
Vraag om uitleg van de heer Bart Caron tot de heer Dirk Van Mechelen, viceminister-president van de Vlaamse Regering, Vlaams minister van Financiën
en Begroting en Ruimtelijke Ordening, over de afschaffing van het bindend advies en de gevolgen hiervan voor het onroerend erfgoed.
Vraag om uitleg van de heer Jo Vermeulen tot de heer Dirk Van Mechelen, viceminister-president
van de Vlaamse Regering, Vlaams minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening,
over de plaats en het belang van de archeologie in het onroerend-erfgoedbeleid
Vraag om uitleg van de heer Jos Stassen tot de heer Dirk Van Mechelen, viceminister-president van de
Vlaamse Regering, Vlaams minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening, over het bindend advies van het agentschap Ruimtelijke
Ordening en Onroerend Erfgoed Vlaanderen over stedenbouwkundig vergunningsplichtige werken
De voorzitter: De heer Caron heeft het woord.
De heer Bart Caron: Mijnheer de minister, u bent bezig met het opmaken van een nieuw ontwerp van
decreet Ruimtelijke Ordening. Er is een afspraakkader van bekend gemaakt. Een van de kleine puntjes inzake
ruimtelijke ordening is de positie van de monumentenzorg in het vergunningenbeleid. Dat aspect wil ik vandaag
behandelen omdat er veel commotie en ongerustheid heerst over het afschaffen van het systeem van het
zogenaamde bindend advies.
Een bindend advies is trouwens een contradictie in de termen. Een bindend advies uitgebracht door een gemachtigd ambtenaar is een historisch gegroeide realiteit.
Ik kom er nog op terug. Dat moet plaatsmaken voor een besluitvorming door gemandateerde politici. Dat is
goed, want zij moeten verantwoording afleggen voor hun beslissingen, ambtenaren niet.
Het bindend advies is in feite een ondemocratisch instrument.
Ik denk dat het dateert uit een tijd dat politici lastige, moeilijke en onpopulaire maatregelen graag
doorschoven naar ambtenaren. Men kon zich, als het negatief uitdraaide, dan ook verschuilen achter hun
beslissing, want dat is dan een beslissing waar ze niet onderuit kunnen. Zo bouwden de ambtenaren van de
afdeling Monumenten en Landschappen een grote ervaring op. Ze deden hun werk met veel ernst, deskundigheid
en een hart voor hun vakgebied. In de loop der jaren zwol kritiek uit de samenleving aan – kritiek op
een te rigoureuze, eerder conservatieve kijk op erfgoed. De kritiek is overdreven.
Er is te weinig aandacht voor herbestemming, voor hedendaagse architectuur, voor aanpassingen in functie
van hedendaagse noden. Dat staat ook in uw beleidsbrief. De ambtenaren werden door eigenaars en bouwheren
al te vaak gepercipieerd als strenge controleurs. Dat is geen goede zaak, en ik denk dat we er met een
nieuw concept van af kunnen geraken. In de sector heerst grote onrust over het idee om het
bindend advies af te schaffen. Mijns inziens is dat met goede redenen. Als het bindend advies van de Vlaamse
administratie voor de afdeling Monumenten en Landschappen verdwijnt, dan kan een college van burgemeester
en schepenen een bouwvergunning toekennen voor een beschermd monument, ook als dat tot gevolg
heeft dat het pand ernstig wordt aangetast, deels wordt afgebroken of verbouwd zonder rekening te houden met
de erfgoedwaarde. Pessimistisch gesteld: op deze wijze wordt het principe van de bescherming zelfs helemaal
onderuit gehaald. En wat als een schepencollege ‘vergeet’ advies te vragen alvorens de bouwvergunning toe
te kennen? Wordt op deze wijze geen halve eeuw moeizaam bevochten beschermingsbeleid afgebroken? In dit
geval moeten we dat letterlijk nemen. Moeten bezorgde monumentenzorgers nu doodsbang
worden? Ik ben geneigd om daar met hen ‘ja’ op te antwoorden.
Maar het bestaande systeem behouden is niet ideaal. Ik pleit voor een hedendaags systeem dat de
kwaaltjes van het verleden wegwerkt maar ook dienstig is om zowel de bestaande beschermingsregeling te versterken
als het waardevolle erfgoed dat nog niet beschermd is een ‘veiligere’ positie te geven in de ruimtelijke
ordening. Dat kan wellicht in veel vormen, maar hier wil ik een invalshoek verwoorden. Als een overheid voor een beschermd
monument een bouwvergunning in overweging neemt, dan moet zij advies vragen aan het Agentschap
Ruimtelijke Ordening-Onroerend Erfgoed. Als dat advies negatief is voor het ingediende plan, dan vind ik
dat het schepencollege niet langer zou mogen beslissen, maar zijn standpunt stevig gemotiveerd moet
overmaken aan een expertencommissie met een drietal specialisten uit de monumentenzorg en de ruimtelijke
ordening. De commissie, waarvan de leden door het Vlaamse Gewest worden aangeduid, maakt dan een
nieuw advies op. Indien dit advies overeenstemt met het ontwerp van beslissing van het schepencollege, dan
wordt deze bevestigd. Voor mij is de zaak dan rond. Indien dit advies afwijkt van het ontwerp, wordt het
beter automatisch voorgelegd aan de minister bevoegd voor monumentenzorg. Die kan dan een positieve of
negatieve beslissing nemen over de bouwvergunning. Ook een burger moet dezelfde procedure kunnen volgen
als hij niet akkoord gaat met het advies.
In dit schema ligt de eindverantwoordelijkheid steeds bij het politieke beleid, maar wordt de ‘bescherming’
niet uitgehold. Ik sluit niet uit dat er betere oplossingen zijn. Laat ons evenwel zeker zoeken naar voldoende
veiligheid, zonder het bindende advies te behouden. Ik deel het principiële standpunt dat dit niet meer van
deze tijd is. De politiek moet wel haar verantwoordelijkheid opnemen, en dat kan nooit zonder stevige
motivatie. Beschermde monumenten afbreken is snel gebeurd, laat dat dus niet snel gebeuren. Ook voor het
archeologisch erfgoed – het verdrag van Malta is nog niet geïmplementeerd – moet er een moderne procedure
komen die ‘ongelukken’ voorkomt.
In het geval van een stads- of dorpsgezicht kunnen we de procedure overbodig maken, op voorwaarde dat er
een herwaarderingsplan is, geïmplementeerd in de ruimtelijke planning. Dat kader is sterk. In dat geval zou een
advies kunnen volstaan, waarna het college kan beslissen. Ook voor beschermde landschappen kan het zo.
Hierover wil ik de volgende vragen aan de minister stellen. Wordt het bindend advies uit het nieuwe decreet
geschrapt? Door welke procedure wordt dat vervangen? Welke garanties biedt die nieuwe procedure
voor beschermde monumenten en landschappen? Kunt u zich vinden in mijn voorstel of een verwant voorstel?
Kan zoiets worden opgenomen in het nieuwe decreet, al dan niet in gewijzigde vorm? Ik breng dit aan vanuit
een bekommernis, ik doe dat niet vanuit een gesloten gedachtekader.
De voorzitter: De heer Vermeulen heeft het woord.
De heer Jo Vermeulen: Mevrouw de voorzitter, er is hier sprake van een invasie door de commissie voor
Cultuur. Dat is wellicht niet toevallig. De zorg voor archeologie en onroerend erfgoed staat daar hoog op de
agenda. Ik beschouw dit echt als een vraag om uitleg.
Ik wil uitleg over een aantal dingen die verschenen zijn en beroering hebben veroorzaakt in het wereldje van de
archeologen. Dat is geen grote wereld: daarom staat die natuurlijk ook snel op zijn kop. Het is echter wel een
heel fragiele wereld. Daarom kan enige verduidelijking, vandaag of later, zeker op haar plaats zijn.
Mijn vraag gaat hoofdzakelijk over de plaats en het belang van archeologie in Vlaanderen. Op dit moment voorziet
artikel 5 van het decreet van 30 juni 1993 houdende de bescherming van het archeologisch patrimonium in
een advies dat bindend is. De heer Caron had het daar al over. Ter zake zijn er argumenten voor en tegen te bedenken.
Er valt veel over te zeggen. Het artikel is wel zeer belangrijk, in die zin dat zo ongeveer heel de zorg voor
het Vlaamse archeologisch erfgoed daaraan opgehangen is. We hebben de voorbije jaren kunnen vaststellen dat het
adviseren van bouwvergunningen met betrekking tot het archeologisch vooronderzoek en het onderzoek zelf, heeft
geleid tot een belangrijke toename van dat preventief archeologisch onderzoek in Vlaanderen. Over de aard en
de vorm van dat advies kunnen we discussiëren, maar dat het archeologisch erfgoed moet worden bewaakt, is een
bekommernis die buiten kijf moet staan.
In die context is er sprake van dat de sector voor zijn adviezen in de toekomst moet kunnen werken met zogenaamde
archeologische potentie- en evaluatiekaarten.
Dat lijkt me een zeer waardevol instrument. Ook daar wil ik wat meer uitleg over. Het kan immers ook negatief
of anders worden geïnterpreteerd. De bekommernis bestaat dat dit systeem ook omgekeerd kan worden gebruikt,
zodat hele gebieden de facto archeologievrij zouden zijn, als er daarvan geen potentie- of evaluatiekaart
wordt gemaakt of dit niet als zinvol wordt beschouwd.
Dat kan natuurlijk niet de bedoeling zijn. Ik denk dat in Vlaanderen zo ongeveer geen enkele vierkante
meter archeologievrij is of zal zijn. De vraag is natuurlijk wat de waarde is van een en ander, maar dat
kunnen archeologen pas weten als ze het zien, als ze het opgraven. Dat is natuurlijk het grote verschil met onroerend
erfgoed. Dat zien we staan. We zien of het verkrot is of niet. We zien waar we het moeten beschermen. Bij
archeologie moeten we dat ontdekken. Daarnet is er al over de kogge gesproken. Dan vinden we al eens iets.
Daar was er sprake van tien of vijftien jaar ellende om dat allemaal rond te krijgen en er iets zinnigs mee te
doen. De vraag is natuurlijk of er een potentiekaart zou zijn geweest van het gebied van het Deurganckdok.
Wellicht wel, want in polders, en zeker opgespoten polders, is gewoonlijk nog wel wat te vinden.
De heer Caron had het er al even over. Essentieel voor de bescherming en ondersteuning van de archeologie is
uiteraard dat het decretaal kader in overeenstemming wordt gebracht met de letter en de geest van het Verdrag
van Malta. Dat is al een paar maal in het vooruitzicht gesteld. Een mooie samenvatting daarvan is: behoud in
situ als het kan, en ex situ als het moet, maar behoud in elk geval.
Mijnheer de minister, bij de nakende actualisering van het decreet op de ruimtelijk ordening is de invalshoek
van de archeologie zeer belangrijk. Onderhoudt u, bij de voorbereiding ervan, structurele contacten met de
archeologiesector in Vlaanderen? Zij kunnen hun expertise ter zake delen, net als hun zorg om het erfgoed.
Hoe evalueert u de – publiek geformuleerde – zorgen en vragen van die archeologische sector?
In uw beleidsbrief wordt een ontwerp van onroerenderfgoeddecreet aangekondigd voor 2008. Wat is
hieromtrent de stand van zaken en de vooropgezette timing? De tijd loopt. Hoe verloopt de integratie van de
bepalingen van het Verdrag van Malta?
De voorzitter: De heer Stassen heeft het woord.
De heer Jos Stassen: Mevrouw de voorzitter, mijnheer de minister, geachte leden, ik had ter zake een interpellatieverzoek
ingediend. Aan de waarnemend voorzitter wil ik, ter attentie van de voorzitter van deze commissie,
zeggen dat ik dit echt een beleidskwestie vind. Ik vind het jammer dat we daar niet over kunnen interpelleren.
Het gaat over de vraag of een beleidskeuze die wordt gemaakt, een goede keuze is. Een vraag om uitleg geeft
niet de mogelijkheid te proberen dat te corrigeren door middel van een motie. De heer Vermeulen heeft duidelijk
een vraag om uitleg gesteld. Een interpellatie dient om een beleidskwestie in vraag te stellen, om alternatieven
te formuleren, zoals de heer Caron dat heeft gedaan, en om te kunnen zeggen of men akkoord gaat met een
voorstel. Ik blijf het dus jammer vinden dat dit niet tot een interpellatie heeft geleid.
Vandaag wordt het decreet met betrekking tot het roerend erfgoed in de commissie besproken. Het is bijna
ironisch dat tegelijkertijd ook een discussie over het bindend advies bij onroerend erfgoed wordt behandeld.
Het zijn twee tegengestelde zaken en daarom had ik graag een interpellatie kunnen houden. Het decreet
over het roerend erfgoed gaat uit van een sterk geloof in de sector. Het biedt een kans aan de sector en aan
Vlaanderen om met ons belangrijk roerend erfgoed om te gaan. Ik heb de indruk dat het voorstel om het bindend
advies af te schaffen, uitgaat van het omgekeerde. Over deze beleidskwestie moeten we discussiëren.
Deze discussie heeft te maken met een historische kwestie. Degenen die hebben beslist dat er een bindend
advies kwam bij monumenten en landschappen, hebben een historisch belangrijke daad gesteld. Ze hebben
een ongelooflijk inhaalmanoeuvre kunnen doen in een beleid dat nauwelijks rekening hield met wat Vlaanderen
en België bezitten op het vlak van onroerend erfgoed. Iedereen kent tientallen voorbeelden van hoe
werd omgegaan met ons historisch erfgoed, denken we maar aan de gebouwen van Horta die onder de bulldozer
terechtgekomen zijn. Dankzij het bindend advies heeft men daar gedeeltelijk paal en perk aan kunnen stellen.
Het is van historisch belang geweest. Meerdere ministers hebben zo een inhaalbeweging kunnen doen en ze
hebben de schade niet kunnen herstellen, maar wel kunnen beperken. Dit afschaffen, kan niet zomaar. Ik herhaal
dat dit meer zou moeten zijn dan een vraag om uitleg. We zouden over deze beleidskwestie moeten
kunnen discussiëren. Het probleem werd al geschetst door de andere vraagstellers,
ik zal het niet herhalen. Ik heb me laten inlichten over wat vandaag voorligt. Ik heb geprobeerd om uit
te vissen hoe het voorstel in elkaar zit. Ik heb me laten uitleggen wat het verschil is tussen wat vandaag bestaat
en wat in het nieuwe decreet zal staan, en wat daarvan de gevolgen zijn, zowel voor de monumenten als voor
de landschappen. In beide gevallen wordt een aanvraag en een advies gevraagd aan stedenbouw of, in het geval van ontvoogding,
aan de gemeente. Stedenbouw of de gemeente moeten nu een advies geven en bij weigering moet men
dat opvolgen of kan men bijkomende voorwaarden in de vergunning laten opnemen. In de toekomst kan men op
basis van een motivering afwijken van het advies dat Monumenten en Landschappen geeft. Het blijft zo dat
een verplicht advies moet worden opgevraagd, maar via een motivering kan ervan worden afgeweken. Dat geldt
zowel voor monumenten als voor landschappen. Er is wel een verschil tussen de twee. In het geval van
monumenten moet men voor de verdere technische specificaties, de zogenaamde niet-vergunningsplichtige werken,
wel een machtigingsverplichting vragen bij Onroerend Erfgoed. Voor een landschap zou dat niet zo zijn. Ik
weet niet of dit klopt, maar men heeft me verteld dat bij een landschap geen erfgoedspecifieke voorwaarden kunnen
worden opgelegd. Daarover kan men discussiëren. Zo kan men zich afvragen of de aanplanting van bepaalde
groenschermen in een landschap al dan niet specifieke elementen zijn waarbij men advies moet vragen.
Het verschil tussen ontvoogde en niet-ontvoogde gemeenten betreft vooral de controle op het advies. Een ontvoogde
gemeente moet advies vragen aan de administratie Onroerend Erfgoed, maar de gemeente kan dat ook nalaten,
want volgens mij beschikt de administratie Onroerend Erfgoed niet over een controlemechanisme om dit op
te sporen. Bij toevallige terreincontroles kunnen misschien wel vaststellingen worden gedaan, maar dat volstaat
niet. Ruimtelijke Ordening controleert de verleende vergunningen van de ontvoogde gemeenten wel en kan
dus waarschuwen indien een advies niet werd gevraagd, maar eigenlijk is de administratie Onroerend Erfgoed
volledig afhankelijk Ruimtelijke Ordening. We kunnen ook discussiëren over de ontvoogding. Ik
woon zelf in een gemeente die ontvoogd werkt en dat biedt zeker een aantal voordelen, maar de politieke
druk kan in een ontvoogde gemeente groter zijn dan in een niet-ontvoogde, want in dat geval beslist een
gemachtigde ambtenaar en die heeft het wellicht iets makkelijker om te weigeren.
Ook is er een risico op tegenstrijdige adviezen binnen de administratie. Ik geef u een voorbeeld. Een aanvrager
vraagt een vergunning voor het verbouwen van een monument/eengezinswoning en hij voorziet in een aantal
slaapkamers onder het dak. Dakvensters vallen niet onder de vergunningsplicht en dus moet er geen vergunning
worden aangevraagd, maar het gaat wel om een verandering aan het monument en dus moet aan Onroerend
Erfgoed om advies worden gevraagd of moet een machtiging worden gevraagd om de dakvensters te mogen
steken. Dit kan tot een tegenstelling leiden. Ik vermoed dat dergelijke situaties vaak voorkomen. Dezelfde
discussie kan worden gevoerd over dubbelglas in monumenten. We kennen het voorbeeld van Vooruit, waar
dubbelglas geweigerd werd. Door tegenstrijdige adviezen kunnen mensen in de problemen geraken.
Mijnheer de minister, ik twijfel niet aan uw goede intenties en dat u dergelijke zaken heel erg belangrijk
vindt vanuit uw bevoegdheid en als historicus. Het decreet dat mogelijk komt, geldt voor eender welke
minister die dat moet toepassen. De toepassing ervan is belangrijk, en staat los van de intentie van de minister
die toevallig het decreet opstelde. Het is niet mijn bedoeling om vragen te stellen over uw intenties, mijn
vraag is wat de gevolgen op het terrein zijn van dit voorontwerp. Het bindend advies is een van de belangrijke
historische beslissingen van de overheid, juist om een aantal kaalslagen te vermijden in belangrijke monumenten
en landschappen. Mijnheer de minister, wat is uw argumentatie om het
bindend sectoraal advies van de administratie te schrappen? Hoe ziet de nieuwe adviesbevoegdheid van
Onroerend Erfgoed er concreet uit voor monumenten, stads- en dorpsgezichten, landschappen en archeologie?
Welke elementen kunnen, naast de inhoudelijke, ook relevant worden ingebracht bij de beoordeling van
een advies? Dat kan door de administratie worden gebruikt maar kan ook door degene die je politiek moet
beoordelen, als niet relevant worden beschouwd. Hoe worden de motieven voor afwijking van het advies
beoordeeld? Zijn hier, naast inhoudelijke, ook andere relevante motieven mogelijk?
De voorzitter: De heer Sauwens heeft het woord.
De heer Johan Sauwens: Mevrouw de voorzitter, mijnheer de minister, collega’s, ik heb een dubbel
gevoel. Ik heb het in mijn parlementaire carrière bijna nooit meegemaakt dat een minister ondervraagd werd
over een voorontwerp van decreet. Het parlement heeft drie opdrachten: decreten maken, begrotingen goedkeuren
en de regering controleren. Voor wat betreft het controleren van de regering via een voorontwerp van
decreet, pleit ik voor grote behoedzaamheid. We moeten opletten voor het voeren van grote besprekingen en het
uitdagen van de minister om zijn intenties te geven, die verwoord zijn in het voorontwerp van decreet. Dat voorontwerp
moet nog een hele adviesronde doorlopen. Straks worden de besprekingen deel van de parlementaire
stukken, die mee de interpretatie van het uiteindelijk wetgevend werk moeten bepalen.
In dit parlement val ik van de ene verbazing in de andere. Gewone vragen om uitleg en interpellaties worden
geweigerd door het Bureau om redenen die met politieke opportuniteit te maken hebben. Ik kom nog uit de klassieke
school waarbij voorzitter Jean Defraigne oordeelde dat er geen domme vragen of interpellaties waren. Het
recht van spreken in het parlement was er tot het uiterste. Dit punt had eigenlijk niet behandeld kunnen worden:
een ondervraging van een minister over een ontwerp van decreet waar wij, collega’s, uiteindelijk het
laatste woord over zullen hebben. Enerzijds had ik totaal geen behoefte om hier iets te zeggen. Ik pleit voor heel
grote behoedzaamheid, ook bij het antwoord van de minister, om de reden die ik net duidelijk heb gemaakt.
Ten tweede wil ik wel het woord voeren om alleszins al duidelijk te maken dat ik heel ongerust ben, en ik druk
me voorzichtig uit, over een aantal dingen dat ik zie gebeuren op het terrein. Indien het voorontwerp, zoals
het nu wordt geformuleerd, zal worden voorgelegd, dan zullen ikzelf en nog meer mensen uit mijn fractie, daar
grote problemen mee hebben. De bescherming van monumenten is een zeer krachtig middel dat juist op dit
ogenblik overeind zou moeten blijven. We worden in Vlaanderen geconfronteerd met twee elementen.
Ten eerste wordt het structuurplan in zijn volle hardheid toegepast. Dat betekent dat we innames van de vrije ruimte
niet meer toelaten. Dat betekent dat de vrije ruimte schaars is en dat de bestaande panden steeds meer worden
afgebroken, gerenoveerd en aangepakt. Ik zou in deze omstandigheden pleiten voor meer bescherming, want
mijnheer de minister, uw inventaris wordt leeggeroofd vandaag. Het zou een pijnlijke oefening zijn om eens te
gaan kijken wat er nog staat van de eerste inventaris die ongeveer 25 jaar geleden is opgesteld. Juist op dat ogenblik
zou men versneld moeten beschermen en op een juridische manier de zorg om wat er geïnventariseerd is,
moeten meenemen in de besluitvorming. Ten tweede is er de ontvoogding van de gemeenten en het
verschuiven van de verantwoordelijkheid naar de gemeenten. Ik heb daar altijd voor gewaarschuwd, en zeker
in de sector van de monumentenzorg. Ik heb het dan nog niet over de projectontwikkelaars die op alle mogelijke
en onmogelijke manieren trachten hun project erdoor te drukken, ik heb het gewoon over bijvoorbeeld een aantal
beeldbepalende oude hoevegebouwen. De heer Stassen weet waarover ik het heb. Ik heb eergisteren een heel
pijnlijke confrontatie gehad met burgers die een gebouw niet kunnen onderhouden en vragen of het afgebroken
mag worden om drie bouwplaatsen te maken. Het gaat over beeldbepalende gebouwen, vermeld in de inventaris.
Dat gebeurt vandaag in alle gemeenten van Vlaanderen, vanwege de enorme stijging van de prijs van de
bouwgrond. Er is een enorme druk op alles wat ruimte kan creëren. Daarnet wilde men nog kerken afbreken om
ruimte te creëren. Op een ogenblik dat er juist een versterking zou moeten
zijn van het instrumentarium, gaat de beweging in de andere richting. Dat vind ik zeer gevaarlijk. Bij de
behandeling van het decreet wil ik daar dieper op ingaan. We moeten samen zoeken naar een zekere soepelheid,
die wel nodig is, daar ben ik het mee eens. Ik vind persoonlijk dat men door het invoeren van de
beroepsmogelijkheid, al heel veel oplost. Waarom moet men het bindend advies afschaffen?
Ten tweede voer ik toch het woord omwille van mijn bekommernis om u en uw positie. U moet als historicus
weten dat de eerste wet op de bescherming van de monumenten dateert van de jaren dertig en door een
liberale minister werd doorgevoerd. In 1934 werd de wet in de Kamer van Volksvertegenwoordigers goedgekeurd.
Dat was toen zeer vooruitstrevend. In het Europa van toen was het de eerste keer dat een regering
en een parlement een zeer verregaand instrumentarium hadden ontwikkeld dat de absolute eigendomsrechten
beperkte. Tijdens de daaropvolgende legislatuur heeft een liberale minister de wet uitgevoerd. Dat
is de realiteit. En het is de liberale minister Waltniel geweest die de basis heeft gelegd voor het decreet op
het archeologische patrimonium, wat door de daaropvolgende regering uiteindelijk is goedgekeurd. Hij
heeft het eerste voorontwerp ingediend. Er zijn nu kwatongen die beweren dat er komaf moet
worden gemaakt met het hele monumentenbeleid. Er zou een revanchegeest bij belangrijke mensen rondwaren.
Ik ken u echter als iemand die niet alleen woorden, maar ook daadkracht ontwikkelt. Ik zie echter alleen
maar wat ik zie. De administratie Monumenten en Landschappen was een kleine kernadministratie die tot
in de provincies was vertakt met een zeer sterke dossierkennis.
Dat is door niemand ooit betwist. Men kon bouwhistorisch bepalen wat belangrijk was en wat niet,
en een wetenschappelijk dossier aandragen. Via de adviezen door de koninklijke commissie werden voorstellen
aan de minister gedaan. Deze administratie is nu, onder meer door de operatie ‘beter bestuurlijk beleid’
(BBB), volledig versplinterd. Ik zie het bijvoorbeeld aan het aantal beschermingen.
De voorzitter: Minister Van Mechelen heeft woord.
Minister Dirk Van Mechelen: Mag ik u een vraag stellen? Wat BBB betreft, voer ik gewoon uit wat er al is
beslist.
De voorzitter: De heer Sauwens heeft woord.
De heer Johan Sauwens: Ik wil er wel dieper op ingaan, de entiteit is een onderdeel, maar waar is dat beslist?
De voorzitter: Minister Van Mechelen heeft woord.
Minister Dirk Van Mechelen: De bevoegdheidsverdeling
tussen het departement, het agentschap, het Vlaams Instituut voor Onroerend Erfgoed (VIOE) en de integratie
tussen ruimtelijke ordening en onroerend erfgoed is via BBB beslist.
De voorzitter: De heer Sauwens heeft woord.
De heer Johan Sauwens: Waar het beslist is en door wie, doet er niet toe, ik zeg alleen maar dat de administratie
versplinterd zit. Wat het aantal beschermingen betreft, zijn er het laatste
jaar van de vorige legislatuur 795 monumenten beschermd, en in 2007, het voorlaatste jaar van de huidige
legislatuur, zijn er 99 beschermd. We zien een terugval, er wordt bijna niet meer beschermd.
Straks wordt de Open Monumentendag onder voogdij van minister Anciaux geplaatst. Ik maak er nu enigszins een
karikatuur van, en de kogge staat te verwateren. Het zou sterk zijn om van de komende oefening voor een decreet
waaraan we serieus willen meewerken, gebruik te maken om een nieuwe start te geven aan een beschermingsbeleid
van het onroerende erfgoed in Vlaanderen.
De voorzitter: De heer Caron heeft woord.
De heer Bart Caron: In het besluit staat dat monumenten en landschappen een herkenbare entiteit met betrekking
tot het geheel moeten vormen. Het is natuurlijk geen normatief begrip. Ik betreur de vrij doortastende wijze
waarop een en ander is geïntegreerd op een provinciale afdeling. Ik heb het hier niet over het VIOE, want er zijn
hervormingen die zeer goed zijn doorgevoerd. We moeten misschien nog eens nadenken, en ik wil dat niet in een
negatieve sfeer doen, over de mate waarin de monumentenzorg nu beter of slechter wordt. Het gaat niet over de
integratie en de ruimtelijke ordening, maar over het al dan niet apart functioneren van een entiteit.
De voorzitter: Minister Van Mechelen heeft woord.
Minister Dirk Van Mechelen: Ik ga met de heer Sauwens akkoord dat we in een vreemd debat zijn
terechtgekomen. Ik heb ook het genoegen om meer dan 20 jaar parlementair mandaat achter de rug te hebben.
Het is de eerste keer dat dergelijke vragen worden geagendeerd. De heer Stassen vraagt of zich een
beleidsprobleem voordoet. Dat is ook de reden waarom er een decreet komt.
Het ontwerp van decreet heeft drie jaar voorbereiding achter de rug binnen de regering en de meerderheidspartijen.
Zo gaat dat in een democratie. Het werd vorige week vrijdag goedgekeurd op de ministerraad en
wordt vandaag voorgelegd aan een zeer breed forum van advies, veel uitgebreider dan wettelijk verplicht is.
Het ontwerp van decreet gaat naar de Strategische Adviesraad Ruimtelijke Ordening-Onroerend Erfgoed
(SARO), naar de Vlaamse Woonraad, de SERV, de Minaraad, de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten
(VVSG) en de Vereniging van de Vlaamse Provincies (VVP). Vanzelfsprekend zal op basis van
het advies de Vlaamse Regering beslissen wat zij al dan niet bijspijkert.
Ik ben blij te kunnen meedelen wat er wel en wat er niet in staat. De kogge is in 2000 boven water gehaald.
Zelf ben ik met dit bevoegdheidsdomein bezig vanaf 2005 en altijd bereid om mijn politieke verantwoordelijkheid
te nemen, maar niet voor de zaken waarvoor ik geen verantwoordelijkheid draag.
Het zou goed zijn te beginnen met de huidige reglementering. Wat de vroegere liberale ministers betreft,
mijnheer Sauwens, prijs ik mezelf gelukkig dat de meerderheid heeft aanvaard dat we naar een aanzienlijke
uitbreiding van de bescherming gaan. Ik stel immers vast op het terrein dat de inventaris ‘Bouwen door de
Eeuwen heen’ een prachtig boek is, maar dat het daarbij blijft. Met dit decreet proberen wij heel die inventaris
te valoriseren en daar voel ik me als liberaal minister kiplekker bij.
Het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening regelt de adviesverlening
over vergunningen in artikel 111. Het gaat dan over zowel stedenbouwkundige vergunningen als verkavelingsvergunningen.
Paragraaf 1 en 2 regelen de mogelijkheid om advies van de gemeentelijke commissie voor
ruimtelijke ordening (GECORO) in te winnen. Paragraaf 3 regelt dat ook in ontvoogde gemeenten het college
vrijwillig het advies van de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar kan inwinnen. In ontvoogde gemeenten
stellen we soms een inflatie aan beroepen vast. Misschien moeten we die gemeenten attent maken op
paragraaf 3 van artikel 11 van het decreet. Verderop volgen paragrafen 4 en 5. Ik citeer paragraaf
4: “De Vlaamse Regering kan bepalen aan welke instanties de aanvraag voor advies moet worden voorgelegd.
Het advies dient steeds binnen dertig dagen ontvangst van de adviesvraag verstuurd te zijn naar het
college van burgemeester en schepenen. Wanneer geen advies is verleend binnen die termijn, mag aan de adviesvereisten
worden voorbijgegaan.” Ik citeer paragraaf 5: “Voor de volgende aanvragen worden
steeds adviezen ingewonnen, die bindend zijn, voor zover ze negatief zijn of voorwaarden opleggen: aanvragen
met betrekking tot percelen die gelegen zijn op minder dan 30 meter van het domein van autosnelwegen,
hoofdwegen en primaire wegen I of langs gewest- of provinciewegen worden voor advies voorgelegd aan de
wegbeheerder; aanvragen met betrekking tot voorlopig of definitief beschermde monumenten of archeologische
monumenten en met betrekking tot percelen die gelegen zijn in voorlopig of definitief beschermde stads- en
dorpsgezichten, landschappen, ankerplaatsen of archeologische zones worden voor advies voorgelegd aan de entiteit
die door de Vlaamse Regering belast wordt met taken van beleidsuitvoering inzake onroerend erfgoed.
Deze adviezen dienen steeds binnen dertig dagen na ontvangst van de adviesvraag verstuurd te zijn naar het
college van burgemeester en schepenen. Wanneer geen advies is verleend binnen die termijn, mag aan de adviesvereisten
worden voorbijgegaan. De verplicht in te winnen niet-bindende adviezen zijn
vastgelegd in het besluit van de Vlaamse Regering van 5 mei 2000. U merkt dat bindende adviezen de uitzondering
zijn, en niet-bindende adviezen de regel. Onroerend Erfgoed en het Agentschap van de Wegen hebben dus
tot nu toe een vrij uitzonderlijke positie bekleed. Toen men dit in het decreet van 1999 inschreef, had men daar
geen bijzondere bedoelingen mee. Het was immers gewoon de bevestiging van een historisch gegroeide situatie.
Ook in de voorheen geldende Stedenbouwwet van 1962 was dit immers zo.
De aanleiding tot de wijziging van het decreet Ruimtelijke Ordening is, zoals ook vooropgesteld in het regeerakkoord,
de nood aan een actualisatie van het bestaande decreet, de uitvoering van het regeerakkoord en van de
beleidsnota’s. Bij deze decreetswijziging wil de Vlaamse Regering een aantal uitgangspunten hanteren. Ruimtelijke
Ordening heeft een integrerende rol te vervullen waarbij de verschillende belangen afgewogen moeten
worden en de politieke overheid verantwoordelijk is voor het nemen van beleidsbeslissingen. Dit noemt men
ook het zogenaamde primaat van de politiek. In het regeerakkoord 2004-2009 staat in het hoofdstuk
over een rechtszekere ruimtelijke ordening te lezen: “De ruimtelijke ordening, waarbij de diverse maatschappelijke
activiteiten gelijktijdig tegen elkaar worden afgewogen, behoudt een integrerende en coördinerende rol ten
opzichte van de diverse sectorale aanspraken. Conflicterende regelgeving of grafische overlappingen worden
maximaal weggewerkt.” Ruimtelijke ordening kan deze integrerende en coördinerende
rol maar opnemen als ze op basis van de verschillende adviezen een afweging kan maken. De bepaling
dat enkele adviezen een bindend karakter hebben, maakt dat de afweging niet ten volle kan gebeuren.
In het voorontwerp van geactualiseerd decreet dat voorligt voor advies, wordt voorgesteld dat niet alleen
het bindend karakter van het advies van onroerend erfgoed wordt gewijzigd, maar dat ook het bindend
karakter van het advies van het Agentschap van de Wegen wordt aangepast. Pas daarna zijn alle adviezen
van een gelijk niveau en kan ruimtelijke ordening ten volle zijn integrerende en coördinerende rol uitoefenen.
Ik pleit voor een geïntegreerde besluitvorming van de ruimtelijke ordening en het onroerend erfgoed. Er is
lang gepleit voor een scheiding. Hier zijn ze geïntegreerd. De reflex van ons erfgoed moet bijna een basisreflex
zijn vooraleer wordt geoordeeld over stedenbouwkundige aanvragen. Iedereen die met ruimtelijke
ordening begaan is, moet een onroerenderfgoedreflex hebben. Als ze die niet hebben, zullen we het moeten
aanleren. Ze moeten ervoor openstaan, er begrip en oog voor hebben. Het is niet voor niets dat ik al jaren
pleit voor zes miljoen monumentenwachters in Vlaanderen en niet voor de enkele die we vandaag hebben.
We moeten de adviezen nu afwachten. Het gaat intussen over twee decreetteksten. Er is de wijziging van het
bestaande decreet waar we het hoofdstuk grond- en pandenbeleid hebben uit gelicht. Dat is verwerkt in een
compleet nieuw decreet. Daarin hebben we ook andere decreten ondergebracht om coördinatie te hebben. Op
deze manier hebben we twee vrij transparante decreten. Wat hier ter discussie ligt, is de wijziging van het
decreet Ruimtelijke Ordening. De heer Sauwens stelt terecht de vraag of we nu de discussie zullen aangaan
over iets wat in het ontwerp van decreet staat. We voorzien in het gewijzigde decreet niet meer in
bindende adviezen, zowel op het vlak van wegen als onroerend erfgoed. De vraag die zich stelt, is of de rol
van de wegen en van het onroerend erfgoed daardoor wordt afgezwakt. Heiligt het doel de middelen? Ja of
neen? Ik wil daar duidelijk op antwoorden dat dit volgens mij niet het geval is. Dat is zeker niet mijn bedoeling.
Als minister bevoegd voor het onroerend erfgoed sta ik voor 100 percent achter het belang van deze
sector in onze samenleving. Ik heb dat daarnet met betrekking tot de uitvoering van BBB ook duidelijk
willen maken. Wie stelt dat de adviezen plots vrijblijvend worden of volledig aan relatieve willekeur onderhevig zijn, wenst
het nieuwe systeem geen kans te geven. We hebben in de decreetswijziging immers de volgende artikelen
voorzien – ondertussen zijn de teksten ook neergelegd in het Vlaams Parlement – ik citeer: artikel 99.2:
“Indien uit de verplicht in te winnen adviezen blijkt dat het aangevraagde strijdig is met direct werkende normen
binnen andere beleidsvelden dan de ruimtelijke ordening, of indien dergelijke strijdigheid manifest reeds uit
het aanvraagdossier blijkt, wordt de vergunning geweigerd of worden in de aan de vergunning verbonden
voorwaarden waarborgen opgenomen met betrekking tot de naleving van de sectorale regelgeving. Voor de toepassing
van het eerste lid wordt onder ‘direct werkende normen’ verstaan: supranationale, wetskrachtige, reglementaire
of beschikkende bepalingen die op zichzelf volstaan om toepasbaar te zijn, zonder dat verdere
reglementering met het oog op precisering of vervollediging noodzakelijk is.” Dit is een voldoende reden om
de stedenbouwkundige vergunning te weigeren. Ik citeer verder artikel 99.3: “Een vergunning kan worden
geweigerd indien uit een verplicht in te winnen advies blijkt dat het aangevraagde onwenselijk is in het
licht van doelstellingen of zorgplichten die gehanteerd worden binnen andere beleidsvelden dan de ruimtelijke
ordening. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder ‘doelstellingen of zorgplichten’ verstaan: internationaalrechtelijke,
Europeesrechtelijke, wetskrachtige, reglementaire of beschikkende bepalingen die de overheid
bij de uitvoering of de interpretatie van de regelgeving of het voeren van een beleid verplichten tot de
inachtneming van een bepaalde doelstelling of van bepaalde voorzorgen, zonder dat deze op zichzelf beschouwd
voldoende juridisch duidelijk zijn om onmiddellijk te kunnen worden uitgevoerd.” Dit is het principe
van de zorgplicht dat we niet alleen in het onroerend erfgoed willen implementeren, maar ook in alle adviezen
die worden verstrekt in het kader van een stedenbouwkundige vergunning.
Ik vat dit nog even samen in mensentaal. Een vergunning moet worden geweigerd als ze strijdig is met direct
werkende sectorale normen of er dienen voorwaarden te worden opgenomen die strekken tot een adequate invulling
van de sectorale wetgeving. Een vergunning kan worden geweigerd als ze strijdig is met niet direct werkende
sectorale regels, zoals zorgplichten. Dat is een appreciatie die op dat ogenblik moet gebeuren.
Zoals u weet, zijn in recentere beschermingsbesluiten heel stringente regels vastgelegd. Deze kunnen dus beschouwd
worden als direct werkende normen. In de verschillende onroerend-erfgoeddecreten staat de zorgplicht
bovendien generiek ingeschreven. Er kan wat dat betreft ook geen discussie zijn.
Bovendien voert het ontwerp ook een wijziging door van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van
monumenten, stads- en dorpsgezichten. Aan artikel 11, paragraaf 4 van het decreet wordt een tweede lid toegevoegd
dat luidt als volgt: “Stedenbouwkundige vergunningen gelden als machtiging indien de vergunning het
advies van het agentschap integraal overneemt.” We willen op die manier komen tot een administratieve
lastenverlaging, weliswaar op voorwaarde dat het geldt op de voorwaarden die het agentschap oplegt.
U weet dat momenteel het gebruik dat de stedenbouwkundige vergunning tevens – in het kader van Onroerend
Erfgoed – geldt als machtiging om werken uit te voeren aan een beschermd monument of stads- of dorpsgezicht
van elkaar onderscheiden is. Door het schrappen van het bindende karakter van het advies bestaat de mogelijkheid
dat een eigenaar van een monument een stedenbouwkundige vergunning krijgt en deze vervolgens naar
eigen goeddunken uitvoert middels onwenselijke technieken. Een en ander is nu zo vanwege het feit dat de
stedenbouwkundige vergunning niet zo in detail gaat als noodzakelijk is voor bepaalde restauratiedossiers. Daarom
wordt voorgesteld dat de stedenbouwkundige vergunning expliciet geldt als machtiging op voorwaarde
dat het advies is opgenomen. We gaan hier naar een versterking van de regelgeving.
Voor de percelen gelegen binnen beschermd landschap is deze uitzonderingsregel niet voorzien en is er ook
geen aparte machtiging meer nodig als de werken vergunningsplichtig zijn. Voor percelen gelegen binnen
een beschermd archeologisch monument of zone blijft het advies bindend, conform het Archeologiedecreet,
voor zover het advies voorwaarden oplegt. Daar volgen we dus dezelfde logica als deze die ik zojuist naar
voren heb geschoven. Dit impliceert dat een stedenbouwkundige vergunning die wordt gegeven zonder rekening te houden met het
advies van onroerend erfgoed voor wat betreft monumenten en stads- en dorpsgezichten de facto gewoon
onuitvoerbaar is zolang de aanvrager geen aparte machtiging van de administratie Onroerend Erfgoed
heeft verkregen. Een college dat een vergunning geeft afwijkend van een ongunstig advies van Onroerend
Erfgoed voor wat betreft monumenten en stads- en dorpsgezichten geeft aan de aanvrager de illusie dat hij
zijn slag heeft thuisgehaald, terwijl hij nog steeds die machtiging zal moeten krijgen. De machtiging wordt
immers opgelegd voor wat monumenten en stads- of dorpsgezichten betreft. In de praktijk zal het advies van
Onroerend Erfgoed dus steeds gevolgd worden om uiteindelijk de vergunning ook uitvoerbaar te maken.
Ik moet er ten slotte ook op wijzen dat de Formele Motiveringswet van kracht blijft en, conform deze
wetgeving, elke beleidsbeslissing zich moet baseren op de adviezen en dat er alleen van een advies kan worden
afgeweken op basis van veruitwendigde en daadkrachtige motieven, conform deze Motiveringswet. Dit betekent
dat het verplichte advies over onroerend erfgoed volwaardig moet worden meegenomen in de afweging bij
beslissingen inzake stedenbouwkundige vergunningen en dat er slechts sterk gemotiveerd van kan worden afgeweken.
Trouwens, de Formele Motiveringswet geldt voor alle uitgebrachte adviezen, dus ook van alle andere
beleidsdomeinen die een advies uitbrengen en waarvan een vergunningverlenende overheid zou willen afwijken.
Om een voorbeeld te geven: indien er van een advies waarin archeologische voorwaarden worden aangegeven,
wordt afgeweken, moet de vergunningverlener zich bewust zijn dat dit vertragende factoren met zich kan
meebrengen in de uitvoering van de stedenbouwkundige vergunning. Wij zullen dan ook de nodige maatregelen
nemen om in de vergunning te stellen dat men afwijkt en dat daardoor een afzonderlijke aanvraag voor machtiging
moet worden verkregen, zodanig dat wat dat betreft zowel met betrekking tot het verlenen van de vergunning
en de implicaties ervan enerzijds als met betrekking tot de gevolgen voor de handhaving anderzijds er geen
enkele onduidelijkheid kan bestaan.
Mijnheer Caron, ik heb uw suggestie met betrekking tot stedenbouwkundige vergunningen voor beschermde
monumenten begrepen. Ik heb daar akte van genomen. We kunnen een discussie voeren over de pro’s en de
contra’s. Ik stel voor, zoals de heer Sauwens terecht zegt, dat we dit debat voeren bij het decreet zelf. Wij
moeten de vraag stellen of het, indien het werkbaar is, aangewezen is. Ik kom in mijn antwoord nog op andere
garanties, die misschien op een eenvoudigere manier uiteindelijk hetzelfde beogen.
Er is nog een andere reden waarom uw voorstel misschien niet nodig is. We zullen dat te gepasten tijde beslissen.
Binnen het beleidsveld Ruimtelijke Ordening wordt met het voorstel tot geactualiseerd decreet betreffende Ruimtelijke
Ordening gestreefd naar een gelijke behandeling van adviezen. Dat was de bottomline, en zo stond het ook
in het regeerakkoord. Daarom zou ik daarvan liever niet afwijken. Er moeten natuurlijk wel voldoende garanties
zijn. In het decreet zijn nog bijkomende garanties voorzien om een en ander mogelijk te maken.
Men mag trouwens ook niet vergeten dat het nieuwe decreet bijkomende garanties inhoudt op aandacht voor
de adviserende instanties. Hun advies mag dan wel niet bindend zijn, maar er wordt voorzien dat beslissingen
naar deze adviserende instanties moeten worden gestuurd – en het is belangrijk, mijnheer Sauwens, dat we
dit in het achterhoofd houden. Onroerend Erfgoed geeft een niet-bindend advies, een gemeente beslist een stedenbouwkundige
vergunning af te leveren waarbij zij voorbijgaat aan dit advies. Zij moet dit minstens zeer sterk motiveren. Maar op dat moment bestaat de mogelijkheid
dat deze adviesverlenende instantie een beroepsrecht krijgt bij de deputatie. Het mechanisme is: wij
beslissen wie advies moet geven, de adviezen worden gelijkwaardig behandeld – dus niet het een bindend en
het andere niet-bindend –, wij zeggen dat de wetgeving op de Formele Motiveringsplicht is van toepassing, wij
maken de koppeling tussen de stedenbouwkundige vergunning en de machtiging, namelijk administratieve
vereenvoudiging of net niet, en wij zeggen dat de stedenbouwkundige vergunning ter kennis moet worden
gegeven aan degene die advies heeft verleend, zodanig dat degene die advies heeft verleend afwijkend van de
motivatie op die manier de adviesverlener in kennis stelt dat hij gebruik kan maken van zijn beroepsmogelijkheid
bij de deputatie. Ik denk dat we zo een transparant mechanisme hebben dat geldt voor alle adviezen die worden ingediend – of
het nu gaat om wegen, onroerend erfgoed, milieu – om uiteindelijk de verantwoordelijkheid te nemen. Ik sluit
niet uit dat dit een bijzondere waakzaamheid vraagt van het agentschap om dit te volgen. In het besluit over
de adviesverlening en de vergunningen moeten we duidelijke afspraken maken dat, wanneer men afwijkt
van een advies, de vergunningverlenende overheid zeer duidelijk moet zeggen waarom ze het advies volgt of
niet volgt. Laat ons het decreet op zijn merites beoordelen. Ik wacht de adviezen af van alle betrokken partijen. Maar
ik denk dat we op deze manier enkele knelpunten billijk hebben behandeld.
Het Forum Vlaamse Archeologie, waarnaar de heer Jo Vermeulen verwijst, heeft net zoals elke middenveldorganisatie
binnen mijn bevoegdheid een goed contact met mij en mijn kabinet. Op hun vragen om uitleg, verduidelijking
of suggesties wordt telkens geantwoord. De vragen en bekommernissen uit de archeologische sector,
zoals de integratie van de bepalingen van het Verdrag van Malta, zullen na een brede bevraging meegenomen
worden in het voorstel van onroerenderfgoeddecreet. Ik wil nog even zeggen dat ik in sommige middenveldorganisaties
bijzonder ontgoocheld ben. De Confederatie Bouw was lid van de klankbordwerkgroep. Ze kwam
nooit maar schoot nadien wel de regeling af. Als men een mogelijkheid tot inspraak krijgt, moet men ze ook
nemen. We hebben ontelbare vergaderingen gehad, voor mij is er inspraak genoeg geweest.
De conclusies van de zogenaamde ‘Malta-werkgroep’, waaraan zowel archeologen als bouwheren deelnamen,
zullen worden geïntegreerd in het ontwerp van Onroerend Erfgoeddecreet. Wat mij betreft, moet het er nu
door. Het is de bedoeling om het in mei of in juni aan de Vlaamse Regering voor te leggen. We hebben eerst
de twee andere decreten afgewerkt. Ik kan wel zeggen dat er heel uitdrukkelijk gevolg zal
worden gegeven aan de ‘Malta-bepalingen’ met betrekking tot het archeologisch erfgoed, zowel voor het
preventief archeologisch onderzoek en de archeologische opgravingen voorafgaand aan de uitvoering van
werken, alsook voor de financiering ervan. U weet dat ik pleit voor solidarisering van de kosten. Ik heb de bouwsector
in persoonlijke gesprekken proberen te overtuigen. In de petrochemische sector bestaat al zo’n systeem.
Het komt niet van hen, dus zal het van ons naar hen moeten gaan. Ik had het liever anders gezien.
Ik wil tot slot besluiten met een andere vernieuwing die ook in het ontwerp van decreet Ruimtelijke Ordening
wordt opgenomen waardoor de lat een stuk hoger wordt gelegd voor alle geïnventariseerde constructies. Het gaat
over zeer veel geïnventariseerde stukken. Ik voeg een artikel toe aan het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming
van monumenten, stads- en dorpsgezichten. Ik citeer: “Hoofdstuk IVbis. Inventaris van het bouwkundig
erfgoed. Artikel 12bis. De Vlaamse Regering stelt een inventaris van het bouwkundig erfgoed vast
onder de vorm van een systematische oplijsting per gemeente, waarbij per opgenomen constructie of gezicht
een beknopte wetenschappelijke beschrijving wordt gevoegd. De inventaris wordt beschikbaar gesteld in
boekvorm of in een beveiligd gedigitaliseerd bestand. Artikel 12ter. Een stedenbouwkundige vergunning voor
het slopen van als bouwkundig erfgoed geïnventariseerde constructies kan slechts worden afgeleverd na een
algemene onroerenderfgoedtoets, waarvoor de Vlaamse Regering de nadere regelen bepaalt.”
Ik heb meer dan een jaar geleden aan het Agentschap Ruimtelijke Ordening de opdracht gegeven om een werkbaar
systeem uit te werken waarbij de softwareprogramma’s voor de vergunningenregisters worden aangepast.
Per fiche in het vergunningenregister zullen we bijkomende aandacht besteden aan het feit of het is opgenomen
in de inventaris en wat er is opgenomen. We zijn aan het uitwerken hoe we de interface tot stand kunnen brengen
om te vermijden dat we alles moeten overtikken in het vergunningenregister. Er wordt in het nieuwe decreet wel
degelijk beslist dat er een stedenbouwkundige vergunning zal nodig zijn voor het slopen van als bouwkundig erfgoed
geïnventariseerde constructies. In mijn gemeente stond een prachtig seinhuisje aan een overweg. De NMBS was haar terrein aan het opkuisen.
’s Morgens reed ik er voorbij en het stond er nog; ’s avonds was het verdwenen, zonder enige aanvraag
van vergunning. Daarom pleit ik ook voor erfgoedroutes in gemeenten zodat iedereen zou weten wat er geïnventariseerd
is. De inventaris bevat meer dan 100.000 items die op deze manier een bijzondere aandacht krijgen via de erfgoedtoets.
De erfgoedtoets zal zich inzonderheid uitspreken over het feit of het mag worden gesloopt of niet. De heer
Sauwens gaf het voorbeeld van de hoeve. Als uit de erfgoedtoets blijkt dat de hoeve zeer waardevol is en ze
is geïnventariseerd, dan heeft het gemeentebestuur een formeel document in handen.
Het ontwerp van decreet dat nu voor advies weg is, zal binnen de regering aan de adviezen worden aangepast.
Het is de bedoeling dat we het alleszins nog voor het zomerreces naar de Raad van State sturen. Het zal van
de adviesprocedure afhangen of we het nog van de Raad van State terugkrijgen voor de laatste ministerraad
in juli. Zo ja, dan is het de bedoeling om het tijdens die ministerraad nog goed te keuren en het
onmiddellijk in te dienen in het parlement, zodat de bespreking in september of uiterlijk in oktober, in alle
sereniteit kan worden gevoerd.
De voorzitter: De heer Caron heeft het woord.
De heer Bart Caron: Mijnheer de minister, ik dank uvoor het antwoord.
Mijnheer Sauwens, uw opmerking over de behandeling van dit soort zaken op dit moment klopt, maar daar is
een goede reden voor, want heel veel mensen die met monumentenzorg bezig zijn, zijn niet de mensen die bij
de voorbereidende besprekingen van een decreet inzake ruimtelijke ordening betrokken zijn. Het gaat om
mensen zoals ik, die een kanaal zoeken om hun bezorgdheid te uiten. Het is niet meer dan dat, maar die
bezorgdheid kan legitiem zijn. Mijnheer de minister, deze vraag om uitleg is niet meer
zo recent, ik had trouwens een interpellatieverzoek ingediend, en ik weet niet wat er ondertussen met de
teksten is gebeurd. Ik ga daar nu niet dieper op in, ik respecteer het verzoek om dat in een latere fase te
doen. Ik wil ook het expertenonderzoek afwachten en nagaan hoe het middenveld erop reageert. We moeten
het gesprek inderdaad voeren via de geijkte kanalen. Hetzelfde geldt voor de beroepsprocedure.
Ik wil alleen nog opmerken dat de aanvullingen inzake de sloopvergunningen en de koppeling ervan aan de
inventaris bouwkundig erfgoed zeker een stap vooruit zijn. Nu we zien dat het seinhuisje waaraan u refereert
zo makkelijk verdwijnt, moeten we ons afvragen of we voor een aantal markante, beeldbepalende elementen
toch niet beter de beschermingsregeling zouden toepassen, want dan weet een eigenaar wel of zijn pandje al
dan niet op een lijst staat. We moeten ons in elk geval blijven bekommeren om ons bouwkundig erfgoed.
De voorzitter: De heer Vermeulen heeft het woord.De heer Jo Vermeulen: Ik dank de minister voor de
antwoorden die hij gaf op al mijn vragen.
De voorzitter: De heer Stassen heeft het woord.
De heer Jos Stassen: Mevrouw de voorzitter, ik ben een politicus en ik meen dat we het politieke debat
moeten voeren over hoofdlijnen. Dat was ook de bedoeling van mijn interpellatieverzoek.
Mijnheer de minister, u had perfect de vragen naar uw intenties onbeantwoord kunnen laten. Dat zou ik aanvaard
hebben. Ik ken u voldoende om te weten dat u dat niet zou doen, maar ik zou het aanvaard hebben. Voor
mij was het belangrijk om hier te laten horen dat de geruchten over dit ontwerp van decreet mijn bezorgdheid
wegdragen. Het was politiek gezien belangrijk om dat op tafel te gooien.
We zullen de discussie nog wel voeren, want er zitten aspecten in uw antwoord waar ik wellicht op zal terugkomen.
Ik moet het nog bestuderen. We zullen wel zien in oktober.
Met mijn interpellatie wou ik een politiek gebaar stellen en zeggen: dit is niet zo vanzelfsprekend als men laat
uitschijnen.
De voorzitter: Mijnheer Stassen, wellicht werd uw interpellatie omgezet in een vraag om uitleg onder meer
omdat het ontwerp van decreet hier nog behandeld moet worden. We zullen de discussie daarover nog voeren.
De heer Sauwens heeft het woord.
De heer Johan Sauwens: Wij willen als parlementsleden toch samen met u zoeken naar de beste oplossingen.
We willen constructief en open met u samenwerken, zonder het hele ontwerp van decreet in vraag te
stellen. Dat is een evenwichtsoefening. Ik moet
Schriftelijke vraag van de heer Bart Caron, Vlaams volksvertegenwoordiger aan mevrouw Hilde Crevits, Vlaams minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur betreffende werken aan de Oudenaardsesteenweg in Avelgem.
Eind vorig jaar stelde ik u reeds een vraag over de heraanleg van de Oudenaardsesteenweg (N8) in Avelgem. Waarbij ik gevraagd heb of er ook werken gepland waren voor de rotonde in Kerkhove. Toen hebt u mij laten weten dat deze werken inderdaad gepland waren.
Ondertussen heb ik begrepen dat er in de maand februari een meting is uitgevoerd ter voorbereiding van verdere werken voorbij de rotonde in Kerkhove richting Elsegem (Oudenaarde – N453).
Daarom heb ik volgende vragen voor de minister:
1. Wat is het resultaat van deze meting?
2. Wat is het budget om deze werken uit te voeren?
3. Wat is de timing van de werken?
Antwoord Minister Crevits:
1. In februari werden er volgens mijn administratie geen metingen uitgevoerd voorbij de rotonde in Kerkhove richting Elsegem. Vermoedelijk wordt verwezen naar terrein-opmetingen door het agentschap Wegen en Verkeer voor het bepalen van de aard en de oppervlakte van de op te breken verhardingen met het oog op het opmaken van een bestek.
2. Er is een budget van 500.000 euro voorzien om de werken uit te voeren.
3. De werken zijn voorzien op het programma 2009. Dit houdt in dat ze vermoedelijk in het 4de kwartaal van 2009, eventueel in het 1ste kwartaal van 2010 zullen aangevat worden.
Sinds 1 januari 2007 is het nieuwe mestdecreet in werking als oplossing voor de strengere Europese regels voor bemesting. In dit decreet wordt mestverwerking naar voor geschoven als een belangrijke oplossing voor het wegwerken van het mestoverschot. Het richtkader voor de inplanting van installaties voor mestbehandeling en vergisting in Vlaanderen is de omzendbrief RO/2006/01. In deze omzendbrief wordt gesteld dat de inplanting van een mestverwerkingsinstallatie in agrarisch gebeid kan, mits rekening te houden met de voorwaarden inzake de ruimtelijke ordening, het mobiliteitsaspect en het inputmateriaal (stromen niet afkomstig van land- en tuinbouw mogen tot 40% van het geheel uitmaken).
West-Vlaanderen zorgt intussen voor 64% van de mestverwerking in Vlaanderen, terwijl de provincie maar verantwoordelijk is voor 42% van de mestproductie. Dit toont aan de vergunningen niet steeds op een doordachte manier zijn toegekend.
De verwerking gebeurt in industriële installaties die ingeplant zijn in agrarisch gebied. Dit agrarisch gebied ligt soms rond woonkernen en heeft geen transportinfrastructuur en veiligheidsvoorzieningen voor deze industriële activiteiten. Het transport gebeurt soms op landelijke wegen met overlast en geurhinder voor de omwonenden tot gevolg.
Er waren plannen om de Omzendbrief RO/2006/01 te laten evalueren door een werkgroep.
Daarom volgende vragen aan de minister:
Antwoord minister Crevits:
1. De omzendbrief RO/2006/01 “afwegingskader en randvoorwaarden voor de inplanting van installaties voor mestbehandeling en vergisting”, werd goedgekeurd door de Vlaamse Regering op 19 mei 2006.
Deze omzendbrief werd inderdaad uitgewerkt om een richtkader aan te reiken aan de exploitant, de omgeving en de betrokken administraties inzake de inplanting van mestverwerkings-en vergistingsinstallaties in agrarisch gebied.
Ik beschouw deze nota als een belangrijke stap in een grondige evaluatie van de meest geschikte inplantingsplaatsen voor mestverwerkingsinstallaties in Vlaanderen. Zoals ik reeds vermeld heb in mijn antwoord op een schriftelijke vraag van mevrouw Tinne Rombouts over hetzelfde onderwerp, is het mijn bedoeling om de nota spoedig verder te bespreken met mijn collega’s van Ruimtelijke Ordening en Landbouw en met de betrokken administraties en sectoren.
We mogen niet vergeten dat mestverwerking broodnodig blijft om de doelstellingen van de Europese nitraatrichtlijn te halen. Ik pleit er wel sterk voor dat er steeds gestreefd wordt naar een maximale ruimtelijke inpasbaarheid en naar een uitgebreide en actieve communicatie met de buurtbewoners en de betrokken administraties. Want vele praktische problemen lijken mij eerder aan het ontbreken van een plaatselijk draagvlak, dan aan de omzendbrief zelf gelegen te zijn.
Een actualisatie van de omzendbrief is op dit ogenblik dan ook voorlopig niet aangewezen.
2. In mijn antwoord op de vraag nr. 453 van mevr. Tinne Rombouts heb ik een uitgebreid overzicht gegeven van het aantal mestverwerkings- en mestbewerkingsinstallaties dat de afgelopen vijf jaar een milieuvergunning aangevraagd en gekregen hebben. Ik wil dan ook voor meer details verwijzen naar mijn antwoord op deze vraag.3. Zoals reeds blijkt uit de hiervoor vermelde VCM-enquête is het aantal klachten bij operationele installaties zeer beperkt. 75% van de klachten betrof slechts 2 bedrijven, voornamelijk in verband met geurhinder. Minder dan 2% van de klachten resulteerde in de opmaak van een proces-verbaal door de Milieu-inspectie omwille van geur. Bij meerdere installaties kunnen de geurklachten in verband gebracht worden met problemen die vooral voorkomen tijdens de opstartfase van installaties. Dit is niet verwonderlijk. De voorwaarden die opgelegd worden bij mestverwerkingsinstallaties zijn uitgebreid. Vooreerst zijn er de algemene milieuvoorwaarden van Vlarem II die gelden voor alle bedrijven. Verder zijn er uitgebreide voorwaarden voor de verschillende vormen van mestverwerking die gesteund zijn op de VITO-BBT-studie “Beste Beschikbare Technieken voor mestverwerking”.
Geval per geval worden daarnaast de milieuvergunningsaanvragen onderzocht door diverse instanties, meestal volgens de procedure klasse 1.
De afdeling Milieuvergunningen geeft een milieutechnisch advies. De afdeling Ruimtelijke Ordening van het Departement Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed, geeft eveneens advies inzake de verenigbaarheid met de goede ruimtelijke ordening en de bestemmingsplannen. Het Schepencollege van de gemeente waar de inrichting wordt ingeplant geeft een advies en er gebeurt een openbaar onderzoek.
De adviezen worden gezamenlijk beoordeeld in de provinciale milieuvergunningscommissie en door de deputatie wordt de vergunning in eerste aanleg al of niet toegekend. Tegen deze beslissing staat zowel voor de omwonenden als de exploitant een administratief beroep open bij mijn ambt. Ingeval van beroep wordt de aanvraag zowel milieutechnisch als op het vlak van verenigbaarheid met voorschriften van de plannen van aanleg of ruimtelijke uitvoeringsplannen opnieuw onderzocht. Wat dit laatste betreft, moet een nieuwe inplanting van een mestverwerkingsinstallatie op een ruimtelijk verantwoorde manier gebeuren.
In de milieuvergunning kunnen bijzondere voorwaarden worden opgelegd, dit om rekening te houden met specifieke technische kenmerken van de mestverwerkingsinstallaties en andere lokale omstandigheden. De aanpak is identiek aan deze van andere hinderlijke bedrijven en tot nu toe lijkt deze aanpak goed te werken. Behoudens wat verfijning dringt een wijzigende aanpak zich momenteel niet op. De huidige regelgeving tot het bekomen van een stedenbouwkundige- of milieuvergunning bieden voldoende garantie dat dit op een doordachte manier gebeurt. De omzendbrief biedt daarbij een duidelijk richtkader.
Schriftelijke vraag van Vlaams volksvertegenwoordiger Bart Caron aan de heer Dirk Van Mechelen, Vlaams Minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening betreffende Het Vlaams Instituut voor Onroerend Erfgoed.
Sinds januari 2008 voert het Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed in Stene archeologisch onderzoek uit op de terreinen tussen de Prins Roselaan en de Steense Dijk. De aanleiding hiervan is een geplande verkaveling.
Het onderzoek moet vermijden dat de archeologische resten door de nieuwbouwplannen aangetast of vernietigd zouden worden zonder dat ze eerst onderzocht en gedocumenteerd zijn.
Momenteel is het echter zo dat heel vaak dat zo’n archeologisch onderzoek gebeurd door priv
Interpellatieverzoek van Vlaams volksvertegenwoordiger Bart Caron aan de heer Steven Vanackere, Vlaams minister van Welzijn, Volksgezondheid en gezin over hoogsensitieve kinderen.
Ik wil graag even de situatie schetsen.
De kindertijd zou een gelukkige tijd moeten zijn, onbezorgd.
Het baart me echter zorgen als ik lees zoals onlangs in De Standaard dat steeds meer kinderen ongelukkig zijn en zelfs zo ongelukkig zijn dat ze liever dood zouden zijn. Terwijl hen op het eerste zicht weinig ontbreekt, ze hebben een vader en een moeder, het ontbreekt hen niet aan zorg en aandacht, luxe of comfort. En toch lukt het niet, ze zijn niet gelukkig. Ze vinden hun draai niet binnen de samenleving, ze kunnen niet aarden. Vaak maakt dit hen boos en gefrustreerd, rusteloos en woedend, of gelaten of apathisch. Ze snijden en kerven zich in de armen, slaan zich op het hoofd, krabben en kloppen om zich heen.
Het gaat hier vaak om hooggevoelige kinderen. Tachtig procent van de mensen is gewoon gevoelig, terwijl twintig procent hooggevoelig is.
Deze kinderen kunnen vaak niet om met de sociale druk binnen onze samenleving. Het presteren, competitief zijn, dat ligt hen niet. Ze zijn een gemakkelijk slachtoffer voor pesters, ze voelen elk verwijt messcherp aan. Maar ze voelen ook intenser, ruiken of smaken scherper, merken meer op, reflecteren meer, voelen anderen beter aan. Het gaat dus niet echt om een ziekte, sommigen zien hoogsensitiviteit als een gave. Hooggevoeligen zijn namelijk ook vaak creatief, nauwgezet, erg gewetensvol, slim en intuïtief, een zegen voor de wereld, waarin almaar meer de daadkracht telt, waar de harde competitie agressie en impulsiviteit beloont, waar gevoeligen het etiket ‘overgevoelig’ krijgen. Het is een vergiftigd geschenk, het maakt hun leven intenser, interessanter, maar zeker niet eenvoudiger. Onderzoek leert ons ook dat hooggevoelige personen ook veel vatbaarder zijn voor depressies.
De kinder- en jongerentelefoon krijgt almaar meer vragen over zelfpijniging en over zelfdoding. Steeds meer kinderen hebben psychologische hulp nodig. Terwijl er een groot tekort is aan kinderpsychiaters.
In De Standaard van maandag 14 april 2008 meldt u dat u het budget voor geestelijke gezondheidszorg met 1,4 miljoen euro zal optrekken, waarin kinderen ongetwijfeld een plaatsje zullen krijgen. Verdere plannen zijn er nog niet.
Naar aanleiding van deze vaststellingen wil ik graag volgende vragen stellen aan de Minister:
1. Erkent de minister de gesignaleerde problemen van jongeren? Moet ik de aanpak situeren binnen het domein van de geestelijke gezondheidszorg? Of is dit een probleem dat integraal moet aangepakt worden, ik bedoel in onderwijs, welzijn, jeugd… Zal de minister desgewenst een integrale aanpak stimuleren?
2. Welk budget zal beschikbaar zijn voor hulpverlening van jongeren binnen de geestelijke gezondheidszorg?
3. Welke maatregelen bent u van plan te nemen?
4. Hoe staat u tegenover het door sommigen aangehaalde tekort aan kinderpsychiaters? Is dat een efficiënt antwoord? Kan dit worden aangepakt in de CGG’s?
Minister Steven Vanackere: In dit belangrijke debat mag men niet relativeren en niet dramatiseren, niet overmoedig doen alsof de politiek of de overheid alles
kan oplossen en ook niet doen alsof de overheid geen rol van betekenis te spelen heeft. Het is bijzonder belangrijk om in dit debat nuance te vinden en, zoals mevrouw Jans
daarnet zei, oog te hebben voor de ongelooflijke complexiteit.
Al naargelang de inspiratiebron van de spreker komt het ene of het andere element meer op de voorgrond. Daardoor zou men kunnen denken dat het een ofofverhaal
is, terwijl ik denk dat iedereen van goede wil beseft dat het goede begrip van waar we over spreken, te maken heeft met een veelheid aan factoren, waarbij men tegelijkertijd op verschillende domeinen stappen moet zetten. Dat is trouwens de reden waarom mevrouw
Hoebeke zegt dat het een verantwoordelijkheid van verschillende ministers is.
Ik voeg daar meteen aan toe dat het vooral ook een verantwoordelijkheid is van verschillende actoren. Enorm veel bronnen van instanties, organisaties of structuren die in onze samenleving een rol spelen en de leefwereld van de jongeren beïnvloeden, maken keuzes die een belangrijke impact hebben op deze problematiek. Het is heel belangrijk om zo genuanceerd mogelijk te zijn. Ik zal dat proberen te doen. Ik wil op voorhand zeggen dat
alle bewoordingen die we gebruiken, bijna per definitie defect zijn omdat ze de indruk kunnen wekken dat er alleen maar is wat men zegt en dat de andere aspecten
niet van tel zijn. Ik wil beginnen met de problematiek te erkennen, want
de heer Caron vraagt me dat. Iedereen die daarover preekt, nodig ik uit om gewoon de gedachte-oefening te
maken om na te gaan hoe het honderd jaar geleden was.
Deze voormiddag heb ik nog eens bedacht dat ik in mijn jeugd een aantal boeken heb gelezen van de onderwijspedagoog
Theo Thijssen, die later een socialistisch politicus werd. In zijn boeken stel je vast dat de sores, de
zorgen waarmee jonge mensen en kinderen tijdens de eeuwwisseling van de negentiende naar de twintigste
eeuw werden geconfronteerd, onvoorstelbaar waren. De ontdekking van het kind als sociologische categorie, is
trouwens relatief recent. Met al de cijfers die we bekijken – neem dat alstublieft niet voor een relativering –
moeten we durven in ogenschouw nemen dat honderd jaar geleden mensen, ook jonge mensen en kinderen,
vaak werden geconfronteerd met bijzonder belastende problemen. Daarmee pik ik in op de inleiding van de
heer Caron, die zegt dat een kindertijd eigenlijk zorgeloos zou moeten zijn. Hij heeft gelijk in het ideaaltypische:
het moet een ambitie en een droom zijn.
Natuurlijk kan geen enkel mensenleven, ook niet dat van een kind, gegarandeerd geïmmuniseerd worden tegen
zorgen. We zullen goed moeten bekijken welke strategieën het ons, de samenleving en de politiek, mogelijk
maken om kinderen zoveel mogelijk in een situatie te brengen waarin ze niet te veel worden geconfronteerd
met belastende factoren en zorgen. Tegelijk moeten we ook beseffen dat een groot stuk van het antwoord erin
bestaat om kinderen sterk genoeg te maken en draagkracht te geven, om, net zoals honderden generaties van
kinderen voor hen, zo goed mogelijk te leren omgaan met zaken die belastend zijn. Het is niet alleen een verhaal
van draaglast maar ook van draagkracht.
Er zijn verschillende factoren die elk op zich of in combinatie met elkaar, een belastend effect kunnen
hebben, bijvoorbeeld een verhoogde prestatiedruk of te hoge verwachtingen ten aanzien van kinderen. Die
hoge verwachtingen hebben niet altijd te maken met prestatiedruk, maar met de verwachting dat het leven
perfect en zorgeloos zou kunnen zijn, en dat men het perfecte geluk kan realiseren. We moeten ons ervan
vergewissen dat het ideaalbeeld dat vandaag in de samenleving vaak wordt geformuleerd, alsof het mogelijk
is om zorgeloos of in perfect geluk te leven, in zeker opzicht en paradoxaal genoeg, op heel veel jonge
mensen en volwassenen een druk legt. Men denkt dan: als ik zorgen heb, dan scheelt er wat met mij. Ik ben
van de overtuiging dat we daarmee rekening moeten houden bij het formuleren van de antwoorden.
De context waarin veel jonge mensen vandaag naar volwassenheid groeien, is anders en soms minder
-7- Commissievergadering C226 – WEL21 – 29 april 2008 geborgen. Ik heb een interessante woordenwisseling
gehoord over het warme nest, maar laat ons daarbij niet in karikaturen vervallen. Uiteraard denk ik dat een tweeverdienend,
hardwerkend koppel perfect in staat moet zijn om een warm nest te maken. Het is niet omdat men
bepaalde maatschappelijke verantwoordelijkheden opneemt, dat het onmogelijk is om een kind in een goede
dialoog een warm nest te bieden. Als een jong kind in zijn of haar omgeving geconfronteerd werd met veel
breuken, is de kans op het creëren van een warm nest kleiner. Vandaag zijn heel wat structuren en banden veel
problematischer, waardoor kinderen het warme nest vaker moeten missen. Dat warme nest gaat verder dan
het gezin, het is ook maatschappelijk. Wie zei ook weer: ‘It takes a village to raise a child’? Dan gaat het over een
warme samenleving.
Daarbij komt het fenomeen dat vandaag veel jonge mensen moe worden van het kiezen. Het hebben van zoveel
mogelijkheden verandert een situatie van ‘mogen kiezen’ in ‘moeten kiezen’ en zelf instaan voor alle gevolgen
van de keuzes. Voor heel wat mensen is dat belastend. In een analyse moeten we oog hebben voor de
combinatie van draagkracht en draaglast, waarbij beide even belangrijk zijn.
Om daar verstandige zaken over te zeggen, is er wel wat onderzoek nodig. De analyse moet de slogantaal zoveel
mogelijk vermijden. Er zijn enkele instrumenten. Minister Anciaux verwijst naar de jeugdmonitor, die vertrekt
van een bevraging van kinderen en jongeren aan de hand van veertien thema’s uit de leefwereld van kinderen en
jongeren van twaalf tot dertig jaar. Binnen mijn beleidsdomein heb ik aan het Steunpunt
voor Welzijn en Volksgezondheid een onderzoeksopdracht gegeven die een nadere analyse beoogt van de
oorzaken, meer specifiek van de hoge cijfers over zelfdoding in Vlaanderen. Het steunpunt zal die cijfers vergelijken
met cijfers uit de buurlanden. Er is al wetenschappelijk onderzoek gebeurd in Vlaanderen.
De doctoraatsthesis van Gwendolyn Portzky van de eenheid voor zelfmoordonderzoek van de Universiteit
Gent, deed onderzoek naar suïcidaal gedrag bij adolescenten. Over de vergelijking tussen Nederland en
Vlaanderen staat er: “Ten opzichte van de Nederlandse jongeren scoren de Vlamingen hoog op de volgende
risicofactoren: negatieve levensgebeurtenissen, angst, minder probleemgerichte coping, meer alcohol- en
drugsgebruik en minder communicatie met ouders, broers, zussen, andere familieleden en leerkrachten over
hun probleem. Hieruit kan men concluderen dat culturele eigenschappen van een land of regio invloed kunnen
hebben op het zelfbeschadigend gedrag bij jongeren.” Daarnaast is ook de onderzoeker van het Centrum ter
Preventie van Zelfdoding in samenwerking met het Sint-Lucasinstituut gestart met een doctoraatstudie waarin
de attitudes ten aanzien van suïcide en hulpzoekend gedrag in Vlaanderen en Nederland met elkaar worden
vergeleken. Ik speel positief in op de suggestie die daarnet werd geformuleerd over het wetenschappelijk
onderbouwen van gegevens.
Minister Vandenbroucke wijst erop dat er de voorbije jaren veel energie is gestopt in het uitbouwen van een
goede leerlingenbegeleiding op school. Meer dan vroeger kunnen leerlingen nu terecht bij iemand op school
als ze problemen hebben. Die persoon kan hen dan doorverwijzen naar de juiste vorm van hulpverlening,
waar ze hun verhaal in vertrouwen kunnen doen. Scholen vragen en krijgen ondersteuning van de pedagogische
begeleidingsdiensten en nascholingscentra. Ook clb’s zijn een belangrijke partner om school, ouders en
leerlingen bij te staan.
Minister Anciaux verwijst naar een opinietekst die hij schreef in De Standaard op 15 april 2008. Hij verwijst
naar een collectieve verantwoordelijkheid van heel de samenleving. Hij wijst op de extreme druk op kinderen
door opvoeding, onderwijs en werk en stelt dat die moet verminderen. Hij heeft het gevoel dat, ondanks de
veel minder verticale of autoritaire opvoeding, men nog werk moet maken van een echte dialoog met kinderen
en jongeren. Hij doet ook een oproep voor een nieuw generatiepact, waarbij jeugd, kinderen en jongeren
als groep in de samenleving worden erkend. Ze moeten mogelijkheden krijgen om samen met
leeftijdsgenoten projecten op te zetten. Daarbij, en zelfs daaraan voorwaardelijk, zegt hij dat er meer
alertheid, tijd en ruimte, voorwaarden en kansen moeten komen voor het luisteren naar en dialogeren met
kinderen en jongeren. Vanuit mijn achtergrond wil ik opmerken dat uit studies
blijkt dat psychologische problemen van kinderen en jongeren vaak worden veroorzaakt door breuken in
de meest algemene betekenis van het woord. Vaak zijn de jongeren niet of nauwelijks betrokken geweest bij
het vinden van een oplossing bij het helen of herstellen van die breuk. Iedereen wordt geconfronteerd met
breuken. Wie denkt een kind een leven lang te kunnen begeleiden zonder ooit een moment van falen tegen te
komen, vergist zich. Indien er zich een breuk voordoet en het kind heeft geen vat op de situatie, onder meer
omdat het niet wordt betrokken bij pogingen tot herstel van de breuk of tot het helen van de wonde, zitten we
met twee sterke voorspellende factoren voor psychologische problemen.
Als we nadenken over formules die een oplossing kunnen bieden, moeten we een en ander in de gaten
houden. Ik ben ervan overtuigd dat het warme nest een goede preventieve factor is. Ik schroom me niet om te
zeggen dat dit een beschermende rol kan spelen. Commissievergadering C226 – WEL21 – 29 april 2008 -8-
Mevrouw Vogels heeft daarnet verwezen naar de hogere incidentie van problematieken in de steden dan op het
platteland. Volgens haar heeft dit veel te maken met de open ruimte en met de rol van de auto. Dat is een mogelijke
benadering. Een andere statistische coïncidentie betreft het feit dat er in de steden gewoonweg meer
alleenstaande ouders wonen. Minder kinderen worden daar in een gezin opgevoed. Ik bekijk beide benaderingen.
Volgens mevrouw Vogels gaat het om de open ruimte. Ik stel vast dat de gezinsstructuren buiten de
steden meer aanleunen bij de traditionele definitie. Ik weet dat het voor een alleenstaande vader of moeder
perfect mogelijk is een warm nest te maken. Het is gewoon lastiger dit tot stand te brengen, zeker wanneer de
betrokkene dit tevens met een baan en met eventuele andere engagementen moet combineren.
Alvorens op de punctuele vragen in te gaan, wil ik tot slot van de analyse nog meedelen dat ik de maakbaarheidsgedachte
problematisch vind. Ik verzet me sterk tegen het idee dat de overheid de samenleving kan maken.
Dat geldt zelfs voor een perfect gecoördineerde samenleving. Ik zal straks aantonen dat de overheidsinitiatieven
van de Vlaamse Regering eigenlijk best goed op elkaar zijn afgestemd. Zelfs indien al deze initiatieven
perfect zouden worden gecoördineerd, zou het een misvatting zijn te denken dat we bepaalde problemen de
wereld uit kunnen helpen. Bepaalde elementen houden immers verband met de wijze waarop de samenleving is
georganiseerd.
Ik vind dat de individualisering en de autonome druk die op een individuele persoon wordt uitgeoefend, de draagkracht
van veel mensen overstijgt. Het gaat hier om de boodschap dat iedereen zijn eigen boontjes moet doppen
en zijn eigen problemen moet oplossen. In de aanvaarding van de kwetsbare mens is volgens mij
veel vooruitgang geboekt. Vorige vrijdag is in Gent een enorm succesvolle dag georganiseerd. Gedurende die
dag is de geestelijke gezondheid onder de aandacht gebracht. Op die manier kunnen we dit taboe helpen opheffen.
Ik stel me uitdrukkelijk de vraag of naast het opheffen van het taboe over de geestelijke problemen
ondertussen het taboe van het falen zelf al is opgeheven. We moeten de onvolmaaktheid en de onvolkomenheid
leren aanvaarden.
Ik zal nu even ingaan op de punctuele vragen over het resultaat van het preventieplan inzake suïcide ingaan. Ik
ben het niet eens met de stelling van mevrouw Dillen dat het actieplan onvoldoende werkt en dat het allemaal niet
opschiet. We zullen met dit plan natuurlijk niet alle problemen rond jongeren en de geestelijke gezondheidszorg
oplossen. Er zijn echter al resultaten geboekt. In 2002 is er een gezondheidsconferentie georganiseerd
over de preventie van zelfdoding en van depressie. Die conferentie heeft geleid tot het opstellen van een nieuwe
Vlaamse gezondheidsdoelstelling en van een bijbehorend actieplan. Op 19 juli 2007 is het actieplan
goedgekeurd. Dit heeft geleid tot een verdriedubbeling van de middelen. Er wordt volop gewerkt aan de realisatie
van het actieplan. Wat de doelstelling betreft, wil ik even een paar cijfers aanhalen.
In 2000 vielen in Vlaanderen 1174 suïcides te betreuren. In het jaar 2005 ging om 1015 gevallen. Dit is een
daling met vijf percent. De daling is opmerkelijker bij vrouwen dan bij mannen. We weten dat de zelfdodingscijfers
bij vrouwen sowieso gevoelig lager liggen dan bij mannen. De voorbije tien jaar is het aantal suïcides
bij vrouwen nog eens met 10 percent afgenomen.
Het gaat hier om het hele publiek. De daling bedraagt tien percent bij vrouwen en drie percent bij mannen.
Op basis van de sterftestatistieken van 2000 en de trends die hieruit konden worden afgeleid, is destijds
voorspeld dat, indien niets werd ondernomen, de absolute aantallen een stijging met twee percent zouden
vertonen. Dat betekent dat het aantal zelfdodingen in Vlaanderen in 2005 1200 zou hebben bedragen. Nu
gaat het om 1115 zelfdodingen. Voor een uitgebreide stand van zaken met betrekking
tot de uitvoering van het preventieplan verwijs ik naar de website van het Vlaams Agentschap Zorg en Gezondheid.
Door middel van e-learning hebben 600 huisartsen hun deskundigheid inzake suïcide verbeterd.
Er is een implementatieproject voor de opvang van suïcidepogers. Ondertussen maakt twintig percent van
de spoedgevallendiensten hier gebruik van. Het is onze bedoeling dit percentage tegen 2010 tot 75 percent op
te trekken. Uit het eindrapport met betrekking tot het Mindfulness-Based Cognitive Therapy-project blijkt
dat deze therapie het hervallen in een depressie op een efficiënte wijze kan vermijden.
We hebben eind 2007 zes locoregionale projecten gelanceerd met elk van de provincies en met Brussel-
Hoofdstad, waarbij men samenwerkt met de verplichte partners, namelijk de cgg’s, de LOGO’s en de overlegplatforms
Geestelijke Gezondheid. Er is een uitbreiding geweest van de online hulpverlening van het Centrum
ter Preventie van Zelfdoding. Vanaf juli 2008 zal de telefonische beschikbaarheid verzekerd worden via
een tweede lijn.
Ik kan u in dat verband wat nieuwe cijfers meegeven. In 2007 heeft de Zelfmoordlijn 9434 oproepen gekregen.
Een vierde van de telefonische oproepers is jonger dan dertig. De gemiddelde telefonische oproep duurt
27 minuten. Daarnaast zijn er 362 online oproepen geregistreerd. Het gemiddelde online gesprek duurt 50
minuten. Bijna de helft van de oproepers is daar onder -9- Commissievergadering C226 – WEL21 – 29 april 2008
de achttien jaar. We hebben hier al eerder opgemerkt dat de online hulpverlening een grotere toegankelijkheid
verzekert voor jonge mensen. In het pilootproject Vroegdetectie van Schizofrene Psychose
heeft men al 23 aanmeldingen met vermoeden van schizofrenie geregistreerd. Daardoor zijn er nu acht
jongvolwassenen onder begeleiding van een vroegdetectieteam. Al die zaken weerleggen dat het actieplan niet zou worden
uitgevoerd. Het tegendeel is waar, collega’s: elk van de onderdelen wordt geëvalueerd. Een globale evaluatie
zal mogelijk zijn op het ogenblik dat het actieplan in zijn geheel in werking is.
Ik wil nog even ingaan op de terechte opmerking over de nood aan een integrale aanpak. Ik moet het daarbij
onder meer hebben over de Integrale Jeugdhulp. Daarmee willen we de bestaande structuren optimaliseren,
zodat de kinderen en jongeren de juiste behandeling krijgen. De cgg’s zitten vervat in de Integrale Jeugdhulp
als een gezondheidssector die zich specifiek richt op de zwaardere psychische problemen. Ook de clb’s maken
deel uit van de Integrale Jeugdhulp, naast welzijnssectoren als het Vlaams Agentschap voor Personen met een
Handicap (VAPH), Kind en Gezin, de caw’s, centra voor integrale gezinszorg (CIG) en de Bijzondere
Jeugdbijstand. De doelstelling van de Integrale Jeugdhulp sluit zeer goed aan bij de missie van de clb’s en bij de opdracht
van de scholen. In beide gevallen staan namelijk het vrijwaren van ontplooiingskansen en het bevorderen van
welzijn, gezondheid en welbevinden centraal. In het kader daarvan wordt momenteel gewerkt aan een betere
afstemming tussen interne leerlingenzorg en externe hulpverlening en de positionering van de clb’s als brugfunctie
tussen onderwijs en welzijns- en gezondheidsvoorzieningen. Daarnaast ondersteun ik projecten zoals Kom Binnen en
Yot, waarbij er een samenwerking is tussen VAPH en cgg, en de outreachprojecten van Sleidinge en het Openbaar
Psychiatrisch Zorgcentrum (OPZ) Geel, waarbij psychiatrische instellingen samenwerken met gemeenschapsinstellingen.
Ik ondersteun ook de opvoedingsbijstandprojecten in de Bijzondere Jeugdbijstand. Ik ben
intussen al in overleg getreden met minister Onkelinx om de programmatie van de K-bedden te bespreken, met
als doel de behoeften beter te kunnen invullen. Mevrouw Hoebeke, er zijn enorm veel voorbeelden van
afstemming tussen de verschillende overheden. Het is zeker niet zo dat elk beleidsdomein zomaar acties opzet,
zonder daarover overleg te plegen. Iedere minister onderzoekt natuurlijk wel vanuit zijn eigen bevoegdheden
welke input er kan worden geleverd, maar ik kan u verschillende voorbeelden van samenwerking geven.
Ik som er hier maar een paar op. Mijn voorgangster Inge Vervotte heeft samen met drie collega-ministers een
verklaring ondertekend om te werken aan de gezondheidsbevordering van kinderen en jongeren. Het gaat om
de minister van Onderwijs, de minister van Landbouw en de minister van Sport en Jeugd. Daarbij werd onder
andere afgesproken om te werken aan een schoolactieplan Geestelijke Gezondheid. Dat is een typisch voorbeeld
van een echte afstemming van het beleid. Mevrouw Vogels, u vroeg me hoe het staat met de uitvoering
van die plannen. Op dit ogenblik zijn er onderhandelingen aan de gang met de vzw Ga Voor Geluk om
een collectieve gezondheidsovereenkomst af te sluiten. Ook in het actieplan Preventie van Zelfdoding vormen
jongeren een belangrijke doelgroep. Om die strategie uit te werken is veel voorbereiding en afstemming nodig.
Uit onderzoek blijkt namelijk dat een lesuurtje praten over zelfdoding of een spreekbeurt over dit thema soms
meer kwaad dan goed kunnen doen.
Dat is belangrijk omdat uit onderzoeksgegevens blijkt dat 75 percent van de Vlaamse secundaire scholen
aangeeft aan suïcidepreventie te doen, waarbij verdere analyse aantoont dat dit in de helft van de gevallen
bestaat uit het besteden van een lesuur aan het thema. Als men niet tegelijkertijd heeft gezorgd voor een opvang
voor risicoleerlingen en als er intern geen duidelijkheid is over wie welke verantwoordelijkheid op
zich neemt, kan dat leiden tot onvoorziene en dramatische scenario’s. Het is dan ook belangrijk om daar
deskundigheidsbevordering te blijven realiseren. Een subwerkgroep van de Vlaamse werkgroep Preventie
van Zelfdoding heeft hierover een visietekst geschreven. Die visietekst vormt momenteel onderwerp
van bespreking binnen de Vlaamse Onderwijsraad (VLOR). Momenteel geven partners binnen de locoregionale
werkgroepen Suïcidepreventie vormingen aan verschillende scholen in Vlaanderen. Die vormingen
leiden tot deskundigheidsbevordering in suïcidepreventie bij leerkrachten, directies en clb-begeleiders.
De werkgroep Suïcidepreventie wordt ook opgevolgd door de administratie Onderwijs. Er is ook samenwerking
tussen Klasse en de mensen van de administratie Gezondheid. Die netwerken bestaan vandaag dus echt
wel, en men is zich zeer goed bewust van het feit dat men geen individuele initiatieven moet proberen te
nemen.
Ik kom tot de vraag over effectmeting. Via de beheersovereenkomsten van diverse agentschappen hebben
we beleidsindicatoren waarmee men aan effectmeting kan doen. In deze materie is het natuurlijk bijzonder
Commissievergadering C226 – WEL21 – 29 april 2008 -10- ingewikkeld om het juiste onderscheid te maken tussen
wat gerealiseerd is door het beleid en wat vanuit de omgevingsfactoren een invloed heeft.
Daarom moet een kwalitatieve analyse worden gekoppeld aan de kwantitatieve gegevens. Minister
Vandenbroucke wijst er ook op dat het streven naar welbevinden of het zich goed voelen op school, deel
uitmaakt van het gezondheidsbeleid dat scholen voeren, en dat de eindtermen en ontwikkelingsdoelen voor gewoon
en buitengewoon basis- en secundair onderwijs daar ook richting aan geven. Deze eindtermen en ontwikkelingsdoelen
worden vaak gekoppeld aan het welbevinden. Voor sommige is dat expliciet. Zo wordt kleuters
al geleerd om verschillende gevoelens te onderkennen. Dat staat ook in de eindtermen. Kinderen in de
lagere school leert men zelfvertrouwen te hebben en op te komen voor zichzelf. Jongeren in het secundair onderwijs
leert men om positieve stress te gebruiken en preventieve maatregelen te nemen om negatieve stress te
vermijden. Bij het definiëren van de eindtermen worden dus tegelijk ook doelstellingen gedefinieerd die rechtstreeks
naar dat welbevinden verwijzen. Minister Anciaux vindt het ook belangrijk nog eens te
wijzen op een van de nieuw gecreëerde instrumenten van het jeugdbeleid, namelijk de eerder geciteerde
jeugdmonitor. Het gaat hier over het registreren van gegevens over de leefsituatie van kinderen en jongeren
door het Jeugdonderzoeksplatform of JOP. Begin 2007 werd de eerste jeugdmonitor voorgesteld. Dat was een
meting aan de hand van een enquête van 2503 jongeren van 14 tot 25 jaar. Hierbij werd zowel de leefwereld, de
leefomstandigheden, als het gedrag van de Vlaamse jongeren gemeten. Het JOP, dat sinds 2007 deel uitmaakt
van het Steunpunt voor beleidsrelevant onderzoek Cultuur, Jeugd en Sport, heeft ondertussen de vragenlijst
klaar voor de volgende meting van die jeugdmonitor. Nog in 2008 zullen jongeren – ditmaal van 12 tot 30 jaar –
worden ondervraagd. Het Vlaamse jeugdonderzoek wordt bovendien ingebed in een internationale dimensie.
Het JOP werkt actief mee aan het ontwikkelen van een Europees kenniscentrum met betrekking tot jeugdbeleid,
the European Knowledge Centre for Youth Policy. Anderzijds maakt ook Vlaanderen voor de Europese
Commissie een witboekrapport over een beter begrip voor en kennis van de jongeren, voor eind 2008.
Dan was er nog de vraag van de heer Caron over kinderpsychiaters.Er zijn natuurlijk twee belangrijke redenen
waarom de vacatures voor psychiatrische functies moeilijk worden ingevuld. Ten eerste is er op de arbeidsmarkt
een schaarste wat de kinderpsychiaters betreft. Elk jaar studeert er slechts een zeer beperkt aantal kinderpsychiaters
af. Ten tweede is er het probleem van de lage verloning in vergelijking met onze buurlanden,
waardoor verscheidene van onze kinderpsychiaters over de grenzen trekken, bijvoorbeeld naar Nederland. Dat
fenomeen is vrij bekend. Mochten er meer kinderpsychiaters zijn, dan zou volgens mij het probleem van het
stijgende aantal kinderen met psychische problemen al voor een deel kunnen worden verholpen. De kwaliteit
van de hulpverlening neemt dan immers toe, terwijl nu in kinderteams vaak nog een kinderpsychiater ontbreekt.
Voor de cgg’s is dit een duidelijk herkenbaar probleem, dat zeker moet worden aangepakt. Ik zal
straks, bij de laatste vraag, trouwens aantonen dat we dat doen.
Ik heb overleg gehad met de Vlaamse vereniging voor kinderpsychiaters en heb afgesproken dat ik dit probleem
zal aanpakken met mijn federale collega, minister Onkelinx. Als het gaat over de aantrekkelijkheid
van de kinderpsychiatrie als beroep, is een en ander immers zeer sterk federaal verankerd. Dan heb ik het
over de verloning, de honoraria en, in het algemeen, over het statuut van deze branche binnen de doktersgilde.
We moeten eerlijk zijn tegen elkaar: dat heeft enorm veel te maken met de onderhandelingen die op
federaal niveau plaatsvinden. Anderzijds ben ik ervan overtuigd dat een stijging van
het aantal kinderpsychiaters niet het enige antwoord kan zijn op de toename van psychische problemen bij
kinderen en gezinnen. Dat hebt u echter wel al begrepen uit mijn inleiding.
Onder meer mevrouw Jans vroeg hoe het nu precies zit met de extra middelen. In 2008 zullen we voor de geestelijke
gezondheidzorg in Vlaanderen, boven op de gewone indexering, alles samen 2,2 miljoen euro extra
inzetten. Dat komt boven op het bedrag dat ik al had opgetrokken in de initiële begroting. Van het extra
budget van 1,4 miljoen euro dat ik verkregen heb via de begrotingscontrole, gaat 500.000 euro expliciet naar
de doelgroep van de kinderen en de jongeren. Het is mijn intentie deze uitbreiding te geven aan de cgg’s,
specifiek om de outreach naar de bijzondere jeugdbijstand te kunnen realiseren. Dat is dus ook een voorbeeld
van samenwerking tussen de diverse sectoren. Daarnaast zal ik ook nog eens 50.000 euro extra vrijmaken
voor het OPZ Geel om de al bestaande inreach in de gemeenschapinstellingen in Mol voort uit te breiden.
Ook zal ik het project-Sleidinge in 2008 continueren, met 280.000 euro. Verder zijn er natuurlijk ook de
daarnet vermelde projecten van Kom Binnen en Yot, die worden geïntegreerd in de enveloppes van de cgg’s.
Binnen de 2,2 miljoen euro gaan er ook nog andere middelen naar de cgg’s. Zo wil ik het aanbod van de
geestelijke gezondheidszorg versterken. Een bedrag van 500.000 euro is expliciet toegewezen voor jongeren.
Sterkere cgg’s kunnen een sterkere impact hebben op de hulpverlening voor iedereen, maar uiteraard ook
voor jongeren. Slechts
Schriftelijk vraag van Vlaams volksvertegenwoordiger Bart Caron aan mevrouw Hilde Crevits, Vlaams minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur over de onafgewerkte passages op de R8 rond Kortrijk
De R8 wordt na dertig jaar nog altijd gekenmerkt door een aantal voorlopige en onafgewerkte passages. Vervelend omdat het verkeer blijft toenemen.
E
Wanneer is voor spirit een staatshervorming de moeite waard ?
Voor spirit is een staatshervorming de moeite waard als ze voldoet aan 3 eisen.
Ten eerste : worden er stappen vooruit gezet?
Ten tweede : zijn de toegevingen aanvaardbaar
Ten derde : zitten er geen maatregelen in die de toekomst hypothekeren
Dit akkoord is ondermaats. Het is zo weinig.
Er was ons veel voorgespiegeld.
Tien maanden, 300 dagen.... hebben wij en met ons de hele bevolking geluisterd naar de grote en ambitieuze communautaire boodschap van het Vlaams kartel. Tientallen keren werd er met de spierballen gerold, dag in dag uit werd door jullie trouw gezworen aan een ambitieuze staathervorming met onder meer gezondheidszorg en gezinsbeleid, werkgelegenheid, mobiliteit inclusief de NMBS, eigen beleid inzake personenbelasting enz. Ik citeer uit uw prrogramma: “De CD&V zal niet toetreden tot een federale regering indien er in het regeerakkoord geen duidelijke afspraken worden opgenomen over de realisatie van deze Vlaamse verzuchtingen”. Einde citaat. Uw partij.... mijnheer Van Rompuy....( naar hem wijzen wijzen), de CD&V zou niet voor minder gaan. Het Vlaamse kartel ... uiteraard ook niet.
En wat zien we vandaag ? We zien vandaag dat de bocht genomen is, een bocht ver weg van uw eigen programma. U gaat voor minder dan het minimum.
Want wat krijgen we nu voorgeschoteld ? We krijgen slecht twee heropgewarmde hapjes.....de huurwetgeving en de verkeersveiligheid. Na 300 dagen gepalaver. Moeten we ons tevreden stellen met iets dat amper gelijkt op een voorgerecht? Op het hoofdgerecht moeten we nog eens vijf maanden wachten. Vijf minuten politieke moed duurt straks meer dan een jaar en dan zijn we nog niet zeker dat we iets lekkers gepresenteerd gaan krijgen. Dit is de fanfare van honger en dorst.
Vorige week kwam de Vlaamse regering nochtans stevig uit de hoek. De minister-president stelde voorwaarden aan een mogelijke bijdrage tot een gezonder begrotingsresultaat van de federale overheid. Hij koppelde het Vlaams geld aan het afsluiten van een communautair akkoord. Geheel terecht volgens spirit. En mijnheer Peeters : ik heb begrepen dat de Vlaamse regering voor de tweede fase dezelfde voorwaarden stelt
Zoniet zou je openlijk de vraag kunnen stellen of die Vlaamse regeringspartijen die aanwezig zijn in de federale regering, het Vlaamse regeerakkoord niet schenden?
Collega’s van de NV-A, wij geloven niet in uw ‘aritm
De heer Bart Caron: Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, collega's, ik was niet alleen als kind, maar ook als ouder, een fervente lezer van Zonnekind. Ik wil het politieke werk niet vermengen met de priv
De heer Bart Caron:
Mevrouw de voorzitter, mijnheer de minister, collega's, vandaag stond in de krant dat Telenet voorstelt om de voetbalrechten te delen met andere partners.
Vandaag bezit Belgacom de voetbalrechten en betaalt daar overigens erg veel geld voor, ik denk een slordige 35 miljoen euro per jaar. Ik vraag me ook af in welke mate dat voor Belgacom de moeite waard is geweest, maar daar gaat mijn vraag niet over.
Ik wil hier niet de belangen verdedigen van de ene of de andere, maar het valt op dat er vandaag een tendens is, waarbij dit soort dure rechten niet meer geambieerd worden door televisiezenders, die een directe relatie hebben met kijkers, maar door distributeurs, signaalverdelers. In Vlaanderen gaat het dan over Telenet, Belgacom, maar ook over de iNDi-groep en TV Vlaanderen, die satelliettelevisie verspreidt.
Daar kunnen we toch vragen bij stellen. Er ontstaat een fenomeen waarbij televisiecontent niet meer wordt aangeboden door daarvoor gespecialiseerde bedrijven, maar steeds meer - en meestal in betaaltelevisie - door de distributeurs. Telenet heeft vandaag ook al de PRIME sportzenders, waar voetbal en andere sporttakken worden aangeboden. Die tendens gaat altijd maar verder.
We moeten daar misschien niet bang voor zijn, maar we kunnen ons wel afvragen of de kijker daar op termijn niet, figuurlijk, de rekening voor zal betalen. Ik ben ongerust dat sport in open net, dus toegankelijk voor iedereen, daardoor misschien wat aan banden wordt gelegd.
Mijn angst is ingegeven door wat vandaag in De Standaard gezegd wordt door de topman van Belgacom. Hij vindt dat het commerciële succes voor Belgacom te laag was, omdat er te veel voetbal in het open net wordt aangeboden. Er is blijkbaar toch wel een relatie tussen die twee.
Ik zeg niet of het wel of niet moet kunnen. Ik vind alleen dat de kijker, die graag in open net zo veel mogelijk dingen ziet, ook toegang moet krijgen tot minstens verslaggeving van topsportwedstrijden.
Mijnheer de minister, die evolutie is blijkbaar niet alleen in Vlaanderen aan de gang, maar ook internationaal. Hoe moet die verder gaan? Als wordt aangeboden om samen te werken, zou men kunnen spreken van een feitelijk monopolie of een de-factomonopolie, waarbij de verschillende distributeurs van televisiesignalen - het gaat hier uiteraard over digitale televisie - gaan samenwerken en
De heer Bart Caron:
Mevrouw de voorzitter, mijnheer de minister, collega's, voormalig minister Vervotte heeft een bijzonder plan gelanceerd. Het is sinds dit jaar operationeel, en het dient om belangrijke stappen vooruit te zetten in de Bijzondere Jeugdbijstand. Sinds kort is er ook een beter lopende integrale jeugdhulp. Wij zijn bevoegd voor het herstelgerichte aspect, voor de heropvoeding en voor de heroriëntatie. We werken daaraan, maar we weten allemaal dat er wachtlijsten zijn. Op de wachtlijsten voor zowel de residentiële als de ambulante zorg staan er kinderen en jongeren die als misdrijf omschreven feiten hebben gepleegd, maar die wegens plaatsgebrek niet opgenomen kunnen worden. Iedereen weet dat snel en alert reageren op eerste feiten van erg groot belang is. Dat is de kern van de zaak.
Mevrouw Vervotte heeft naar aanleiding van de nieuwe wet hard gepleit tegen de uithandengeving van jongeren vanaf 16 jaar aan de correctionele rechtbank. Dat past niet in het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind van het VN-Kinderrechtencomit
N391 Zwevegem - Veiligheid fietsers
Er is een onveilige situatie voor fietsers aan de expresweg van Zwevegem. Het gaat om de plaats waar het nieuwe fietspad op de oude spoorwegbedding, de expresweg dwarst.
Deze expresweg is een soort ringweg rond Zwevegem om het verkeer richting Avelgem uit de dorps-kern te weren. Die weg zal nog drukker worden
N8 Kerkhove (Avelgem) - Heraanleg
Na jarenlang wachten, is de heraanleg van de doortocht door de dorpskern van Avelgem (Oudenaarde-steenweg) voorzien in de Vlaamse begroting. Daarnaast voorziet het Vlaams Gewest 800.000 euro voor het structurele onderhoud van de Oudenaardsesteenweg in de Avelgemse deelgemeenten Kerk-hove en Waarmaarde. De werken aan de doortocht van de N8 zijn intussen sinds maandag 6 augustus 2007 gestart. Het einde van de werken is voorzien voor ten laatste half mei 2008.
Op een vraag van collega Carl Decaluwe antwoordde de minister dat het Vlaams Gewest 800.000 euro voorziet voor het structurele onderhoud van de Oudenaardsesteenweg in de Avelgemse deelgemeenten Kerkhove en Waarmaarde en dat het wegdek volledig vervangen zal worden door een nieuwe verhar-ding. Deze werken moeten aansluiten op de doortocht van de N8 in Avelgem, waarvan de werken dus begonnen zijn begin augustus 2007.
Maar naast Avelgem (en Rugge) zelf loopt de Oudenaardsesteenweg, op Avelgems grondgebied, ook door Waarmaarde en Kerkhove. En net daar wringt het schoentje, want het enige stuk dat niet aange-pakt wordt en dat wel degelijk in slechte staat is, is het stuk Oudenaardsesteenweg over de rontonde op grondgebied Kerkhove.
Het is natuurlijk wel zo dat er van Avelgem tot Kerkhove enkele schaarse stukjes zijn die al een op-knapbeurt kregen, maar op de overgangen tussen goede en slechte stukken is de trilling zo mogelijk nog erger. Ook vlak na de rotonde in Kerkhove is er honderd meter betere weg, maar verder richting Oudenaarde is de weg in even slechte staat als het grootste gedeelte voor de rotonde.
De beslissing om te stoppen met de werken aan de rotonde in Kerkhove is natuurlijk wel jammer voor de mensen die voorbij de rotonde richting Oudenaarde wonen. Voor hen zijn de geluidsoverlast en de trillingen even erg.
Klopt het dat de werken enkel voorzien zijn tot aan de rotonde in Kerkhove en daar stopgezet worden?
Zo ja, wat is hiervan de reden?
Verdient het geen aanbeveling om ook het deel over de rotonde in Kerkhove richting Oudenaarde alsnog mee op te nemen?
Antwoord Minister Crevits:
Op het goedgekeurd indicatief programma 2007-2009 is onder de categorie secundaire wegen onder N8 voor het jaar 2008 het project nr. 1348 voorzien dat structureel onderhoud voorziet op het grondgebied van Avelgem tussen km 65,4 en km 68,768.
Km 68,768 stemt overeen met het einde van het doortochtproject (zie project nr. 1119 op hetzelfde programma 2007-2009).
Km 65,37 is het kruispunt met de Kapellestraat.
Vanaf de rotonde loopt de N8 verder langs de Brugstraat richting de brug over de Schelde en richting Oudenaarde.
Het gedeelte van de Oudenaardsesteenweg tussen de rotonde en de grens met Oost-Vlaanderen is de N453.
Bovenvermeld programma 2007-2009 voorziet geen werken op de N453.
De redenen zijn dat:
- de betonverharding op de N8 in veel slechtere toestand is dan de betonverharding op de N453 (dit wordt bevestigd door het rapport “systematische metingen” van de afdeling Wegenbouwkunde.
- de intensiteit van het verkeer op de N8 veel groter is dan op de N453.
- het programma opgemaakt wordt rekening houdende met het voorziene budget en de prioriteiten.
Momenteel is het ontwerp 3-jarenprogramma in opmaak.
Er wordt nagegaan in hoeverre ook het structureel onderhoud op de N453 tussen de rotonde te Kerkhove en de grens met Oost-Vlaanderen hierin kan opgenomen worden.
| februari 2012 | ||||||
|---|---|---|---|---|---|---|
| z | m | d | w | d | v | z |
| 1 | 2 | 3 | 4 | |||
| 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 |
| 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 |
| 19 | 20 | 21 | 22 | 23 | 24 | 25 |
| 26 | 27 | 28 | 29 | |||

foto Viviane Decock
© 2009 - Bart Caron // Design: Het Concept / Matthias Malfr