
Wanneer de burgervader van een centrumstad in een vooraanstaand weekblad boutweg verklaart dat goede contacten met de Brusselse kabinetten en administraties broodnodig zijn om grote stadsprojecten te kunnen realiseren, doet dit mijn nekharen overeind komen. Is de vriendjespolitiek in die mate terug van nooit weggeweest dat burgemeesters er niet langer zedig over zwijgen? Zijn regelgevende kaders en degelijke dossiers dan werkelijk zo ondergeschikt aan de juiste connecties? En wat moeten minder bevoorrechte gemeenten dan wel niet denken over de uitspraken van de voorzitter van ‘hun’ VVSG?
Benieuwd wat minister Bourgeois vindt van termen als ‘stroperigheid van de Brusselse administratie’ en ‘een dossier met ministeriële hulp voorbij hypercorrecte ambtenaren loodsen’.
de respons van Geert Bourgeois lees je hier
De subsidies voor compositieopdrachten zijn de jongste jaren in vrije val. Hedendaagse muziek is bij het grote publiek dan ook niet zo geliefd. Ze is vaak hermetisch en vergt meestal meer achtergrondkennis.
Maar betekent dit dat we die hele handel dan maar meteen moeten gaan afschaffen? Hoe belangrijk vinden we de aandacht voor deze doorwrochte, vernieuwende muziek? Is de vergelijking met wetenschappelijk onderzoek niet terecht? Of met elke vorm van fundamentele vernieuwing in de kunsten?
Zonder vernieuwing ontstaat geen canon, en geen traditie. En dan houd je alleen reproductie over, herhaling.
Dat er veel kaf tussen het compositorische koren zal zitten, wil ik niet betwisten, maar dat maakt de investering in compositieopdrachten niet minder noodzakelijk. Enkel zo kan het koren immers tot wasdom komen.
zo kijkt minister Schauvliege er tegen aan
Het Nieuwsblad en Radio 2 sloegen de handen in elkaar om halverwege de legislatuur de Vlaamse burgemeesters en schepencolleges te beoordelen. Het valt toe te juichen dat de media aandacht besteden aan lokale politiek, maar er zijn toch wel vragen te stellen bij de wetenschappelijke onderbouw van het ‘grote Burgemeestersrapport’. Wat me echter nog het meest tegen de borst stootte waren de reclamespotjes die deze campagne op de openbare omroep begeleidden. Burgemeesters werden er geportretteerd als sjoemelaars, drinkebroers of mediageile ijdeltuiten. Negatieve beelden die de antipolitiek voeden en bovendien niet de minste relatie blijken te hebben met het grootse rapport.
Luc Van den Brande wordt voorzitter van de Raad van Bestuur van onze openbare omroep. Deze functie is onverenigbaar met een politiek mandaat. Ik vind hem, als voorzitter van het Comité der Regio’s, dus niet kunnen, maar puristen zullen ongetwijfeld wijzen op het feit dat het CdR niet opgenomen is in de lijst van organen die de cumul verhinderen. Ik betreur dat de politieke kleur eens te meer de bovenhand krijgt op dossierkennis en affiniteit met de media.
lees hier het volledige verslag
Minister Schauvliege besliste om de subsidiëring van tien volwassenenorganisaties stop te zetten. De Liga voor Mensenrechten en het IJzerbedevaartcomité zijn de bekendste slachtoffers van de maatregel die ingaat tegen het advies van de beroepscommissie. Ik vind dan ook dat de minister lichtzinnig te werk gaat.
Recent werden weer nieuwe metingen uitgevoerd van de dioxinegehaltes in Menen, meer bepaald in de nabijheid van de metaalverwerkende bedrijven op de Belgisch-Franse grens.
De resultaten zijn hoogst verontrustend, maar, en dat is wellicht nog erger, ook allerminst verrassend. Het is reeds langer algemeen geweten dat de streek geteisterd wordt door een overvloed aan dioxines. En, om het helemaal schrijnend te maken, ook aan kankergevallen.
Ik wil van minister Schauvliege dan ook weten of de Vlaamse regering nu eindelijk eens deze al jaren aanslepende verzieking van de omgeving zal aanpakken.
minister Schauvliege antwoordt
De term ‘whereabouts’ werd de jongste tijd gemeengoed. Enkele topsporters werden geschorst door het Vlaams sporttribunaal, waarna de Vlaamse minister hen steun beloofde bij een eventuele beroepsprocedure bij het TAS. Nu de rechter de beslissing van het sporttribunaal schorst, zegt diezelfde minister te overwegen hiertegen in beroep te gaan. Hoe zit dat nu eigenlijk?
minister Muyters tracht het mij uit te leggen
De inventaris bouwkundig erfgoed is er. Eindelijk, zou ik durven zeggen. Helaas merk ik dat er nogal wat eigenaars zijn die niet eens weten dat hun woning opgenomen is in de inventaris, Laat staan dat zij de rechtsgevolgen van deze inventarisatie zouden kennen. Ik ben benieuwd hoe minister Bourgeois dat denkt aan te pakken.
De minister heeft pragmatische en vaak onbegrijpelijke keuzes gemaakt. Het zijn niet mijn woorden, maar die van de Vlaamse Jeugdraad in hun evaluatie van de subsidieronde 2010-2012 voor jeugdorganisaties. Ik ben benieuwd hoe minister Smet reageert op dergelijke kritiek en hoe hij zijn keuzes verdedigt.
‘Afschieten’ is niet meteen een term die verwacht in het vocabulaire van een gouverneur. Nochtans liet Paul Breyne zich in die zin uit over de vossen in West-Vlaanderen. Nu is elke kenner het er over eens dat afschieten geen remedie is tegen kippenrovende vossen. De provincie heeft er zelfs een heuse brochure over hoe het kleinvee kan beschermd worden tegen vossen. De gouverneur had dus beter moeten weten en met zijn populistisch uitspraken dook hij onder de waardigheid van zijn ambt.
dit vond minister Bourgeois ervan
De voorzitter: De heer Caron heeft het woord.
De heer Bart Caron: Mevrouw de minister, veertien dagen betekent een eeuwigheid in medialand.
Mijn vraag is intussen volledig door de feiten achterhaald. Ik zal dan ook proberen
mijn vraag zo actueel mogelijk te maken.
Telenet heeft meegedeeld dat het een aantal populaire Amerikaanse series zeer snel op de
Vlaamse kijker wil loslaten in een businessmodel. Het gaat dan over Lost, Grey’s Anatomy
of Desperate Housewives. De kijker zou daarvoor dan terecht kunnen bij Telenet. Dat lijkt
het logische verlengde van een evolutie die al een poosje bezig is.
2BE, de VMMa en VT4 reageerden heel fel op het feit dat zij in eerste instantie werden geviseerd
omdat zij het soort zender zijn die deze series het meest uitdrukkelijk op het scherm
brengen en hun publieksopbouw daar voor een deel aan te danken hebben. Zij beschouwden
dit dan ook als rechtstreekse concurrentie.
Tot dan beperkte Telenet zich voornamelijk tot zijn corebusiness als distributiebedrijf hoewel
het de laatste jaren ook steeds meer aanwezig was als content-leverancier. Bewijs daarvan
zijn Studio 100 en de vele primes.
Telenet zou beginnen met Disneyproducten. Er zijn een aantal commerciële banden tussen de
aandeelhouders onder elkaar.
Een van de reacties betrof ook de problematiek van de auteursrechten en de piraterij, niet
alleen voor muziek maar ook voor films en series. Wanneer ze niet op de markt worden gebracht,
worden ze toch gedownload, zij het illegaal, we kunnen dus beter proberen er op een
legale manier mee om te gaan, aldus klonk een gedeeltelijke verantwoording.
De reactie van de Vlaamse zenders op de mededeling van Telenet was dus negatief. Intussen
biedt Belgacom TV diezelfde of gelijkaardige series aan. In de discussie werd ook de VRT
genoemd. De VRT mag dat niet doen. Er is een overeenkomst die bepaalt dat de VRT alles
eerst in een open net moet aanbieden. Wanneer ik dan denk aan bijvoorbeeld de financiële
problemen van deze Vlaamse Regering, dan vraag ik me af waarom de nieuwe serie van bijvoorbeeld
Flikken of Witse niet in avant-première en tegen betaling kan worden uitgezonden.
Ik lees in de kranten dat Belgacom een financieel model zou hebben afgesproken waarbij ook
de zenders een deel van de rechten zouden ontvangen.
Telenet vindt niet dat het de zenders concurrentie bezorgt: “Het aanbieden van een reeks tegen
betaling is trouwens sowieso iets voor een nichepubliek. Wie niet wil betalen om zo’n
serie te bekijken, zal toch wachten tot een van de zenders de bewuste serie op het open net
uitzendt.”
Ik wil verwijzen naar het recente decreet. Het gaat daar over een drielagenmodel. De eerste
laag betreft de inhoudlaag of de content. Het gaat dan over de omroeporganisaties. De tweede
is de transportlaag en betreft de operatoren van elektronische communicatienetwerken. De
derde laag, die via deze regelgeving is toegevoegd, is de distributielaag. Het gaat dan over de
dienstenverdelers. Bij ons zijn dat Belgacom, Telenet en wanneer het gaat over satelliettelevisie,
TV Vlaanderen.
De bedoeling van de decreetwijziging was te zorgen voor meer transparantie. Het decreet
verhindert of verbiedt echter niet dat bepaalde ondernemingen op meer dan een van die lagen
actief zou zijn. Dat is vandaag al gedeeltelijk het geval. Een ondernemer kan een dienstverlener
zijn, een operator of een omroeporganisatie wanneer hij daarvoor over de juiste licentie of
vergunning beschikt. Ik vermoed dat wat Telenet wil doen met die Amerikaanse series, wel
degelijk wordt toegelaten door het Mediadecreet. “Content is king”, stelde de CEO van Disney.
Het lijkt erop dat de dienstverdelers steeds actiever worden in het aanleveren van die
content. De vraag is of er effectief sprake is van een verschuiving in de markt waarbij niet
meer de klassieke zender met zijn schema’s een rol gaat spelen. Zullen we op die manier niet
een veel bewustere contentgebruiker krijgen die uit het brede gamma van content kan kiezen?
Volgens mij is dat een evolutie voor de samenleving van morgen.
Mevrouw de minister, bent u op de hoogte van de plannen van Telenet? Bent u daar door
Telenet zelf van op de hoogte gebracht? Hebt u de reacties gekregen van de Vlaamse
zenders?
Brengen de andere dienstenverdelers geen gelijkaardig aanbod als Telenet? Is het voetbalaanbod
van Belgacom geen stap in die richting? En Prime van Telenet?
De verhouding tussen dienstenverleners en zenders is vandaag niet gereguleerd. Er is zelfregulering,
min of meer toch. Bestaat er in andere Europese landen een regelgeving die kingen oplegt aan een onderneming in het opnemen van meerdere rollen in het drielagenmodel?
Welke visie hebt u op de evolutie dat de dienstenverleners zich steeds meer op het terrein van
de content begeven? Is een beperking hier nuttig of overbodig?
De voorzitter: De heer Decaluwe heeft het woord.
De heer Carl Decaluwe: In de toelichting van de heer Caron worden een aantal zaken door
elkaar gehaspeld. Destijds was er de problematiek van Flikken en Belgacom. Wanneer iets
met belastingsgeld wordt gemaakt door de openbare omroep, geldt het principe dat dit eerst
op het open net moet kunnen worden bekeken. Dat decreet is eenparig door het Vlaams Parlement
goedgekeurd, ook door u, mijnheer Caron.
Mevrouw de minister, mijnheer de voorzitter, ik stel voor dat we met alle actoren eens een
grondig debat voeren over dit thema. Wat Telenet wilde doen, zou de start betekenen van een
achterhoedegevecht tussen de omroepen. De distributieplatformen worden steeds belangrijker.
Ik was onlangs aanwezig op een groot congres van UBA. Daar werden een aantal stellingen
bevestigd. Het gewone kijken naar een algemeen programmaschema is voorbij. Dat zal in de
toekomst op steeds meer platformen gebeuren, vooral door jongere generatie. De vraag is dan
ook hoe de openbare omroep zich daaraan zal aanpassen. Vandaag kan het niet de bedoeling
zijn om de distributeurs aan banden te leggen. We zitten natuurlijk ook met de must-carryregeling
die door Europa serieus is ingeperkt. Voor een aantal andere zaken is er de evenementenlijst.
We moeten nagaan hoe we ons in de toekomst kunnen wapenen tegen al die elementen.
Ik vermoed dat we voor de volgende beheersovereenkomst voor de VRT een soort
visie of kader zullen moeten ontwikkelen, rekening houdend met de mededinging tussen de
openbare omroep en de commerciële omroepen. We moeten daar in alle rust en sereniteit
eens over praten met de betrokken actoren. Ik stel voor dat intussen een dossier wordt opgemaakt
op intranet over de respectieve wetgeving in het buitenland. We voelen echter aan dat
het Vlaamse medialandschap over tien jaar compleet anders zal zijn. De vraag is dan hoe we
daarop anticiperen.
De voorzitter: De heer Verstrepen heeft het woord.
De heer Jurgen Verstrepen: De vraag van de heer Caron is terecht. Het lijkt me ook een
goed voorstel van de heer Decaluwe om daar een debat over te organiseren. We moeten oog
hebben voor alle kleine verschuivingen en signalen.
In het verleden is in deze commissie al de vraag gesteld hoe het verder gaat met de bevoegdheid
van de distributeurs en de telecombedrijven. Hoe bekijken we de machtsverschuiving die
plaatsvindt van de vroegere zenders naar de distributeurs?
Wanneer het gaat over het aanbieden van bepaalde televisieseries, moeten we ook oog hebben
voor een andere meer verdoken tendens bij de distributie, met name de partnerships, aandeelhoudersstructuren
en financiële stromen die distributeurs hebben ontwikkeld en
ontwikkelen naar nieuwe nichekanalen die zij op hun distributieplatform plaatsen. U voelt me
komen. Ik weet niet hoe we dit meteen kunnen oplossen. Die discussie moet hier dan ook ten
gronde gevoerd worden. Het wordt wellicht een van de belangrijkste dossiers van de volgende
jaren.
De voorzitter: Minister Lieten heeft het woord.
Minister Ingrid Lieten: Ik was niet op voorhand op de hoogte van de plannen van Telenet
en ben ook niet door hen op de hoogte gebracht. Ook de Vlaamse Regulator voor de Media
werd niet op voorhand op de hoogte gesteld van deze beslissing van Telenet. Vlaamse zenders
hebben tegen deze beslissing ook geen klacht ingediend bij de regulator. De dienstenverdelers
zijn ook niet verplicht dit mee te delen. In een competitief medialandschap is dat
het voorrecht van de marktwerking en de tactiek en de strategie van elke dienstverlener.
Ondertussen hebben wij ook begrepen dat Belgacom ter zake op 29 september heeft laten
weten een akkoord te hebben afgesloten met SBS. Dat wijst nogmaals op de competitiviteit
die er toch wel bestaat.
Dan was er de vraag of de verhouding tussen dienstenverleners en zenders gereguleerd is. Er
is weliswaar een regeling tussen dienstenverdelers en omroepen. Dat werd hier al vermeld.
Dan gaat het over must-carry en may-carry. Specifieke regels met betrekking tot wat een
dienstverlener die ook omroep is of een omroep die ook dienstenverlener is, kan doen, bestaan
echter vandaag niet. We hebben dit even bekeken vanuit het oogpunt van benchmarking.
Op dit ogenblik is de functie van distributeur natuurlijk niet in alle landen ingeschreven
in de mediaregelgeving. Waar dat wel het geval is, zoals bijvoorbeeld in de Franse Gemeenschap
en in Frankrijk, bestaan, voor zover we dat op het eerste gezicht hebben kunnen vaststellen,
dergelijke regels ook niet.
En dan is er de belangrijkste discussie. Het lijkt me heel duidelijk dat er heel wat evoluties
gaande zijn in het medialandschap. Dat is hier al aangegeven. Enerzijds zijn er technologische
vernieuwingen die hun intrede doen en is er het gedrag van de consumenten dat verandert,
maar anderzijds veranderen ook de businessmodellen en de spelers op het veld. Ik richt
me tot deze commissie. Ik ben zeker en vast ook geïnteresseerd om met de commissie voort
van gedachten te wisselen over al die evoluties. Die zullen immers zeker en vast een belangrijke
context geven wanneer we het over de volgende beheersovereenkomst van de VRT zullen
hebben, maar ook als het gaat over een ander deel van het regelgevend kader of andere
maatschappelijke discussies die we moeten voeren. Ik ben zeker beschikbaar om op de ene of
andere manier de dialoog voort aan te gaan met de commissie, en misschien ook met andere
partners.
De voorzitter: Ik stel voor dat we ingaan op de suggestie van de heer Decaluwe en anderen
om minstens eerst wat data te verzamelen. Ik stel dus voor dat we onze bibliotheek aan het
werk zetten en via u, mevrouw de minister, de administratie, zodat we een volledig dossier
kunnen opmaken.
We zullen het de volgende weken, maanden en wellicht ook jaren uitgebreid kunnen hebben
over alles wat opduikt in het medialandschap, van darwinisme tot kameleongedrag enzovoort.
Dat debat moeten we absoluut voeren. Er komen immers een aantal zaken op ons af waarover
we grondig moeten debatteren. Ik stel voor dat we dat doen, maar dan moeten we onderling
ook afspreken, zonder iemand onrecht te willen aandoen, dat we vragen om uitleg of wat dan
ook over dergelijke kwesties misschien enigszins inhouden, wetend dat we een breed debat
kunnen krijgen, desnoods met alle actoren, precies over dat veranderende medialandschap.
Wat we niet kunnen doen, is de hele tijd een debat houden over het feit dat we absoluut het
debat zouden moeten voeren. Dat zien we nu al gebeuren. Op den duur voeren we immers het
debat over het debat: mij niet gelaten, maar het zal wel het ene of het andere moeten zijn,
gezien onze beperkte tijd en het beperkte aantal kalenderdagen.
De heer Caron heeft het woord.
De heer Bart Caron: Ik ben tevreden met het antwoord en met de aanvullingen van de collega’s.
Dit is een belangrijke agendasetting. Als commissie mogen we daar niet omheen fietsen.
Mijnheer de voorzitter, ik sluit me daar helemaal bij aan.
Ik heb één inhoudelijke opmerking. Los van de businessmodellen moet een open en brede
toegang tot een ruim aanbod voor de hele bevolking een uitgangspunt zijn van ons politieke
handelen. Dat is mijn invalshoek. Dat is een keuze. De hele discussie over de rode knop illustreert
dat we ons moeten hoeden voor het afleiden van interessant aanbod naar betalende
businessmodellen, waardoor het open aanbod verschraalt. Dat is echter een discussie die we
zullen voeren in het kader van die hoorzittingen. Mijnheer Decaluwe, ik sluit me dan ook
graag aan bij uw voorstel. Ik ben blij dat deze commissie op die manier mee het debat voor de
komende jaren zal kunnen stofferen.
De voorzitter: De heer Decaluwe heeft het woord.
De heer Carl Decaluwe: Destijds heeft de minister bij de start van de analoge switch-off een
discussienota ingediend. Misschien is dat ook een mogelijkheid. Misschien kan aan een aantal
experts worden gevraagd dat te verzamelen.
Mijnheer de voorzitter, dat onderwerp is natuurlijk erg ruim. Het kan natuurlijk niet dat we
geen vragen zouden kunnen stellen als de VRT iets doet dat daar zijdelings mee te maken
heeft.
Anderzijds denk ik dat dit qua distributie, ook vanwege onze staatsstructuur, niet op te lossen
valt. Het ene distributieplatform is federaal, terwijl het andere onder de Vlaamse wetgeving
valt. Dit wordt dus bijzonder boeiend en interessant.
De voorzitter: Het incident is gesloten.
De voorzitter: De heer Caron heeft het woord.
De heer Bart Caron: Mijnheer de minister, de inspiratie voor mijn vraag komt van De Week
van de Sportclub. Ik wil een paradox aan de orde stellen die gaat over insluiting en uitsluiting
bij het beoefenen van een sport.
We hebben de ambitie om jongeren meer te laten sporten omwille van hun gezondheid, maar
ook omwille van de sport zelf. Sport op zich is aangenaam en leerrijk. Dat is het uitgangspunt,
en daarom bevorderen we in het Vlaamse beleid de sportbeoefening, vooral sport die
via sportclubs gebeurt. De clubs bieden een structuur aan; ze beschikken over begeleiders.
Dat is krachtiger en duurzamer dan de individuele sportbeoefening, zeker voor kinderen en
jongeren.
Dat uitgangspunt is dus zeer goed, maar er is een schaduwzijde aan dit verhaal. Wie een
beetje minder getalenteerd is, riskeert in een sportclub uit de boot te vallen en gedemotiveerd
te geraken. Dat is de paradox. We willen dat iedereen sport, maar sport is in wezen competitief
en gericht op uitsluiting. Het gaat erom als individu of als ploeg de beste te zijn. Steeds is
er het element competitie, ook in de recreatieve sportbeoefening. Zelfs wie alleen loopt, zal
zijn tijd wel eens opmeten en zo met zichzelf in competitie treden. Dat zit in het sporten ingebakken.
Volwassenen kunnen beter dan kinderen en jongeren de discipline opbrengen om met de
nodige regelmaat individueel te sporten. En kinderen en jongeren die met veel goede moed
een sporttak beginnen te beoefenen, merken na een tijdje vaak zelf wel dat ze toch niet de
beste midvoor, spelverdeler of hardloper van de club zijn. Ze geraken dan vaak gedemotiveerd
en stoppen met sporten.
Men zou kunnen zeggen dat dit niet erg is; dat dit in het onderwijs ook gebeurt. Mensen hebben
nu eenmaal minder of meer talenten, en dat is een natuurlijk gegeven waaraan men niet
kan remediëren. Ik denk niet dat we ons daar op die manier mogen van afmaken. We moeten
ervoor zorgen dat de noodzaak van sport voor iedereen, op een niveau dat iedereen aankan,
werkelijkheid wordt.
In De Standaard, De Morgen en Het Nieuwsblad stonden verschillende artikels over deze
thematiek, naar aanleiding van de Week van de Sportclub. De Week van de Sportclub had als
slogan ‘Wij willen jou erbij’. Dat geeft de doelstelling aan: we willen iedereen erbij. Maar er
zijn een aantal intrinsieke, sportgerelateerde uitsluitingsmechanismen die niet maatschappelijk
bepaald zijn. Ik pleit dus voor een sportbeleid dat meer aandacht geeft aan het recreatief
sporten, ook bij kinderen en jongeren. Zo kan iedereen op zijn niveau sport beoefenen.
Mijnheer de minister, is er op het terrein effectief sprake van uitsluiting van kinderen? Worden
in sommige sportclubs kinderen geweigerd? In een artikel was daarvan toch sprake: het
heeft geen zin een trainer in te zetten voor kinderen die toch geen grote voetbaltoekomst
hebben, zo zou de redenering luiden. Is dat een courante praktijk? Als dat zo is, dan is dat
toch alarmerend. Welke sportfederaties hebben in hun beleid effectief aandacht voor deze
problematiek? Welke acties zetten zij op? Stimuleren zij de aangesloten clubs om ook recreatieve
sportbeoefening mogelijk te maken?
Worden zij daartoe door het Bloso gestimuleerd? Gisteren sprak ik de administrateurgeneraal
van Bloso hierover. Is dat volgens u ook een taak voor de gemeenten, in het kader
van de steun aan sportclubs ter promotie van het lokaal sportbeleid? Moet verder worden
geïnvesteerd in de opleiding van gekwalificeerde jeugdbegeleiders, ook voor recreatieve
sportbeoefening? Hoe ziet u dat? Is het niet wenselijk het stimuleren van de recreatieve
sportbeoefening binnen de regelgeving voor de sportfederaties en binnen het decreet lokaal
sportbeleid nadrukkelijker zichtbaar te maken? Kunnen we daarvan een aandachtspunt van
het beleid maken?
De voorzitter: De heer Sauwens heeft het woord.
De heer Johan Sauwens: Ik sluit me graag aan, want het gaat over een terechte maatschappelijke
zorg. De minister stelt onmiddellijk, al op zijn eerste commissievergadering, vast hoe
breed het sportdomein is. Er is de topsport, en dat is iets wat we allemaal wensen, maar ook
de sport-voor-allendoelstelling, waar de heer Caron het over heeft. Wij steunen beide doelstellingen.
Wie vanuit een bepaalde ideologie streeft naar een zo egalitair mogelijke samenleving waarin
iedereen even goed kan sporten en het opkomen voor de zwakkeren ook in de sport doortrekt,
zit fout. Wij supporteren immers toch voor diegenen die met een geweldige overwinningsdrang
en gedrevenheid willen winnen. Denk maar aan ‘de kannibaal’ Eddy Merckx, of aan
Ulla Werbrouck. Die absolute wil om te winnen, moeten we blijven stimuleren.
Wel is het zo dat we de clubs moeten ondersteunen om ruimte en trainingsfaciliteiten aan te
bieden aan diegenen die iets minder goed zijn. Sport zorgt voor maatschappelijke meerwaarde,
en dat wil ik toch even vermelden. Sport zorgt voor ontspanning, sociale contacten en
bestrijdt de bewegingsarmoede. Sport maakt jongeren vertrouwd met waarden als fair play,
solidariteit, team spirit en respect voor spelregels en de medemens. Sport helpt de zelfstandigheid
te ontwikkelen, stimuleert het persoonlijke engagement en de inzet voor anderen.
Men leert zo ook omgaan met winst en verlies. Dat zijn toch belangrijke maatschappelijke
zaken.
Als we willen dat de sportclubs jongeren en volwassenen zo veel mogelijk kansen bieden om
die ervaringen op te doen, dan moeten ze ondersteund worden. Op dit ogenblik zijn er in
Vlaanderen 19.000 sportclubs. Ze drijven voorlopig nog op de inzet van 300.000 vrijwilligers.
Die inzet is een enorm kapitaal, maar staat vandaag wel onder druk. Vlaanderen moet
via de federaties en het decreet lokaal sportbeleid steun verlenen. De heer Caron heeft op dat
laatste punt gelijk, want de gemeentes kunnen maatwerk leveren. Zeker in de kleinere
gemeenten kunnen de centrale gemeentelijke sportdiensten een heel belangrijke functie vervullen.
De voorzitter: De heer Wienen heeft het woord.
De heer Wim Wienen: Ook ik zag op tv de beelden over uitsluitingen in sportclubs. Alle
commissieleden zijn ervan overtuigd dat iedereen de kans moet krijgen om te sporten. Dat
spreekt voor zich. Maar wat hier wordt gezegd, moet worden genuanceerd. De enorme rijkdom
aan sportclubs zorgt voor een zekere natuurlijke spreiding van getalenteerde en minder
getalenteerde kinderen en jongeren.
Ik kijk dan naar een sector die ik goed ken: het voetbal in het Antwerpse. Wie weinig talent
heeft, gaat niet in de jeugdploegen van een eersteklasser spelen, maar wel bij die van Ekeren-
Donk, en desnoods bij collegeploegen die actief zijn in het Liefhebbersverbond. Er zijn dus
voldoende mogelijkheden om te sporten.
Louter op recreatief sporten inzetten, betekent dat men mensen in een weinig gestructureerde
omgeving aan het werk zet. Dan gaan de geïnteresseerden natuurlijk gemakkelijker opgeven
of stoppen, terwijl ze in de clubs meer regelmaat hebben. Ik wil dit toch wat nuanceren. Er
zullen wel voetbal- en atletiekclubs zijn die op een redelijk hoog niveau presteren, ook in de
jeugdreeksen, maar er zijn ook nog genoeg andere clubs waar minder getalenteerde jongeren
wel terecht kunnen.
De voorzitter: De heer Dehandschutter heeft het woord.
De heer Lieven Dehandschutter: Mijnheer de minister, collega’s, de zorgen die hier worden
geuit, zijn zeer terecht. Wij kunnen dat vanuit de N-VA onderschrijven. Ik heb twee bedenkingen.
Er werd gevraagd of hier ook een taak is weggelegd voor de steden en gemeenten. Heel wat
steden en gemeenten doen dat nu al. Zij hebben zelfs de voorbije jaren bijkomende inspanningen
geleverd. Zij hebben hun subsidiereglementen zodanig gewijzigd om in de eerste
plaats de jeugdsport te kunnen promoten. Ook de vorige Vlaamse Regering heeft dat in die
zin gestimuleerd.
Heel wat sportclubs voeren intern een tweesporenbeleid. Dat is natuurlijk iets moeilijker met
de ploegsporten dan met de individuele sporten. Bij de individuele sporten kunnen de grotere
clubs een Sport voor Allen-afdeling hebben en dan werken met een selectie of keur- of elitegroep,
die ze dan op een eigen manier beter willen aanpakken en begeleiden omdat daar
uiteraard de besten in zitten, die aan de competities mogen meedoen. Dat kunnen de grotere
clubs makkelijker doen dan de kleinere clubs.
Ik onderschrijf deze zorgen en ik hoop, of veronderstel, dat u, mijnheer de minister, uw beleid
in die lijn verder zult willen uittekenen.
De heer Philippe De Coene: De heer Caron had het over de uitsluiting of de weigering door
sportclubs van minder getalenteerde kinderen. Enkele collega’s hebben dat enigszins gekaderd.
Er is nog een ander fenomeen: de weigering door sportclubs van minder gefortuneerde
kinderen, die wel talent hebben. Ik heb het in mijn onmiddellijke omgeving meegemaakt dat
kinderen uit een eenoudergezin goed kunnen voetballen, terwijl die moeder het financieel niet
kan opbrengen. Er bestaat geen enkele tegemoetkoming, noch officieel noch van die club, om
die kinderen te laten voetballen. Op die manier dreigt men talent niet op te volgen en misschien
zelfs, in het slechtste geval, weg te gooien.
De heer Johan Sauwens: In veel gemeenten heeft men daar de sport- en cultuurcheques
voor. Die worden door het OCMW uitgereikt zonder dat iemand dat weet. Wie kwaliteit wil
bieden, moet degelijke trainers hebben. Die hebben recht op een degelijke vergoeding. Daarvoor
worden de lidgelden opgetrokken. Dat gaat naar de 200 tot 250 euro en zelfs meer. Voor
de gevallen waarover u spreekt, bestaat er een regeling: door de sport- en cultuurcheques
kunnen die kinderen toch participeren. Het gaat vaak om migrantenkinderen, en wij weten dat
sport een zeer sterk middel tot integratie is. Lokaal worden daarvoor op dit ogenblik heel veel
oplossingen geboden.
De heer Philippe De Coene: Het voorbeeld dat ik gaf, ging absoluut niet over migranten.
Soms is het inschrijvingsgeld zo hoog dat ook die cheques slechts in minieme mate soelaas
kunnen bieden.
De voorzitter: Mevrouw Werbrouck heeft het woord.
Mevrouw Ulla Werbrouck: We moeten inderdaad oog hebben voor die problematiek. Het
gaat om meer dan om uitsluiting omwille van geld of talent. Mij stoort het vooral dat de
meeste van onze sporters slechts bij toeval in hun sport zijn geraakt. Daar is nog werk aan de
winkel.
Wij moeten proberen om ieder kind zijn talent te laten ontdekken. Er moet meer variatie zijn.
In de scholen moet er een gevarieerder aanbod zijn. Nu worden daar vooral de grote sporten
beoefend: volleybal, basketbal en dergelijke. De kleinere sporten komen niet aan bod. Het
moeten geen Olympische sporten zijn. Neem bijvoorbeeld skeeleren, dat is een coole sport en
dan ben je meteen mee met je tijd.
De voorzitter: Minister Muyters heeft het woord.
Minister Philippe Muyters: Ik zal uit eigen ervaring iets vertellen. Ik ben jaren amateurcoach
geweest bij een amateurvoetbalclub in het Antwerpse. Er is altijd een drang tot winnen.
Het is normaal dat je in een sport probeert te winnen. Dat is op zich niet slecht. Maar ik ben
het ermee eens dat dit niet tot uitsluiting mag leiden.
Ik werkte met jonge kinderen. Jongens en meisjes – als ze klein zijn, mogen ze nog samen
voetballen. Ik had toen zelfs een boekhoudsysteem om ervoor te zorgen dat elk om beurt op
de bank zat of op het veld stond. Uitsluiting is, zeker bij kinderen, iets wat niet kan. Het beleid
moet gericht zijn én op topsport én op Sport voor Allen. In het beleid zoals ik dat vandaag
zie, zijn er mogelijkheden voor die gevallen waar er wel uitsluiting is.
Wij hebben nog geen klachten ontvangen. Bloso staat nochtans in zeer nauw contact met de
federaties, en er bestaan mogelijkheden om bij discriminaties ten aanzien van de federaties op
te treden. Dat kan via de erkenningsvoorwaarden of het huishoudelijk reglement of via de
statuten van de sportfederaties. Ik ben van plan om dat te doen waar dat nodig is.
Is er in de sportfederaties voldoende aandacht voor? Het beleid zet de sportfederaties er zeker
toe aan. De 36 unisportfederaties en de 29 recreatieve sportfederaties die worden gesubsidieerd,
moeten voldoen aan vijf basisopdrachten. Een basisopdracht is het organiseren van
recreatieve sportbeoefening voor kinderen, jongeren, volwassenen en senioren. Dat geldt
zowel voor de unisportfederaties als voor de recreatieve sportfederaties. Zeker de recreatieve
sportfederaties moeten openstaan voor alle sportbeoefenaars, ongeacht hun talent of prestatieniveau.
Bloso tracht begeleiding te geven bij de bepaling van de basisopdracht. Wij benadrukken, via
een leidraad bij de screening van de beleidsplannen van de sportfederaties, deze piste. We
ondersteunen, waar we kunnen, de sportclubs effectief bij het uitvoeren van die basisopdracht.
Ik ben ervan overtuigd dat wij met de sportcampagnes die Bloso de laatste tijd heeft gevoerd,
systematisch de nadruk leggen op de noodzaak van een sportaanbod voor iedereen. Bloso
blijft ervan overtuigd, en ik ook, dat sportclubs de beste garantie bieden voor de continuïteit
van sportbeoefening op korte en lange termijn. Mijnheer Caron, u hebt het gezegd: dat is de
keuze die is gemaakt. Soms zorgt de competitiegeest ervoor dat er iets gebeurt, maar laat ons
hopen en ervan uitgaan dat dat nog eerder de uitzondering is dan de regel. Die uitzondering
moet worden aangepakt. Ook minder getalenteerden moeten aan bod kunnen komen, zeker in
de recreatieve sporten.
Als ik kijk naar de organisatie van de Week van de Sportclub, met de slogan “Wij willen jou
erbij”, denk ik dat daar nu net de nadruk op wordt gelegd. Wij willen iedereen met open armen
ontvangen. Aan die actie nemen ondertussen 152 Vlaamse gemeenten deel, 42 Vlaamse
sportfederaties en 1775 sportclubs. Dat ze aan deze actie meedoen, betekent dat ze achter
de filosofie staan die erachter steekt, en ik begrijp dat dat ook de filosofie van deze commissie
is.
Uiteraard is er een taak weggelegd voor de gemeenten. Recreatieve sportbeoefening is zeker
ook een taak van de gemeenten in het kader van het lokaal sportbeleid. Als ik kijk naar het
decreet van 2007, wordt dit gestimuleerd zowel ten aanzien van de lokale sportverenigingen
als van de niet-clubgebonden sport. Het beleid zit dus in de juiste richting. Zowel de sportverenigingen
als de niet-gebonden clubs zijn een verplicht onderdeel van het lokaal sportbeleid.
De gemeenten mogen wel autonoom beslissen wat de kwaliteitscriteria zijn voor het
lokaal subsidiereglement.
Ik ben ervan overtuigd dat we verder moeten investeren in de opleiding van gekwalificeerde
jeugdbegeleiders. Ook voor recreatieve sport is het goed om een opleiding te geven en om
gekwalificeerde sportbegeleiders te hebben. We hebben onze Vlaamse Trainersschool (VTS)
en voor zover ik dat op dit moment kan beoordelen, levert die positief werk af. De laatste
jaren is het aantal VTS-gediplomeerden stelselmatig toegenomen. Belangrijk is, dat in de
opleiding tot initiator, uitdrukkelijk aandacht wordt besteed aan het belang van recreatieve
sportbeoefening. Dat is heel belangrijk, want het is de taak van de coaches om de jongeren,
ook als ze niet bij de beste zijn, te blijven stimuleren, en om degenen die veel beter zijn, te
laten sporten met degenen die minder goed zijn. Men vergeet dit dikwijls, maar voor een
coach is het soms moeilijk om ook de betere sporters te blijven stimuleren als er slechtere in
de ploeg zitten en om de betere er eens uit te halen. Hieraan wordt zeker aandacht besteed in
de opleiding, net zoals aan ethische aspecten. Zowel u als de heer Sauwens hebben erop gewezen
dat sport ook heel belangrijk is voor integratie en voor het aanleren van een aantal
vaardigheden die elders kunnen worden gebruikt. Ik ben blij dat dit ook in de initiatie zit van
de jeugdsportbegeleiders.
Via het Sport-voor-Allen-decreet hebben we een impulssubsidie waardoor de gemeenten
gesubsidieerd kunnen worden om een beleid uit te stippelen inzake de verhoging van de kwaliteit
van de jeugdsportbegeleiding in sportverenigingen die aangesloten zijn bij de erkende
sportfederaties.
Uit de antwoorden die ik al heb gegeven, zal duidelijk geworden zijn dat de randvoorwaarden
gecreëerd werden waardoor zowel de sportfederaties als de lokale overheid zich kunnen toeleggen
op de verdere uitbouw van de recreatieve sportbeoefening. Dit is een beleid waar ik
zeker achter sta.
De voorzitter: De heer Caron heeft het woord.
De heer Bart Caron: Mijnheer de minister, ik dank u. Het is duidelijk dat in uw visie en die
van de administratie, en in het regelgevend kader voldoende elementen aanwezig zijn om hier
aandacht voor te hebben en te ontwikkelen. Het probleem ligt dus niet daar. Ik weet ook dat
er in Vlaanderen op het terrein op veel plekken geen problemen zijn. We moeten de kwestie
dus niet dramatiseren.
Natuurlijk zijn er een aantal clubs, lokalen en organisaties die niet meteen warmlopen voor
het regelgevend kader, maar die hun eigen beleid uitstippelen. Het duurt soms een tijdje eer
dit doorsijpelt.
Ik ben blij dat deze koers aangehouden blijft. Ik ga ervan uit dat mettertijd dankzij het sensibiliseren
door Bloso en via andere kanalen, de bestaande kwalijke kantjes zullen verdwijnen
en dat de positieve mogelijkheden die de recreatieve sport biedt om nog meer kinderen
op reguliere basis te laten sporten, ook verder doorsijpelen in de clubs, zodat ook vernieuwing
in de clubs een aandachtspunt wordt. De heer Sauwens wees er terecht op dat voor
fysieke, maatschappelijke en sociale elementen, de sportbeoefening in sportclubs heel erg
belangrijk is.
De voorzitter: Mevrouw Werbrouck heeft het woord.
Mevrouw Ulla Werbrouck: Mijnheer de minister, u zegt dat er geen klachten binnengekomen
zijn bij Bloso, maar ik weet dat er wel klachten zijn, alleen weten de betrokkenen niet tot
wie ze zich moeten richten. Het is misschien nuttig om een sportklachtenlijn, een hulplijn of
een ombudsdienst te installeren, zodat mensen ergens hun verhaal kwijt kunnen.
Ik hoop dat u niet elke club verplicht om de recreatieve groep ook te begeleiden. Als een club
er echt voor kiest om een competitieclub te zijn, pleit ik ervoor om die club dat te laten zijn.
Een club kan dan zelf beslissen of ze er ook een recreatieve groep bij willen hebben. Ik ben
nogal competitief ingesteld. Clubs moeten kunnen kiezen.
Hebt u ooit een trainerscursus gevolgd?
De voorzitter: Minister Muyters heeft het woord.
Minister Philippe Muyters: Ik heb het geluk gehad met iemand te trainen die een trainerscursus
had gevolgd. Ik heb veel van die persoon geleerd, maar ik heb zelf geen trainerscursus
gevolgd. Toen ik begon met het geven van training, waren de mogelijkheden daartoe nog niet
zo groot als vandaag, maar nu zou ik dat zeker doen.
Ik meen dat er al een meldpunt voor klachten bestaat, maar staat u me toe om te bekijken wat
er bestaat en wat er bijkomend dient te gebeuren. Ik denk dat er een infolijn bestaat.
De heer Bart Caron: Een infolijn is ook nuttig voor mensen die niet goed weten waar ze
moeten aankloppen om een bepaalde sport te kunnen beoefenen. Misschien kan dat gemeentelijk.
Ik ben niet voor dwangmaatregelen, laat dat duidelijk zijn. Ik uit een bekommernis. Dit aspect
moet in het beleid aanwezig zijn, maar ik ben niet voor dwangmaatregelen noch voor een
negatieve benadering. Het is een positief verhaal, we willen meer mensen aan het sporten
krijgen, iedereen moet kunnen sporten en moet daarbij goed begeleid worden.
Minister Philippe Muyters: Ik deel uw bekommernis. Niemand vraagt dat alles overal moet
kunnen. Aan een topclub moeten we niet vragen om rekening te houden met iemand die nog
nooit heeft gesjot en die twee linkervoeten of twee rechtervoeten heeft. Maar we moeten ervoor
zorgen dat ook die mensen ergens terecht kunnen.
De voorzitter: Het incident is gesloten.
| september 2010 | ||||||
|---|---|---|---|---|---|---|
| Z | M | D | W | D | V | Z |
| 1 | 2 | 3 | 4 | |||
| 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 |
| 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 |
| 19 | 20 | 21 | 22 | 23 | 24 | 25 |
| 26 | 27 | 28 | 29 | 30 | ||

foto Viviane Decock
© 2009 - Bart Caron // Design: Het Concept / Matthias Malfrère | Webontwikkeling: ikhona