vrijdag 10 februari 2012,

Bart Caron

image

Wachtlijsten bezoekruimten

ingediend door Bart Caron op 09/06/2005 om 00u00

Met redenen omklede motie van de dames Trees Merckx-Van Goey, Michèle Hostekint en Helga Stevens, de heer Bart Caron, mevrouw Vera Van der Borght en de heer Tom Dehaene – tot besluit van de op 7 juni 2005 door de dames Trees Merckx-Van Goey en Marijke Dillen in commissie gehouden interpellaties tot mevrouw Inge Vervotte, Vlaams minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, respectievelijk over de lange wachtlijsten voor de neutrale bezoekruimte en over de wachtlijsten bij de bezoekruimten voor gescheiden ouders en kinderen

Het Vlaams Parlement,

– gehoord de interpellaties van de dames Trees Merckx-Van Goey en Marijke Dillen;

– gehoord het antwoord van minister Inge Vervotte;

– gelet op:
1° artikel 9.3 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK), dat bepaalt dat “de Staten die partij zijn, [...] het recht van het kind [moeten eerbiedigen] dat van een ouder of beide ouders is gescheiden [om] op regelmatige basis persoonlijke betrekkingen en rechtstreeks contact met beide ouders te onderhouden, tenzij dit in strijd is met het belang van het kind”, op grond waarvan het de taak van de overheid is om de mogelijkheid tot persoonlijke contacten van het kind met zijn ouder(s) te garanderen;

2° artikel 18.1, eerste zin, IVRK, dat bepaalt dat “de Staten die partij zijn, alles [moeten] doen wat in hun vermogen ligt om de erkenning te verzekeren van het beginsel dat beide ouders de gezamenlijke verantwoordelijkheid dragen voor de opvoeding en de ontwikkeling van het kind”, en artikel 18.2 IVRK, dat bepaalt dat “de Staten die partij zijn [hiertoe] passende bijstand aan ouders en wettige voogden bij de uitoefening van hun verantwoordelijkheden [moeten verlenen] die de opvoeding van het kind betreffen, en [hiertoe] de ontwikkeling van instellingen, voorzieningen en diensten voor kinderzorg [moeten waarborgen]”;

– overwegende dat:
1° in Vlaanderen momenteel 14 neutrale bezoekruimtes actief zijn;
2° op jaarbasis 1.200 tot 1.500 kinderen in de bezoekruimtes hun recht op contact kunnen uitoefenen;
3° het Kinderrechtencommissariaat in zijn recente advies (dossier “Kinderen en scheiding”) vraagt om meer werk te maken van conflictpreventie en -beheersing bij de scheiding van ouders, waarbij de neutrale bezoekruimte het ‘eindstation’ is in het traject;
4° de neutrale bezoekruimtes gemiddeld minder dan een dag per week open zijn, hoewel uitgebreidere openingsuren de wachttijden zouden kunnen doen verminderen;

– vraagt de Vlaamse Regering:
1° de organisatie van de neutrale bezoekruimtes in de Vlaamse Gemeenschap te evalueren;
2° op korte termijn, in overleg met de sector, te onderzoeken of een bijsturing van de werking de wachttijden kan oplossen, waarbij de volgende principes voorop moeten worden gesteld:

a) prioriteit verlenen aan de eigenlijke bezoekmomenten;
b) de tijdelijkheid beklemtonen van de tussenkomst van de neutrale bezoekruimtes (waarbij onderzocht moet worden of de bezoekruimtes de dossiers waarbij geen enkele hoop op een zelfstandige omgangsregeling bestaat, niet sneller moeten overmaken aan de reguliere hulpverlening);
c) zorgen voor uitgebreidere openingsuren;
3° mee borg te staan voor een betaalbaar en kwaliteitsvol aanbod van familiale bemiddeling in de Vlaamse Gemeenschap;
4° een samenwerkingsakkoord tussen Welzijn en Justitie na te streven aangaande de neutrale bezoekruimtes en daarover te rapporteren aan het Vlaams Parlement.

Trees Merckx-Van Goey, Michèle Hostekint, Helga Stevens, Bart Caron, Vera Van Der Borght, Tom Dehaene

ingediend onder in het halfrond • (0) ReactiesPermalink

Privaatrechtelijke culturele archiefwerking

ingediend door Bart Caron op 09/06/2005 om 00u00

Voorstel van decreet van de heren Bart Caron, Kris Van Dijck, Steven Vanackere, Dany Vandenbossche en Herman Schueremans houdende wijziging van het decreet van 19 juli 2002 houdende de privaatrechtelijke culturele archiefwerking

Toelichting

Dames en heren met onderhavig voorstel van decreet worden twee technische wijzigingen aangebracht aan het decreet van 19 juli 2002 houdende de privaatrechtelijke culturele archiefwerking, kortweg geciteerd als het ‘Archiefdecreet’.
Met een eerste, kleine wijziging wordt de definitie van het begrip “administratie” in artikel 2, 8°, van het decreet gelijkluidend gemaakt met de definitie van hetzelfde begrip in het Erfgoeddecreet (1) en het decreet op de Volkscultuur (2).
Ook de tweede wijziging heeft tot doel de drie voormelde decreten beter op mekaar af te stemmen. De huidige regeling in het Archiefdecreet inzake de uitbetaling van structurele (is gelijk aan meerjarige) subsidies en inzake de mogelijkheid om reserves op te bouwen bij de structureel gesubsidieerde archief- en documentatiecentra (artikel 19), wordt vervangen door een regeling die analoog is met de regeling voorzien in het Erfgoeddecreet (artikel 50) en in het decreet op de Volkscultuur (artikel 8, zoals gewijzigd). Deze regeling wordt ook van toepassing verklaard op het steunpunt voor de archiefwerking. Hierdoor wordt een leemte in de huidige regelgeving weggewerkt.


Artikelsgewijze toelichting

Artikel 1: Dit artikel behoeft geen toelichting.

Artikel 2: Het is logisch dat de terminologie van het Erfgoeddecreet, het Archiefdecreet en het decreet op de Volkscultuur op mekaar wordt afgestemd. Daarom wordt in de drie regelgevingen dezelfde definitie van het begrip “administratie” ingevoerd. Hierbij worden de huidige definities in het Archiefdecreet (artikel 2, 8°) en het decreet op de Volkscultuur (artikel 2, 7°) vervangen door de meest recente definitie, bepaald in de uitvoeringsbesluiten van het Erfgoeddecreet (artikel 1, 4°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 25 juni 2004 ‘ter uitvoering van het decreet van 7 mei 2004 houdende de organisatie en subsidiëring van een cultureel-erfgoedbeleid, voor wat betreft de erfgoedconvenants en de advisering’ en artikel 1, 4°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 januari 2005 ‘ter uitvoering van het Erfgoeddecreet van 7 mei 2004, voor wat betreft de musea, de cultureel-erfgoedpublicaties en de projecten cultureel erfgoed’).

Artikel 3:
Dit artikel vervangt de huidige tekst van artikel 19 volledig.Paragraaf 1 bepaalt een aantal algemene subsidievoorwaarden (met betrekking tot de rechtspersoonlijkheid, de boekhouding, het toezicht en de verzekering van de bestuurders). Paragraaf 2 regelt de wijze waarop de jaarlijkse werkingssubsidie wordt uitbetaald, evenals de wijze waarop die subsidie verantwoord moet worden. Paragraaf 3 regelt de mogelijkheid om een reserve op te bouwen tijdens de lopende beleidsperiode. Dit kan onbeperkt met eigen inkomsten en subsidies.

Deze regeling wijkt af van de regeling voorzien in het decreet van 7 mei 2004 houdende regeling van de begrotingen, de boekhouding, de controle inzake subsidies en de controle door het Rekenhof.
Dit wordt echter niet als dusdanig vermeld. Het is ook niet strikt noodzakelijk omdat onderhavig voorstel chronologisch toch na het decreet van 7 mei 2004 komt en het een impliciete, maar duidelijke specifieke afwijking vormt van een algemeen geformuleerde regel.
Het begrip ‘reserve’ wordt bepaald aan de hand van de geldende boekhoudkundige regels. Meer specifiek wordt verwezen naar de inhoud van de rekeningen 13 (bestemde fondsen) en 14 (overgedragen resultaat), vermeld in het algemeen rekeningenstelsel, gevoegd als bijlage bij het koninklijk besluit van 19 december 2003 betreffende de boekhoudkundige verplichtingen en de openbaarmaking van de jaarrekening van bepaalde verenigingen zonder winstoogmerk, internationale verenigingen zonder winstoogmerk en stichtingen.

Tenslotte wordt bepaald waarvoor de opgebouwde reserve tijdens de lopende beleidsperiode aangewend mag worden. Paragraaf 4 regelt wat er gebeurt als de reserve die tijdens de beleidsperiode werd opgebouwd, niet (volledig) werd besteed tijdens de beleidsperiode zelf. Het deel dat overblijft kan onder bepaalde voorwaarden overgedragen worden naar een volgende beleidsperiode.
Die voorwaarden zijn:
(1) de meerjarige subsidiering vanwege de Vlaamse overheid wordt verder gezet en
(2) de resterende reserve mag een bepaald bedrag niet overschrijden. Hoeveel mag maximaal overgedragen worden? Het maximaal overdraagbaar bedrag is gelijk aan de som van de bestaande reserve bij het begin van de voorbije beleidsperiode plus maximaal twintig percent van de gemiddelde jaarlijkse personeelsen werkingskosten berekend over de voorbije beleidsperiode. Er wordt tenslotte bepaald hoe dit maximaal overdraagbaar bedrag berekend moet worden.

Verder kan aan de Vlaamse Regering een afwijking van de maximumgrens van twintig percent gevraagd worden en wordt bepaald onder welke voorwaarden dit kan (een gemotiveerd bestedingsplan is vereist).
Tenslotte wordt ook hier omschreven waarvoor de overgedragen reserve tijdens de nieuwe beleidsperiode aangewend mag worden. Paragraaf 5 regelt eerst wat er gebeurt als er meer reserve werd opgebouwd dan volgens §4 naar een volgende beleidsperiode overgedragen mag worden. Na compensatie met het nog uit te keren saldo van de werkingssubsidie toegekend voor het laatste jaar van de voorbije beleidsperiode, wordt (tot een bepaald maximum) het (eventuele) resterende ‘overschot’ in mindering gebracht op de voorschotten toegekend voor het eerste werkingsjaar van de nieuwe beleidsperiode. Dit heeft als voordeel dat het bedrag dat hierdoor niet uitgekeerd moet worden (onder de vorm van voorschotten), behouden blijft binnen het cultuurbudget en binnen dat budget geheroriënteerd kan worden.

Verder bepaalt §5 wat er met de opgebouwde reserve moet gebeuren als de meerjarige subsidiering van het archief- en documentatiecentrum door de Vlaamse overheid wordt stopgezet op het einde van de beleidsperiode. De reserve mag dan onder bepaalde voorwaarden (een gemotiveerd bestedingsplan is vereist) gebruikt worden om de gevolgen van die stopzetting (reorganisatie, nieuwe beleidsrichting, afbouw van werking, vereffening enzovoort) mee te financieren. Prioritair moet de reserve gebruikt worden om de arbeidsrechtelijke verplichtingen ten aanzien van het personeel (dit kunnen bestaande of nieuwe verplichtingen zijn, bijvoorbeeld opzeggingsvergoedingen) te voldoen.
In afwijking van §3, regelt §6 de mogelijkheid tot het opbouwen van een reserve als de structurele subsidie juridisch toegekend wordt aan een gemeente, een provincie of de Vlaamse Gemeenschapscommissie. Immers, de archief- en documentatiecentra  die in dat geval eigenlijk structureel gesubsidieerd worden (bijvoorbeeld een stedelijk archief- en documentatiecentrum als het Archief en Museum voor het Vlaamse Cultuurleven – AMVC te Antwerpen), vormen slechts een onderdeel van het geheel van activiteiten van de gemeente, de provincie of de Vlaamse Gemeenschapscommissie.

De reserveregeling, voorzien in paragraaf 3, is dan praktisch onwerkbaar. Als men – zoals §3, tweede lid, stelt – de reserve als een onderdeel van het eigen vermogen moet opnemen in de balans van het werkelijk structureel gesubsidieerde archief- en documentatiecentrum (dat dan een initiatief is van de gemeente, de provincie of de Vlaamse Gemeenschapscommissie), dan veronderstelt dit dat men boekhoudkundig erin slaagt om binnen de geconsolideerde rekeningen van de betrokken gemeente, provincie of van de Vlaamse Gemeenschapscommissie alle inkomsten en uitgaven met betrekking tot het centrum in kwestie nauwkeurig te identificeren en er ook een initiatiefspecifieke resultatenrekening en balans voor op te maken. Echter, de geldende regels inzake de comptabiliteit van de betrokken besturen maken dit in praktijk niet evident. Het is verder duidelijk dat de geconsolideerde rekeningen van de betrokken besturen, die de resultaten en financiële stand van zaken van al hun activiteiten verenigingen (bijvoorbeeld de globale balans van de stad Antwerpen), helemaal niet gebruikt kunnen worden om de gestelde reservenormen te toetsen, want amper relevant. Het voorstel van decreet kiest daarom voor een vrij simpele en praktisch haalbare oplossing die de werklast beperkt zonder de reservenormering te stringent te maken. Namelijk: geen rekening houden met de eigen inkomsten van het structureel gesubsidieerde archief- en documentatiecentrum en dus voor de afrekening en verantwoording van de eraan toegekende subsidie enkel rekening houden met alle met betrekking tot dit centrum gemaakte (personeels- en werkings-)kosten. Met andere woorden, het volstaat dat de toegekende subsidie verantwoord wordt door middel van alle gemaakte kosten. Er kan in dat geval dus enkel en alleen maar een ‘reserve’ opgebouwd worden als er, na aanrekening van alle aan het initiatief verbonden kosten, nog een niet besteed gedeelte van de subsidie overblijft. Dat ‘overschot’ vormt dan de reserve. Volgens de boekhoudkundige normen is dat echter geen ‘reserve’. Daarom wordt in de tekst van het artikel gesproken over ‘overgedragen werkingssubsidies’.

Verder blijven de principes van de reservenormering dezelfde:
– de mogelijkheid om binnen dezelfde beleidsperiode het ‘overschot’ van de werkingssubsidie als ‘reserve’ onbeperkt over te dragen naar een volgend werkingsjaar;
– de mogelijkheid om de reserve die op het einde van een beleidsperiode nog aanwezig is, over te dragen naar de volgende beleidsperiode op voorwaarde dat de aangroei van die reserve gedurende de voorbije beleidsperiode niet meer bedraagt dan twintig percent van de gemiddelde jaarlijkse werkingssubsidie berekend over de voorbije beleidsperiode;
– de mogelijkheid om, onder bepaalde voorwaarden (vereiste van een gemotiveerd bestedingsplan), aan de Vlaamse Regering een afwijking te vragen van die twintig percent;
– en tenslotte de bepaling van de doeleinden waarvoor de overgedragen ‘reserve’ aangewend mag worden.

Paragraaf 7 bepaalt aanvullend wat er gebeurt als:
– de reserve die op het einde van een beleidsperiode nog aanwezig is, meer bedraagt dan het overdraagbare maximum: eerst compensatie met het nog uit te keren saldo van de werkingssubsidie toegekend voor het laatste jaar van de voorbije beleidsperiode; vervolgens wordt het nog resterende bedrag in mindering gebracht op de voorschotten toegekend voor het eerste werkingsjaar van de nieuwe beleidsperiode (tot een bepaald maximum);
– de structurele subsidiëring vanwege de Vlaamse overheid stopgezet wordt: de nog aanwezige reserve mag onder bepaalde voorwaarden (vereiste van een gemotiveerd bestedingsplan) aangewend worden om de gevolgen van die stopzetting financieel op te vangen, met prioriteit voor het voldoen van alle arbeidsrechtelijke verplichtingen.

Paragraaf 8 tenslotte, stelt dat de regeling inzake de uitbetaling van de jaarlijkse werkingssubsidie en de regeling inzake de reservevorming op identieke wijze gelden voor het steunpunt voor archiefwerking, vermeld in artikel 16 van het Archiefdecreet.

Artikel 4:
Dit artikel regelt de inwerkingtreding van dit voorstel van decreet. Het is aangewezen dat de nieuwe reserveregeling onmiddellijk kan gelden voor het lopende werkingsjaar. Daarom wordt met terugwerkende kracht voorgesteld.

Bart Caron, Kris Van Dijck, Steven Vanackere, Dany Vandenbossche, Herman Schueremans



Voorstel van decreet

Artikel 1:
Dit decreet regelt een gemeenschapsaangelegenheid.

Artikel 2:
In artikel 2, 8°, worden de woorden “het culturele erfgoed” vervangen door de woorden “het roerend en immaterieel cultureel erfgoed”.

Artikel 3:
Artikel 19 van het Archiefdecreet van 19 juli 2002 wordt vervangen door wat volgt: “Artikel 19 §1. Om in aanmerking te komen voor een werkingssubsidie moeten de archief- en documentatiecentra:
1° beschikken over rechtspersoonlijkheid met nietcommercieel karakter;
2° een boekhouding voeren volgens het genormaliseerde boekhoudkundige stelsel en die boekhouding zo organiseren dat de financiële controle op het gebruik van de werkingssubsidie mogelijk is. De Vlaamse Regering kan een specifiek boekhoudkundig plan en bijzondere regels betreffende de boekhouding opleggen;
3° aanvaarden dat de administratie de werking en de boekhouding, eventueel ter plaatse, onderzoekt;
4° hun bestuurders en hun medewerkers verzekeren tegen de burgerlijke aansprakelijkheid van de organisatie.

§2. De jaarlijkse werkingssubsidie, bepaald binnen de perken van de beschikbare begrotingskredieten, wordt als volgt beschikbaar gesteld:
1° vier voorschotten van telkens 22,5 percent van het subsidiebedrag dat voor dat werkingsjaar is toegekend, worden op zijn vroegst uitbetaald op respectievelijk 1 januari, 1 april, 1 juli en 1 oktober van het werkingsjaar;
2° het saldo van 10 percent van het subsidiebedrag dat voor dat werkingsjaar is toegekend, wordt uitbetaald na controle op de naleving van de subsidievoorwaarden en na aanvaarding van de bewijsstukken door de administratie. De verantwoording van de jaarlijkse subsidie gebeurt op basis van het werkingsverslag, het financiële verslag, het jaarplan en de begroting.
Hiertoe legt het archief- en documentatiecentrum jaarlijks de jaarrekening van het vorige jaar met de nodige bewijsstukken voor, evenals een door de algemene vergadering goedgekeurde begroting.

§3. Behalve wanneer de werkingssubsidie, bedoeld in artikelen 6 of 10, toegekend wordt aan een gemeente, een provincie of de Vlaamse Gemeenschapscommissie, kan een archief- en documentatiecentrum gedurende de beleidsperiode onbeperkt een reserve aanleggen met eigen inkomsten en subsidies.
Een reserve wordt in de balans van het archief- en documentatiecentrum opgenomen als een onderdeel van het eigen vermogen en bestaat uit de volgende rekeningen, vermeld in de minimumindeling van het algemeen rekeningenstelsel, als bijlage gevoegd bij het koninklijk besluit van 19 december 2003 betreffende de boekhoudkundige verplichtingen en de openbaarmaking van de jaarrekening van bepaalde verenigingen zonder winstoogmerk, internationale verenigingen zonder winstoogmerk en stichtingen:
1° rekening 13: bestemde fondsen;
2° rekening 14: overgedragen resultaat. De aangelegde reserve wordt aangewend voor de realisatie van het beleidsplan, bedoeld in artikel 6, 4° of in artikel 10, §2, 7°.

§4. Als het archief- en documentatiecentrum op het einde van de beleidsperiode nog beschikt over een reserve, aangelegd overeenkomstig §3, kan die reserve overgedragen worden naar een volgende beleidsperiode op voorwaarde dat, ten opzichte van de bestaande reserve in het begin van de subsidieperiode, de aangroei niet meer bedraagt dan twintig percent van de gemiddelde jaarlijkse  personeels- en werkingskosten berekend over de beleidsperiode.
De personeels- en werkingskosten omvatten alle kosten die betrekking hebben op de uitvoering en de realisatie van het beleidsplan, bedoeld in artikel 6, 4°, of in artikel 10, §2, 7°, en die in de voorbije beleidsperiode tot stand zijn gekomen. De personeels- en werkingskosten zijn de som van alle kosten, met uitzondering van de afschrijvingen op kapitaalsubsidies.

De Vlaamse Regering kan, na advies van de Inspectie van Financiën, een afwijking toestaan van het in het eerste lid bepaalde percentage op voorwaarde dat de publiekrechtelijke of privaatrechtelijke rechtspersoon daartoe een gemotiveerd bestedingsplan voorlegt voor het teveel aan opgebouwde reserve of voor de gehele reserve, in te dienen bij de dienst, aangewezen door de Vlaamse Regering.
De overgedragen reserve, bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt aangewend voor de realisatie van het beleidsplan, bedoeld in artikel 6, 4°, of in artikel 10, §2, 7°.

§5. Als bij de afrekening van het laatste werkingsjaar van de beleidsperiode de aangroei van de reserve meer bedraagt dan hetgeen bepaald werd in §4, dan wordt het teveel ingehouden op het nog uit te keren saldo van de werkingssubsidie, toegekend aan het archief- en documentatiecentrum en wordt het eventueel daarna nog resterende bedrag in mindering gebracht op de voorschotten toegekend voor het eerste werkingsjaar van de nieuwe beleidsperiode tot een maximum van de werkingssubsidie toegekend voor het laatste jaar van de beleidsperiode.
Als aan het archief- en documentatiecentrum na afloop van de beleidsperiode waarop het beleidsplan, bedoeld in artikel 6, 4°, of in artikel 10, §2, 7°, betrekking heeft, geen werkingssubsidie meer wordt verleend, dan is het verplicht een gemotiveerd bestedingsplan voor de reserve, aangelegd overeenkomstig §3, in te dienen bij de dienst, aangewezen door de Vlaamse Regering. De reserve wordt in voorkomend geval prioritair aangewend voor het voldoen van de arbeidsrechtelijke verplichtingen.

§6. Een werkingssubsidie als bedoeld in artikelen 6 en 10, die toegekend wordt aan een gemeente, een provincie of de Vlaamse Gemeenschapscommissie, wordt verantwoord op basis van de personeels- en werkingskosten. Binnen de beleidsperiode waarop het beleidsplan, bedoeld in artikel 6, 4°, of in artikel 10, §2, 7°, betrekking heeft, kan de werkingssubsidie onbeperkt overgedragen worden naar het volgende werkingsjaar.
Als de gemeente, de provincie of de Vlaamse Gemeenschapscommissie op het einde van de beleidsperiode nog beschikt over een, overeenkomstig het tweede lid overgedragen werkingssubsidie, kan die overgedragen werkingssubsidie overgedragen worden naar een volgende beleidsperiode op voorwaarde dat, ten opzichte van de overgedragen werkingssubsidie in het begin van de beleidsperiode, de aangroei niet meer bedraagt dan twintig percent van de gemiddelde jaarlijkse werkingssubsidie berekend over de beleidsperiode.

De Vlaamse Regering kan, na advies van de Inspectie van Financiën, een afwijking toestaan van het in het derde lid bepaalde percentage op voorwaarde dat de gemeente, de provincie of de Vlaamse Gemeenschapcommissie daartoe een gemotiveerd bestedingsplan voorlegt voor de te veel overgedragen werkingssubsidie, in te dienen bij de dienst, aangewezen door de Vlaamse Regering.
De overgedragen werkingssubsidie, bedoeld in het tweede lid en derde lid, wordt aangewend voor de realisatie van het beleidsplan, bedoeld in artikel 6, 4°, of in artikel 10, §2, 7°.

§7. Als bij de afrekening van het laatste werkingsjaar van de beleidsperiode de aangroei van de overgedragen werkingssubsidie meer bedraagt dan hetgeen bepaald werd in §6, derde lid en vierde lid, dan wordt het teveel ingehouden op het nog uit te keren saldo van de werkingssubsidie, toegekend aan de gemeente, de provincie en de Vlaamse Gemeenschapscommissie en wordt het eventueel daarna nog resterende bedrag in mindering gebracht op de voorschotten toegekend voor het eerste werkingsjaar van de nieuwe beleidsperiode tot een maximum van de werkingssubsidie toegekend voor het laatste jaar van de vorige beleidsperiode.
Als aan een gemeente, een provincie en de Vlaamse Gemeenschapscommissie na afloop van de beleidsperiode waarop het beleidsplan, bedoeld in artikel 6, 4°, of in artikel 10, §2, 7°, betrekking heeft, geen werkingssubsidie meer wordt verleend, dan is de gemeente, de provincie en de Vlaamse Gemeenschapscommissie verplicht een bestedingsplan voor de overgedragen werkingssubsidie in te dienen bij de dienst, aangewezen door de Vlaamse Regering. De overgedragen werkingssubsidie wordt in voorkomend geval prioritair aangewend voor het voldoen van de arbeidsrechtelijke verplichtingen.

§8. Paragrafen 2, 3, 4 en 5 zijn van overeenkomstige toepassing op het steunpunt voor de archiefwerking, vermeld in artikel 16.”.


Artikel 4 Dit decreet heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2005.

Bart Caron, Kris Van Dijck, Steven Vanackere, Dany Vandenbossche, Herman Schueremans

ingediend onder in het halfrond • (0) ReactiesPermalink

Vermindering planlast en administratieve vereenvoudiging in de relatie Vlaamse Gemeenschap - lokale

ingediend door Bart Caron op 05/06/2005 om 20u50

Klik op  (discussiedocument) om het document te lezen.


ingediend onder Bart in Vlaams Parlement • (1) ReactiesPermalink

De toewijzing van het nieuwe voetbalcontract

ingediend door Bart Caron op 30/05/2005 om 00u00

Met reden omklede motie van de heren Carl Decaluwe en Kris Van Dijck, mevrouw Margriet Hermans en de heren Dany Vandenbossche en Bart Caron – tot besluit van de op 26 mei 2005 door de heren Carl Decaluwe en Kris Van Dijck in commissie gehouden interpellaties tot de heer Geert Bourgeois, Vlaams minister van Bestuurszaken, Buitenlands Beleid, Media en Toerisme, respectievelijk over de toewijzing van het nieuwe voetbalcontract, de samenwerking tussen Belgacom en de openbare omroep VRT en de bescherming van de vrije nieuwsgaring en over de uitzendrechten van het Belgisch voetbal

Het Vlaams Parlement,

– gehoord de interpellaties van de heren Kris Van Dijck en Carl Decaluwe over de uitzendrechten van het Belgische voetbal;

– gehoord het antwoord van minister Geert Bourgeois;

– gelet op het feit dat de openbare omroep een neutrale positie moet innemen tegenover de distributeurs die de transmissie van zijn programma’s verzorgen;

– gelet op het feit dat de wedstrijden van het tweedeklassevoetbal in het verleden vaak uitgezonden werden door de plaatselijke regionale televisie-omroepen;

– gelet op het feit dat het de eerste keer is dat de Belgische Voetbalbond de uitzendrechten voor het tweedeklassevoetbal verkoopt;

– gelet op het feit dat deze verkoop een risico inhoudt dat de regionale omroepen pas op dinsdag beelden kunnen uitzenden van wedstrijden uit het weekend;

– gelet op de moeilijkheden waarmee vele regionale omroepen nu reeds kampen;


– vraagt de Vlaamse Regering:

1° de samenwerking tussen Belgacom en de VRT voor te leggen aan de raad van bestuur van de VRT;

2° te bemiddelen tussen de regionale omroepen en de rechtenhouders van het tweedeklassevoetbal, opdat deze omroepen ook tijdens de volgende seizoenen nog beelden van de wedstrijden uit tweede klasse op zondag kunnen uitzenden;

3° de uitzending van sportprogramma’s onder een gezamenlijke merknaam van Belgacom en VRT niet toe te staan.


Carl Decaluwe, Kris Van Dijck, Margriet Hermans, Dany Vandenbossche, Bart Caron

ingediend onder in het halfrond • (0) ReactiesPermalink

Reality-tv

ingediend door Bart Caron op 26/05/2005 om 00u00

Vraag om uitleg van de heer Bart Caron tot de heer Geert Bourgeois, Vlaams minister van Bestuurszaken, Buitenlands Beleid, Media en Toerisme, tot de heer Bert Anciaux, Vlaams minister van Cultuur, Jeugd, Sport en Brussel, en tot mevrouw Inge Vervotte, Vlaams minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, over de realityshow ‘De supernanny’.

De heer Bart Caron: Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, ik stel deze vraag aan de minister van Media, maar ze is meer van toepassing op de minister van Welzijn. Sinds drie weken wordt door VTM het programma ‘De supernanny’ uitgezonden, realitytelevisie over gezinnen die een beroep doen op een gedragstherapeute. Het gaat daarbij om ouders met ernstige opvoedingsproblemen die de hulp inroepen van de therapeute Wendy. Ik las over het programma: ‘Wendy gaat zes keer als deskundige de uitdaging aan om oncontroleerbare kids terug handelbaar te maken, en dat in minder dan drie weken.’ Tussen haakjes, de uitzending van vorige zondag was qua toonzetting wel anders dan de eerste twee.
Het programma stilt blijkbaar een grote infohonger inzake opvoeding. De kijkcijfers zijn immers zeer hoog. Op 24 mei keken 862.000 kijkers naar het programma en haalde een marktaandeel van 37,1 percent. Het programma bekleedde daarmee de tweede plaats na ‘Hoezo’.

Onderzoek van het Kinderrechtencommissariaat toont aan dat er een behoefte is aan informatie over opvoeding. De helft van de ouders ervaren het ouderschap als moeilijker dan verwacht en bijna de helft van de ouders heeft het gevoel de opvoeding van hun kinderen niet goed in de hand te houden. Ze twijfelen er ook vaak aan of ze het wel aankunnen. Toch slagen de meeste ouders wel in hun zoektocht naar een bevredigende relatie met en opvoeding van de kinderen. Negen op de tien ouders verklaart te genieten van het ouder en opvoeder zijn, en heeft overwegend een goed gevoel over de relatie met hun kinderen. Ouders beschouwen zich niet als alwetende opvoeders en hebben onzekerheid, twijfels en gezonde angsten die moeten worden opgevangen en erkend.

De inzet van televisie en het verspreiden van informatie kan nuttig zijn. Veel geportretteerde situaties zijn voor vele ouders en kinderen herkenbaar, waardoor het hen kan helpen om stil te staan bij de eigen situatie en het eigen handelen. Het portretteren kan echter niet op om het even welke wijze. Verschillende jeugdpsychiaters en psychotherapeuten hebben de voorbije weken negatief gereageerd op het programma dat ze omschrijven als een ‘aanfluiting van de kinderrechten’. Ik verwijs in dit verband ook naar de nota van het Kinderrechtencommissariaat die we gisteren in onze mailbox hebben gekregen. Ik kom daar straks op terug omdat ze op een goede manier nuance en achtergrond aanbrengt bij deze discussie.

Het is niet alleen een aanfluiting van de kinderrechten. De vraag is of opvoedingsproblemen zomaar tentoongespreid mogen worden. Is er geen probleem met de geheimhouding van de hulpverlening? Hier wordt niet geacteerd. Echte mensen worden hier geëtaleerd. Reality tv is meer dan ooit succesvol. De chef van de productiemaatschappij Eyeworks, de heer Segers, werd vorige week aangesteld tot algemeen programmadirecteur van VTM. Eyeworks maakt ook Toast Cannibal, Allez allez Zimbabwe en De Nieuwe Mama.
In dit geval gaat het wel om kinderen. We kunnen ernstige vragen stellen bij het ethisch handelen van al degenen die hieraan meewerken. Ook de wijze waarop kinderen en hun ouders in al hun kwetsbaarheid worden tentoon gesteld, is volgens de psychotherapeuten ‘ongehoord’. Het gaat immers om jonge kinderen die voor de deelname aan het programma volledig afhankelijk zijn van volwassenen.

De Supernanny schotelt de kijkers een al te simplistisch beeld van wat hulpverlening eigenlijk omvat. Ik betreur dat ten zeerste. Het gaat om een persoon die werkt bij een door de Vlaamse Gemeenschap in het departement Welzijn gesubsidieerde opvoedingswinkel.
Er kan voor mij veel op tv. Als het over kinderen gaat, dan moeten we echter steeds rekening houden met die kwetsbaarheid. Kinderen die jonger zijn dan 12 jaar moeten worden beschermd omdat ze niet mondig en zelfstandig zijn. Dat staat ook in het Verdrag voor de Kinderrechten.

Mijnheer de minister, ik pleit er voor dat deze regering veel investeert in de opvoedingsondersteuning. Dat staat ook zo in het regeerakkoord en in de beleidsnota van minister Vervotte. Om de noden van ouders en kinderen in te vullen, moeten we investeren in informatiesessies en vormingsactiviteiten, in begeleiding in opvoedingswinkels, enzovoort. Kind en Gezin en het sociaal-cultureel werk kunnen daarin een heel grote rol spelen. De media moeten hun verantwoordelijkheid opnemen. Het Kinderrechtencommissariaat heeft gisteren in de adviesnota geschreven dat de media respectvol moet omgaan met deze problematiek. Het stelt dat de Vlaamse overheid een aantal normen en richtlijnen moet bepalen inzake het ethisch en professioneel handelen of werken met kinderen in de media en de manier waarop ze in de media worden voorgesteld.

Ik wil ook even verwijzen naar de recentste uitzending over de MUG-dienst. Een filmploeg die een MUG volgde, maakte opnames van iemand in een slaapkamer. Tijdens de opname kreeg de persoon een hartstilstand en overleed. De familie heeft aan de tv-makers gevraagd die traumatiserende ervaring niet op televisie te tonen. De zender heeft het verzoek gerespecteerd. Het Kinderrechtencommissariaat pleit er voor om samen met de commissies voor Media, Cultuur en Welzijn een aantal richtlijnen en een bijbehorende ethische code te ontwikkelen. De zenders zouden daarbij vrijwillig het engagement aangaan om die code te respecteren. VTM is een priv

ingediend onder in de commissies • (0) ReactiesPermalink

Radiospots op VRT

ingediend door Bart Caron op 26/05/2005 om 00u00

Vraag om uitleg van de heer Bart Caron tot de heer Geert Bourgeois, Vlaams minister van Bestuurszaken, Buitenlands Beleid, Media en Toerisme, over het al dan niet uitzenden door de VRT van radiospots waarin politici worden geïmiteerd.

De heer Bart Caron: Het satirisch maandblad Deng lanceerde begin mei een radiocampagne met stemmen die op die van kardinaal Danneels, sp.avoorzitter Stevaert, en Vlaams-Belangvoorman Dewinter lijken. De spots zouden op studio Brussel te horen zijn, maar dat was buiten de directie gerekend, want die besloot de laatste spot met de geïmiteerde stem van de heer Dewinter te weigeren. De woordvoerster van de VRT zegt dat de reclamespots die de VRT uitzendt, inhoudelijk in overeenstemming moeten zijn met de bepalingen van het mediadecreet. De gewraakte spot bevat volgens de VRT een politieke boodschap, wat in strijd is met het decreet.
Zo werd beslist de spot te weigeren, die werd ingesproken door een stemmenimitator. De boodschap waarschuwt voor het nieuwe nummer van Deng, dat wordt geleverd met een gratis-CD. Ik citeer: ‘Ik wil de 1 miljoen mensen die op ons hebben gestemd, waarschuwen. De gratis CD met zogenaamd Vlaamse muziek als Soulwax, Daan, Arsenal en Millionaire, die bij het extreemlinkse blad Deng zit, bevat alleen maar subversief lawaai en elementen van vreemde origine die in plaats van op een gratis CD, beter op een C130 naar het land van herkomst worden gezet. Beste vrienden, laat u niet vangen.’ Daarop weerklinkt de slogan: ‘Deng – ultralink maandblad.’

Volgens de hoofdredacteur van Deng, de heer Ilegems, weet de VRT lachen met de heren Danneels en Stevaert wel te relativeren, maar op Dewinter wordt overdreven krampachtig gereageerd met een verbod. Terwijl het voor iedereen duidelijk zou moeten zijn dat Deng geen maandblad is dat het Vlaams Belang promoot. Het is niet de eerste keer dat er tussen Deng en de heer Mary een twist oplaait. Eind april was dat ook al zo, toen Deng, weliswaar niet altijd met evenveel eerbied, de positie van de heer Mary als een wankelende stoel beschouwde.

Mijnheer de minister, ik weet dat de VRT een autonoom bedrijf is en zijn beslissingen zelfstandig neemt, maar moet die beslissing niet gerijmd zijn? Mijn vraag gaat over reclamespots die worden aangeleverd en waarbij een klant tijd koopt bij de VRT. Deze vraag gaat niet over inhoudelijke programma's van de VRT.

- Wie heeft de beslissing genomen om die spot niet uit te zenden?
- Wie is bevoegd, de VAR of de VRT?
- Met welke bepalingen van de regelgeving of de beheersovereenkomst is de gewraakte Dengspot strijdig?
- Waarop heeft de VRT zich gebaseerd en met welke argumenten?
- Waarom hebben de verantwoordelijken een verschillende houding aangenomen tegenover de verschillende imitaties in de verschillende spots?

Minister Geert Bourgeois: Mijnheer de voorzitter, dames en heren, de VRT is de eindverantwoordelijke voor al zijn uitzendingen, met inbegrip van de reclamespots op de radio. De VAR is de mediaregie die het reclameaanbod op VRT verkoopt aan klanten. In principe beslist de algemeen directeur Radio over het al dan niet uitzenden van spots. Gezien de grote hoeveelheid aan spots worden ze vooraf gecheckt door de VAR en dit met name op hun conformiteit met de wetgeving, onder andere de reclamecode en de mediadecreten. Alleen in twijfelgevallen vraagt de VAR het advies van de algemeen directeur Radio. Gelet op de gevoeligheden die er zijn tussen de VRT en het Vlaams Belang heeft de VAR die ene spot voorgelegd aan de algemeen directeur Radio met de vraag of de spot mocht worden uitgezonden.

Zoals bepaald door de mediadecreten beslist de VRT autonoom wat uitgezonden wordt via de netten. Als verantwoordelijke voor zijn zendtijd kan de VRT vrij beslissen om spots al dan niet uit te zenden, bijvoorbeeld wanneer hij oordeelt dat de belangen van de omroep zouden kunnen worden geschaad of dat de spot in strijd zou zijn met wettelijke bepalingen. De algemeen directeur Radio heeft, in overleg met de gedelegeerd bestuurder VRT, geoordeeld dat het uitzenden van de spot in de gegeven omstandigheden niet gepast was. De verschillende houding bij de beoordeling van de spots is te verklaren doordat men vond dat de reclamespot met de imitatie van Steve Stevaert milder van toon en niet zo scherp was. De VRT vreesde in een conflict te komen als de spot ‘Dewinter’ zou worden uitgezonden. Ik neem er akte van dat het Vlaams Belang graag had gehad dat dat toch was gebeurd en dat die gevoeligheid niet bestaat.

De heer Bart Caron: Mijnheer de minister, ik dank  u voor uw antwoord. Het gaat om satire waarbij we de grenzen tussen fictie en werkelijkheid moeten verzinnen. Ik blijf het spijtig vinden dat er een onderscheid is gemaakt tussen de spots. 

__________________________________________

ingediend onder in de commissies • (0) ReactiesPermalink

De thuishelpers als psychiater

ingediend door Bart Caron op 24/05/2005 om 00u00

Vraag om uitleg van de heer Bart Caron tot mevrouw Inge Vervotte, Vlaams minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, over de toename van patiënten met psychische problemen die een beroep doen op thuishelpers.

De heer Bart Caron: Mijnheer de voorzitter, mevrouw de minister, collega’s, de thuiszorgdiensten in West-Vlaanderen helpen in 1 jaar tijd meer dan 2.000 mensen. 20 percent van het cliënteel van de thuiszorgdiensten kampt met psychische problemen, terwijl dat 3 jaar geleden nog maar 15 percent was. Twee derden van die personen heeft nooit contact gehad met een psychiater, een psycholoog of een Centrum voor Geestelijke Gezondheidszorg. Voor de mensen van de thuiszorg is het een heel belastende opdracht omdat ze met vragen en problemen te maken krijgen die ze niet adequaat kunnen beantwoorden. De cijfers komen van de vier thuiszorgdiensten van West-Vlaanderen. Die situatie kunnen we doortrekken naar heel Vlaanderen. Enkele jaren geleden werd een actieplan opgesteld voor cliënten met psychische problemen. 
Als oorzaak voor de problemen wordt aangehaald dat de ziekenhuizen propvol zitten, waardoor patiënten sneller in de thuiszorg hulp zoeken. Bovendien zouden in de samenleving steeds meer mensen met psychische problemen kampen. Die problemen worden ook steeds zichtbaarder en herkenbaarder. De thuiszorgdiensten vinden zelf dat ze voldoende capabel zijn om die mensen te helpen. Ze zijn ook laagdrempelig omdat ze bij de mensen thuis komen.

Mevrouw de minister, eind december 2004 hebt u een afvaardiging van die diensten ontvangen op uw kabinet. Ze vragen om mensen aan te trekken met psychologische expertise en kennis zodat ze een adequaat antwoord kunnen formuleren op de problemen. Ik vraag me af of dat de meest adequate oplossing is. Naast het aanstellen van psychologen in de thuiszorgdiensten is een intense samenwerking met de CGG’s misschien meer aangewezen. Vandaag zien we nogal wat nieuwe ontwikkelingen in de geestelijke gezondheidszorg. In de outreachprojecten voor kinderen wordt ook de psychiatrische thuiszorg langzaam ontwikkeld. Zijn we met die nieuwe ontwikkelingen wel goed bezig, omdat we zo tal van nieuwe structuren naast elkaar ontwikkelen? 
De nood in de samenleving neemt toe. De problemen nemen ook toe.

Daarom mevrouw de minister had ik u volgende vragen willen stellen:
- Bent u van plan om in te gaan op de vragen van de thuiszorgdiensten om subsidies te geven en psychologen aan te stellen in hun diensten, zodat de hulpverleners met hun vragen bij hen terecht kunnen?
- Zo ja, wanneer doet u dat, op basis van welke criteria en op welke schaal?
- Is er een budget voor? Zo niet, wat is daarvoor de reden?
- Kiest u veeleer voor de aanpak van samenwerking met de CGG’s of andere organisaties?

Minister Inge Vervotte: Mijnheer de voorzitter, dames en heren, we moeten voorzichtig omspringen met cijfers. Mijnheer Caron, u had het over 15 en 20 percent. Bij een werkelijke psychiatrische diagnose gaat het over 9 en 11 percent. Er is een discrepantie tussen een impliciete diagnose op basis van observaties van een aantal medewerkers, en de echte psychiatrische diagnose. Daarmee wil ik de problemen niet minimaliseren. Afhankelijk van de beroepscategorie kan de beoordeler een andere diagnose stellen. We moeten daar dus voorzichtig mee zijn. 
Op 10 december is er inderdaad een bespreking geweest op mijn kabinet. Achteraf zijn we ingegaan op de uitnodiging van 29 april 2005 om deel te nemen aan het symposium. Het is dus niet zo dat we nadien niets meer van ons hebben laten horen. Mijn raadgever in verband met geestelijke gezondheidszorg heeft actief aan de symposiumdebatten deelgenomen. Hij heeft dus kunnen luisteren naar wat daar is gezegd, maar hij heeft ook onze visie kunnen vertolken. 

Op dit ogenblik wordt een groot deel van vormingsmiddelen die de thuiszorgdiensten ter beschikking hebben, gebruikt voor bijvoorbeeld vorming in verband met het omgaan met psychosociale problemen in de zorgverlening. De diensten wensen veeleer over te schakelen op referentiepersonen die ze kunnen vrijstellen, maar die zich ook volledig toeleggen op het coachen van de thuisverzorgers. 
Tijdens het symposium is gebleken dat het niet zo duidelijk is wat die coaching moet inhouden. We hebben trouwens niet voorzien in budgetten om speciaal voor die coaching mensen aan te trekken. We zijn er immers niet van overtuigd dat er geen betere ondersteuningsmogelijkheden zijn. 
In het regeerakkoord staat dat het gaat over tweedelijnsvoorzieningen. Dat soort voorzieningen hebben de opdracht om de eerstelijnsvoorzieningen te ondersteunen. Dat gebeurt vandaag al. 

Ik wil nog een ander element in dit debat brengen, namelijk de pilootprojecten voor psychiatrische thuiszorg die door de federale overheid worden gefinancierd. Voor die projecten is er een samenwerkingsakkoord met de samenwerkingsinitiatieven thuiszorg. Eigenlijk willen we veeleer dergelijke zaken bewerkstelligen dan nog eens aparte structuren te financieren. We wensen ook een en ander in te passen in de globale context waaraan we werken met minister Demotte. Het uiteindelijke doel is het realiseren van zorgcircuits en -netwerken voor mensen met ernstige en langdurige psychiatrische problemen. Op de interministeriële conferentie zal dit zeker aan bod komen. 
In verband met dementie lukt het om met zeer weinig middelen via een netwerk een zeer breed veld te bereiken en veel ondersteuning, expertise en knowhow te bieden. We willen in de context van de problematiek die nu aan de orde is, iets gelijkaardigs doen. We willen expertisenetwerken uitbouwen die passen in het geheel. We willen komen tot een coherent beleid waarin ook de pilootprojecten en die expertisenetwerken een plaats krijgen. 
Ik ben op de hoogte van het advies van de Vlaamse Gezondheidsraad waarin wordt gesproken over een gedeeld engagement. Ik onderschrijf dat, maar ik erken evenzeer de noodzaak aan een complementaire samenwerking tussen de eerste en de tweede lijn. Dat vat onze visie samen. Het is de taak van de tweede lijn om de eerste te ondersteunen, liefst via netwerkvorming.

De heer Bart Caron: Mevrouw de minister, ik dank u voor het antwoord.

 


ingediend onder in de commissies • (0) ReactiesPermalink

Akkoord in de witte sector

ingediend door Bart Caron op 24/05/2005 om 00u00

Interpellatie van de heer Bart Caron tot mevrouw Inge Vervotte, Vlaams minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, over het akkoord van de Vlaamse Regering met de vakbonden en werkgeversorganisaties in de witte sector

De heer Bart Caron: Mijnheer de voorzitter, mevrouw de minister, collega’s, het is jammer dat we over een bevriend minister in de regering moeten beschikken om aan de tekst van het akkoord met de vakbonden en werkgeversorganisaties te geraken. Ik betreur dat we de eerste informatie over zo’n belangrijk akkoord in de kranten moeten lezen en via een omweg aan de tekst moeten geraken. Het zou fijn zijn als we via de commissievoorzitter of -secretaris een kopij van die tekst kunnen bekomen. 
De regularisatie van de DAC’ers was een belangrijk onderdeel van het vorige akkoord. Het voldoet inderdaad aan een maatschappelijke nood van mensen in tijdelijke statuten. Ik denk dat er de komende jaren ook nog een en ander moet gebeuren voor de gesubsidieerde contractuelen. Hun nepstatuut, dat sociaalrechtelijk wel beter is dan het statuut van de DAC’ers was, moet op middellange termijn worden aangepast, al staat dat niet in het regeerakkoord.

Ik sluit mij ook aan bij wat is gezegd over de gebruikers. Ik lees drie regeltjes voor van Guy Tegenbosch uit de De Standaard van 10 mei: ‘Het is hoe dan ook merkwaardig dat de toekomst van de witte sector wordt bepaald in onderhandelingen met werkgevers en vakbonden, die in beginsel vooral gaan over lonen en arbeidsvoorwaarden. Het lot van de gebruikers en van degenen die er recht op hebben gebruikers te zijn van deze diensten, maar er wegens een gebrek aan plaatsen niet in geraken, ligt in de handen van vakbonden en werkgeversorganisaties.’ Daarna komt er een stukje waarin hij de organisaties toch lof toezwaait omdat ze daarmee hebben rekening hebben gehouden. Hij sluit af met te stellen dat de gebruikers zelf hun belangen moeten kunnen verdedigen. 
Dat is een belangrijke bekommernis. Wij moeten de gebruikers een duidelijke en gestructureerde rol in het overleg geven. Ik heb wat vragen die verduidelijking moeten brengen over het akkoord. Het akkoord voorziet in jobcreatie. Hoe verhoudt zich de aangekondigde jobcreatie tot de diverse deelsectoren en de optie in het regeerakkoord? Hoe worden de nieuwe jobs verdeeld over de deelsectoren en welke beleidsdoelstellingen worden daarmee gerealiseerd? Het gaat over het parallellisme tussen beide documenten. Hoe wordt het totale budget verdeeld over de drie deelsectoren die onder uw bevoegdheid vallen?

Uit de perscommunicatie viel niet af te leiden hoe het akkoord zou bijdragen tot het verminderen van de wachtlijsten. Mijn voorgangers hebben daar ook al op gewezen. Klopt deze informatie? Kunt u daar verdere toelichting bij geven?

Minister Inge Vervotte: Mijnheer de voorzitter, collega’s, alles moet enigszins tot ware proporties worden teruggebracht. Het gaat hier over een sociaal akkoord dat tussen werknemers en werkgevers wordt afgesloten. Ik ben zeer dankbaar dat alle partijen hierin een bredere verantwoordelijkheid hebben opgenomen dan wat gebruikelijk is bij eender welk ander sociaal akkoord tussen werkgevers en werknemers in andere sectoren. 
Het is in België en Vlaanderen immers de gewoonte interprofessionele akkoorden per sector af te sluiten. Onze sector heeft daar recht op. Het zou jammer zijn de ene tegen de andere op te zetten. Wij zijn erin geslaagd een akkoord te bereiken waarbij alle partners de handen in elkaar hebben geslagen, en we zijn tot een zeer evenwichtig akkoord gekomen tussen de belangen van de werkgevers, de werknemers en de gebruikers. De gebruikers worden hierin vertegenwoordigd door de overheid. Ik kom daar later nog op terug.
Het is een evenwichtig akkoord, maar ook een akkoord waar wij als politici nog veel van kunnen leren. Het is immers een zeer solidair akkoord geworden dat veel moed heeft gevergd van vakbondsmensen. De solidariteit is immers verschillend ingevuld in het Vlaamse en in het federale akkoord.

Wij hebben er bijvoorbeeld niet voor gekozen iedereen eenzelfde bedrag te geven, maar wel tot een harmonisering van de sector te komen. Dat betekent dat iedereen wel iets krijgt, maar dat wie vandaag minder heeft, in de toekomst meer krijgt. Het akkoord poneert niet alleen solidariteit tussen de werknemers onderling in de sector. Ik ben daar zeer blij om. Dat laat toe om in een verre toekomst meer mobiliteit te creëren binnen de verschillende sectoren. Een echt loopbaanbeleid veronderstelt ook eerst meer harmonisering en afstemming op het federaal beleid. Zo kan meer mobiliteit mogelijk worden gemaakt voor mensen die graag de zorg op zich nemen in verschillende sectoren en wordt meer flexibiliteit mogelijk. Het kan een antwoord bieden op de problemen rond stress en burn-out waarmee we in deze sector te maken krijgen. 
Er is gekozen voor het maatschappelijk belang. Ik ben tevreden over het akkoord en stel vast dat de vakbond die 84 percent van de mandaten in de sector bekleedt, het akkoord met 77 percent heeft goedgekeurd. 

Ik wil even op de cijfers inzake tewerkstelling ingaan. Er zijn verschillende cijfers gegeven omdat er verschillende vergelijkingen werden gemaakt. Van de bijkomende tewerkstelling die is gerealiseerd, gaat 75 percent naar de gebruikers. Bij benadering 60 percent van het akkoord gaat naar extra tewerkstelling. Van het volledige akkoord gaat 45 percent naar uitbreidingsbeleid. De verschillende percentages hebben dus te maken met het feit dat bepaalde cijfers moeten worden bekeken in het licht van het volledige akkoord of alleen maar in het licht van de tewerkstelling. 
Als Vlaanderen een akkoord sluit voor de social-profitsector, is er geen return. Elke cent die we aan zo’n akkoord besteden, wordt uitgegeven. Als de federale overheid daarentegen een akkoord sluit met de social-profitsector waarin het creëren van extra tewerkstelling een belangrijk onderdeel is, krijgt ze daarvan bijna de helft terug. Vlaanderen heeft dat voordeel niet en moet bovendien ook nog de federale overheid betalen, omdat die een return moet krijgen van de extra tewerkstelling die wij creëren. Dat was niet fijn om vast te stellen, zeker niet omdat de budgettaire middelen zeer krap zijn. De sociale Maribel is een poging om van de federale overheid geld te laten terugvloeien naar de Vlaamse Regering. Het is dus een soort pilootproject, en dat is dan ook de reden waarom het gaat over 2,2 miljoen euro. 

De sociale partners, die nog altijd de beheerders zijn van de Sociale Maribel, hebben zich geëngageerd om te zorgen voor een nieuwe input van die middelen en er uitbreidingsbeleid mee te realiseren binnen Vlaanderen. Ze zijn bovendien bereid om met de Vlaamse Regering te overleggen, zodat de uitbreiding kan worden gerealiseerd volgens de prioriteiten van het Vlaamse beleid.
Ik vind dit een zeer mooi precedent. We zullen dit nog verder uitwerken. Ik denk daarbij aan de tekst van de minister-president, waarin hij zegt dat we streven naar een wettelijk kader waarbinnen de sociale onderhandelingen moeten plaatsvinden, maar dat is een ander dossier.
De gebruikers waren niet rechtsreeks vertegenwoordigd, maar wel virtueel. Ik heb het ook altijd als mijn taak beschouwd om de belangen van de gebruikers te verdedigen. Daarom zit ik bijna wekelijks met hen rond de tafel om hun belangen te leren kennen. De overheid moet de belangen van de gebruikers niet alleen bewaken, maar ook verdedigen. Ik denk dat dat in het akkoord goed tot uiting is gekomen, want 45 percent van het akkoord gaat rechtsreeks naar de gebruikers. Het uitbreidingsbeleid zal concreet worden uitgewerkt in samenspraak met de gebruikers. De berekeningen die in het akkoord zijn opgenomen, zijn louter indicatief. 

Het akkoord is losgekoppeld van de meerjarenbegroting. Het is afgesloten voor het begin van de besprekingen over de meerjarenbegroting. In de tekst van het akkoord staat: ‘In het kader van de opstelling van de meerjarenbegroting en bij de opstelling van de jaarlijkse begroting zal de Vlaamse Regering beslissen welke supplementaire middelen beschikbaar zijn voor verder uitbreidingsbeleid.’
Het Vlaamse regeerakkoord blijft dus nog altijd het uitgangspunt, ook als het gaat over de bespreking van de meerjarenbegroting en de jaarlijkse begroting. Ik wil het regeerakkoord helemaal realiseren tegen het einde van deze legislatuur. Zo is het goed meegenomen dat er via dit akkoord een aantal extra plaatsen in de kinderopvang worden gerealiseerd, maar dat neemt niet weg dat we moeten blijven trachten 5.000 extra plaatsen te realiseren.
Het eerste deel van het akkoord gaat over het uitbreidingsbeleid. Daaraan zijn over de verschillende sectoren heen budgetten en dus ook extra tewerkstelling gekoppeld. Het gaat hier bovendien niet alleen over welzijn, maar ook over de sociale economie en het sociaal-cultureel werk.

We hebben gewerkt met zeer strikte tabellen over het aantal voltijdse equivalenten in de verschillende sectoren. Op basis daarvan hebben we voor een evenredige verdeling gezorgd. Wat de koopkracht betreft, geldt het solidariteitsprincipe. Er is voor geopteerd te harmoniseren op 75 percent. Voor sommige sectoren was het perfect mogelijk om een volledige eindejaarstoelage toe te kennen, maar de solidariteit binnen de sector heeft gespeeld waardoor de toelage in mindere mate – maar dan wel voor iedereen – is gestegen. Het was immers de bedoeling dat de koopkracht voor iedereen zou stijgen.
De opbouw van een tweede pensioenpijler kan uiteraard niet onmiddellijk gebeuren omdat het gaat om een kapitalisatiesysteem waarbij reserves worden opgebouwd. Dit systeem zal in de toekomst verder worden ontwikkeld. De verdere ontwikkeling en uitbouw van dit systeem zal de eerste eis zijn bij de volgende onderhandelingen met de social-profitsector. Deze tweede pensioenpijler is een belangrijke maatregel. Het zou immers niet rechtvaardig zijn dat mensen die zich heel hun leven hebben ingezet voor de zorg van anderen, slechts een heel klein pensioentje zouden krijgen of zelfs in de armoede zouden terechtkomen op het moment dat ze zelf hulpbehoevend worden. 

Er zijn ook een aantal categoriale looneisen ingevuld. Wat de kwaliteitsverbetering betreft, heb ik in dit parlement herhaaldelijk verklaard dat in eerste instantie de sociale partners moeten worden geresponsabiliseerd. De kennis en de kwaliteit zitten bij de sociale partners die dan ook hun verantwoordelijkheid terzake moeten nemen. Zij weten immers perfect in welke sectoren de werkdruk hoog is en waar welke maatregelen moeten worden getroffen als antwoord op bepaalde problemen. Dat is ook binnen dit onderdeel van het akkoord gebeurd. De overheid heeft een bedrag ter beschikking gesteld van ruim 16 miljoen euro. Het staat de sociale partners vrij om dit bedrag naar eer en geweten en volgens hun kennis van de sector in te vullen om op die manier voor hun werknemers de kwaliteit te verhogen en de werkdruk te verminderen. De protocols die werknemers en werkgevers intussen hebben afgesloten dienen in eerste instantie om de werkdrukverlaging die normaal in het vorige akkoord was afgesproken, uit te voeren. Dat is voor bepaalde sectoren niet gebeurd in het vorige akkoord. Het is evident dat dit moet gebeuren binnen de paritaire comités.
De werknemers, werkgevers en de overheid hebben zowel tijdens de voorbereidende gesprekken als bij het sluiten van het voorakkoord samen rond de tafel gezeten. Ik hoop dan ook dat daar de basis is gelegd voor even constructieve gesprekken binnen de paritaire comités. Vaak is dit een knelpunt binnen deze sector omdat de werkgevers alles blokkeren binnen de paritaire comités als ze niet bij de gesprekken worden betrokken. Nu waren zij wel betrokken bij die onderhandelingen en wisten zij precies wat er al dan niet op tafel lag.

De overheid moet de belangen van de gebruikers verdedigen en dat heeft hier geresulteerd in het akkoord. De concrete invulling van het uitbreidingsbeleid blijft een taak van de gebruikers. Nu moeten de gesprekken worden opgestart binnen de paritaire comités. Wat de rest van het uitbreidingsbeleid betreft, is en blijft het regeerakkoord het uitgangspunt. 
Wat de publieke sector betreft, hebben we net dezelfde redenering gehanteerd. Vanaf het begin hebben we rekening gehouden met hun financiële belangen. Heel strikte tabellen stipuleren per sector wie via de publieke sector wordt gesubsidieerd en wie via de privé-sector. In de publieke sector hebben we het aantal voltijdse equivalenten bekeken en de berekening van de budgetenveloppe daaraan gelijkgesteld. Er zal een budgetenveloppe met hetzelfde aantal voltijdse equivalenten als voor de privé-sector ter beschikking worden gesteld van het Comité C dat kan beslissen waar deze middelen worden ingezet. Door dit akkoord is de publieke sector dus niet verplicht om dezelfde maatregelen door te voeren als in de privé-sector.

De heer Bart Caron: Mevrouw de minister, u hebt tijdens de onderhandelingen de belangen van de gebruikers goed verdedigd. Dat is een verdienste, maar niet echt de rol van een minister van de Vlaamse Regering. De Vlaamse Regering vertegenwoordigt de bevolking, en niet de gebruikers. 
Ik heb geen pasklaar antwoord op de vraag hoe de belangen van de gebruikers beter aan bod kunnen komen. Als er wordt gedebatteerd, moet het gaan over de gebruikers van welzijn, maar ook van onderwijs en cultuur. Het moet gaan over alle sectoren waarvoor we doelstellingen hanteren die op mensen betrekking hebben. Voor dat soort sectoren moeten we zoeken naar instrumenten om onze democratie te versterken.
Dat laatste doet niets af aan de rol van de sociale partners in het overleg. In een samenleving waarin emancipatie en empowerment hoog in het vaandel staan, moeten we daarover durven nadenken. Die bedenking doet evenmin iets af aan de verdienste van het bereikte akkoord.


Oprichting van het Vlaams Centrum voor Volkscultuur

ingediend door Bart Caron op 18/05/2005 om 00u00

Voorstel van decreet van de heren Bart Caron, Kris Van Dijck en Steven Vanackere, mevrouw Gracienne Van Nieuwenborgh en de heer Herman Schueremans houdende wijziging van het decreet van 27 oktober 1998 houdende de erkenning en subsidiëring van de organisaties voor volkscultuur en de oprichting van het Vlaams Centrum voor Volkscultuur

Toelichting

Dames en heren met onderhavig voorstel van decreet worden twee technische wijzigingen aangebracht aan het decreet van 27 oktober 1998 houdende de erkenning en subsidiëring van de organisaties voor volkscultuur en de oprichting van het Vlaams Centrum voor Volkscultuur.
Met een eerste, kleine wijziging wordt de definitie van het begrip “administratie” in artikel 2, 7°, van het decreet gelijkluidend gemaakt met de definitie van hetzelfde begrip in het Erfgoeddecreet (1) en het Archiefdecreet (2).
Ook de tweede wijziging heeft tot doel de drie voormelde decreten beter op mekaar af te stemmen. Op dit ogenblik voorziet het decreet op de Volkscultuur zelf geen bepalingen met betrekking tot:
– de uitbetaling van de toegekende subsidies aan de erkende organisaties voor volkscultuur en aan het Vlaams Centrum voor Volkscultuur (het steunpunt);
– de wijze waarop die subsidies verantwoord moeten worden;
– de reservenormering voor erkende en meerjarig gesubsidieerde organisaties voor volkscultuur en idem dito voor het Vlaams Centrum voor Volkscultuur.

Dit moet desgevallend geregeld worden in de overeenkomsten die verplicht gesloten moeten worden tussen de Vlaamse overheid en alle erkende organisaties voor volkscultuur (zie artikel 8 van het decreet) en tussen de Vlaamse overheid en het Vlaams Centrum voor Volkscultuur (zie artikel 11 van het decreet). Omwille van de gelijke behandeling en de rechtszekerheid van alle begunstigden en in het kader van de onderlinge afstemming van de regelgeving met betrekking tot de erfgoedsector, is het aangewezen om ter zake algemeen geldende regels decretaal te bepalen.

Deze lacune wordt nu met de artikelen 3 (voor de erkende organisaties voor volkscultuur) en 4 (voor het Vlaams Centrum voor Volkscultuur) van dit voorstel van decreet opgevuld. En de regeling die ingevoerd wordt, is analoog met de regeling voorzien in het Erfgoeddecreet (artikel 50) en in het Archiefdecreet (artikel 19, zoals gewijzigd). De erkende organisaties voor volkscultuur en het Vlaams Centrum voor Volkscultuur moeten volgens het decreet op de Volkscultuur verenigingen zonder winstoogmerk zijn (zie artikel 5, §1, 3°, en artikel 10, §1, van het decreet). Daarom wordt er geen specifieke regeling voorzien met betrekking tot de reservevorming bij initiatieven vanwege publiekrechtelijke rechtspersonen en meer in het bijzonder initiatieven vanwege gemeenten, provincies of de Vlaamse Gemeenschapscommissie.


Artikelsgewijze toelichting

Artikel 1:
Dit artikel behoeft geen toelichting.

Artikel 2:
Het is logisch dat de terminologie van het Erfgoeddecreet (3), het Archiefdecreet (4) en het decreet op de Volkscultuur (5) op mekaar wordt afgestemd. Daarom wordt in de drie regelgevingen dezelfde definitie van het begrip “administratie” ingevoerd. Hierbij worden de huidige definities in het Archiefdecreet (artikel 2, 8°) en het decreet op de Volkscultuur (artikel 2, 7°) vervangen door de meest recente definitie, bepaald in de uitvoeringsbesluiten van het Erfgoeddecreet (artikel 1, 4°, van het besluit van de Vlaamse Regering van
1 Erfgoeddecreet: decreet van 7 mei 2004 houdende de organisatie en subsidiëring van een cultureel-erfgoedbeleid.
2 Archiefdecreet: decreet van 19 juli 2002 houdende de privaatrechtelijke culturele archiefwerking.
3 Erfgoeddecreet: decreet van 7 mei 2004 houdende de organisatie en subsidiëring van een cultureel-erfgoedbeleid.
4 Archiefdecreet: decreet van 19 juli 2002 houdende de privaatrechtelijke culturele archiefwerking.
5 Decreet op de Volkscultuur: decreet van 27 oktober 1998 houdende de erkenning en subsidiëring van organisaties voor volkscultuur en de oprichting van het Vlaams Centrum voor Volkscultuur van 25 juni 2004 ‘ter uitvoering van het decreet van 7 mei 2004 houdende de organisatie en subsidiëring van een cultureel-erfgoedbeleid, voor wat betreft de erfgoedconvenants en de advisering’ en artikel 1, 4°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 januari 2005 ‘ter uitvoering van het Erfgoeddecreet van 7 mei 2004, voor wat betreft de musea, de cultureel-erfgoedpublicaties en de projecten cultureel erfgoed’). Tegelijk wordt ook de verschuiving binnen de administratie opgenomen in het decreet op de Volkscultuur. Op 1 januari 2005 werd namelijk de bevoegdheid over de volkscultuur overgeheveld van volksontwikkeling naar cultureel erfgoed.

Artikel 3:
Dit artikel voegt aan artikel 8 van het decreet op de Volkscultuur vier nieuwe paragrafen toe (§4 tot en met §7). De nieuwe §4 regelt de wijze waarop de jaarlijkse werkingssubsidie, toegekend aan erkende organisaties voor volkscultuur, wordt uitbetaald. Tevens wordt bepaald hoe die werkingssubsidie verantwoord moet worden. Paragraaf 5 regelt de mogelijkheid om een reserve op te bouwen tijdens de lopende beleidsperiode. Dit kan onbeperkt met eigen inkomsten en subsidies. Deze regeling wijkt af van de regeling voorzien in het decreet van 7 mei 2004 houdende regeling van de begrotingen, de boekhouding, de controle inzake subsidies en de controle door het Rekenhof. Dit wordt echter niet als dusdanig vermeld. Het is ook niet strikt noodzakelijk omdat onderhavig voorstel chronologisch toch na het decreet van 7 mei 2004 komt en het een impliciete, maar duidelijke specifieke afwijking vormt van een algemeen geformuleerde regel.

Het begrip ‘reserve’ wordt bepaald aan de hand van de geldende boekhoudkundige regels. Meer specifiek wordt daarbij verwezen naar de inhoud van de rekeningen 13 (bestemde fondsen) en 14 (overgedragen resultaat), vermeld in het algemeen rekeningenstelsel, gevoegd als bijlage bij het koninklijk besluit van 19 december 2003 betreffende de boekhoudkundige verplichtingen en de openbaarmaking van de jaarrekening van bepaalde verenigingen zonder winstoogmerk, internationale verenigingen zonder winstoogmerk en stichtingen. Tenslotte wordt bepaald waarvoor de opgebouwde reserve tijdens de lopende beleidsperiode aangewend mag worden. Paragraaf 6 regelt wat er gebeurt als de reserve die tijdens de beleidsperiode werd opgebouwd, niet (volledig) werd besteed tijdens de beleidsperiode zelf. Het deel dat overblijft kan onder bepaalde voorwaarden overgedragen worden naar een volgende beleidsperiode.
Die voorwaarden zijn:
(1) de meerjarige subsidiering vanwege de Vlaamse overheid wordt verder gezet en
(2) de resterende reserve mag een bepaald bedrag niet overschrijden.

Hoeveel mag maximaal overgedragen worden? Het maximaal overdraagbaar bedrag is gelijk aan de som van de bestaande reserve bij het begin van de voorbije beleidsperiode plus maximaal twintig percent van de gemiddelde jaarlijkse personeels- en werkingskosten berekend over de voorbije beleidsperiode. Er wordt verder bepaald hoe dit maximaal overdraagbaar bedrag berekend moet worden.
Verder kan aan de Vlaamse Regering een afwijking van de maximumgrens van twintig percent gevraagd worden en wordt bepaald onder welke voorwaarden dit kan (een gemotiveerd bestedingsplan is vereist). Tenslotte wordt ook hier omschreven waarvoor de overgedragen reserve tijdens de nieuwe beleidsperiode aangewend mag worden. Paragraaf 7 regelt eerst wat er gebeurt als er meer reserve werd opgebouwd dan volgens §6 naar een volgende beleidsperiode overgedragen mag worden.
Na compensatie met het nog uit te keren saldo van de werkingssubsidie toegekend voor het laatste jaar van de voorbije beleidsperiode, wordt (tot een bepaald maximum) het (eventuele) resterende ‘overschot’ in mindering gebracht wordt op de voorschotten toegekend voor het eerste werkingsjaar van de nieuwe beleidsperiode. Dit heeft als voordeel dat het bedrag dat hierdoor niet uitgekeerd moet worden (onder de vorm van voorschotten), behouden blijft binnen het cultuurbudget en binnen dat budget geheroriënteerd kan worden.

Verder bepaalt §7 wat er met de opgebouwde reserve moet gebeuren als de meerjarige subsidiëring van de organisatie voor volkscultuur door de Vlaamse overheid wordt stopgezet op het einde van de beleidsperiode. De reserve mag dan onder bepaalde voorwaarden (een gemotiveerd bestedingsplan is vereist) gebruikt worden om de gevolgen van die stopzetting (reorganisatie, nieuwe beleidsrichting, afbouw van werking, vereffening enzovoort) mee te financieren. Prioritair moet de reserve gebruikt worden om de arbeidsrechtelijke verplichtingen ten aanzien van het personeel (dit kunnen bestaande of nieuwe verplichtingen zijn, bijvoorbeeld opzeggingsvergoedingen) te voldoen.

Artikel 4:
Dit artikel bepaalt:
(1) de wijze waarop de jaarlijkse werkingssubsidie, toegekend aan het Vlaams Centrum voor Volkscultuur (VCV – www.vcv.be), het steunpunt voor de sector, wordt uitbetaald;
(2) de wijze waarop de toekenning van die werkingssubsidie verantwoord moet worden en
(3) de reservenormering. De voorziene regeling is identiek aan de regeling die met artikel 3 van dit voorstel ingevoerd wordt voor alle erkende organisaties voor volkscultuur. Er kan dan ook daarnaar verwezen worden.

Er is wel

ingediend onder in het halfrond • (0) ReactiesPermalink

Decreet betreffende de radio-omroep en de televisie

ingediend door Bart Caron op 17/05/2005 om 00u00

Voorstel van decreet van de heren Kris Van Dijck, Carl Decaluwe, Dany Vandenbossche, mevrouw Margriet Hermans en de heer Bart Caron houdende wijziging van de decreten betreffende de radio-omroep en de televisie.

Toelichting

Dames en heren, het regelgevend kader voor de particuliere radio-omroepen in Vlaanderen is de voorbije jaren ingrijpend gewijzigd. Met de invoering van landelijke en regionale particuliere radio-omroepen werd het radiolandschap aanzienlijk verrijkt en meer gediversifieerd met behoud van bijna hetzelfde aantal lokale radio-omroepen als voorheen. Vandaag dringen de landelijke, regionale en lokale particuliere radio’s aan op een grotere soepelheid inzake wijzigingen van hun programmatie en van de samenwerkingsverbanden waarvan zij deel uitmaken. Zij stellen vast dat de openbare omroep onmiddellijk en zonder enige interventie van de  Vlaamse overheid kan inspelen op nieuwe tendensen in de markt en op de resultaten van luisteronderzoek.
De openbare radio kan zijn programmatie aanpassen, zijn formats wijzigen, en op die wijze steeds opnieuw gemakkelijker en effectiever de luisteraar bereiken en aanspreken. De particuliere radio’s achten een grotere vrijheid en soepelheid noodzakelijk om zelf vlotter te kunnen inspelen op de evoluties in de markt en in het luistergedrag. Met dit voorstel van decreet wordt het mogelijk om zonder administratieve procedures en goedkeuring en zonder daarvoor een goedkeuring te vragen, af te wijken van de oorspronkelijke programmering. Het voorstel van decreet vereenvoudigt niet alleen de procedure. Het sluit ook volledig aan bij de wens van de Vlaamse Regering om op organisatorisch vlak de particuliere radio’s op dezelfde wijze te behandelen als de openbare omroep.

Door de versterking van het Vlaamse radiolandschap en door het stijgend succes van de landelijke radio-omroepen komen de inkomsten van de andere particuliere radio-omroepen meer en meer onder druk, in die mate zelfs dat de leefbaarheid ervan in bepaalde gevallen bedreigd wordt. Aanhoudende storingen vanuit de Franse Gemeenschap en de daaruit voortvloeiende etherchaos hebben het luistercomfort en daarmee de reclameinkomsten voor de lokale radio-omroepen fors doen slinken. Bovendien heeft het succes van de landelijke particuliere radio-omroep adverteerders ertoe aangezet om bij voorkeur via dat medium reclame te voeren, ten nadele van de lokale radio. Ook om die reden lijkt een versoepeling van de procedure bij programmawijziging en bij wijziging van samenwerkingsverband wenselijk.

Tegenover de versoepeling van die wijzigingen en procedures staat evenwel dat het specifieke karakter van de particuliere omroepen extra wordt beklemtoond. Terwijl de decreetgever met het decreet van 7 november 1990 zeer strikte en concrete bepalingen had vastgelegd die het medium lokale radio weinig ruimte boden, heeft de decreetgever met zijn decreet van 25 oktober 2002 houdende wijziging van sommige bepalingen van de decreten betreffende de radio-omroep en de televisie, gecoordineerd op 25 januari 1995 (B.S., 14 december 2002), bewust aan de lokale radio-omroepen een grotere vrijheid voor de lokale invulling gegeven. Daar sommigen die vrijheid al te minimaal interpreteren, wil dit voorstel van decreet – zonder de radio-omroepen in een al te beklemmend keurslijf te dwingen – toch een aantal krijtlijnen aangeven die essentieel zijn en die elke radio gedurende de hele erkenningsperiode moet blijven naleven.

Commentaar bij de artikelen

Artikel 1:
Dit artikel behoeft geen commentaar.

Artikelen 2 en 3:
Deze wijzigingen geven uitvoering aan de terechte vraag van de particuliere radio-omroepen om op een meer soepele wijze de programmatie te kunnen aanpassen aan evoluties in het luistergedrag en aan de eigen veranderende inzichten in het programmabeleid. De wijzigingen komen eveneens tegemoet aan de door de Vlaamse Regering uitgedrukte wens om openbare en particuliere omroepen op gelijke wijze te behandelen.
De Vlaamse Regering moet zoals nu evenwel haar goedkeuring geven indien de wijzigingen betrekking hebben op de informatieve programma’s, de statuten of de aandeelhoudersstructuur. Bij de beoordeling daarvan houdt de Vlaamse Regering rekening met het instandhouden van het pluralisme in het radiolandschap.

Artikel 4:
In dit artikel wordt het regime van toepassing op samenwerkingsverbanden tussen lokale en/of regionale radio-omroepen verduidelijkt. Samenwerkingsverbanden tussen lokale radio-omroepen kunnen niet onbeperkt worden uitgebouwd. Uitgesloten moet worden dat via een samenwerkingsverband van lokale radio-omroepen de facto een landelijke radio-omroep wordt uitgebaat zonder naleving van de specifieke verplichtingen voor landelijke radio-omroepen. Om die reden wordt de omvang van het samenwerkingsverband beperkt tot een zestigtal lokale radio-omroepen. Met de wijziging in punt 2, eerste lid, wordt onderstreept dat de lokale radio-omroepen maximaal kunnen samenwerken met het oog op hun leefbaarheid. Daar staat wel tegenover dat dit de specifieke lokale opdracht niet in het gedrang mag brengen. Samenwerking tussen lokale en/of regionale radio-omroepen mag er geenszins toe leiden dat de eigenheid en de onafhankelijkheid van elke lokale radio verloren gaan. De diversiteit binnen het landschap van de lokale radio-omroepen moet gewaarborgd blijven. Ook de onafhankelijkheid van de berichtgeving dient te allen tijde gewaarborgd te blijven. Ondanks alle technische mogelijkheden kan zulke samenwerking slechts in overeenstemming met de letter en de geest van de gecoördineerde decreten plaatsvinden indien elke radio-omroep plaatselijk over eigen medewerkers beschikt.

Lokale radio-omroepen krijgen in punt 2, tweede lid, de vrijheid om tijdens de erkenningsperiode samenwerkingsverbanden te verlaten, in samenwerkingsverbanden te stappen, samenwerkingsverbanden te beëindigen of nieuwe samenwerkingsverbanden op te richten. Dat alles mits naleving van de specifieke verplichtingen inzake samenwerking, en mits strikte naleving van de andere bepalingen van titel III van de gecoördineerde decreten betreffende de radio-omroep en de televisie. Wijzigingen in het lidmaatschap van een samenwerkingsverband moeten per aangetekend schrijven worden gemeld aan het Vlaams Commissariaat voor de Media, zoals bepaald in artikel 50 van dit decreet. In dit verband kan worden opgemerkt dat voor elk van de lokale radio-omroepen die deel uitmaken van het samenwerkingsverband de verplichtingen inzake lokale programmering zoals vastgelegd in artikel 49 van dit decreet, onverkort blijven gelden.

Artikel 5:
In dit artikel wordt de eigenheid van het medium lokale radio opnieuw scherper gesteld. Lokale radio’s zullen voortaan soepeler kunnen afwijken van bepaalde elementen in hun erkenningsdossier, maar daar staat tegenover dat het verplichte aandeel lokale programmatie voor elke lokale radio decretaal bepaald wordt.
Onder “programma’s georganiseerd en gerealiseerd door de eigen lokale radio” kan onder meer worden verstaan: gepresenteerde programma’s, opgenomen in de eigen studio’s, reportages uit het verzorgingsgebied, gemaakt door eigen medewerkers, interviews met mensen uit het verzorgingsgebied enzovoort.

Artikel 6:
Om lokale radio’s de mogelijkheid te geven op een vlottere manier dan nu het geval is, in te spelen op de snel veranderende markt, wordt een beperkte versoepeling ingebouwd van de procedure voor erkende lokale radio’s om in de loop van de erkenningsperiode te kunnen afwijken van de gegevens vermeld in de oorspronkelijk ingediende offerte. Wijzigingen van de gegevens vermeld in de oorspronkelijk ingediende offerte waardoor wordt afgeweken van de algemene programmering, of waardoor wordt toegetreden tot, wordt overgestapt tussen of wordt uitgestapt uit een samenwerkingsverband met andere lokale radio-omroepen, kunnen worden doorgevoerd tien dagen na melding ervan aan het Commissariaat bij aangetekend schrijven. Dit alles in de veronderstelling dat alle relevante bepalingen van titel III van de gecoördineerde decreten, in het bijzonder inzake samenwerkingsverbanden en inzake de lokale programmering, worden nageleefd. Alleen wijzigingen die volledig overeenstemmen met de bepalingen van de gecoördineerde decreten, in het bijzonder met betrekking tot de lokale invulling, zijn mogelijk.

Artikel 7:
Dit artikel behoeft geen commentaar.

Kris Van Dijck, Carl Decaluwe, Dany Vandenbossche, Margriet Hermans, Bart Caron


Voorstel van decreet

Hoofdstuk I

Algemeen

Artikel 1:
Dit decreet regelt een gemeenschapsaangelegenheid.

Hoofdstuk II

De particuliere radio-omroepen

Artikel 2:
In artikel 42 van de decreten betreffende de radioomroep en de televisie, gecoördineerd op 4 maart 2005, wordt §2 vervangen door wat volgt: “§2. De landelijke radio-omroepen die, na het verkrijgen van de erkenning, wijzigingen willen aanbrengen in de gegevens, vermeld in de door hen ingediende offerte, waardoor wordt afgeweken van de basisvoorwaarden en van de aanvullende kwalificatiecriteria, bepaald in artikel 41, in het bijzonder wat de algemene programmering betreft, melden die wijzigingen bij aangetekend schrijven aan het Vlaams Commissariaat voor de Media.
Wijzigingen die betrekking hebben op de informatieve programma’s, op de statuten of op de aandeelhoudersstructuur, worden aan de Vlaamse Regering ter goedkeuring voorgelegd. Bij de beoordeling van die wijzigingen houdt de Vlaamse Regering inzonderheid rekening met het in stand houden van het pluralisme en van de diversiteit in het radiolandschap.”.

Artikel 3:
In artikel 46 van dezelfde decreten wordt §2 vervangen door wat volgt: “§2. De regionale radio-omroepen die, na het verkrijgen van de erkenning, wijzigingen willen aanbrengen in de gegevens vermeld in de door hen ingediende offerte, waardoor wordt afgeweken van de basisvoorwaarden en van de aanvullende kwalificatiecriteria, bepaald in artikel 45 in het bijzonder wat betreft de algemene programmering, melden die wijzigingen bij aangetekend schrijven aan het Vlaams Commissariaat voor de Media. Wijzigingen die betrekking hebben op de informatieve programma’s, op de statuten of op de aandeelhoudersstructuur, worden aan de Vlaamse Regering ter goedkeuring voorgelegd. Bij de beoordeling van die wijzigingen houdt de Vlaamse Regering inzonderheid rekening met het in stand houden van het pluralisme en van de diversiteit in het radiolandschap.”.

Artikel 4:
In artikel 48 van dezelfde decreten worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° aan het tweede lid wordt de volgende zin toegevoegd: “Samenwerking met andere lokale radioomroepen mag er niet toe leiden dat meer dan zestig lokale radio’s in

ingediend onder in het halfrond • (0) ReactiesPermalink

Integratiebevorderende initiatieven

ingediend door Bart Caron op 10/05/2005 om 00u00

Vraag om uitleg van de heer Bart Caron tot mevrouw Inge Vervotte, Vlaams minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, over integratiebevorderende initiatieven in verband met gezinsondersteuning

De heer Bart Caron: Mijnheer de voorzitter, mevrouw de minister, collega’s, ook ik begin mijn vraag met een ‘federale insteek’, hoezeer me dat ook spijt. Mevrouw Mandaila is als staatssecretaris bevoegd voor het gezin en voor personen met een handicap. De bevoegdheidsverdeling inzake welzijn, gezin en aanverwante dingen als interculturaliteit, opvoedingsondersteuning en dergelijke is in ons landje sterk verspreid.
Mevrouw Mandaila, in wier goede voornemens ik meen te mogen geloven, wil werken aan de problemen van gezinnen, die overigens niet klein zijn. Ze wil dat doen op basis van een evenwicht tussen enerzijds het wegwerken van ongelijkheden en anderzijds het ondersteunen van gezinnen in een heel kwetsbare positie. Het feit dat ik deze vraag stel, betekent niet dat ik van oordeel ben dat de federale overheid hier sturend mag optreden.
Een aantal bevoegdheden ligt echter nu eenmaal op het federale niveau, zodat we maar beter kunnen samenwerken dan elkaar tegen te werken. Persoonlijk heb ik de voorbije maanden vrij frequent contacten gehad met ouders van allochtone afkomst. Ik ben ervan overtuigd geraakt dat de problemen bij die families zeer groot zijn. De problemen hebben te maken met de culturele kloof tussen hun leven met hun eigen cultuur en hun leven in deze Belgische of Vlaamse samenleving.
Ze staan met elk been in een andere cultuur. Hun eerste cultuur vertoont in belangrijke mate een opvoedingspatroon met een brede maatschappelijke inslag, zodat de opvoeding voornamelijk gebeurt door de clan, het dorp, de gemeenschap en de buurt. Ze zijn echter terechtgekomen in de westerse samenleving met haar geïndividualiseerd leefpatroon, waarin opvoeding vooral wordt toevertrouwd aan de ouders en de school, en daarnaast aan enkele andere voorzieningen.

Daardoor ontstaat een grote mate van vervreemding tussen de kinderen en hun ouders. De ouders kunnen vaak niet om met de gedragingen van hun kinderen. Vorige week stond in de krant een artikel over het feit dat de participatie van allochtone ouders aan de reguliere oudercontacten in de lagere en middelbare scholen heel laag is. Dat is geen indicator van de problemen, maar toch een illustratie.

Mevrouw de minister, in uw beleidsnota hebt u opvoedingsondersteuning opgenomen als een heel belangrijk punt. Mijn vraag heeft echter te maken met de intenties van de federale overheid en met de specifieke problematiek van allochtone ouders met kinderen.

- Heeft de federale staatssecretaris, gelet op haar verklaringen, u reeds gecontacteerd om samen met alle actoren en vertegenwoordigers van alle gezagsniveaus – zoals zij het zelf noemde – samen te komen en initiatieven te ontwikkelen?

In Antwerpen is er een organisatie die de aanzet wil zijn tot een steunpunt opvoedingsondersteuning. Ik vermoed dat dit veeleer in de Vlaamse sfeer zit, en onder de bevoegdheden valt van de Vlaamse Regering.
- Hebt u daar weet van? Bent u bereid een coördinerende rol te spelen om dat initiatief te steunen?

Minister Inge Vervotte: Mijnheer de voorzitter, collega’s, de federale staatssecretaris heeft hierover geen contact met mij opgenomen. Het steunpunt opvoedingsondersteuning waarvan sprake is een initiatief van de beleidsgroep opvoedingsondersteuning van de stad Antwerpen zelf. Verschillende actoren uit het beleidsdomein Welzijn nemen aan die beleidsgroep deel, zoals de regioteams en de inloopteams van Kind en Gezin, de organiserende besturen van de consultatiebureaus van Kind en Gezin, de jeugddienst, de kansarmoedecel, de Lerende Stad, de CAW’s, het OCMW, Integrale Jeugdhulpverlening en de preventiecel bijzondere jeugdzorg.

Die organisaties werken er dus samen aan, en dat stemt ook overeen met onze visie op opvoedingsondersteuning. We hebben een evaluatie aangekondigd om de huidige versnippering tegen te gaan. Die evaluatie zal ook gebeuren via het parlement, dat er sturing aan kan geven. Het is onze bedoeling opvoedingsondersteuning te laten verlopen via een samenwerking van de verschillende actoren en sectoren, die zo voor een ruim aanbod kunnen zorgen. We zijn voorstander van netwerken waarvan iedereen deel uitmaakt die een of andere verantwoordelijkheid draagt. Dat zijn bijvoorbeeld de reeds genoemde partners in die beleidsgroep. Zij kunnen onderling afspraken maken, wat kan resulteren in bijvoorbeeld opvoedingswinkels, zoals in Genk. Het moet daarbij altijd de bedoeling zijn laagdrempelig te werken.

We willen dus de bestaande versnippering tegengaan, de krachten bundelen en meer aan netwerkvorming te doen. Die virtuele netwerken kunnen zelfs resulteren in werkafspraken over bijvoorbeeld opvoedingswinkels. In het aanbod voor allochtonen is het belangrijk dat onze benadering niet al te categoriaal is. We hebben goede ervaringen met de Inloopteams van Kind en Gezin. Momenteel zijn er dertien. Ik heb er een paar van mogen meemaken, en heb toen ervaren dat er een heel grote appreciatie van de ouders voelbaar is. Vaak zijn dat allochtone ouders, maar ook kansarmen. Voor hen zijn andere initiatieven vaak te weinig toegankelijk. Via de Inloopteams wordt alsnog de nodige toegankelijkheid bereikt. Er is een heel actieve opvolging, en de mensen worden actief uitgenodigd. Vaak gaat men daarvoor tot bij hen thuis.

Daar rijst ook steeds meer de vraag naar het opheffen van leeftijdsbeperkingen. Opvoedingsondersteuning is vandaag veelal gericht op de lagere leeftijdsgroepen. In de allochtone gemeenschap bestaat echter de uitdrukkelijke vraag naar een aanbod dat tegemoetkomt aan de onzekerheid en de problemen met opvoeding die allochtone ouders vaak hebben als hun kinderen al wat ouder zijn dan die huidige categorieën.

Dat is een belangrijke uitdaging voor de allochtone gemeenschap. De opvoedingsproblemen die specifiek zijn voor hun situatie en voor allochtone gemeenschappen, hebben misschien een extra effect in de puberteit. Daarom moeten we in de opvoedingsondersteuning voor deze doelgroep gerichter werken.
Samengevat werken we dus vooral via netwerken, samenwerking en de Inloopteams. Er is uitdrukkelijk vraag naar een ruimere opvoedingsondersteuning, die nu veelal beperkt is tot bepaalde leeftijdscategorieën. We denken dat via de laagdrempelige
Inloopteams een heel actieve beweging tot stand kan worden gebracht, waarmee we zowel de kansarmen als de allochtonen kunnen bereiken.

De heer Bart Caron: Mevrouw de minister, ik dank u voor uw antwoord. Ik heb in mijn vraag misschien niet genoeg beklemtoond dat er op het punt van de leeftijdsgrens een belangrijk verschil is tussen allochtone gemeenschappen en mensen van autochtone afkomst. In onze autochtone cultuur, met zijn opvoeding in gezinsverband, zit ingebakken dat we de kinderen langer bij ons houden, zowel in letterlijke als in figuurlijke zin in de omgang. Dat beschouwen veel allochtonen als een probleem omdat ze er niet mee kunnen omgaan. Ik ben heel blij dat u wilt nadenken over het verbreden van opvoedingsondersteuning. Het probleem is niet gering. Als we niet preventief handelen, komen veel van die kinderen helaas terecht in de bijzondere jeugdzorg, en wordt bevestigd dat er in een aantal groepen geen integratie is. Er is onbegrip door onkunde, en door het samenvallen van kansarmoede met de afkomst uit een andere cultuur, wat de achterstand versterkt.

ingediend onder in de commissies • (0) ReactiesPermalink

Fietspaden te Brugge

ingediend door Bart Caron op 04/05/2005 om 00u00

Schriftelijke vraag van Vlaams volksvertegenwoordiger Bart Caron aan de heer Kris Peeters, Vlaams minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur over de stand van zaken van de Brugse fietspaden.

Naar aanleiding van het recente vreselijke ongeval met een fietser in Brugge kreeg ik graag een stand van zaken betreffende de fietspaden in Brugge.

Bij de heraanleg van het "Kanaaltje" in Brugge werden de fietspaden in beide richtingen verhard. Maar dit is slechts een pleister op een houten been en het werk is verre van af.
Op de ring in Brugge zijn de fietspaden levensgevaarlijk en zijn de kruispunten vooral zwarte punten.

Vanaf de Gentpoort tot aan de Dampoort is er een fietspad voorzien, maar dit is niet overal verhard, wat bij regen natuurlijk niet aangenaam is.
Aan de Coupurebrug is er een fietsbrug (ophaalbrug) voorzien, maar die is al gedurende enkele maanden stuk en het herstel laat ook op zich wachten.

Er kan geen twijfel over bestaan dat een volledige verharding van de bestaande fietspaden aan de binnenzijde van de ringvaart een noodzaak is, de herstelling van de ophaalbrug dringend is, en het beter is dat het bestaande fietspad op de ring verdwijnt.

Daarom meneer de minsiter, de  volgende vragen:

1. Wat zijn de investeringsplannen voor fietspaden in Brugge?

2. Hoeveel werd er reeds geïnvesteerd in heraangelegde en verbeterde fietspaden in Brugge?

3. Wat is in percentages uitgedrukt de realisatiegraad van de laatste drie jaar? 

Antwoord van minister Kris Peeters
Als minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur kan ik enkel antwoorden voor wat betreft de fietspaden langs gewestwegen. Voor fietspaden langs stadswegenis (bv. binnenring) dient contact opgenomen met de stad Brugge.

De stad Brugge heeft 3 modules 13 "subsidiëring van fietspaden langs gewestwegen" ondertekend. De modules zijn voorgelegd aan en ondertekend door de minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur en door de Minister van Mobiliteit. De subsidiebedragen zijn vastgelegd.

Het betreft volgende fietspaden:

a. fietspaden langs de N376 tussen Brugge (R30) en Dudzele vastgelegd bedrag: 1.199.399,79 €. De aanbesteding voor de aanleg van deze fietspaden gaat door op 28 mei e.k. De uitvoering kan dan wellicht starten na het verlof.

b. fietspaden langs de N9 tussen Brugge (St. Pieters) en de N307 (kruispunt Strooienlaan) te Zuienkerke vastgelegd bedrag 1.074.418,50€ (Brugge) + 721.109,60€ (Zuienkerke). Het betreft een gezamenlijk project met de gemeente Zuienkerke. De aanbesteding voor de studieopdrachtgaat door op 23 juni e.k. Stad Brugge fungeert als trekker van het dossier.

c. fietspaden langs de N337 Brugge-Oedelem vastgelegd bedrag 500.546,89€ (Brugge) + 1.420.670,82€ (Beernem). Het betreft eveneens een gezamenlijk project, hier met de gemeente Beernem. De gemeente Beernem zal optreden als trekker van het dossier. De studieopdracht wordt gevoegd bij een lopende opdracht voor aanleg van riolering op hetzelfde traject op de deelgemeente Oedelem.
De aanbesteding der werken is afhankelijk van de subsidietoekenning van het Vlaams gewest voor de aanleg van deze riolering.

Een drietal jaar terug werd een nieuw dubbelrichtingsfietspad aangelegd tussen Brugge en Blankenberge. Kostprijs: 1.7 miljoen €.

Naar aanleiding van twee dodelijke ongevallen op de R30 zijn met de stad afspraken gemaakt voor maatregelen op korte termijn.

1. In de richting Katelijnepoort-Dampoort: de bestaande parkeerstrook wordt gemarkeerd als fietspad in de zone waar er geen parallelle wegenis is.

2. In de richting Dampoort-Katelijnepoort:
 - tussen Dampoort en Kruispoort worden de bomen geveld en wordt de huidige parkeerstrook ingericht als fietspad. Een kapvergunning voor de bomenrij wordt aangevraagd.
 - tussen Kruispoort en Katelijnepoort blijft het parkeren behouden maar kunnen de fietsers gebruik maken van een vrije strook tussen de stootband en de leuning langs het kanaal.

Om bovenstaande te kunnen verwezenlijken zijn onderhoudswerken nodig aan de bestaande verhardingen, voorlopig geraamd op +/- 150.000€






 

ingediend onder schriftelijke vragen • (0) ReactiesPermalink

pagina 15 van 20 ⟨ Eerste  < 13 14 15 16 17 >  Laatste ⟩

boek


februari 2012
z m d w d v z
     1 2 3 4
5 6 7 8 9 10 11
12 13 14 15 16 17 18
19 20 21 22 23 24 25
26 27 28 29      

Abonneren

Zoeken


Muziek

This text will be replaced by the flash music player.

Bart Caron met contrabas (foto: Viviane Decock)

foto Viviane Decock

 

Nieuws


© 2009 - Bart Caron   //   Design: Het Concept / Matthias Malfr