
Vraag om uitleg van de heer Bart Caron tot mevrouw Veerle Heeren, Vlaams minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, over de gebruikersraden in voorzieningen voor personen met een handicap
De voorzitter: De heer Caron heeft het woord.
De heer Bart Caron: Mijnheer de voorzitter, mevrouw de minister, er bestaat een wettelijke regeling voor de gebruikersraden in voorzieningen voor personen met een handicap. Er is een decreet over het Vlaams Fonds en een uitvoeringsbesluit dat dat verder preciseert. Men kan de wereld niet alleen veranderen bij wet, de mensen moeten ook nog mee willen. In het algemeen zijn wettelijke regelingen niet voldoende. Ze dwingen niet als vanzelfsprekend een overlegcultuur af in de voorzieningen. Ik mag niet veralgemenen. Zulke zaken hangen af van de mate waarin gebruikers geconsulteerd en betrokken worden in het bestuur van een voorziening. Dat hangt dan weer af van de wil en overtuiging van de directie en het bestuur. Er bestaan dus grote verschillen binnen de sector. We merken enige evolutie: zorgvragers nemen zelf meer het stuur in handen, niet alleen van hun eigen leven, ze willen ook meer betrokken worden bij hun voorziening.
In het geval van personen met een mentale handicap is dat een veeleer complexe zaak. Vaak moeten zij worden bijgestaan om die sturing te kunnen doen, door een vertrouwenspersoon of een familielid. Het compliceert de rol van de gebruikersraad in de voorziening. Hoe moet die werken? Wie moet de persoon met een handicap bijstaan? Mag die persoon zich laten bijstaan door een wettelijke vertegenwoordiger? Kan dat een familielid zijn? Bepaalde voorzieningen accepteren zonder problemen wettelijke vertegenwoordigers of familie. Maar dat is niet altijd zo. Er zijn zeer grote cultuurverschillen op het terrein.
In de meeste voorzieningen is er een familieraad, waarin de persoon met een handicap met de familie, de directie en het personeel kan overleggen. Ook dat overlegforum is wettelijk bepaald, maar ook daar zijn er grote verschillen in cultuur.
Ik beperk mijn vraag tot de gebruikersraad. Die is zeer belangrijk omdat die een spreekbuis is van de persoon met een handicap en omdat die het kanaal is naar de raad van bestuur, niet enkel naar de directie. De gebruikersraad mag een vertegenwoordiger aanduiden voor de raad van bestuur.
Men moet over een aantal gevallen advies vragen aan de gebruikersraad, zoals over de reglementen van de voorziening of de wijziging van het aanbod van de voorziening. Maar het blijft een advies waar het bestuur mee kan doen wat het wil.
Er is een groot verschil in cultuur tussen voorzieningen. Er is ook een groot verschil tussen vertegenwoordigers van personen met een handicap. Mij zijn de voorbije maanden enkele dossiers gesignaleerd van mensen die zeggen dat hun voorziening de gebruikersraad niet op een faire manier gebruikt. Men laat geen vertegenwoordigers toe van personen met een mentale handicap of men kauwt beslissingen voor zodat de vergadering wordt uitgehold. Het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap (VAPH) ziet erop toe en treedt ook op als het moet. Het is belangrijk dat er overal in Vlaanderen een goede regeling is voor de gebruikersraden.
Mijn eerste vraag gaat over de samenstelling van de gebruikersraden. Als er een voogd is die de wettelijke vertegenwoordiger is, kan die dan betrokken worden bij de gebruikersraad of kan hij uitgesloten worden? Onder welke voorwaarden kan dat? Mag dat al dan niet een personeelslid van de voorziening zelf zijn? In bepaalde gevallen duidt de voorziening zelf een vertrouwenspersoon van een persoon met een mentale handicap aan in de gebruikersraad. Dat is misschien goed bedoeld, maar toch paternalistisch. Het kan ook leiden tot belangenvermenging.
Zou, gelet op de groeiende inbreng van de zorgvrager zelf, de inspraak in voorzieningen niet dwingender georganiseerd moeten worden dan vandaag? Het is nu enkel vrijblijvend advies. Het zou logisch zijn dat het uitvoeringsbesluit wordt geactualiseerd, onder andere met een procedure over de wijze waarop de directie op adviezen van de gebruikersraad antwoordt, met een verplichting om alle documenten een publiek karakter te geven zodat alle gebruikers die kunnen inzien en door het advies te vervangen door een akkoord van de gebruikersraad. Misschien moeten we niet in alle gevallen zo ver gaan, maar wel in die gevallen waar voorafgaand overleg verplicht is, namelijk bij wijzigingen van de reglementen, van het aanbod in de voorzieningen of van de woon- en leefsituatie. Mevrouw de minister, wat is uw visie hierover?
De voorzitter: Mevrouw Stevens heeft het woord.
Mevrouw Helga Stevens: Mevrouw de minister, ik steun volledig de vraag van de heer Caron over de inspraak, de strikte regelgeving en het meer objectiveren. Het kan niet dat personeelsleden mee cliënten mogen ondersteunen omdat je dan inderdaad kan spreken van belangenvermenging. Personeelsleden hebben andere belangen dan bewoners. De gebruikersraden beslissen mee over de gang van zaken in de instelling. Daarom moet de bewoner zelf duidelijk inspraak hebben. Die inspraak zou dwingender geregeld moeten worden zodat ze dat vrijblijvende karakter niet meer heeft.
De voorzitter: Minister Heeren heeft het woord.
Minister Veerle Heeren: De samenstelling van de gebruikersraad is vastgelegd in een wetgevend kader, meer bepaald artikel 17 van het besluit van de Vlaamse Regering van 15 december 1993 tot vaststelling van de algemene erkenningsvoorwaarden van voorzieningen bedoeld in het decreet van 27 juni 1990 houdende de oprichting van een Vlaams Fonds voor de Sociale Integratie van Personen met een Handicap.
Twee paragrafen zijn zeer belangrijk in dat besluit. Paragraaf 1 bepaalt dat de leden van de gebruikersraad gekozen worden uit en door de gebruikers van de voorziening of hun wettelijke vertegenwoordigers. Hun wettelijke voogd kan dus worden betrokken bij de gebruikersraad van zodra hij verkozen is door de gebruikers of hun wettelijke vertegenwoordigers. Het derde lid van dezelfde paragraaf bepaalt dat de verantwoordelijke van de voorziening, de directeur of directrice, erover moet waken dat elke stemgerechtigde, dus de leden van de gebruikersraad, geïnformeerd wordt of gewaarschuwd wordt om zich opnieuw kandidaat te stellen.
In die zin is niet in de vertegenwoordiging van een vertrouwenspersoon voorzien. Personeelsleden van de voorzieningen kunnen volgens die bepalingen van gemeen recht geen wettelijke vertegenwoordiger zijn. Om u wat opzoekwerk te besparen in het Burgerlijk Wetboek: het gaat om artikel 487quater, derde lid en om artikel 488bis, c, paragraaf 1, derde lid. Dat voor wat de samenstelling van de gebruikersraad betreft.
Het zou logisch zijn, stelt u, dat het besluit wordt geactualiseerd onder meer inzake de procedure over de wijze waarop op de adviezen wordt geantwoord, de verplichting om aan alle documenten een publiek karakter te geven en het vervangen van het advies door een akkoord van de gebruikersraad. Naast het besluit waar ik het al over had, dat van 15 december 1993, wordt de inspraak in de voorzieningen ook gewaarborgd door het besluit van de Vlaamse Regering van 15 december 2000 betreffende de kwaliteitszorg in de voorzieningen voor de sociale integratie van personen met een handicap. Ter uitvoering van het decreet van 17 oktober 2003 met betrekking tot de kwaliteit van gezondheids- en welzijnsvoorzieningen, is het VAPH nu bezig met, in overleg met de vertegenwoordigers van de zorgvragers en de voorzieningen, het neerschrijven van nieuwe besluiten die de kwaliteit van de zorg en de inspraak van de zorgvrager zullen regelen. Dat is in voorbereiding, maar de contouren ervan moeten nog worden vastgelegd. Mocht dat nog gebeuren tijdens deze legislatuur - en daar ga ik toch van uit - kunt u erop rekenen dat ik er zelf op zal toezien dat er een evenwicht wordt bereikt tussen het garanderen van de inspraak van de zorgvrager enerzijds en van het beperken van het regulerend optreden van de overheid anderzijds.
De voorzitter: De heer Caron heeft het woord.
De heer Bart Caron: Mevrouw de minister, ik dank u voor het antwoord. Ik wil er nog eens op wijzen dat mijn tweede vraag twee lagen bevat, maar dat hebt u ongetwijfeld ook gemerkt. Enerzijds is er het toezien op een sterkere procedurebewaking zodat de communicatie tussen de gebruikersraad en de directie opener, vlotter en indringender kan worden, maar het blijft op dat niveau wel een adviesraad. Anderzijds kunnen we nog een stapje verder gaan door een aantal subdomeinen van de werving een wat dwingender karakter te geven. Ik sta open voor beide benaderingen, maar het zou goed zijn dat er in het kader van de vernieuwing van de uitvoeringsbesluiten en het decreet, een betere en meer open verhouding komt tussen de gebruikersraden en de directies.
Ik herhaal nogmaals - want ik wil geen verkeerd beeld schetsen - dat alles in de meeste voorzieningen op een goede manier functioneert. Het gaat om een minderheid van de voorzieningen waar alles wat moeizamer functioneert en dwingender moet worden. Ik weet ook wel dat inspraakorganen maar werken in de mate dat de partijen bereid zijn om met elkaar te spreken, te overleggen, maar een wettelijk kader is een minimum. Een moeizaam werkende gebruikersraad leidt er vaak toe dat cliënten of ouders onder druk worden gezet door de directie. Zo ontstaat er niet alleen ruis op de communicatie, maar krijgen we ook inzake de werking van de voorziening een moeilijke relatie met de personen met een handicap en dat kunnen we maar beter vermijden. Ik kijk uit naar de wijzigingen die u ter zake voorbereidt.
Minister Veerle Heeren: Mijnheer Caron, ik deel uw bezorgdheid. Er zijn heel veel goede voorbeelden, maar elk slecht voorbeeld is er een te veel.
Ik zou durven voorstellen, mijnheer de voorzitter, dat ik, van zodra het verslag van deze bespreking klaar is, dat expliciet overmaak aan de diensten van het VAPH. Ik heb aan mijn kabinetschef gevraagd of het nog voor deze legislatuur is, en daar kan ze me vandaag geen uitsluitsel over geven, maar mocht het juist voor juli zijn, dan hebben ze toch al deze bespreking en kunnen ze er rekening mee houden.
De voorzitter: Mevrouw Stevens heeft het woord.
Mevrouw Helga Stevens: Mijnheer de voorzitter, mevrouw de minister, daar de administratie toch bezig is met het herbekijken van het uitvoeringsbesluit, zou ik willen vragen om aandacht te besteden aan de verschillen tussen personen met een fysieke handicap in een instelling en personen met een mentale handicap in een instelling, want dat zijn twee verschillende groepen die ook een verschillende aanpak vergen.
Bij de uitwerking van het nieuwe besluit kan eventueel worden nagedacht over hoe mensen met een mentale handicap optimaal kunnen meegenieten van deze inspraak, eventueel door in een andere vorm van begeleiding door een objectieve persoon te voorzien. Het is niet nodig dat dit een familielid is, maar het moet gaan om een persoon die voldoende bekwaam is en die de persoon met een mentale beperking kan ondersteunen zodat die kan laten weten wat hij wil laten weten. Er is niet altijd een garantie dat hun mening wordt overgebracht. Voor personen met een mentale handicap is de besluitvorming een heel moeilijke materie, vandaar dat we aan die mensen een maximale kans moeten geven op inspraak in de organisatie, in hun eigen levenssituatie in deze instellingen.
De voorzitter: Het incident is gesloten.
Vraag om uitleg van de heer Bart Caron tot mevrouw Veerle Heeren, Vlaams minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, over de gebruikersraden in voorzieningen voor personen met een handicap
De voorzitter: De heer Caron heeft het woord.
De heer Bart Caron: Mijnheer de voorzitter, mevrouw de minister, er bestaat een wettelijke regeling voor de gebruikersraden in voorzieningen voor personen met een handicap. Er is een decreet over het Vlaams Fonds en een uitvoeringsbesluit dat dat verder preciseert. Men kan de wereld niet alleen veranderen bij wet, de mensen moeten ook nog mee willen. In het algemeen zijn wettelijke regelingen niet voldoende. Ze dwingen niet als vanzelfsprekend een overlegcultuur af in de voorzieningen. Ik mag niet veralgemenen. Zulke zaken hangen af van de mate waarin gebruikers geconsulteerd en betrokken worden in het bestuur van een voorziening. Dat hangt dan weer af van de wil en overtuiging van de directie en het bestuur. Er bestaan dus grote verschillen binnen de sector. We merken enige evolutie: zorgvragers nemen zelf meer het stuur in handen, niet alleen van hun eigen leven, ze willen ook meer betrokken worden bij hun voorziening.
In het geval van personen met een mentale handicap is dat een veeleer complexe zaak. Vaak moeten zij worden bijgestaan om die sturing te kunnen doen, door een vertrouwenspersoon of een familielid. Het compliceert de rol van de gebruikersraad in de voorziening. Hoe moet die werken? Wie moet de persoon met een handicap bijstaan? Mag die persoon zich laten bijstaan door een wettelijke vertegenwoordiger? Kan dat een familielid zijn? Bepaalde voorzieningen accepteren zonder problemen wettelijke vertegenwoordigers of familie. Maar dat is niet altijd zo. Er zijn zeer grote cultuurverschillen op het terrein.
In de meeste voorzieningen is er een familieraad, waarin de persoon met een handicap met de familie, de directie en het personeel kan overleggen. Ook dat overlegforum is wettelijk bepaald, maar ook daar zijn er grote verschillen in cultuur.
Ik beperk mijn vraag tot de gebruikersraad. Die is zeer belangrijk omdat die een spreekbuis is van de persoon met een handicap en omdat die het kanaal is naar de raad van bestuur, niet enkel naar de directie. De gebruikersraad mag een vertegenwoordiger aanduiden voor de raad van bestuur.
Men moet over een aantal gevallen advies vragen aan de gebruikersraad, zoals over de reglementen van de voorziening of de wijziging van het aanbod van de voorziening. Maar het blijft een advies waar het bestuur mee kan doen wat het wil.
Er is een groot verschil in cultuur tussen voorzieningen. Er is ook een groot verschil tussen vertegenwoordigers van personen met een handicap. Mij zijn de voorbije maanden enkele dossiers gesignaleerd van mensen die zeggen dat hun voorziening de gebruikersraad niet op een faire manier gebruikt. Men laat geen vertegenwoordigers toe van personen met een mentale handicap of men kauwt beslissingen voor zodat de vergadering wordt uitgehold. Het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap (VAPH) ziet erop toe en treedt ook op als het moet. Het is belangrijk dat er overal in Vlaanderen een goede regeling is voor de gebruikersraden.
Mijn eerste vraag gaat over de samenstelling van de gebruikersraden. Als er een voogd is die de wettelijke vertegenwoordiger is, kan die dan betrokken worden bij de gebruikersraad of kan hij uitgesloten worden? Onder welke voorwaarden kan dat? Mag dat al dan niet een personeelslid van de voorziening zelf zijn? In bepaalde gevallen duidt de voorziening zelf een vertrouwenspersoon van een persoon met een mentale handicap aan in de gebruikersraad. Dat is misschien goed bedoeld, maar toch paternalistisch. Het kan ook leiden tot belangenvermenging.
Zou, gelet op de groeiende inbreng van de zorgvrager zelf, de inspraak in voorzieningen niet dwingender georganiseerd moeten worden dan vandaag? Het is nu enkel vrijblijvend advies. Het zou logisch zijn dat het uitvoeringsbesluit wordt geactualiseerd, onder andere met een procedure over de wijze waarop de directie op adviezen van de gebruikersraad antwoordt, met een verplichting om alle documenten een publiek karakter te geven zodat alle gebruikers die kunnen inzien en door het advies te vervangen door een akkoord van de gebruikersraad. Misschien moeten we niet in alle gevallen zo ver gaan, maar wel in die gevallen waar voorafgaand overleg verplicht is, namelijk bij wijzigingen van de reglementen, van het aanbod in de voorzieningen of van de woon- en leefsituatie. Mevrouw de minister, wat is uw visie hierover?
De voorzitter: Mevrouw Stevens heeft het woord.
Mevrouw Helga Stevens: Mevrouw de minister, ik steun volledig de vraag van de heer Caron over de inspraak, de strikte regelgeving en het meer objectiveren. Het kan niet dat personeelsleden mee cliënten mogen ondersteunen omdat je dan inderdaad kan spreken van belangenvermenging. Personeelsleden hebben andere belangen dan bewoners. De gebruikersraden beslissen mee over de gang van zaken in de instelling. Daarom moet de bewoner zelf duidelijk inspraak hebben. Die inspraak zou dwingender geregeld moeten worden zodat ze dat vrijblijvende karakter niet meer heeft.
De voorzitter: Minister Heeren heeft het woord.
Minister Veerle Heeren: De samenstelling van de gebruikersraad is vastgelegd in een wetgevend kader, meer bepaald artikel 17 van het besluit van de Vlaamse Regering van 15 december 1993 tot vaststelling van de algemene erkenningsvoorwaarden van voorzieningen bedoeld in het decreet van 27 juni 1990 houdende de oprichting van een Vlaams Fonds voor de Sociale Integratie van Personen met een Handicap.
Twee paragrafen zijn zeer belangrijk in dat besluit. Paragraaf 1 bepaalt dat de leden van de gebruikersraad gekozen worden uit en door de gebruikers van de voorziening of hun wettelijke vertegenwoordigers. Hun wettelijke voogd kan dus worden betrokken bij de gebruikersraad van zodra hij verkozen is door de gebruikers of hun wettelijke vertegenwoordigers. Het derde lid van dezelfde paragraaf bepaalt dat de verantwoordelijke van de voorziening, de directeur of directrice, erover moet waken dat elke stemgerechtigde, dus de leden van de gebruikersraad, geïnformeerd wordt of gewaarschuwd wordt om zich opnieuw kandidaat te stellen.
In die zin is niet in de vertegenwoordiging van een vertrouwenspersoon voorzien. Personeelsleden van de voorzieningen kunnen volgens die bepalingen van gemeen recht geen wettelijke vertegenwoordiger zijn. Om u wat opzoekwerk te besparen in het Burgerlijk Wetboek: het gaat om artikel 487quater, derde lid en om artikel 488bis, c, paragraaf 1, derde lid. Dat voor wat de samenstelling van de gebruikersraad betreft.
Het zou logisch zijn, stelt u, dat het besluit wordt geactualiseerd onder meer inzake de procedure over de wijze waarop op de adviezen wordt geantwoord, de verplichting om aan alle documenten een publiek karakter te geven en het vervangen van het advies door een akkoord van de gebruikersraad. Naast het besluit waar ik het al over had, dat van 15 december 1993, wordt de inspraak in de voorzieningen ook gewaarborgd door het besluit van de Vlaamse Regering van 15 december 2000 betreffende de kwaliteitszorg in de voorzieningen voor de sociale integratie van personen met een handicap. Ter uitvoering van het decreet van 17 oktober 2003 met betrekking tot de kwaliteit van gezondheids- en welzijnsvoorzieningen, is het VAPH nu bezig met, in overleg met de vertegenwoordigers van de zorgvragers en de voorzieningen, het neerschrijven van nieuwe besluiten die de kwaliteit van de zorg en de inspraak van de zorgvrager zullen regelen. Dat is in voorbereiding, maar de contouren ervan moeten nog worden vastgelegd. Mocht dat nog gebeuren tijdens deze legislatuur - en daar ga ik toch van uit - kunt u erop rekenen dat ik er zelf op zal toezien dat er een evenwicht wordt bereikt tussen het garanderen van de inspraak van de zorgvrager enerzijds en van het beperken van het regulerend optreden van de overheid anderzijds.
De voorzitter: De heer Caron heeft het woord.
De heer Bart Caron: Mevrouw de minister, ik dank u voor het antwoord. Ik wil er nog eens op wijzen dat mijn tweede vraag twee lagen bevat, maar dat hebt u ongetwijfeld ook gemerkt. Enerzijds is er het toezien op een sterkere procedurebewaking zodat de communicatie tussen de gebruikersraad en de directie opener, vlotter en indringender kan worden, maar het blijft op dat niveau wel een adviesraad. Anderzijds kunnen we nog een stapje verder gaan door een aantal subdomeinen van de werving een wat dwingender karakter te geven. Ik sta open voor beide benaderingen, maar het zou goed zijn dat er in het kader van de vernieuwing van de uitvoeringsbesluiten en het decreet, een betere en meer open verhouding komt tussen de gebruikersraden en de directies.
Ik herhaal nogmaals - want ik wil geen verkeerd beeld schetsen - dat alles in de meeste voorzieningen op een goede manier functioneert. Het gaat om een minderheid van de voorzieningen waar alles wat moeizamer functioneert en dwingender moet worden. Ik weet ook wel dat inspraakorganen maar werken in de mate dat de partijen bereid zijn om met elkaar te spreken, te overleggen, maar een wettelijk kader is een minimum. Een moeizaam werkende gebruikersraad leidt er vaak toe dat cliënten of ouders onder druk worden gezet door de directie. Zo ontstaat er niet alleen ruis op de communicatie, maar krijgen we ook inzake de werking van de voorziening een moeilijke relatie met de personen met een handicap en dat kunnen we maar beter vermijden. Ik kijk uit naar de wijzigingen die u ter zake voorbereidt.
Minister Veerle Heeren: Mijnheer Caron, ik deel uw bezorgdheid. Er zijn heel veel goede voorbeelden, maar elk slecht voorbeeld is er een te veel.
Ik zou durven voorstellen, mijnheer de voorzitter, dat ik, van zodra het verslag van deze bespreking klaar is, dat expliciet overmaak aan de diensten van het VAPH. Ik heb aan mijn kabinetschef gevraagd of het nog voor deze legislatuur is, en daar kan ze me vandaag geen uitsluitsel over geven, maar mocht het juist voor juli zijn, dan hebben ze toch al deze bespreking en kunnen ze er rekening mee houden.
De voorzitter: Mevrouw Stevens heeft het woord.
Mevrouw Helga Stevens: Mijnheer de voorzitter, mevrouw de minister, daar de administratie toch bezig is met het herbekijken van het uitvoeringsbesluit, zou ik willen vragen om aandacht te besteden aan de verschillen tussen personen met een fysieke handicap in een instelling en personen met een mentale handicap in een instelling, want dat zijn twee verschillende groepen die ook een verschillende aanpak vergen.
Bij de uitwerking van het nieuwe besluit kan eventueel worden nagedacht over hoe mensen met een mentale handicap optimaal kunnen meegenieten van deze inspraak, eventueel door in een andere vorm van begeleiding door een objectieve persoon te voorzien. Het is niet nodig dat dit een familielid is, maar het moet gaan om een persoon die voldoende bekwaam is en die de persoon met een mentale beperking kan ondersteunen zodat die kan laten weten wat hij wil laten weten. Er is niet altijd een garantie dat hun mening wordt overgebracht. Voor personen met een mentale handicap is de besluitvorming een heel moeilijke materie, vandaar dat we aan die mensen een maximale kans moeten geven op inspraak in de organisatie, in hun eigen levenssituatie in deze instellingen.
De voorzitter: Het incident is gesloten.
Vraag om uitleg van de heer Bart Caron tot mevrouw Veerle Heeren, Vlaams minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, over de resultaten van het UNICEF-rapport over de veranderingen in de kinderopvang
De voorzitter: De heer Caron heeft het woord.
De heer Bart Caron: Het probleem is niet dat het rapport in het Engels is geschreven - we kunnen dat wel lezen - maar wel dat het geen rekening houdt met de Belgische staatkundige realiteit. Het is ontzaglijk moeilijk om de zaken te vergelijken. Het is appels met peren vergelijken. De verschillende methodes in het land worden samengeteld of niet samengeteld. Mijn vraag beoogt vooral verduidelijking.
Volgens het rapport van UNICEF (United Nations International Children´s Emergency Fund) over de veranderingen in de kinderopvang is de huidige opgroeiende generatie in de landen van de OESO (Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling) de eerste waarvan een meerderheid tijdens een groot gedeelte van haar eerste levensjaren buitenshuis wordt opgevangen of verzorgd. Dat is misschien een interessant element.
Overigens, ik ben in het verleden veel bezig geweest met die thematiek, en ik moet zeggen dat die uitspraak klopt, maar niet als het over werken gaat. De vorige generatie is de eerste geweest die zo weinig beroepsactiviteit ontplooide. Dan ging het vooral over vrouwen. In de hele geschiedenis van de mensheid werd tot aan de vorige generatie meer gewerkt dan vandaag. Dat zeg ik even terzijde. De kinderen verrichtten meestal arbeid in huis of op het land, of wat dan ook, en werden dus in familieverband opgevangen, of door grootouders die mee inwoonden. Het gaat hier dus over een transitie die niet alleen kinderopvang betreft, het gaat ook over nadenken over de samenleving.
Tegelijk met die verandering wordt wetenschappelijk ook steeds duidelijker dat de kwaliteit van de zorg in de eerste maanden voor kinderen van kritisch belang is. Onderzoek heeft dat ruimschoots aangetoond, en mijn pedagogische achtergrond leert me dat dit een vaststaand gegeven is: hoe vroeger, hoe dominanter dat later doorwerkt in het karakter en de houding van kinderen.
Volgens het rapport doet België het in het algemeen niet slecht. Het krijgt een zes op tien. Natuurlijk kan alles beter. Met betrekking tot de organisatie en participatie van kinderen jonger dan drie jaar, scoort ons land goed. Ook is er onder meer voldoende aandacht voor gehandicapte kinderen en zijn kleuterleidsters voldoende professioneel. Dan gaat het weer over het onderwijs. Dat is ook weer zo´n specifieke situatie. Kind&Gezin wordt aangehaald als een voorbeeld als het gaat over het medisch volgen van baby´s en peuters. Dat weten we.
Het tekort aan kinderopvangplaatsen blijft een punt waaraan moet worden gewerkt, ondanks de beslissing van de minister om in bijkomende gesubsidieerde plaatsen en extra middelen te voorzien. Dat is ook al vaak behandeld in deze commissie. We moeten vaststellen dat België minder dan één percent van zijn bruto nationaal product(bnp) besteedt aan kinderopvang. Er moet dus meer worden geïnvesteerd in kinderopvang. Enkel op die wijze zullen we het ook beter doen wat de andere criteria betreft.
Dat is de kwantiteit, maar ook de kwaliteit van de opvang verdient natuurlijk aandacht. Het is op korte en lange termijn een hefboom in de ontwikkeling van kinderen, maar ook en vooral bij het wegwerken van ongelijkheden. Die ongelijkheden worden, zoals u weet, zeer snel gereproduceerd, van kindsbeen af, bijna van in de wieg. Met kinderopvang op een neutrale plaats kunnen we daar werk van maken. We kunnen er alleszins tegen vechten en dat proberen in te halen. Willen we kwaliteit, dan moet die sector alleszins voldoende professioneel kunnen zijn en nog meer geprofessionaliseerd kunnen zijn. Het rapport stelt vast dat minder dan 80 percent van het personeel in de kinderopvang vandaag een opleiding heeft gevolgd.
Niet-opgeleide kinderverzorgsters, een tekort aan opvangplaatsen, te grote kleuterklassen en te weinig verlof voor jonge ouders: dat zijn de negatieve punten van het rapport als het over ons land gaat, en die halen onze score omlaag. Zoals ik echter al zei: het gaat over België en het gaat deels ook over het onderwijs, dus dit is niet zo duidelijk te situeren. Toch moet wat die punten betreft een en ander worden gedaan.
Mevrouw de minister, wat is in het algemeen uw reactie op dat UNICEF-rapport, en meer specifiek wat de opvang van kinderen tot drie jaar betreft? Misschien kunt u ook preciezer de Vlaamse positie ter zake definiëren. Zijn er acties gepland om de sector professioneler te maken, of is ook daar weer wat we lezen niet de Vlaamse werkelijkheid? Mocht het nodig zijn, is ter zake in een budget voorzien? Wat is het percentage dat Vlaanderen aan kinderopvang besteedt? Ik verwijs naar die één percent die België eraan besteedt. Wat valt al dan niet onder dat percentage? Ik vraag dat omdat in sommige landen het kleuteronderwijs, of delen ervan, ook als kinderopvang worden beschouwd.
De voorzitter: Mevrouw Van der Borght heeft het woord.
Mevrouw Vera Van der Borght: Mijnheer de voorzitter, ik wil me aansluiten bij deze vragen. Het onderwerp is inderdaad meermaals aan bod geweest in deze commissie. Dat gebeurde uiteraard naar aanleiding van de begrotingsbesprekingen, maar er waren ook actuele vragen ter zake. We hadden het UNICEF-rapport niet echt nodig, want de zaken die erin te lezen staan, zijn genoegzaam bekend. Het rapport is natuurlijk interessant als het erover gaat punten te krijgen en te weten dat we nog een betere uitslag kunnen behalen.
Het tekort in de kinderopvang is genoegzaam bekend. We zijn het er allemaal over eens dat er meer plaatsen moeten worden gecreëerd, alleen verschillen we soms van mening over de vraag hoe we dat moeten doen. U weet dat we pleiten voor meer aandacht voor de zelfstandige kinderopvang, al was het maar omdat een plaats in die zelfstandige opvang de overheid heel wat minder kost dan een plaats in de gesubsidieerde sector. Daarom zijn we vragende partij om dat zelfstandig initiatief meer te ondersteunen inzake de onkostenvergoeding en de infrastructuur, maar ook door de capaciteitsbeperkingen te verlaten, zodat mensen meer rendabel en grootschalig kunnen gaan werken.
Ook willen we erop wijzen dat kinderopvang volgens ons in eerste instantie een duidelijk economische functie heeft. In de eerste plaats gaat het over het mogelijk maken van de combinatie van arbeid en gezin. Ik zal niet te veel uitweiden daarover. Ook dat thema is genoegzaam bekend. Het kan niet zo zijn dat kinderopvang hoofdzakelijk educatieve of sociale functies gaat hebben. Die functies zijn uiteraard noodzakelijk, maar we moeten erover waken dat kinderopvanginitiatieven niet de rol van het onderwijs op zich gaan nemen. Het is dus noodzakelijk dat er meer middelen worden besteed aan kinderopvang, maar volgens ons moet dat gebeuren in het kader van een efficiënte overheidsmiddelenbesteding, en met een prioritaire aandacht voor de combinatie van werk en gezin.
De voorzitter: Minister Heeren heeft het woord.
Minister Veerle Heeren: Ik dank de leden voor hun vragen. Ik zal uitgebreid antwoorden. Alle thema´s zijn natuurlijk belangrijk in deze Commissie voor Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, maar veel leden dragen de kinderopvang zeker een warm hart toe.
Report Card 8 van UNICEF stelt tien criteria voorop als minimale kwaliteitsnormen waaraan de voorschoolse educatie moet voldoen. Ik weet niet of u ze kent, mijnheer Caron, maar ik wil ze nog even opsommen: minimale regeling voor ouderschapsverlof, nationaal plan met voorrang voor kansarme kinderen, minimaal niveau van voorzieningen voor de zorg van minderjarigen, minimumniveau voor toegankelijkheid voor vierjarigen, minimumniveau van opleiding voor alle personeelsleden, minimale verhouding van personeelsleden met een hoger niveau van scholing en opleiding, minimale ratio in de verhouding personeel/aantal kinderen, minimumniveau van publieke financiering, een laag niveau van armoede bij kinderen en een universeel bereik. Wij scoren zes op tien.
De score van zes op tien stemt me zeker niet ontevreden, als rekening wordt gehouden met het feit dat er een ouderschapsverlof van één jaar is met 50 percent salaris. Voor alle duidelijkheid: dat is geen Vlaamse, maar een federale bevoegdheid. Als het gaat over een minimale ratio in de verhouding personeel/aantal kinderen, slaat dat op de gevraagde ratio van één personeelslid per vijftien kinderen in de kleuterschool. Die ratio halen we niet, maar ik kan daar moeilijk op ingaan, want dat is eigenlijk een bevoegdheid van de minister van Onderwijs. Inzake het minimaal niveau van publieke financiering halen we niet de norm van één percent van het bruto nationaal product, maar in feite gaat het om Vlaamse gegevens en Vlaanderen heeft geen bnp. De Vlaamse overheid scoort voor kinderopvang wel hoger dan één percent, zonder te spreken van de vele initiatieven die op lokaal vlak worden genomen. Heel veel gemeenten durven heel expliciet te investeren in kinderopvang. We scoren dus sowieso altijd een punt.
Ik wil ook opmerken dat kinderen vanaf 2,5 jaar gratis naar de kleuterklas kunnen, waarmee Vlaanderen en België bijzonder goed scoren op wereldniveau. We hebben een participatie van 98 percent. We vergeten dat soms en zijn soms te bescheiden, maar dat is eigenlijk toch een pluim voor Vlaanderen. Minister Vandenbroucke probeert in ieder geval die kleuterparticipatie nog hoger te krijgen, zeker voor bepaalde doelgroepen. Ik kan hem alleen maar mijn steun geven via acties bij Kind&Gezin, zoals de huisbezoeken bij niet-ingeschreven kinderen, ervaringsuitwisseling in de groep bij inloopteams en het gebruik van de schoolkeuzewijzer. Ik hoop dat nog veel meer kinderen, zeker kinderen van allochtone afkomst zo snel mogelijk naar school kunnen gaan, want dat is toch heel belangrijk. Ik woon in een regio waar we die ervaring hebben, en dat kan alleen maar die kinderen ten goede komen.
Het rapport stelt dat het wegwerken van het tekort aan kindplaatsen nog een werkpunt is. Men werkt natuurlijk met gegevens van 2004. We zijn ondertussen vijf jaar later. Sedert eind 2004 zijn er ongeveer 17.000 plaatsen bijgekomen, van 92.557 naar 109.410 op 1 december 2008. Dat zijn allemaal effectief gerealiseerde plaatsen. Met het budget van 2008 en 2009 staan er nog meer dan 12.000 plaatsen op stapel voor de komende jaren. De realisatiedatum voor de uitbreidingsronde 2009 is er, voor de kinderdagverblijven is dat 2011. Dat zou ertoe kunnen leiden dat de Barcelonanorm op 39 percent kan worden gebracht, tegen 34,5 percent eind 2007. Ik verwijs hiervoor naar het jaarverslag van Kind&Gezin. Dat is ruim hoger dan de Europese doelstelling van 33 percent. Ook het gebruik van de kinderopvang, met meer dan 50 percent van de kinderen, is bijzonder hoog.
Maar naast het kwantitatieve aspect verliezen we soms de kwaliteit van de zorg uit het oog. We weten dat we daar in Vlaanderen ook heel veel in investeren. UNICEF vraagt eigenlijk aandacht voor opleiding, wat me bij de vraag over de acties rond professionalisering binnen de sector en het budget daarvoor brengt.
Mijnheer Caron, dat minder dan 80 percent van de kindbegeleiders aan de vooropgestelde norm beantwoordt, heeft in hoge mate te maken met het historische gegeven dat vooral in Vlaanderen meer dan de helft van de erkende kinderopvang, 66 percent, wordt verzorgd door onthaalouders. Dat is historisch zo, en ik heb daar zelf jaren met heel veel plezier een beroep op kunnen doen. Dat was een heel positieve ervaring. Voor onthaalouders die thuis voor kleinschalige gezinsopvang zorgen, is tot op vandaag geen kwaliteitsvereiste gesteld. Voor het rapport is er geen kwaliteitsvereiste, maar wordt een relatieve training als minimum vooropgesteld en al dan niet betekenisvol contact hebben met de kinderen in de kinderopvang. Men zou een inwerkingscursus moeten afmaken, maar een korte of iets langere startcursus wordt in de meeste diensten voor opvanggezinnen toch gegeven en jaarlijks wordt ook geïnvesteerd in navorming. Veel zelfstandige opvangvoorzieningen hebben getrainde medewerkers. Het is correct dat niet voor alle opvang een specifieke kwalificatie is vereist, maar dat wil ook niet zeggen dat er geen competentie aanwezig zou zijn, integendeel. Vlaanderen heeft sterk geïnvesteerd in de kwantiteit, omdat het maatschappelijk de eerste behoefte is, maar dat wil daarom niet zeggen dat de kwaliteit op de tweede plaats kwam.
Wat wordt al gedaan, en wat staat op stapel? Mijnheer Caron, het is een hele resem initiatieven. Kwaliteit is slechts mogelijk in leefbare voorzieningen, daarom kan kwaliteit niet los worden gezien van de leefbaarheid van de sector en evenmin van de werkdruk en een aantrekkelijke verloning. De voorbije jaren is daarom ook daarin geïnvesteerd. De omkadering van de diensten van onthaalouders is merkelijk verbeterd. Pools van diensten nemen sommige taken van de dienstverantwoordelijken over.
Een ander aspect is het zelfevaluatie-instrument voor het welbevinden en de betrokkenheid van kinderen, dat momenteel wordt geïntroduceerd bij onthaalouders en de diensten voor onthaalouders. Bij de zelfstandige onthaalouders is het een vereiste om in het systeem van inkomensgerelateerde opvang in de zelfstandige sector te stappen.
Er is de cursusverplichting voor levensreddend handelen met een tegemoetkoming van 20 euro per cursist. Er zijn de specifieke studiedagen over kwaliteit, sociale functie, aansprakelijkheid, ouderbetrokkenheid, participatie en inclusieve opvang. Er wordt geregeld overlegd met Onderwijs over het curriculum van de opleidingen die leiden tot toegang in de kinderopvang. Die opleidingen worden gescreend en aangepast aan de evoluties van de kinderopvang. Vrij nieuw is de opvoedingsondersteuning.
Verder zijn er de ontwerpen van competentiekader voor kinderopvangsectoren, de verhoging van de verplichting voor zelfstandige opvang om vanaf 2009, naast de kwaliteitseis voor verantwoordelijke, jaarlijks niet minstens acht maar twaalf uren specifieke vorming te geven. Er is de stroomlijning en verbetering van de inhoud van de SYNTRA-cursussen voor verantwoordelijken in de kinderopvang, de kwaliteitshelpdesk binnen Kind&Gezin voor de voorzieningen, de bundeling van alle kwaliteitscriteria, eisen en aanbevelingen, het grote kinderopvangboek, de verhoging van de financiële ondersteuning voor de zelfstandige opvang, de samenwerking met het Vlaams Agentschap Ondernemen, een ondersteuningsstructuur voor begeleiding, vorming en netwerking in de zelfstandige opvang.
Professionalisering is een heel langzaam proces. Men kan echter niet ontkennen dat er heel wat initiatieven worden genomen. Om als sector aantrekkelijk te zijn, moet men daar op een heel ernstige manier mee omgaan, vooral in het belang van het kind.
Een hogere kwalificatie moet kunnen samengaan met medewerkers die een groeitraject in de kinderopvang zelf doorlopen. Kwalificatie, competentie en vorming kunnen slechts gaandeweg worden verhoogd en dit in overleg met alle betrokkenen zoals de organiserende besturen, de lokale besturen, de sociale partners, de scholen, de opleidingsinstellingen, maar ook de ouders, mits een omzichtige benadering. Omdat is aangetoond dat de kwaliteit van kinderopvang samengaat met kwalificatie en competentie, hoewel die daar alleen nooit voor kunnen zorgen, blijft het doel het verhogen van de kwalificatie en de competentie.
Ik ben in mijn regio al jaren een heel actief bestuurslid van de Provinciale Commissie Buitenschoolse Kinderopvang. Die commissie is opgericht tijdens een periode dat het in onze regio bijzonder slecht ging. De doelstelling waarvoor die commissie destijds was opgericht, hebben we al gehaald. Wanneer we terugkijken, moeten we echter durven erkennen dat de investeringen in de kwaliteit en in de begeleiding van al die co?rdinatoren, ten gunste waren van ouders en kinderen. Kwalificatie- en competentieverhoging moeten een streefdoel blijven waarvoor we ook de komende jaren middelen moeten durven uittrekken.
Het budget kinderopvang in 2009 bedraagt 417,7 miljoen euro. Het totale budget van de Vlaamse Gemeenschap 2009 in beleidskredieten bedraagt 25,1 miljard euro. De kinderopvang maakt dus 1,66 percent uit van het Vlaamse budget. Ik heb hier een Excel-bestand dat kan worden opgenomen in het verslag. Daarin staan de subsidies aan erkende voorzieningen, specifieke zorgbehoeften, flexibele opvang, vorming, projecten, premies, installatiepremie, financiële ondersteuning van zelfstandige kinderdagverblijven. De investeringenstoelagen van VIPA (Vlaams Infrastructuurfonds voor Persoonsgebonden Aangelegenheden) zitten er niet in. Ik stel voor de bedragen aan het verslag als bijlage toe te voegen voor de volledigheid.
De voorzitter: De heer Caron heeft het woord.
De heer Bart Caron: Het zou misschien nuttig zijn om een aantal van die gegevens te bezorgen aan UNICEF. Zo kan UNICEF in de toekomst preciezer zijn voor wat de rapportering betreft. Voor een aantal onderdelen wordt Vlaanderen immers wel afzonderlijk in kaart gebracht en voor andere niet. Dat kan ten goede komen aan onze plaats in de zogenaamde rangschikking.
Mevrouw de minister, er worden stappen gezet. Er is nog heel wat behoefte aan plaatsen. Heel wat ouders vinden nog steeds geen adequate en betaalbare kinderopvang. In de professionalisering is al een belangrijke stap gezet op het vlak van kwaliteit. Dat zal een blijvend aandachtpunt zijn, niet dwangmatig maar op een manier die ouders stimuleert om de pedagogische concepten van deze tijd te volgen.
De voorzitter: Mevrouw Van der Borght heeft het woord.
Mevrouw Vera Van der Borght: Mevrouw de minister, u bent de derde minister van Welzijn maar u bent de eerste die als ervaringsdeskundige kan spreken over kinderopvang. Dat verheugt me. Ik ben blij dat u die problemen aan den lijve hebt kunnen ondervinden, dat u uiteindelijk een oplossing hebt gevonden en dat u een beroep kunt doen op een zelfstandige onthaalouder. U hebt dat gunstig kunnen beoordelen. Ik ben blij dat ik in u een partner heb gevonden.
De voorzitter: Het incident is gesloten.
Vraag om uitleg van de heer Bart Caron tot mevrouw Veerle Heeren, Vlaams minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, over de neutraliteit van Kind&Gezin
De voorzitter: De heer Caron heeft het woord.
De heer Bart Caron: Mevrouw de minister, ik kreeg van PPJ, het Pluralistisch Platform Jeugdzorg, de pluralistische werkgeversfederatie, een infobrochure van de concurrentie, met name het Vlaams Welzijnsverbond. Daarin staat het volgende citaat: ?Voor Kind&Gezin is inzake kinderopvang en hulpverlening aan jonge kinderen het Vlaams Welzijnsverbond veelal, zo niet altijd de eerste toetssteen voor het doorvoeren van verandering.? Dit citaat was ondertekend door de heer Lieven Vandenberghe, de gewezen administrateur-generaal van Kind & Gezin.
Dat dit citaat in de tegenwoordige tijd is geschreven en de heer Vandenberghe ondertekend heeft verwijzend naar zijn functie bij Kind&Gezin, riep bij mij vragen op. Ook de federatie reageerde massaal in mails. Men vroeg zich af of dit wel kon. We weten natuurlijk dat er bevoorrechte relaties bestaan met de koepels. We zijn niet naïef. Enige terughoudendheid is wel op zijn plaats. Ik ga ervan uit dat de huidige leiding van Kind&Gezin ten volle kiest voor een pluralistische besluitvorming waarbij het huidige raadgevend comité de eerste toetssteen is en niet het Vlaams Welzijnsverbond. Ik wil daar niet flauw over doen, natuurlijk moeten federaties en koepels hun rol van belangengroep spelen en hun sector verdedigen. Dit is wel een specifiek voorval.
Welke methode hanteert Kind&Gezin bij het doorvoeren van verandering? Ik doel hiermee op het experimentele, het vernieuwende.
Kunt u garanderen dat Kind&Gezin een neutrale opstelling - die rekening houdt met het gehele werkveld en met de gebruikersvertegenwoordigers - respecteert en ook in de toekomst zal aanhouden?
De voorzitter: Mevrouw Van der Borght heeft het woord.
Mevrouw Vera Van der Borght: Mijnheer de voorzitter, u weet dat Open Vld altijd pleit voor respect voor alle actoren. Wij betreuren dat de gewezen administrateur-generaal van Kind&Gezin dergelijke uitspraken doet. Ik wil pleiten voor een ernstige en neutrale handelswijze. Het beeld wordt hierdoor gecreëerd dat Kind&Gezin een organisatie zou zijn die nauw aanleunt bij de christelijke zuil. Mevrouw de minister, ik zou graag willen dat u die neutraliteit bevestigt en garandeert.
De voorzitter: Minister Heeren heeft het woord.
Minister Veerle Heeren: Mijnheer Caron, u gaf het zelf ook al aan, het mandaat van het beleidsorgaan is inderdaad gewijzigd. Het raadgevend comité heeft een totaal ander mandaat dan de vroegere raad van bestuur. Ik vraag me af of u nog andere redenen tot twijfelen hebt in verband met de neutraliteit van Kind&Gezin.
Zowel het nieuwe raadgevend comité als de vroegere raad van bestuur is met een scherp oog voor evenwicht samengesteld. Het debat over verandering en vernieuwing gebeurt binnen die organen. In die zin beantwoord ik uw vragen in de overtuiging dat de neutraliteit bij Kind&Gezin - en bij elk ander agentschap - gegarandeerd moet zijn.
Welke methode hanteert Kind&Gezin bij het doorvoeren van een verandering? Dat is geen simpele vraag. Er zijn natuurlijk veel verschillende manieren van verandering. De organisatie zal voor de uitvoering van inhoudelijke veranderingen vertrekken van het regeerakkoord. Dat vormt samen met de beleidsnota en -brieven van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, de basis voor een beheersovereenkomst tussen de minister en de leidend ambtenaar van het agentschap. Afhankelijk van de veranderingen worden strategische en operationele doelstellingen verder uitgewerkt binnen het agentschap zelf. Bij bijna alle grote veranderingen zal Kind&Gezin, zeker in de voorbereidende fase, ook de sector heel actief betrekken om op die manier zo veel mogelijk rekening te houden met de bezorgdheden - maar ook met de bekommernissen - van de betrokkenen. Elke grote verandering zal voor advies naar het raadgevend comité gaan. Dat wordt daar voorgelegd aan de belangrijkste partners en grondig besproken. Kind&Gezin heeft verder op structurele basis overleg met de sector. Voor alle duidelijkheid: daar zijn alle kleuren en strekkingen in vertegenwoordigd.
Op uw tweede vraag wil ik antwoorden dat Kind&Gezin op deze manier zeker blijk geeft van een neutrale opstelling, die rekening houdt met het hele werkveld, maar ook met de vertegenwoordigers van de gebruikers. Het agentschap zal deze instelling in de toekomst aanhouden. De samenstelling van het raadgevend comité is een beslissing van de Vlaamse Regering, en ook daarin zitten alle kleuren en strekkingen.
De voorzitter: De heer Caron heeft het woord.
De heer Bart Caron: Ik dank u voor uw antwoord, mevrouw de minister. De beleidslijn voor de toekomst is duidelijk getrokken.
De voorzitter: Het incident is gesloten.
Vraag om uitleg van Vlaams volksvertegenwoordiger Bart Caron aan de heer Steven Vanackere, Vlaams minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin betreffende de opvang van jongvolwassenen.
Vlak voor het reces stond een artikel in de Knack dat me aangegrepen heeft. Het gaat om een meisje van 18 jaar, ze had een geschiedenis in instellingen. Op haar 18de werd ze ontslagen uit de instelling omdat ze meerderjarig was. Hierdoor was ze op de dool en is ze op 18-jarige leeftijd gestorven.
Dit is echter slechts een voorbeeld. Uit het artikel in de Knack blijkt dat er meerdere jongeren zijn zoals dit meisje, met een licht mentale handicap en/of psychische problemen. Voor deze jongeren is de overgang naar voorzieningen voor volwassenen dikwijls problematisch. Deze jongeren wordt uit de instelling ontslagen als ze 18 zijn, ze moeten dan naar de vrijwillige hulpverlening. Maar als ze dat niet willen, staan ze op straat. Veel van die jongeren zijn instellingsmoe en als het alternatief de zoveelste instelling is, dan kiezen ze vaak voor de straat en voor pijnverzachtende drugs.
En als het water dan te hoog komt en ze hulp gaan zoeken, worden ze vaak van het kastje naar de muur gestuurd. Eventueel zouden ze terecht kunnen bij het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap. Het probleem is: daarvoor moet je erkend zijn. En hun erkenning is natuurlijk niet in orde. Het gevolg is: ze komen op een wachtlijst te staan voor drie jaar. En raken in tussentijd vaak nog dieper in de problemen.
Deze jongeren hebben vaak geen vangnet, ze zijn even kwetsbaar als andere 18-jarigen. Maar andere 18-jarigen, die fouten maken, kunnen terugvallen op een gezin en familie als er iets misloopt. Jongeren uit een instelling hebben deze luxe niet en zijn bovendien ook niet voorbereid op het leren omgaan met vrijheden en beperkingen. In de instelling zijn te lang opgevangen in de minderjarigenwerking. Ze hebben niet geleerd hoe ze met de vrijheid om moesten gaan en hoe ze zich kunnen handhaven in de maatschappij.
Een oplossing zou kunnen zijn om een systeem van trajectbegeleiders op te zetten. Iemand die hen vanaf hun zeventiende volgt. Een vertrouwenspersoon bij wie ze terecht kunnen. Iemand die hun papieren in orde brengt, die hen desnoods zelfs laat falen. Alleen moeten die begeleiders ervoor zorgen dat dat falen niet te ver gaat. Dat ze eruit leren. Dat ze geen duizenden euro’s schulden maken. Of eindigen zoals het 18-jarig meisje.
In het kader hiervan heb ik enkele vragen voor de minister:
1. Erkent de minister deze problematiek?
2. Zijn er mogelijkheden om deze jongeren beter op te volgen?
3. Zijn er reeds concrete plannen in die richting? Kan een vorm van trajectbegeleiding overwogen worden?
Minister Steven Vanackere: Collega´s, dit is inderdaad een problematiek die hier al meermaals aan bod is gekomen. Mevrouw Hoebeke en de heer Caron kaarten dit debat terecht op een heel empathische en gevoelige manier aan. We hebben hier al vaker nagedacht over de problematiek van jonge mensen in het hulpverleningsaanbod die op een zeker moment even van de radar verdwijnen, maar dan, helaas, enkele jaren later opnieuw opduiken vanwege een problematiek van thuisloosheid, criminaliteit of andere crisissituaties. Die hebben dan blijkbaar een aantal jaren in een soort zelfstandigheid gefunctioneerd, die echter helemaal niet beantwoordt aan wat wij verstaan onder een zinvolle beleving van de zelfstandigheid.
Ik heb eerder al laten blijken dat dit onderwerp mij bijzonder ter harte gaat. Als u met het Steunpunt Algemeen Welzijnswerk hebt gesproken en hebt gemerkt dat men daar mee bezig is, mijnheer Caron, dan is dat geen toeval. Ik heb namelijk opdracht gegeven aan het departement Welzijn, Volksgezondheid en Gezin om een werkgroep samen te stellen die zich over deze problematiek moet buigen. De werkgroep heeft als opdracht gekregen om de situatie in kaart te brengen en te analyseren, en om heel concrete beleidsaanbevelingen te formuleren.
Het klopt, mevrouw Dillen, dat pasklare antwoorden niet voor het grijpen liggen. We spreken over meerderjarigen, maar in zeker opzicht gaat het inderdaad nog over kinderen. Jacques Brel zong al over ´ces enfants de cinquante ans´, en er zijn inderdaad mensen die altijd een vorm van ondersteuning nodig hebben om niet zwaar in de problemen te komen. Dat mag ons evenwel niet tot een sombere maatschappijvisie leiden. We moeten geloven in de kracht van de mensen, maar we moeten toch oog hebben voor deze problematiek.
Het departement is momenteel bezig met de uitvoering van mijn opdracht. Op 15 september jongstleden heeft men rondetafelgesprekken georganiseerd met praktijkwerkers uit alle sectoren die betrokken zijn bij de integrale jeugdhulp - en dus bijvoorbeeld ook met het Steunpunt Algemeen Welzijnswerk - en uit de belendende sectoren, zoals de OCMW´s, de VDAB en de sociale huisvesting. Een betere intersectorale afstemming en samenwerking tussen de verschillende sectoren van hulpverlening onderling en met de belendende sectoren, zijn fundamentele elementen voor een adequate aanpak van de jongvolwassen instellingverlaters.
De bedoeling is dat de gesprekspartners van die rondetafelgesprekken de praktijk schetsen, en op basis daarvan de knelpunten inventariseren en oplossingsvoorstellen formuleren. Het is de bedoeling dat de bevindingen van die gesprekken vertaald worden naar ontwerpbeleidsadviezen, die ik eind november wil laten becommentariëren door een Vlaams expertenpanel, om ze te laten bevestigen, aan te passen, aan te vullen en te valideren, en om er op die manier voor te zorgen dat ze wat breder gedragen worden.
Ik ga mij op die bevindingen baseren om concrete beleidsinitiatieven te nemen voor een betere zorgcontinuïteit voor jongvolwassen instellingverlaters. Ik vraag hun ook uitdrukkelijk om de gegevens over de uitstromers na te gaan en aan te bevelen welke data we daarrond nog ontberen en welke data we hierover moeten verwerven om er op een verstandige manier over te kunnen nadenken.
Ik heb sympathie voor dat voorstel van trajectbegeleiding, maar ik vind het wat voorbarig om daar nu al veel over te zeggen. Ik wil dat liever geïntegreerd zien in datgene wat ik eind november ontvang. Daarom wil ik nog wat afwachten. Ik merk namelijk dat de vraag naar trajectbegeleiding in heel veel sectoren terugkomt. Eigenlijk gaat het telkens om de vraag naar iemand die dicht bij de cliënt staat, die het overzicht bewaart en die bij wijze van spreken de draad vasthoudt. Aangezien die vraag naar trajectbegeleiding ook in heel wat andere sectoren voorkomt, dreigt het gevaar dat we daar te veel mensen voor nodig hebben.
Ik verwacht dat zo´n trajectbegeleiding hoe dan ook een onderdeel vormt van wat een hulpverleningstraject an sich al is. Ik verwacht dat men dat opneemt in het takenpakket van de hulpverlener, zodat er niet te veel met verkapte verantwoordelijkheden wordt gewerkt, en dat men dat tracht te integreren in het hulpverleningstraject. Ik wil er hier nog niet te veel op vooruitlopen, omdat ik alle kansen wil laten aan het proces dat ik in gang heb gezet en dat eind november rond zal zijn.
Mevrouw Claes, de problematiek van de spaarmiddelen is hier al een paar keer aan bod gekomen in de commissie. Die problematiek komt inderdaad ook in heel veel getuigenissen van bijvoorbeeld pleegouders aan bod. Men stelt vast dat het bewuste moment waarop die middelen vrijkomen, soms een zeer delicaat en heikel moment is. Ik heb daar helemaal geen pasklaar antwoord voor. Bovendien moeten we daarbij rekening houden met een aantal grondwettelijke beginselen, zoals het recht op eigendom.
Ik ben het wel met u eens dat we moeten nagaan hoe we de bescherming van de jongere en zijn materiële belangen - met inbegrip van het feit dat hij een vermogen moet kunnen opbouwen - kunnen combineren met beschermende maatregelen ten aanzien van het gebruik ervan. Maar ik ga op dat vlak afwachten wat de sector mij te melden heeft.
Mevrouw Anne Marie Hoebeke: Mijnheer de minister, ik dank u voor uw bezorgdheid. Wat mevrouw Claes aanhaalt, is inderdaad een probleem. De jongeren krijgen twee derden van het opgespaarde vermogen zomaar in handen op het moment dat ze achttien worden. Burgerrechtelijk of vanuit de banksector staat ons geen enkel middel ter beschikking om dat af te remmen.
Er is ook een groep jongeren voor wie een voorlopige bewindvoerder wordt geïnstalleerd, alleen maar vanwege dat financiële aspect. Een bewindvoerder is echter enkel bevoegd voor het vermogensrechtelijke aspect. Voor die bepaalde jongeren is een combinatie van het zorgaspect en het bemiddelingsaspect misschien wel aanwezen. Misschien moet u daarvoor eventjes over de grenzen van uw bevoegdheid heen durven te kijken, zodat de regelgeving omtrent welzijn en jongeren vanuit veel sectoren bij één minister terecht zou komen.
Ik heb vorige week nog een intrigerend gesprek gevoerd met een aantal jeugdrechters over de zaken die u installeert, hoe die werken en hoe zij het liever zouden hebben. U kunt dus nog veel vragen in die zin van mij verwachten.
De voorzitter: De heer Caron heeft het woord.
De heer Bart Caron: Mijnheer de minister, ik dank u voor het antwoord. Men is aan een traject begonnen in de richting van een betere co?rdinatie. U hebt nu een opdracht gegeven. Ik wil de resultaten daarvan bekijken. Hopelijk kunnen we beleidsmatig al een aantal stappen in die richting zetten. Met die aansluiting kunnen veel grotere problemen en vaak terugkerende crises vermeden worden.
Mevrouw Hoebeke, ik ben blij dat u spreekt over coherente bevoegdheidspakketten en het samenbrengen van een aantal federale bevoegdheden die met het welzijn van jongeren en jongvolwassenen te maken hebben. Ik deel uw bezorgdheid ter zake. Ik denk overigens dat minister Vanackere dat met veel verve zal verdedigen in de dialoog.
vraag om uitleg van Vlaams volksvertegenwoordiger Bart Caron aan de heer Steven Vanackere, Vlaams minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin betreffende de vaccinaties tegen baarmoederhalskanker.
De heer Bart Caron: Mijnheer de voorzitter, geachte leden, mijnheer de minister, dit is een onderwerp waarover ik niet zo veel vragen stel. Als man ben ik op de ene of andere manier een beetje geremd wat het onderwerp betreft. Ik heb echter twee dochters in die leeftijdsgroep.
De Hoge Gezondheidsraad heeft in 2007 aanbevolen om jaarlijks een jaarcohorte van meisjes tussen 10 en 13 jaar te vaccineren tegen het humaan papillomavirus (HPV). In de zomervakantie, in juli - een beetje een slecht ogenblik om daarmee bezig te zijn, maar ik vond het toch treffend - verscheen er een opiniestuk over dat onderwerp, namelijk over de onenigheid tussen de Franse Gemeenschap, de federale overheid en de Vlaamse Gemeenschap om samen het vaccin toe te dienen, waarbij ook de kosten zouden worden gedeeld. Het systeem kennen we. De gemeenschappen zouden elk een derde van de kostprijs voor hun rekening nemen. De andere partijen zouden dan twee derde voor hun rekening nemen. Op die wijze bereikt het vaccin een zeer grote groep meisjes.
Ondertussen is het oktober en was ik nieuwsgierig om te weten of er ondertussen verandering in is gekomen. Daarom stel ik mijn vraag. Nu blijkt dat de Franse Gemeenschap hier niet aan wil meedoen. Ze verwijst meisjes uit die leeftijdsgroep naar de klassieke toeleiding, dus vaccinatie via de huisdokter en de apotheker. Dat heeft twee gevolgen. Er worden veel minder meisjes bereikt. Er is altijd een groep die niet wordt gevaccineerd. Ook is de kostprijs voor de samenleving veel groter als dit zo, op individuele basis wordt georganiseerd. Anders is er sprake van een hele campagne die wordt gevoerd en een hele jaarcohorte die men probeert te vaccineren. Dan kan er worden gewerkt met openbare aanbestedingen en een groepsaankoop. We hoeven elkaar daar niet van te overtuigen: dat kan dan veel goedkoper.
Het is niet het eerste vaccinatiedossier waarbij de samenwerking tussen de gemeenschappen en de federale overheid mislukt. In het opiniestuk klagen een aantal wetenschappers aan dat dit niet zal plaatsvinden. Mijnheer de minister, wat is de stand van zaken? Is er ondertussen al iets veranderd ter zake? Is er een overeenkomst gesloten in de Interministeriële Conferentie Volksgezondheid, waarbij de gemeenschappen en de federale staat de kosten zouden delen? Klopt het dat de Franse Gemeenschap niet meedoet? Waar ligt eigenlijk het probleem? Is er al vooruitgang geboekt?
Wat is uw persoonlijke mening over dat advies van de Hoge Gezondheidsraad? Ik kan die bijna voorspellen. Ik neem aan dat u dat advies graag wilt volgen. Is er een niet-politieke verklaring voor de weigering van de andere partners, zoals medische redenen of redenen met betrekking tot de volksgezondheid? Kan de Franse Gemeenschap ook zomaar haar verantwoordelijkheid ontlopen? Kan de rekening worden afgewenteld op het RIZIV, wetend dat er dan sprake is van een veel kleiner potentieel bereik van de doelgroep? Preventie is helemaal de bevoegdheid van die gemeenschappen. Ook daarom vind ik het niet kunnen dat men dat op die wijze ontloopt. Als er geen evolutie in deze zaak is, is daar iets aan te doen?
Minister Steven Vanackere: Collega´s, de eerste keer dat ik in deze commissie over de problematiek van baarmoederhalskanker en het HPV heb gesproken, heb ik meteen verwezen naar het land in Europa met de laagste mortaliteit door baarmoederhalskanker. Dat land is Finland. Daar wordt nauwelijks gevaccineerd. De screening is er nagenoeg 100 percent. U moet ook weten dat, om de mortaliteit door baarmoederhalskanker te vermijden, twee strategieën, die ook complementair zijn, van tel zijn. We stellen vast dat er een Europees land is met een compleet anders georganiseerde geneeskunde, die absoluut niet zomaar overplantbaar is in onze liberale geneeskunde. Met ´liberaal´ bedoel ik hier dat de patiënt onder andere de vrije keuze heeft. In Finland kan een vrouw problemen met de verzekering krijgen als ze zich niet tijdig laat screenen. Ik denk niet dat dit een maatschappelijke keuze is waar België of Vlaanderen morgen al klaar voor is.
Als we het hebben over evidence-based nadenken over dit soort van ziekten, moeten we toch vaststellen dat een nagenoeg perfecte screening vanuit preventief oogpunt de hoogste rendementen oplevert om een bevolking te beschutten tegen de risico´s van baarmoederhalskanker. Dat is belangrijk om weten als we het hierover hebben.
Mevrouw Roex, ik heb echt geen resolutie van het federale parlement nodig om dat te bedenken. Ik heb dat al gezegd nog voor die resolutie er was. (Opmerkingen van mevrouw Elke Roex)
Ik heb dat meteen tijdens de zomer van 2007 gezegd. De uittredende federale minister pakte toen voor het eerst uit met zijn vaccinatieterugbetaling op RIZIV-basis. Ik had toen trouwens de rugdekking van de Vlaamse Gezondheidsraad. Er werden kanttekeningen gezet bij de stelling dat vaccinatie de oplossing biedt. Ook de Vlaamse Gezondheidsraad wijst op het feit dat beide goed in de gaten moeten worden gehouden, dat beide relevant zijn, dat vrouwen die zich tijdig laten screenen, ook een stellige bescherming opbouwen ten opzichte van dat risico.
Dat gezegd zijnde, is er ook het instrument van de vaccinatie. De gezondheidsraad is daar ook duidelijk over. U zult me straks vragen hoe het komt dat de Franse Gemeenschap - nog niet - ja heeft gezegd op de vraag om in te stappen in een model zoals we dat kennen, waarbij twee derde van de vaccinatie wordt betaald door de federale overheid en één derde door de betrokken gemeenschap, en om een inspanning te doen op bevolkingsniveau. Mijn Franstalige collega van Volksgezondheid is een arts. Ik zal niet in haar naam spreken. Er zijn echter niet alleen budgettaire redenen waarom minister Fonck aarzelingen heeft over de effectiviteit van een grootschalige vaccinatie. Ik zal trachten me zeer behoedzaam uit te drukken. Wat dat betreft neem ik de adviezen van de Vlaamse Gezondheidsraad toch wel als mijn leidraad. Vandaag is er eigenlijk nog geen wetenschappelijke evidentie dat de bescherming ten gevolge van de vaccinatie heel lang duurt. De periode tussen het ontdekken van het vaccin en de geschiedenis van populaties is nog niet lang genoeg om te kunnen zeggen dat een vaccinatie elk toekomstig risico wegneemt.
Als verantwoordelijke overheid moeten we alle gegevens gebruiken om verstandige keuzes te maken, zonder dat we elkaar rond de oren slaan met zogenaamde zekerheden door bijvoorbeeld te stellen dat wie een vaccinatie aan een meisje ontzegt, haar ook de absolute zekerheid ontneemt dat ze nooit baarmoederhalskanker zal hebben.
Het veiligste lijkt me om de adviezen van de Hoge Gezondheidsraad zo veel mogelijk te volgen. Ik wil niet slimmer zijn dan die raad. In mijn beleidsverklaring van vorig jaar heb ik gezegd dat ik alles in het werk wil stellen om die vaccinatie op te nemen in het basisvaccinatieschema. Dat is en blijft nog altijd mijn standpunt.
Mijn kabinet en ik hebben voortdurend consequent aangedrongen op een snelle en kwaliteitsvolle implementatie. Ik heb op 11 februari 2008 bij de besprekingen over het Nationaal Kankerplan in aanwezigheid van mevrouw Onkelinx heel nadrukkelijk gezegd wat ik daarvan vond. Ik heb gewezen op het risico van een gezondheidslogica met twee snelheden, waarbij ouders die slechter geïnformeerd zijn of sociaaleconomisch zwakker staan, het remgeld sneller als een hinderpaal zullen zien om in systeem in te stappen dan ouders die sociaaleconomisch sterker staan of minstens voldoende geïnformeerd zijn over deze risico´s. De meest democratische en logische aanpak is wel degelijk die op bevolkingsniveau. Het is een standpunt dat bevestigd is op alle hierna volgende interkabinettenwerkgroepen met betrekking tot het Nationaal Kankerplan. In de aanloop van de interministeriële conferentie voor volksgezondheid en op die conferentie van 17 juni zelf heb ik nog duidelijk gesteld nog liefst in 2008 te starten, en ten laatste tijdens het schooljaar 2009.
Als vertegenwoordiger van de Vlaamse Gemeenschap heb ik dat standpunt heel nadrukkelijk ingenomen. Ik heb aan de collega´s ook gevraagd om de budgettaire schikkingen te treffen om dat ook mogelijk te maken. Recent nog, in september, heeft mijn kabinet dat standpunt aangenomen.
We volgen best de wetenschappelijke adviezen. Een akkoord over de financiering van de vaccins, zoals dat in het protocolakkoord van 2003 is ingeschreven, heeft dan nog als bijzondere particulariteit dat dit ongetwijfeld goedkoper zou zijn voor het RIZIV. Uit de reacties in deze commissie maak ik toch op dat iedereen mijn verontwaardiging deelt. Via de huidige keuzes belast de federale overheid eigenlijk de begroting van het RIZIV. Eigenlijk moeten er nu bedragen worden vrijgemaakt die gelijk zijn aan die voor een veralgemeende bevolkingsaanpak.
Ik hoor dat minister Onkelinx overweegt de terugbetaling uit te breiden tot 18 jaar. Dat gaat toch voor een deel in tegen de wetenschappelijke evidentie dat de effectiviteit van de vaccinatie pas echt aannemelijk is als ze gebeurt voor het eerste seksueel contact. Ik geef toe dat er nog adviezen in de andere richting bestaan. Laten we echter toch maar aannemen dat de meest verstandige aanpak bestaat in een algemene bevolkingsinenting vanaf de leeftijd van, bijvoorbeeld, 12 à 13 jaar, en dat cohorte per cohorte. De gedeeltelijke huidige terugbetaling voor meisjes van 12 tot en met 15 jaar gaat in feite in tegen het wetenschappelijke advies van de Hoge Gezondheidsraad.
Met het huidige systeem van terugbetaling kost vaccinatie van een meisje met de nodige drie vaccins nog altijd iets meer dan 30 euro voor de ouders. Dat is enkel nog maar de aankoopprijs van de vaccins, zonder te spreken over het bijkomende remgeld van de raadplegingen bij de huisarts of een andere vaccinator. Ook ouders zullen dus wellicht meer moeten betalen. Voor veel mensen is dit een ernstige belemmering om hun dochter te laten vaccineren. Ik blijf erbij dat ook hiervoor een hoge vaccinatiegraad heel belangrijk is. Daarvoor moeten alle vaccins ter beschikking gesteld worden van alle vaccinatoren, zowel bij de centra voor leerlingenbegeleiding, de huisartsen, de kinderartsen als eventuele andere vaccinatoren.
Het systematisch vaccineren van een volledige schooljaarcohorte meisjes met vaccins die door de overheid aangekocht zijn, zou zeker ook voor het RIZIV goedkoper zijn. Op de volgende interministeriële conferentie in december streef ik naar een duidelijk standpunt hierover bij alle collega´s. Ik wil dat men zich uitdrukkelijk uitspreekt over waar men staat. Bij een blijvend probleem om tot een uniforme vaccinatiekorf voor geheel het land te komen, overweeg ik om een asymmetrische situatie te bepleiten.
Ik neem aan dat iedereen achter de solidariteit met Brussel blijft staan. Dat veronderstelt dan ook een aantal complicaties. Een oplossing waarbij wel degelijk een complementair model mogelijk is tussen de twee gemeenschappen blijft nog altijd veruit te verkiezen boven een systeem met een asymmetrische oplossing. In het verleden is de meningokokkenvaccinatie in Vlaanderen ook aan een lichtjes ruimere doelgroep aangeboden in vergelijking met de Franse Gemeenschap. Die asymmetrie is dus niet helemaal nieuw.
Een onderhandelde aankoopprijs is in het kader van de wetgeving op de overheidsopdrachten niet evident. Ondertussen zijn er immers twee vaccins tegen het humaan papillomavirus op de markt. Een overheidsopdracht via de procedure van de algemene offerteaanvraag garandeert in die situatie marktwerking. Dat lijkt me ook wel het beste te zijn. Dit gebeurt trouwens ook zo voor de andere vaccins waarbij de concurrentie speelt.
Ik wil toch nog eens bevestigen dat preventie een opdracht en bevoegdheid van de gemeenschappen is. Ik ben tegenstander van een scenario van volledige financiering door de federale overheid. (Opmerkingen van de heer Bart Caron)
Zoals de heer Caron hier terecht opwerpt, zou de financiering volledig door de gemeenschappen moeten gebeuren. (Opmerkingen van de heer Erik Tack)
Ik ben geen voorstander van een herfederalisering van het vaccinatiebeleid. Ik heb al eerder gezegd dat deze vaccinatie moet worden toegevoegd aan het basisaanbod. Het is echter niet mijn taak om een appreciatie uit te spreken over de afwegingen die mijn collega van de Franse Gemeenschap maakt. Maar het is duidelijk dat als de inzichten verschillend blijven, we aan de grenzen van de symmetrie beginnen te komen. Bij die fameuze dialoog, waarover u me niet veel moet ondervragen, zal de parlementaire toetsing zo veel mogelijk gebeuren via de communicatie met minister-president Peeters. Het is duidelijk dat dit ook een onderwerp is dat aan bod moet komen om te zorgen voor een beter bestuur voor het geheel van de bevolking van dit land.
De voorzitter: De heer Caron heeft het woord.
De heer Bart Caron: Mijnheer de minister, ik dank u voor uw zeer genuanceerd en krachtig antwoord. Ik ben geen arts of wetenschapper. Ik kan niet oordelen over de effectiviteit van de vaccinatie. In medische kringen zijn daar blijkbaar discussies over. Hoe dan ook lees ik wat ik lees. Ik sluit me dan ook aan bij uw standpunt. We moeten er tot nader order naar streven om die vaccinatie zo maximaal mogelijk te laten gebeuren.
In mijn inleiding had ik het sociale element te weinig vermeld. Ik had het alleen over de effectiviteit en het bereik bij meisjes. Mijn huisarts roept alle meisjes in die leeftijdscohorte ieder jaar bijeen, koopt het vaccin aan voor de hele groep en zorgt voor de inenting in drie keer. Dat gebeurt aan terugbetalingstarief. Zelfs mijn huisarts is dus overtuigd van de noodzaak, het nut en de effectiviteit van de vaccinatie. Hij probeert ervoor te zorgen dat de drempel zo laag mogelijk is. En ik kan u verzekeren dat mijn huisarts een liberaal is. Zijn medische visie is daarin bepalend. Hij wil iedereen die tot zijn kring behoort, bereiken.
Mijnheer de minister, als we een volwassen gemeenschap willen zijn, dan moeten we ook de moed hebben die vaccinatie volledig met eigen middelen te betalen. Zo hoort het ook als we het willen hebben over een volwaardige gemeenschap in een confederaal model, die voor de preventieve gezondheidszorg haar verantwoordelijkheid voor de volle 100 percent wil opnemen. Als het gaat over pakweg tabakspreventie, schieten we, terecht, op de inspanningen van de federale overheid. Eigenlijk zouden we zelf onze verantwoordelijkheid moeten nemen. En liefst gebeurt dat dan in samenspraak met de andere gemeenschap om ervoor te zorgen dat er in meertalige gebieden, zoals in Brussel, geen twee snelheden zijn.
Ik pleit ervoor afspraken te maken met de gemeenschappen. Als we niet dezelfde mening hebben, moeten asymmetrische beslissingen wel mogelijk zijn.
De afspraak is dat minister-president Peeters communiceert over de dialoog. Hou hier echter rekening mee. Haalt u dat punt binnen, dan mag u dat heel stilletjes zeggen. We zullen daar dan voor applaudisseren. Dat zou een voorbeeld kunnen zijn van een systeem waarbij we onze gezondheidszorg verbeteren en effectiever maken, maar ook onze verantwoordelijkheid in de samenleving opnemen.
Schriftelijke vraag van de heer Bart Caron tot mevrouw Kathleen Van Brempt, Vlaams minister van Mobiliteit, Sociale Economie en Gelijke Kansen over de afgesloten fietsmodules in West-Vlaanderen.
In de mobiliteitsbrief voor een duurzaam lokaal mobiliteitsbeleid uitgave september 2008, kunnen we lezen dat er in Vlaanderen sinds 2000 220 fietsmodules (modules 12 en 13 van het mobiliteitsconvenant) werden afgesloten.
Graag daarom volgende vragen:
Antwoord:
1-2. In de provincie West-Vlaanderen werden sinds 2000 43 modules 13 afgesloten en 1 module 12.
3.
Gemeente |
Gewestwegnummer | Vastgelegd subsidiebedrag (euro) | Vastleggingsdatum |
| MODULE 12 | |||
| GEREALISEERD | |||
| Kortemark | N35 | 1.233.805,14 | 19/12/2003 |
| MODULE 13 | |||
| GEREALISEERD | |||
| Brugge | N376 | 800.000,00 | 23/12/2002 |
| Brugge | N376 | 1.199.399,79 | 14/12/2004 |
| Brugge | N34i | 100.008,05 | 22/12/2004 |
| Koksijde | N396 | ||
| Koksijde | N8 | ||
| Koksijde | N330 | ||
| Koksijde | N396 | 849.323,20 | 6/12/2004 |
| Oostende | R31 | 254.799,69 | 19/12/2003 |
| Oostende | R31 | 174.049,39 | 19/12/2003 |
| Oostende | R31 | 217.561,71 | 19/12/2003 |
| Oostende | N34 | 467.764,70 | 6/12/2004 |
| Oostende | N340 | 1.741.180,11 | 21/12/2005 |
| Wingene | N327a | 173.987,79 | 21/12/2005 |
| Wingene / Zwevezele | N370 | 1.619.710,94 | 19/12/2003 |
| Zuienkerke | N326 | 364.212,34 | 18/08/2005 |
| IN UITVOERING | |||
| Brugge | R30 | 1.065.700,00 | 21/12/2005 |
| Menen | N8 | 1.774.000,00 | 22/12/2004 |
| Middelkerke | N325 | 444.415,32 | 12/11/2002 |
| Oostende | N358 | 1.401.042,06 | 2/08/2006 |
| Wervik | N8 | 3.699.000,00 | 22/12/2004 |
VOORBEREIDING UITVOERING (o.a. onteigeningen) |
|||
| Beernem | N337 | 1.420.670,82 | 4/02/2005 |
| Brugge | N9 | 1.074.418,50 | 17/12/2004 |
| Brugge | N337 | 500.546,89 | 22/12/2004 |
| Dentergem en Zulte | N459 | 782.616,31 | 21/12/2006 |
| Diksmuide | N35 | 793.456,49 | 17/01/2006 |
| Diksmuide | N364 | 482.671,24 | 17/01/2006 |
| Diksmuide | N364 | 1.799.021,38 | 17/01/2006 |
| Gistel | N358 | 1.581.373,20 | 18/08/2005 |
| Gistel | N33 | 755.042,49 | 24/01/2007 |
| Izegem | N36 | 383.516,76 | 7/11/2003 |
| Koksijde | N34 | 1.706.127,18 | 24/08/2005 |
| Nieuwpoort | N34 | 593.046,45 | 3/04/2007 |
| Oudenburg | N358 | 873.544,70 | 9/11/2005 |
| Zuienkerke | N9 | 721.109,60 | 20/12/2004 |
| PLANFASE | |||
| Beernem | N368 | 697.273,63 | 5/12/2006 |
| De Panne | N35 | 514.128,65 | 7/08/2006 |
| Dentergem | N305 | 482.834,56 | 19/12/2007 |
| Heuvelland | N331 | 2.467.562,93 | 19/12/2007 |
| Koksijde | N35 | 543.314,22 | 7/08/2006 |
| Meulebeke | N305 | 1.250.934,30 | 20/12/2007 |
| Oostkamp | N368 | 2.042.915,60 | 5/12/2006 |
| Oostrozebeke | N305 | 833.752,66 | 19/12/2007 |
| Veurne | N35 | 1.052.659,49 | 7/08/2006 |
3. Aanvragen vanuit de gemeenten worden in West Vlaanderen niet apart geregistreerd. De gegevens over het aantal conform verklaarde startnota’s, per jaar, geeft wel een accuraat beeld. Hieruit blijkt niet onmiddellijk een grote stijging van de belangstelling vanuit de gemeenten, hoewel de trend wel positief is. De recentere projecten hebben ook een grotere omvang.
| 2002 | 2003 | 2004 | 2005 | 2006 | 2007 | inschatting 2008 | |
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| 1 | 4 | 14 | 11 | 6 | 9 | 10 |
Schriftelijke vraag van Vlaams volksvertegenwoordiger Bart Caron aan mevrouw Hilde Crevits, Vlaams minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur betreffende vluchten tussen Oostende en Brussel nationale luchthaven.
Onlangs kwam het volgende verhaal me ter ore. Iemand is onlangs naar Mallorca gereisd. De zondag vloog hij van Mallorca naar Oostende. Oorspronkelijk had hij geboekt van Mallorca naar Brussel, maar toen hij te weten kwam dat het vliegtuig eerst in Oostende landde, was zijn keuze snel gemaakt. Hij vroeg zich echter af hoe de anderen dan in Brussel terecht kwamen en blijkbaar vloog het vliegtuig vanuit Oostende verder naar Brussel.
Blijkbaar geven bepaalde tour operators de kans om in Oostende te boeken, en als dit niet vol geraakt vliegen ze nog eens door naar Brussel. Zulke korte vluchten lijken me ecologisch toch niet verantwoord.
Daarom had ik toch volgende vragen aan de minister:
1. Klopt het dat er vluchten plaats vinden tussen Oostende en Brussel nationale luchthaven?
2. Worden er maatregelen genomen om deze korte vluchten te verbieden of toch in zeer sterke mate te ontraden?
Antwoord:
1. Ja, er gebeuren passagiersvluchten. In 2007: ongeveer 80 vliegbewegingen.In het zomerseizoen 2008 (periode april tot oktober) één wekelijkse vlucht.
2. Wat betreft maatregelen die worden genomen kan ik het geachte lid meedelen dat op 26 juni 2008 het Europese Parlement (EP) en de Raad een compromis hebben bereikt betreffende de opname van de luchtvaartsector in het EU-emissiehandelsschema (EU-ETS). Op 8 juli werd het compromis plenair goedgekeurd door het EP.
Het compromis tussen het EP en de Raad houdt in dat luchtvaartoperatoren jaarlijks emissierechten moeten inleveren voor de CO2-emissies van alle vluchten die vertrekken van of aankomen in een Europese luchthaven, dus ook voor de binnenlandse vluchten in België. Binnenlandse vluchten zullen door hun korte afstand dubbel getroffen worden door het ETS. Enerzijds gebeurt de verdeling van de gratis luchtvaartemissierechten op basis van een ton.km benchmark (met referentiejaar 2010), die lange, volle vluchten bevoordeelt en korte, minder gevulde vluchten benadeelt. Anderzijds moeten operatoren emissierechten inleveren voor de CO2 die zij uitstoten. Het brandstofverbruik en bijgevolg ook de CO2 emissies zullen veel hoger liggen per ton.km voor een korte dan voor een lange vlucht, gezien de extra brandstof nodig voor het opstijgen en landen. Van het ETS zal dus een sterk ontradend effect uitgaan voor binnenlandse vluchten.
Hierbij dient echter vermeld dat het aandeel van de binnenlandse luchtvaart in de totale Belgische BKG-uitstoot zeer beperkt is. In 2006 bedroeg de CO2-uitstoot door de binnenlandse luchtvaart 10.08 kton voor België en 1.88 kton voor Vlaanderen (cijfers uit CRF 2006, de ingediende nationale emissie-inventaris bij UNFCCC in 2008). Dit geeft resp. 0.007 % van de totale Belgische BKG-uitstoot en 0.002% van de totale Vlaamse BKG-uitstoot. Deze cijfers zijn berekend op basis van de verkochte vliegtuigbrandstof in België.
Schriftelijke vraag van Vlaams volksvertegenwoordiger Bart Caron aan mevrouw Hilde Crevits, Vlaams minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur over de stand van zaken van de Leiewerken en Rivierherstel.
De groene Leievallei ligt me nauw aan het hart. Graag willen wij deze groene long in het Zuiden van West-Vlaanderen bewaren. Omdat we over dit dossier al een tijdje niks meer horen wil graag enkele vragen aan de minister stellen:
1. Hoe ziet de planning van de Leiewerken en het Rivierherstel eruit? Is hier een fasering voor? Zo ja, de welke?
2. Wanneer komen de Leiemeersen in Marke aan bod?
Antwoord:
1. Indien met de Leiewerken de huidige werken in de doortocht van de Leie in Kortrijk worden bedoeld, kan daarover worden meegedeeld dat verwacht wordt dat de vaarweg in eind 2010 uit oogpunt van de scheepvaart af zal zijn.
Het project Seine–Schelde omvat in Vlaanderen, voor wat het binnenvaartluik betreft, de verbetering van de bevaarbaarheid van de waterwegen tussen Gent en Wervik, meer bepaald via het Noordervak van de Ringvaart om Gent, het kanaal Gent–Brugge tussen de Ringvaart om Gent en Schipdonk, het Afleidingskanaal van de Leie tussen Schipdonk en Deinze en de Leie tussen Deinze en Wervik. Tussen Deinze en Wervik zullen dus ook “Leiewerken” worden uitgevoerd. Volgens de huidige planning zouden deze werken op de Leie worden uitgevoerd in de periode 2010-2016.
Wat het onderdeel rivierherstel Leie betreft, leggen de betrokken administraties (Agentschap Waterwegen en Zeekanaal NV, Agentschap voor Natuur en Bos en Vlaamse Landmaatschappij) een laatste hand aan een voorstel van beslissing van de Vlaamse regering. In de nota voor de Vlaamse regering is een fasering van de werken opgenomen. Ik verwacht het voorstel van beslissing in de loop van dit najaar.
Het luik rivierherstel Leie binnen het project Seine–Schelde wordt uitgevoerd in de periode 2008-2027, waarbij wordt gefocust op de mijlpalen uit de Europese Kaderrichtlijn Water. Dat betekent in de periode tot 2015 het bouwen van natuurvriendelijke oevers, vispassages en verbindingsconstructies met de oude meanders, in de daaropvolgende periode tot 2021 het baggeren van de oude meanders, en verspreid over de periode 2009 – 2027 het opengraven van opgevulde meanders en allerhande inrichtingsprojecten in de vallei.
2. De werken van rivierherstel ter hoogte van Marke zijn gepland in de periode 2015-2016. Een precieze timing van de werken is in voorbereiding en zal worden vertaald in een meerjarenprogramma. Duit uitvoering ervan is uiteraard afhankelijk van de budgettaire middelen die hiervoor dan ter beschikking zullen worden gesteld.
Schriftelijke vraag van Vlaams volksvertegenwoordiger Bart Caron aan mevrouw Kathleen Van Brempt, Vlaams minister van mobiliteit:
In sommige steden wordt De Lijn vaak nog stiefmoederlijk behandeld en wordt er weinig aandacht besteed aan het promoten van het openbaar vervoer. Terwijl andere steden volop de kaart van het openbaar vervoer getrokken hebben. De vraag rijst in welke mate dit op het terrein wordt vertaald.
1. Wat is het aantal reizigers per jaar in elke centrumstad?
2. Wat is hierin het aandeel reizigers met een abonnement?
3. In welke steden worden nachtbussen voorzien? En op welke manier wordt dit georganiseerd?
4. In welke mate wordt gebruik gemaakt van deze nachtbussen?
Antwoord:
1. De telling van reizigers bij De Lijn gebeurt op basis van de individuele lijnen. Per lijn worden statistieken bijgehouden, op basis van geregistreerde ontwaardingen. Door samenvoegingen van lijnen kunnen reizigersaantallen per entiteit, en voor de gehele VVM worden berekend.
Heel wat lijnen van de VVM lopen over meerdere gemeenten. Zo ook voor centrumsteden: een aantal lijnen zijn stadslijnen die enkel in de stad zelf lopen, echter heel wat lijnen zijn verbin-dingen tussen de stad en de omliggende gemeenten.
Het is momenteel niet mogelijk om automatische rapporteringen te genereren inzake reizigers-aantallen per zone of regio. Deze zijn nodig om correcte cijfers te kunnen weergeven per gemeente, zoals bvb. voor centrumsteden.
Indien voor bepaalde doeleinden, zoals het evalueren van het bestaande netwerk, cijfergegevens nodig zijn, worden deze gemeten via manuele tellingen op de voertuigen. Op basis van deze informatie kunnen dan conclusies worden getrokken.
Momenteel is het dan ook niet mogelijk om een actueel beeld van reizigersaantallen voor de verschillende centrumsteden te communiceren.
Daarnaast is het zo dat De Lijn de verplaatsingen met abonnementen niet eenduidig aan een gemeente of stad kunnen worden toegewezen. De Lijn reikt immers enkel netabonnementen uit en geen abonnementen voor een specifiek traject of stad. Gevolg is dat de verplaatsingen van deze reizigers niet eenduidig kunnen worden toegewezen aan een gemeente of stad.
2. Om dezelfde redenen als bij vraag 1 is het niet mogelijk om per centrumstad een accuraat antwoord te geven.
Voor Vlaanderen bedraagt het aandeel van ritten gemaakt met een abonnement 77,5%.
3. Nachtbussen (of extra avondlijnen) worden aangeboden in volgende centrumsteden:
o Antwerpen
o Gent
o Brugge
o Oostende
o Roeselare
o Leuven
Antwerpen
Het gaat hier om een netwerk dat alleen tijdens weekendnachten wordt geëxploiteerd. Voor elke lijn worden 2 ritten per nacht voorzien:
N2 Hoboken - Wilrijk
N14 Mortsel - Boechout
N24 Wommelgem - Wijnegem
N29 Hemiksem - Boom - Aartselaar
N32 Edegem - Hove – Lint
N62 Deurne - Schoten
N65 Kapellen – Putte
N77 Stabroek - Zandvliet
N86 Linkeroever – Zwijndrecht
Gent
De zes gratis nachtbussen rijden in het weekend (vrijdag- en zaterdagnacht) op trajecten van bestaande buslijnen en stoppen aan dezelfde halten als overdag. Het centrale opstappunt is de halte Gent Korenmarkt. Voor elke nachtbuslijn worden 5 ritten per nacht voorzien. De eerste rit vertrekt om 1.45 uur, de laatste om 4.45 uur.
NB1 Mariakerke
NB2 Gentbrugge
NB3 Wondelgem
NB4 Zwijnaarde
NB5 Oostakker
NB6 Sint-Denijs-Westrem
Brugge
Lijnen:
5100 Avondlijn Brugge Centrum
5090 Avondlijn Brugge West
5091 Avondlijn Brugge Noord
5092 Avondlijn Brugge Oost
5093 Avondlijn Brugge Zuid
5094 Avondlijn Oostkamp
5095 Avondlijn Dudzele-Lissewege
5096 Avondlijn Jabbeke
5097 Avondlijn Beernem
5098 Avondlijn Damme
5099 Avondlijn Zedelgem
Frequentie en amplitude:
Lijnnr Maandag tot donderdag + zondag Vrijdag + zaterdag
Frequentie Amplitude Frequentie Amplitude
5100 8 ritten H + T 21:27 – 0:40 11 ritten H + T 21:27 – 2:10
5090 3 ritten VAV 21:03 – 23:10 8 ritten VAV 21:03 – 2:10
5091 3 ritten VAV 21:10 – 23 15 8 ritten VAV 21 10 – 2:15
5092 3 ritten VAV 21:10 – 23 15 8 ritten VAV 21 10 – 2:15
5093 3 ritten VAV 21:10 – 23 15 8 ritten VAV 21 10 – 2:15
5094 3 ritten VAV 21:08 – 23:10 6 ritten VAV 21:08 – 2:10
5095 3 ritten VAV 21:08 – 23:10 6 ritten VAV 21:08 – 2:10
5096 3 ritten VAV 21:08 – 23:10 6 ritten VAV 21:08 – 2:10
5097 3 ritten VAV 21:08 – 23:10 6 ritten VAV 21:08 – 2:10
5098 3 ritten VAV 21:08 – 23:10 6 ritten VAV 21:08 – 2:10
5099 3 ritten VAV 21:08 – 23:10 6 ritten VAV 21:08 – 2:10
VAV is vraagafhankelijk – geen terugrit mogelijk
Oostende
In het project ‘Avondlijnen Oostende’ zitten 2 concepten vervat. De stadslijnen die in lus rijden en de streeklijnen met een vraagafhankelijk systeem. Voorzien wordt dat alle lijnen op elkaar aansluiten. Hiervoor is Oostende Marie-Joséplein als knooppunt geselecteerd. De gegarandeerde en efficiënte aansluitingen bevorderen de bereikbaarheid richting staduitwaarts.
Lijnen:
81 Avondlijn Centrum – Conterdam
85 Avondlijn Stene
86 Avondlijn Raversijde
87 Avondlijn Steense Dijk
89 Avondlijn Bredene
82 Avondlijn voorstad Oudenburg
83 Avondlijn voorstad Gistel
84 Avondlijn voorstad Middelkerke
Roeselare
Er zijn in Roeselare 2 avondlijnen: 5712 Avondlijn Noord en 5756 Avondlijn Zuid.
Frequentie en amplitude:
Lijnnr op vrijdag, zaterdag, zondag en feestdagen
Frequentie Amplitude
5712 60’-frequentie
3 ritten 21:06 – 23:17
5756 60’-frequentie
3 ritten 21:12 – 23:23
Leuven
In Leuven bestaat het aanbod bestaat uit 12 lijnen die de reisweg van de reguliere lijnen volgen en die beperkt zijn tot een straal van ca. 10 km rondom Leuven.
De nachtlijnen vertrekken op vrijdag en zaterdag om 23u00, 00u00, 01u00 en 02u00 vanuit het centrum van Leuven naar de omliggende gemeenten. Elke rit vanuit Leuven heeft ook een terugrit vanuit de omliggende gemeenten naar Leuven.
Huidig aanbod nachtvervoer:
• Lijn 2 Leuven – Kortijk-Dutsel
• Lijn 3 Leuven – Lubbeek
• Lijn 4 Leuven – Herent
• Lijn 5 Leuven – Vaalbeek
• Lijn 5 Leuven – Wijgmaal
• Lijn 8 Leuven – Bertem
• Lijn 8 Leuven – Bierbeek
• Lijn 316 Leuven – Leefdaal
• Lijn 335 Leuven – Wezemaal
• Lijn 337 Leuven – Sint-Joris-Weert
• Lijn 358 Leuven – Kortenberg
• Lijn 370 Leuven – Linden – Lubbeek
Door het succes van het huidig nachtvervoer en de sterke vraag naar uitbreiding, zal De Lijn Vlaams-Brabant begin 2009 het nachtelijk aanbod uitbreiden met enerzijds bijkomende lijnen en anderzijds een uitbreiding van het traject van een aantal bestaande nachtlijnen.
4. Antwerpen
In 2007 werden 26.424 reizigers vervoerd via het nachtnet.
Gent
Lijn Totaal aantal reizigers
NB1 9.416
NB2 5.970
NB3 5.618
NB4 6.786
NB5 5.208
NB6 9.586
Totaal 2007 42.584
Brugge
Beschikbare resultaten:
5094 Oostkamp aantal reizigers: 9.316
5095 Dudzele aantal reizigers: 4.322
5096 Jabbeke aantal reizigers: 6.684
5097 Beernem aantal reizigers: 6.948
5098 Damme aantal reizigers: 2.604
5099 Zedelgem aantal reizigers: 9.014
Oostende
Voor dit project zijn nog geen resultaten beschikbaar
Roeselare
5712 aantal reizigers: 697
5756 aantal reizigers: 787
Leuven
Onderstaande tabel geeft een overzicht van het aantal reizigers op jaarbasis opgedeeld per lijn van en naar Leuven. Daarnaast wordt het aantal reizigers per weekend weergeven.
Nachtlijnen Aantal reizigers
(juni 2006-mei 2007) Aantal reizigers per weekend (juni 2006-mei 2007)
2 Leuven - Kortrijk-Dutsel 8.631 166
3 Leuven - Lubbeek 8.850 170
4 Leuven - Herent 4.790 92
5 Leuven - Vaalbeek 4.795 92
5 Leuven - Wijgmaal 7.540 145
8 Leuven - Bertem 7.262 140
8 Leuven - Bierbeek 9.259 178
316 Leuven - Leefdaal 6.089 117
335 Leuven - Wezemaal 8.090 156
337 Leuven - Sint-Joris-Weert 9.817 189
370 Leuven - Linden - Lubbeek 5.780 111
358 Leuven - Kortenberg 10.588 204
Totaal 91.491 1.760
Schriftelijke vraag van Vlaams volksvertegenwoordiger Bart Caron aan mevrouw Kathleen Van Brempt, Vlaams minister van mobiliteit:
Momenteel is er een wirwar aan verkeersborden in Kortrijk. Op deze manier is het niet altijd mogelijk te weten wat de maximale snelheid is. Op de meeste gewestwegen mag men 70km per uur rijden, ter-wijl op de stadswegen de snelheid beperkt is tot 50km per uur. Dit leidt tot gevaarlijke en onduidelijke situaties.
1. Zijn er plannen voor de invoering van een snelheidsbeperking van 50km per uur op alle gewest-wegen binnen de ring rond Kortrijk (R8)?
2. Wordt er gedacht aan een algemene regeling voor alle wegen, zowel de gewestwegen als de stadswegen, binnen de ring rond Kortrijk (R8)?
3. Waarom worden er bij de uitritten op de R8 die stadsinwaarts gaan en op de invalswegen naar de stad niet systematisch opvallende markeringsborden geplaatst, zoals bijvoorbeeld aan de grens-overgangen, waarop duidelijk staat dat binnen deze zone maximum 50km per uur gereden mag worden?
Antwoord:
Voor alle wegen binnen de ring (R8) te Kortrijk een snelheidsbeperking van 50 km/u invoeren en aangepaste markeringsborden bij de overgang voorzien, zou inderdaad de eenduidigheid en leesbaarheid kunnen ten goede komen. Maar een snelheidsregime moet ook aan andere elementen getoetst worden zoals ondermeer de omgeving, het wegbeeld, het ruimtelijk kader, de afdwingbaarheid, …
Daarbij, zoals terecht door U gesteld wordt, is er in Vlaanderen reeds een wirwar aan verkeers-borden. Er dient dan ook omzichtig omgesprongen te worden met het bijplaatsen ervan.
Bij een eerste nazicht, tot op een plaatselijke 300 meter aan de overgang na, is binnen de R8 reeds voor alle gewestwegen een snelheidsregime van 50 km/u van toepassing. Echter de R8 is niet overal een harde grens tussen woonzone en open zone. Zowel stadin-, als staduitwaarts komen in sommige gevallen woonlinten voor, waardoor een snelheidsregime van 50 km/u aan beide zijden aangewezen is.
2. Het mobiliteitsplan van de stad Kortrijk ten slotte bevat spijtig genoeg momenteel geen snelheidsplan waarin de gewenste snelheden vertaald zijn. Ook bij de evaluatie van het mobili-teitsplan is dit niet als actie opgenomen.
Wij zullen echter uw voorstel indachtig zijn bij de verdere projectrealisaties en dit tevens overmaken aan het stadsbestuur.
Vraag om uitleg van Vlaams volksvertegenwoordiger Bart Caron aan de heer Steven Vanackere, Vlaams minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin over de ongelijkheid binnen de pleegzorg.
Je kan ruwweg 3 vormen van pleegzorg onderscheiden: pleegzorg voor personen met een handicap, pleegzorg in het kader van de Bijzondere Jeugdbijstand en gezinsondersteunende pleegzorg.
Bij pleegzorg worden minderjarigen of volwassenen die, omwille van de opvoedingssituatie thuis of omwille van een handicap tijdelijk of blijven niet voor zichzelf kunnen zorgen, in een ander gezin opgenomen en begeleid. Het gezin dat hen opvangt, het pleeggezin, krijgt administratieve en psycho-pedagogische ondersteuning van een Dienst voor Pleegzorg. De overheid biedt dit gezin een onkostenvergoeding voor de kosten die zij maken voor hun pleegkind of pleeggast.
Voor de pleegkinderen wordt een spaarpotje gevormd zolang het kind in het pleeggezin blijft, dat gelijk is aan één derde van de maandelijkse kinderbijslag.
Echter dit wordt op een andere manier berekend bij kinderen in het kader van de Bijzondere Jeugdbijstand als bij pleegzorg voor personen met een handicap.
In het eerste geval brengt de Vlaamse Regering de kinderbijslag in mindering van de onkostenvergoeding. Van die kinderbijslag wordt door de Vlaamse Regering een derde gespaard voor het pleegkind.
In het tweede geval behouden de ouders de kinderbijslag bovenop de onkostenvergoeding. Hier zijn het de pleegouders die het spaarpotje maken. Doorgaans wordt ook hier één derde van de kinderbijslag gespaard. De pleegzorgdienst legt die opdracht (meestal) contractueel vast want er is géén wettelijke verplichting.
Bovendien is dit niet het enige verschil. Het spaarbedrag per maand verschilt nogal voor pleegkinderen al naargelang de grootte van het kinderaantal in het gezin.
Momenteel is het zo dat het spaargeld van het pleegkind als volgt wordt berekend: de som van de kinderbijslagen van alle kinderen die in het pleeggezin verblijven (ook eigen kinderen die nog recht hebben op kinderbijslag) gedeeld door het aantal kinderen in het pleeggezin (ook eigen kinderen) plus de leeftijdsbijslag voor het betrokken kind.
Zou het niet eenvoudiger zijn om per kind een (te indexeren) basisbedrag per maand te sparen?
In dit kader heb ik toch enkele vragen aan de minister:
1. Waarom zijn er verschillen binnen de pleegzorg tussen de pleegzorg voor kinderen met een handicap en pleegzorg in het kader van Bijzondere Jeugdzorg?
2. Waarom wordt het kindergeld van kinderen in pleegzorg in het kader van Bijzonder Jeugdzorg in mindering gebracht van de onkostenvergoeding? Kan dit niet bovenop de onkostenvergoeding komen?
3. Kan er een vast bedrag per kind gespaard worden in plaats van de ingewikkelde berekening zoals die nu gebeurd?
antwoord pleegzorg Vanackere:
onkostenvergoeding wordt 50 euro per kind per maand verhoogd.
Verschillend berekend naargelang de sector van waaruit de kinderen geplaatst zijn.
En bovendien ook een verschil naargelang de gezinssamenstelling.
Dillen sluit zich aan: kinderbijslag maar dit is in andere gewone gezinnen ook zo. Kinderbijslagen mag je niet koppelen aan de problematiek, maar binnen de pleegzorg moeten de kinderen allemaal op dezelfde manier behandeld worden.
Vast bedrag voorzien per kind.
In de toekomst van gedachten wisselen van de manier waarop het geld wordt vrijgegeven aan de kinderen.
Pleegzorg voor personen met een handicap ? aanleggen van een spaarpotje.
Pleegouders moeten zelf instaan voor het aanleggen van het spaarpotje, gebeurd hier controle op, want dit kan toch tot misbruik leiden.
Vanackere:
Technische vraag, dus een relatief technische
Waarom is dit verschil:
Historisch gevolg van een verschillende benadering van de verschillende sectoren.
BJ doelgroep minderjarigen in POS of MOF: onkostenvergoeding: bonus voor hun vrijwillige inzet
Handicap: regels in functie van de beperkingen en dus ook hoe deze beperkingen financieel moeten gecompenseerd worden.
Verschillen zijn dus niet langer verdedigbaar.
Vlaams Pleegouder vereniging ook naar voren geschoven
Sectorale subsidieregeling zou moeten opnieuw bekeken worden.
Tot nu toe nog geen
Wetenschappelijk onderzoek juridische
Experiment Limburgs pleegzorgpunt
Verruiming personeelskader voor de diensten pleegzorg
Herziening van de berekeningswijze voor het opzij zetten van een spaarpotje.
Dit moet deel uitmaken van een brede analyse van de wijze waarop de pleeggezinnen worden betoelaagd.
Formule van het spaarpotje: op 18 jaar is niet iedereen op dezelfde manier matuur genoeg om met dit geld om te gaan. Ook dan komen vaak ouders opnieuw in het plaatje. De stap van geleidelijkheid
Jonge mensen krijgen een kans om een start te maken in het leven, maar er moet wel nagedacht worden op welke manier dit geld ter beschikking moet gesteld te worden.
Budgettaire injectie met als doel om het pleegouderschap aantrekkelijker te maken in Vlaanderen. Vlaanderen heeft een relatief weinig ontwikkelde pleegzorgsector. Een promotiecampagne staat in de steigers om er wat meer reclame te maken. 2.150.000 euro zal de promotiecampagne geloofwaardiger maken.
Inspanningen die gebeuren: ok
Er moet onderstreept worden dat pleegzorg een goede manier is om kinderen op te vangen, beter dan eender welke residentiële opvang.
De extra opslag zal niet als het belangrijkste worden beschouwd, maar wel de waardering die hier uit schijnt.
| maart 2010 | ||||||
|---|---|---|---|---|---|---|
| Z | M | D | W | D | V | Z |
| 1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | |
| 7 | 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 |
| 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19 | 20 |
| 21 | 22 | 23 | 24 | 25 | 26 | 27 |
| 28 | 29 | 30 | 31 | |||

foto Viviane Decock
© 2009 - Bart Caron