeke tot aan de R8 is een dringende noodzaak.
Via allerlei kanalen echter worden berichten de wereld ingestuurd betreffende uitstel van deze werken. Ook in de pers worden hierover, door de Kortrijkse burgemeester De Clerck en zijn schepen van Openbare Werken Deleu, tegenstrijdige verklaringen afgelegd.
Deze onderhoudswerken, de herinrichting van het centrum en de aanleg van een fietspad zijn voor de streek van groot belang. Het gaat hierin dit dossier niet alleen om verfraaiing van het stadscentrum maar evenzeer om verkeersveiligheid en degelijke weginfrastructuur.
Om duidelijkheid te krijgen in dit dossier, meneer de minister, had ik graag uitleg van u verkregen betreffende de stand van zaken en heb ik bijgevolg enkele vragen:
1. Wordt de heraanleg van de N43 uitgevoerd en wanneer?
2. Is in deze plannen de herinrichting van het centrum van Aalbeke vervat?
3. Is de module 13 betreffende de aanleg van het fietspad Aalbeke- R8 reeds ondertekend en is hiervoor reeds een ontwerper aangeduid?
4. Komen al deze investeringen voor op het meerjarenprogramma van het Vlaams Gewest en is er rekening gehouden met de voorziene onteigeningen voor deze werken?
Antwoord van minister Kris Peeters
1. Het structureel onderhoud van de N43 tussen de R8 en de doortocht van Aalbeke, en tussen de doortocht van Aalbeke en de grens met Henegouwen was voorzien in het goedgekeurd indicatief investeringsprogramma 2003-2005.
Gelet op de budgettaire beperkingen en de onderschatting van sommige bedragen dient dit
3-jarenprogramma aangepast te worden. Het is momenteel nog niet duidelijk voor welk jaar bovenvermelde werken kunnen geprogrammeerd worden.
Het structureel onderhoud tussen de R8 en de doortocht van Aalbeke moet samen met de fietspaden langs hetzelfde traject geprogrammeerd worden.
2. De herinrichting van het centrum van Aalbeke is in punt 1 niet vervat. Deze herinrichting was eveneens voorzien in het goedgekeurd indicatief investeringsprogramma 2003-2005.
Voor dit werk moet het stadsbestuur de module 3 van de mobiliteitsconvenant betreffende doortochten ondertekenen en een ontwerper aanstellen. Dit is tot op heden niet gebeurd.
Afhankelijk van de vooruitgang van het dossier zal het werk opgenomen worden in het aangepast
3- jarenprogramma.
3. De module 13 betreffende de aanleg van het fietspad Aalbeke-R8 werd nog niet ondertekend door de stad en er werd nog geen ontwerper aangeduid.
4. Al deze investeringen kwamen voor op het voornoemd indicatief investeringsprogramma 2003-2005. Zoals hoger vermeld dient dit programma aangepast te worden.
De kredieten nodig voor de onteigeningen worden genomen uit de post diversen van het jaar waarin het voorstel tot onteigening wordt ingediend.
Beleidsnota Toerisme 2004-2009, met redenen omklede motie van de heer Johan Verstreken, mevrouw Stern Demeulenaere en de heren Jacky Maes, Jan Loones en Bart Caron
Zie:90 (2004-2005)
– Nr. 1: Beleidsnota
– Nr. 2: Met redenen omklede motie 138
Het Vlaams Parlement,
− gehoord de bespreking van de beleidsnota Toerisme 2004-2009;
− gehoord het antwoord van minister Geert Bourgeois;
− gelet op de intenties van de Vlaamse Regering terzake, zoals geformuleerd in het Vlaamse regeerakkoord;
− vraagt de Vlaamse Regering:
1° bij de uittekening van haar toeristische beleid bijzondere aandacht te besteden aan de samenwerking van en de dialoog met alle betrokken toeristische actoren, zowel in de publieke sector als in de priv
| februari 2012 | ||||||
|---|---|---|---|---|---|---|
| z | m | d | w | d | v | z |
| 1 | 2 | 3 | 4 | |||
| 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 |
| 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 |
| 19 | 20 | 21 | 22 | 23 | 24 | 25 |
| 26 | 27 | 28 | 29 | |||

foto Viviane Decock
© 2009 - Bart Caron // Design: Het Concept / Matthias Malfr