
Vraag om uitleg van de heer Bart Caron tot mevrouw Inge Vervotte, Vlaams minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, over adoptieprocedures.
De heer Bart Caron: Mijnheer de voorzitter, een aantal ouders van adoptiekinderen hebben me aangesproken over de manier waarop de aanpak van de adoptieorganisatie Ray of Hope is misgelopen. Uit hun verhaal blijkt dat in de loop van 2001 een aantal zaken fout zijn gelopen. De nieuwe regelgeving is overigens gedeeltelijk een gevolg van de problemen die we in het verleden met de procedure hebben gekend. De voorzitter weet uit eigen ervaring dat het hier een moeilijke en delicate problematiek betreft. Dit heeft natuurlijk niet enkel met de werking van deze ene organisatie te maken. We zijn er in Vlaanderen gewoon nog altijd niet in geslaagd om deze materie goed te regelen.
Blijkbaar heeft Ray of Hope met de afkomst van adoptiekinderen geknoeid. Voor de adoptanten en hun families lijkt dit me het ergste wat kan gebeuren. Verschillende gedupeerde ouders hebben reeds al het mogelijke gedaan om de herkomst van hun adoptiekinderen te achterhalen. Dit is geenszins een sinecure gebleken. Ik wil hier trouwens aan toevoegen dat met het verloop van de adoptieprocedure zelf ook een aantal zaken zijn misgelopen.
Ondertussen is het voor iedereen duidelijk dat Ray of Hope niet helemaal in orde was. Kind en Gezin, de toezichthoudende instantie, was hiervan op de hoogte en twijfelde aan de deontologische houding van Ray of Hope. Er is zelfs geprobeerd om de betrokken ouders tot een vaststellingsovereenkomst over de herkomst van hun kinderen te overhalen. De ouders willen het hier evenwel niet bij laten. Het gaat hem niet om geld. Ik vind trouwens dat we blij mogen zijn dat het eens niet om geld draait. Het gaat hier om menselijkheid en om de manier waarop met kinderen en adoptanten wordt omgegaan.
De ouders hebben reeds een lange weg afgelegd. Ze hebben zich tot de klachtendienst van Kind en Gezin en tot de Ombudsman van de Vlaamse Gemeenschap gewend. Ik wil hier niet heel het dossier overlopen. De voorbije weken heb ik hierover ongelooflijk veel materiaal verzameld. Ten slotte hebben de ouders bij de onderzoeksrechter van Dendermonde een klacht tegen Ray of Hope en tegen Kind en Gezin ingediend. Ik wil hier uiteraard niet beweren dat Kind en Gezin de facto in de fout is gegaan. Dat de verantwoordelijke overheidsdienst hierbij wordt betrokken, maakt gewoon deel uit van de procedure.
De aanklacht luidt misbruik van vertrouwen. Dit is een zware beschuldiging. Met deze problematiek zijn we al jaren op de sukkel, en de zware woorden zijn niet van de lucht. Daarom probeer ik zelf het gebruik van zulke woorden te vermijden, en leg ik het liefst de nadruk op het humane aspect.
De ouders zeggen dat trouwens ook zelf. Het aanklagen van de organisatie zou niet de bedoeling hebben in discussie te gaan over het adopteren van een kind op zelfstandige basis, wat ook in de nieuwe wetgeving mogelijk blijft, of over de adoptie via een erkende organisatie. Het is voor hen gewoon het enige middel om de overheid ertoe aan te zetten de passende maatregelen te nemen.
De erkenning van Ray of Hope werd ingetrokken, ik geloof door minister Vogels. Na een kortgeding bij de Raad van State heeft minister Byttebier echter opnieuw een erkenning moeten verlenen, of heeft zij gemeend die te moeten verlenen, dat laat ik zonder verder oordeel in het midden. Ze stelde in een brief dat ze daartoe verplicht was om administratieve redenen. Zo kon Ray of Hope voor een jaar verder werken. Binnenkort verstrijkt dat jaar.
Ray of Hope is vooral in Sri Lanka actief, een land dat het overigens niet zo nauw neemt met de toepassing van het verdrag inzake de rechten van het kind. Dat is trouwens een bewijs dat Kind en Gezin het niet gemakkelijk heeft met de controle op buitenlandse adoptiekanalen.
Mijn vraag staat niet alleen. Ook in de beleidsnota is al een aanzet gegeven. Voor de gelegenheid heb ik de bespreking van de beleidsnota en de antwoorden daarop nog eens doorgenomen. Dat is een uitstekend instrument om ons te informeren. Het is duidelijk uitdrukkelijk de bedoeling hieraan te werken.
Twee dingen lopen hier dooreen: de problematiek van Ray of Hope en de algemene problematiek. Daar zijn zowel federale aspecten aan, als Vlaamse regionale aspecten. Het valt op dat geen van beide overheidsniveaus op dit ogenblik klaar is met de uitvoeringsbesluiten bij respectievelijk hun wet en hun decreet.
Mevrouw de minister, ik had u graag volgende vragen gesteld.
- Wanneer bent u van plan te beginnen met de in uw beleidsnota aangekondigde evaluatie van het adoptiedecreet?
- Hoe ver staat het met de uitwerking van een nieuwe procedure?
- Bestaat er momenteel een centraal informatiepunt voor ouders en kinderen met vragen over de afkomst van het adoptiekind?
- Bent u van plan met zo'n loket te beginnen, en zullen de adoptieverenigingen daarbij betrokken worden?
- Wordt er overleg gepleegd tussen de gewesten en de federale regering over de implementatie van de federale adoptiewet?
- In welke mogelijkheden of middelen voorziet u om bijvoorbeeld overheidsinstanties meer controle te laten uitoefenen op het correcte verloop van interlandelijke adoptieprocedures?
- Wanneer zult u een uitspraak doen over de voorlopige erkenning van de organisatie Ray of Hope, die binnenkort afloopt?
- Wat zijn uw intenties terzake?
Minister Inge Vervotte: Mijnheer de voorzitter, collega's, zoals aangekondigd bij de bespreking van de beleidsnota, wensen we inderdaad het adoptiedecreet te evalueren. We zijn daar volop mee bezig.
Het is belangrijk dat de kern van het adoptiedecreet behouden blijft, namelijk alles wat te maken heeft met adoptiebemiddeling. Ook de opsomming van de taken van de adoptiediensten zal ongewijzigd blijven. Het gaat bijvoorbeeld over samenwerking met de buitenlandse kanalen, een transparante schriftelijke overeenkomst met de adoptanten, en een omschrijving van wat een adoptiebemiddeling in de toekomst inhoudt. De verdere professionalisering van de adoptiediensten blijft uiteraard het uitgangspunt.
Ik zal binnenkort een voorstel tot wijziging van het decreet doen, dat vooral te maken zal hebben met de vereenvoudiging van de subsidies van de overheid aan de kandidaat-adoptant. Dat zal binnenkort in het parlement besproken worden.
Op dit moment kunnen zowel ouders als kinderen met vragen over afkomst terecht bij het zoekregister. Als de adoptie gebeurd is via een erkende dienst, dan wordt naar die dienst doorverwezen, en moet die de verdere afhandeling en de zoektocht doen. Zo niet, dan is het de taak van het zoekregister verder op pad te gaan. Het zoekregister wordt gesubsidieerd door Kind en Gezin.
In het nieuwe decreet is voorzien in een centrale archivering van alle adoptiedossiers bij de Vlaamse centrale autoriteit. Dat zal niet alleen gelden voor de nieuwe dossiers, maar ook voor alle andere dossiers, die immers aan het centraal archief moeten worden overgedragen. Zo krijgen we een centraal meldpunt. Er zal ook een Vlaamse adoptieambtenaar zijn, die onder andere zal zorgen voor de inzage in de adoptiedossiers.
Er is al herhaaldelijk overleg geweest tussen de gemeenschappen en de minister van Justitie. Dat overleg is nu afgerond, en binnen de veertien dagen zullen we overgaan tot de ondertekening van het samenwerkingsakkoord. Uiteraard dien ik dan een instemmingsdecreet in in het parlement, en dan kan erover gedebatteerd worden. De krachtlijnen daarvan zijn de volgende.
Er zijn afspraken gemaakt over de voorbereiding, het maatschappelijk onderzoek en het bewaren van adoptiedossiers. Er zal een commissie opgericht worden voor overleg en voor de opvolging van de adoptieprocedures, het adoptiedecreet en alles wat daarmee te maken heeft. De kandidaat-adoptanten kunnen voor alle informatie, zowel over de komende nieuwe wetgeving als over de overgangsmaatregelen, terecht bij Kind en Gezin, dat ervoor zorgt dat de informatie beschikbaar is.
Het toezicht op het correct verloop wordt met de nieuwe federale wetgeving sluitend gemaakt en verplicht georganiseerd. Er is voor het centraal gezag van de gemeenschappen een belangrijke taak weggelegd, want via het adoptiedecreet zullen ze een belangrijke rol spelen. Ze zullen onder meer bevoegd zijn om controle uit te oefenen op de buitenlandse kanalen van autonome adoptie-initiatieven en de erkende diensten. De opdracht bestaat onder meer in het bevorderen van de samenwerking met de buitenlandse overheden, in het belang van de rechten van het kind. Er is hier terecht gesteld dat dit budgettaire consequenties heeft, want zo'n taak impliceert de organisatie van zendingen die controle uitoefenen.
De toestand bij Ray of Hope wordt nauwlettend opgevolgd. De laatste inspectie is gebeurd op 27 december 2004. Er is een verlenging tot 30 december 2006 toegekend. De inspectie heeft vastgesteld dat aan alle erkenningsvoorwaarden is voldaan. Wat Sri Lanka betreft, heeft de inspectie geen aanwijzingen gevonden dat de erkenningsvoorwaarden worden overtreden.
De heer Bart Caron: Wat de eerste zes vragen betreft, ben ik zeer tevreden met het antwoord. Ik ben erg blij dat een en ander in beweging komt. Ik ben niet goed geplaatst om een oordeel te vellen over Ray of Hope. Ik ga ervan uit dat de inspectie correct controleert. De zaak toont nogmaals aan dat het nodig is om de algemene regelgeving te verbeteren en het toezicht op buitenlandse adoptiekanalen zelf te organiseren. Dat zal op middellange termijn mogelijke problemen kunnen voorkomen. Ik dank de minister voor haar antwoord.
Voorstel van resolutie van de heren Tom Dehaene, Jean-Marie Dedecker, Kris Van Dijck, Bart Caron en Johan Sauwens houdende herziening van de regelgeving betreffende het voorkomen van de veteranenziekte of legionellose op voor het publiek toegankelijke plaatsen.
Voorstel van resolutie
Het Vlaams Parlement,
– gelet op:
1° het besluit van de Vlaamse Regering van 11 juni 2004 betreffende het voorkomen van de veteranenziekte of legionellose op voor het publiek toegankelijke plaatsen, hierna het legionellabesluit te noemen;
2° het antwoord van Vlaams minister van Cultuur, Jeugd, Sport en Brussel, de heer Bert Anciaux, op de vraag om uitleg van de heer Tom Dehaene betreffende het legionellabesluit, in commissie behandeld op 13 januari 2005;
3° het antwoord van Vlaams minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, mevrouw Inge Vervotte, op de vragen om uitleg van mevrouw Marleen Van den Eynde en de heren Tom Dehaene en Jean-Marie Dedecker betreffende het legionellabesluit, in commissie behandeld op 25 januari 2005;
4° de maatschappelijke, ethische en beleidsmatige noodzaak om de zware preventieve inspanningen die ‘hoogrisico-inrichtingen’ en ‘matigrisico-inrichtingen’ in het kader van het legionellabesluit moeten leveren, af te wegen tegenover de grootte van het risico en het bewijskarakter van de effectiviteit van de te leveren inspanningen;
5° de vraag van minister Inge Vervotte aan de administratie om een stand van zaken te geven met betrekking tot de toepassing van het legionellabesluit, met inbegrip van de knelpunten die daarbij vastgesteld worden;
6° het Vlaamse regeerakkoord 2004-2009 dat bepaalt dat bijzondere aandacht moet worden geschonken aan de vermindering van de planlasten;
– overwegende dat:
1° het aantal gevallen van legionellose of veteranenziekte zeer beperkt is in Vlaanderen;
2° verenigingen, openbare besturen en priv
Met redenen omklede motie van de heer Bart Caron, mevrouw Cathy Berx en de heren Dany Vandenbossche, Sven Gatz, Kris Van Dijck en Steven Vanackere tot besluit van de op 10 maart 2005 door de heren Jurgen Verstrepen en Jos Stassen in commissie gehouden interpellaties tot de heer Bert Anciaux, Vlaams minister van Cultuur, Jeugd, Sport en Brussel, respectievelijk over de koppeling van subsidies voor sport-, cultuur- en jeugdverenigingen aan quota voor allochtonen en over allochtonen in cultuur-, jeugd- en sportverenigingen
Het Vlaams Parlement,
– gehoord de interpellaties van de heren Jurgen Verstrepen en Jos Stassen;
– gehoord het antwoord van minister Bert Anciaux;
– gelet op:
1° de aandacht voor het verenigingsleven in het Vlaamse regeerakkoord: "de Vlaamse Regering geeft prioriteit aan het verenigingsleven, neemt faciliterende maatregelen en vult witte plekken in het aanbod aan, zodat het verenigingsleven haar eigen initiatieven optimaal kan uitbouwen";
2° de intenties van de minister zoals beschreven in de beleidsnota’s Jeugd, Sport en Cultuur 2004-2009: "het ontwikkelen en het stimuleren van een diversiteitsbeleid met specifieke aandacht voor interculturaliteit staat centraal. Interculturaliteit beoogt het werkelijk samenleven met elkaar van mensen en groepen met verschillende culturele achtergronden.
Uitgangspunt is dat interculturaliteit een ‘gewenste realiteit’ is, waarbij het bewust omgaan met verscheidenheid centraal staat. (…) De uitdaging ligt erin niet passief naast elkaar te bestaan maar actief samen te werken aan een interculturele dynamiek. Ontmoeting staat hierbij centraal. Een cultuur-, jeugd- en sportbeleid moet ontmoeting tussen individuen en groepen aanwakkeren.";
3° het belang van een beleid dat bijdraagt tot de realisatie van een diverse, verdraagzame en rijke Vlaamse samenleving;
– vraagt de Vlaamse Regering bij de uitvoering van het beleid inzake Jeugd en Cultuur, zoals geformuleerd in het Vlaamse regeerakkoord, de Verklaring van de Vlaamse Regering en de beleidsnota’s Jeugd, Cultuur en Sport 2004- 2009:
1° de strategische doelstellingen die in de beleidsnota’s Jeugd en Cultuur 2004-2009 worden geformuleerd met betrekking tot diversiteit en interculturaliteit uit te werken en te concretiseren in een diversiteitsplan dat gefaseerd wordt uitgevoerd tijdens de volledige legislatuur;
2° dit tot stand te brengen in samenspraak met de diverse actoren;
3° steeds rekening te houden met de eigenheid van de verschillende verenigingen, actoren, sectoren, disciplines en etnisch-culturele minderheden, en tegelijk alle betrokkenen ertoe aan te zetten om de onderlinge en interne kennismaking, ontmoeting en samenwerking te stimuleren, zowel op het individuele als op het collectieve vlak.
Bart Caron, Cathy Berx, Dany Vandenbossche, Sven Gatz, Kris Van Dijck, Steven Vanackere
De heer Bart Caron:
In de wielersport is er blijkbaar een probleem met de beroepsprocedure in dopingzaken. Nochtans was de wielerbond enkele jaren geleden vragende partij om de vervolging van doping binnen de bond zelf te organiseren. Daarmee was hij een uitzondering in de Vlaamse sportwereld. Nu wil de bond blijkbaar van die situatie af.
Waar wil de wielerbond naartoe? Meent hij dat er binnen de Vlaamse Gemeenschap een meer coherente procedure wenselijk is? Wat zijn de gevolgen op internationaal vlak? Is er een aanpassing van het decreet nodig of is de wielerbond zelf verantwoordelijk? We moeten in ons land op een volwassen manier omgaan met de dopingbestrijding in het wielrennen.
Minister Bert Anciaux:
Er was al overleg met de wielerbond, vandaag volgt er een tweede. Enerzijds moeten we gaan naar een correcte procedure, gelijk voor alle sporten, waarin de rechten op verdediging gewaarborgd zijn, en anderzijds moeten we de internationale manifestaties kunnen behouden. Een open oorlog met UCI is dus uit den boze, maar ik mag me ook niet blootstellen aan kritiek op de tuchtprocedures.
Er bestaat zeker een oplossing. De verklaring van Kopenhagen heeft niets te maken met het erkennen van de procedure van de wielerbond. In de beleidsnota staat duidelijk dat we ons volledig willen aanpassen aan de WADA-code. Dat zullen we systematisch en versneld doen.
Toch is er in de WADA-code onduidelijkheid over het TAS in Lausanne: mij lijkt het perfect mogelijk om naast de drie normale stappen in de procedure -eerste aanleg, beroep bij de disciplinaire commissie, en de Raad van State - ook in de extra mogelijkheid van het TAS te voorzien. Daardoor zou beantwoord worden aan de WADA-code die we hoe dan ook helemaal in onze eigen regelgeving zullen opnemen. De situatie kan vergeleken worden met de stappen in de burgerlijke rechtspraak: eerste aanleg, beroep, cassatie, en ten slotte de mogelijkheid tot internationale procedures. In die logica is een alles overkoepelend geheel van tuchtprocedures in overeenstemming met het WADA perfect mogelijk. We zullen de WADA-code dus systematisch opnemen in onze eigen regelgeving.
Volgens mij schaadt de mogelijkheid onmiddellijk na eerste aanleg naar het TAS te gaan, de rechten van verdediging niet. Uiteraard vind ik het recht op verdediging belangrijk. Maar ik wil niet mee aansturen op straffeloosheid van dopinggebruik door verwarring te schoppen. We moeten naar duidelijke regels voor iedereen, met waarborg van de rechten van de verdediging. Ze mogen uiteraard niet in strijd zijn met de WADA-code, zodat de internationale manifestaties gevrijwaard kunnen blijven.
Vraag om uitleg van de heer Caron tot mevrouw Vervotte, Vlaams minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, over de maatregelen tot beheersing van de uitgaven inzake hulpmiddelen en aanpassingen.
De heer Bart Caron: Mijnheer de voorzitter, mevrouw de minister, op 17 december 2004 keurde de Vlaamse Regering maatregelen goed inzake uitgaven
voor hulpmiddelen. Dat was een aanpassing van het toenmalige besluit. Er zijn een aantal overgangsmaatregelen bepaald. Er is in 2005 geen indexering geweest van de refertelijst voor de hulpmiddelen, die worden pas in 2006 opnieuw geïndexeerd. De terugbetaling van bedden en elektronische relaxzetels wordt stopgezet vanaf 1 januari 2005. Mijn vraag gaat vooral over een uitvoerende modaliteit van die regeling. Bedden moeten in principe ten laste worden genomen door de ziekteverzekering. Via het Vlaams Fonds was er een surplus aan mogelijkheden gecreëerd, maar dat budget staat onder grote druk. Daarom is beslist dat die extra dienstverlening via het Vlaams Fonds wordt stopgezet. Elektronische relaxzetels dragen bij tot het levenscomfort. Ook in dat verband werd via het Vlaams Fonds een inspanning gedaan. De Vlaamse Regering heeft echter beslist dat het niet langer opportuun is om dergelijke hulpmiddelen terug te betalen. Alleen voor mensen die aan de ziekte van Huntington lijden, blijft de mogelijkheid tot terugbetaling behouden.
Er zijn een aantal overgangsmaatregelen genomen, maar die ga ik niet allemaal gedetailleerd behandelen. Het principe is echter dat wie vóór 1 januari 2005 een toezegging had, maar de relaxzetel of het bed niet voor diezelfde datum heeft aangekocht, geen terugbetaling meer krijgt. Indien de aankoop vóór 1 januari 2005 gebeurde, is er geen probleem. Dan is er nog steeds de mogelijkheid tot terugbetaling via het Vlaams Fonds. Ik begrijp dat er overgangsmaatregelen worden genomen. Op die manier kunnen potentiële misbruiken worden tegengegaan, worden onduidelijkheden vermeden en heerst er rechtszekerheid bij de zorgvragers. Er zijn een aantal knelpunten in deze regeling. Mensen die in de loop van 2004 een positief antwoord kregen in verband met de terugbetaling, maar om de een of andere reden hun aankoop een beetje hebben uitgesteld, zullen geen terugbetaling meer krijgen. Dit is een moeilijke kwestie. Belofte maakt schuld. Hoe streng moet deze regeling eigenlijk worden toegepast? Bepaalde mensen worden heel hard getroffen door deze maatregel. Bovendien zijn de mensen die hun aankoop uitstellen, net mensen die het financieel minder goed hebben. Juristen spreken nu over rechtsonzekerheid. Ze vragen zich bovendien af of dit wel een daad van behoorlijk bestuur is.
Daarom mevrouw de minister had ik u graag volgende vragen gesteld:
- Bent u bereid om de beslissing opnieuw te bekijken?
- Bent u bereid om voor de personen die een positieve beslissing kregen van het Vlaams Fonds, maar hun aankoop niet vóór 1 januari 2005 hebben gedaan, een uitzondering te maken? Er wordt gesteld dat bedden eigenlijk door de ziekteverzekering ten laste moeten worden genomen.
- Kunt u bevestigen dat dat ook echt gebeurt?
- Welke oplossingen hebt u voor de eventuele knelpunten die er nog zijn in verband met personen met een handicap en chronisch zieken?
Minister Inge Vervotte: Mijnheer de voorzitter, collega’s, dit heeft te maken met de besparingen waarvan iedereen solidair zijn deel heeft opgenomen. Bij de besparingsvoorstellen hadden we er in eerste instantie voor gekozen dat de sector van de individuele materiële bijstand, de residentiële sector en de ambulante sector elk een beetje zouden besparen. We hadden voor elk van die sectoren een verhoging van het budget kunnen verwezenlijken, maar de compensatie daarvoor was dat elke sector zijn verantwoordelijkheid zou opnemen wat de besparingen betreft. Dat is voor niemand plezant, en er zijn altijd 1001 redenen om te vragen om die besparingen niet te moeten doorvoeren. Uiteindelijk is er een globaal voorstel voorgelegd aan de raad van bestuur van het Vlaams Fonds. Er werd toen ook duidelijk gezegd dat alternatieve voorstellen welkom waren. Voor ons was het belangrijk dat de raad van bestuur van het Vlaams Fonds achter de beslissing zou staan. Er zijn echter geen alternatieve voorstellen uit de bus gekomen. De besparingsmaatregel zou 600.000 euro opleveren. Ik ben bereid om de beslissing van 17 december 2004 opnieuw te bekijken. Dat betekent dat ik een gewijzigd besluit voor advies zal voorleggen aan de raad van bestuur van het Vlaams Fonds. Voor mij is het echter zeer duidelijk dat we onze budgettaire inspanningen moeten leveren. Ik ben dus bereid om het besluit te wijzigen en het voor advies voor te leggen aan de raad van bestuur van het Vlaams Fonds, maar we moeten wel onze verantwoordelijkheid opnemen in verband met de budgettaire impact. De raad van bestuur van het Vlaams Fonds zal dus met een voorstel op de proppen moeten komen, want de besparing moet worden gerealiseerd. We vonden deze maatregel verantwoord omdat verschillende ziekenfondsen bedden te huur aanbieden tegen een zeer lage huurprijs.
De heer Bart Caron: Mevrouw de minister, ik dank u voor uw antwoord. Het is inderdaad zo dat in verhouding de besparingen op de individuele hulpmiddelen procentueel een stuk hoger liggen dan de algemene besparing die u hebt moeten inbrengen in uw begroting. Ik hoop dat er een alternatief komt, want uiteindelijk komen we opnieuw terecht bij de situatie van tijdens de opmaak van de begroting, namelijk dat u het Vlaams Fonds vraagt een alternatieve vorm van besparingen voor te stellen. Ik hoop dat het Vlaams Fonds zicht kan krijgen op eventuele meevallers, waarmee ik dus bedoel dat bepaalde kostensoorten misschien door omstandigheden moeten worden verschoven. We weten allemaal wat daarmee wordt bedoeld. Misschien kan deze anomalie dan verdwijnen. Ik dank u alleszins voor uw bereidheid om iets te doen aan dit probleem.
Schriftelijke Vraag van Bart Caron, Vlaams volksvertegenwoordiger aan de heer Kris Peeters, Vlaams minister van Openbare Werken, Eneergie, Leefmilieu en Natuur over de uitbreiding en het onderhoud van het Stadsrandbos (Preshoekbos) te Kortrijk.
In het beleidsplan van de Vlaamse Regering is een van de besparingsposten het aankopen van bossen. Hierover heeft de minister reeds in de eerste week van september in de media een verklaring afgelegd. Hij vindt dat de Vlaamse overheid niet langer massaal bossen en gronden dient aan te kopen voor de aanplanting van nieuwe bossen. Bovendien is hij ook de mening toegedaan dat bossen evengoed priv
1) Vraag om uitleg van de heer Bart Caron tot mevrouw Inge Vervotte, Vlaams minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, over de tabaksverkoop aan min-16-jarigen en de ratificatie van de Kaderovereenkomst van de Wereldgezondheidsorganisatie.
2) Vraag om uitleg van de heer Bart Caron tot mevrouw Inge Vervotte, Vlaams minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, over het tabaksfonds.
De heer Bart Caron: Mijnheer de voorzitter, mevrouw de minister, geachte collega’s, tot u spreekt een ex-kettingroker. 4 februari 2002 was voor mij een glorierijke dag. Op die dag ben ik definitief gestopt met roken. Het geeft wel aan dat ik een band heb met het thema.
Velen onder ons zullen wel herinneringen hebben over het roken van de eerste sigaret op school. Het hoorde bij de stoerdoenerij en het puberaal gedrag. Ik was dan ook gefrappeerd over de discussie of het nu wel zinvol is om het roken te verbieden aan min-16-jarigen. De verboden vrucht smaakt altijd zoeter. De vraag is dan ook of dit wel de goede strategie is om het roken tegen te gaan.
Mevrouw de minister, u bent me eens te meer te snel af geweest. De regering heeft vorige vrijdag een ontwerp van decreet met betrekking tot het ratificeren van de Kaderovereenkomst van de Wereldgezondheidsorganisatie inzake de bestrijding van het tabaksgebruik goedgekeurd. Ik zal niet alles herhalen. Ik zal me beperken tot de kern van de zaak. De regering heeft ook haar akkoord uitgesproken over de andere delen van de overeenkomst. Ik wens het hier alleen te hebben over het feit of het zinvol is het roken te verbieden.
Ik sluit me grotendeels aan bij het advies van de Vlaamse Jeugdraad. Er zijn nog andere adviezen, zoals die van de Gezondheidsraad. De Vlaamse Jeugdraad stelt dat het er voor hen in eerste instantie op aankomt om aan de preventie te werken. Zo stelt ze: ‘We geloven in de kracht en competentie van kinderen en jongeren. Precies vanuit dat geloof in de jongelui, plaatsen we vraagtekens bij de huidige ‘boom’ aan verbodsbepalingen. We vinden het belangrijk dat kinderen en jongeren betrokken en bevraagd worden bij beleidsacties en –beslissingen, dat ze aangesproken worden op hun stuk verantwoordelijkheid, zonder andere verantwoordelijkheden te negeren. Als Vlaamse Jeugdraad zijn we het niet eens met het verbod op tabaksverkoop aan min-16-jarigen.’ Uit een steekproef is trouwens ook gebleken dat het verbod op zich zeer moeilijk te controleren is en dat het ook niet werkt.
In het advies staat verder: ‘Omdat we geloven dat preventie en informatie op maat veel effectiever kunnen zijn, en recht doen aan het feit dat iedereen zelf moet kunnen beslissen. Omdat opvoeding thuis dient te gebeuren en niet van bovenaf kan en mag opgelegd worden door de overheid. Omdat het opleggen van verbodsbepalingen betuttelend is en – zeker dit concrete verbod – bovenal onterecht slechts 1 groep viseert en zelfs bombardeert tot criminelen. Omdat iedereen het recht heeft op welzijn, maar dus ook – en vooral – het recht om in alle vrijheid eigen keuzes te maken. Ook jongeren. Omdat zij competente burgers zijn, die heel wat in hun mars hebben. Je moet daar wel in durven geloven.’
Mevrouw de minister, graag had ik u volgende vragen gesteld:
- Wat is uw mening over het advies van de Vlaamse Jeugdraad?
- Werd er overleg gepleegd met andere jongerenorganisaties over deze materie? Zo ja, op welke wijze?
Ik heb begrepen dat de Vlaamse Regering over deze zaak geen uitspraak doet omdat het om een federale materie gaat. Ze heeft wel de intentie om de samenwerkingsovereenkomst goed te keuren.
- Denkt u eraan preventieprogramma’s of -campagnes op te starten om jongeren aan te zetten tot stoppen met roken of het starten met roken te ontmoedigen? Zo ja, zal dit gebeuren in overleg met jongerenorganisaties?
Het tweede deel van de vraag gaat over het tabaksfonds, dat door minister Demotte werd opgericht. Het fonds zou door de gemeenschappen, de gewesten en de federale overheid worden bestuurd. In het verleden bestond er ook al een tabaksfonds. Het werd gespijsd met middelen van de tabaksindustrie. Ik denk dat ze met de winst de Formule 1-wedstrijd in Francorchamps kunnen sponsoren. Er is nu een onafhankelijk fonds. De tabaksindustrie is er niet meer bij betrokken.
Bij dit soort thema’s is minister Demotte heel fel. Dat geldt ook als het om alcohol gaat. Dat siert hem. Toch denk ik dat hij op de rand van zijn bevoegdheden balanceert. De wetgever stelt dat er een coördinatiecomit
Vraag om uitleg van de heer Bart Caron tot mevrouw Inge Vervotte, Vlaams minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, over het belang van het kind bij echtscheidingen.
De heer Bart Caron: Mevrouw de minister, op 16 februari verscheen in De Standaard een vrije tribune die was ondertekend door mensen die enige autoriteit bezitten inzake opvoeding, zoals verantwoordelijken van de Gezinsbond, van het Kinderrechtencommissariaat, universiteiten, CAW’s en bezoekersruimten. Ze deden een oproep tot een betere begeleiding van de onderbroken of de conflictueuze ouder-kindcontacten, zoals dat in het vakjargon heet.
Opnieuw duikt het communautaire probleem op. Een aantal bezoekruimten passen in het justitieel beleid. De middelen daarvoor gaan naar de CAW’s, die echter onder de bevoegdheid van Vlaanderen vallen.
Mevrouw de minister,
- Bent u bereid om in overleg met de federale bevoegde minister ervoor te zorgen dat scheidende ouders met kinderen de mogelijkheid hebben om kennis te maken met conflictbeheersende bemiddeling?
- Wilt u werk maken van de verdere uitbouw van de bezoekruimtes waar ouders en kinderen professioneel worden begeleid en stapsgewijs kunnen werken aan betere onderlinge verhoudingen? Wellicht moet dat gebeuren in het kader van de werking van de CAW’s.
- Bent u van plan om overleg te plegen met de kinderrechtenorganisaties om tot betere maatregelen te komen ten voordele van kinderen die zijn betrokken in echtscheidingsregelingen?
Minister Inge Vervotte: Mijnheer de voorzitter, dames en heren, de belangen van het kind, dat niet voor de echtscheiding van zijn ouders kiest, staan voor ons centraal. In Vlaanderen is inzake familiale bemiddeling door de CAW’s veel ervaring opgedaan.
Twee weken geleden is in de federale Kamer een wetsontwerp over de bemiddeling goedgekeurd. In het wetsontwerp zijn criteria opgenomen voor de erkenning van bemiddelaars, met inbegrip van de erkenning van de familiale bemiddelaars. We zullen daarover moeten overleggen met federaal minister Onkelinx, want die wet zal gevolgen hebben voor de erkenning van de bemiddelaars in de autonome centra van de CAW’s. De centra krijgen een groot aantal relatieondersteunende hulpvragen bij scheidingen.
Die centra hebben de jongste tijd een enorme deskundigheid opgebouwd, en beschikken over heel wat praktijkervaring in deze problematiek. Ik streef er dan ook naar dat scheidende ouders hun weg kunnen blijven vinden naar deze laagdrempelige dienstverlening. We weten dat ze ook elders terechtkunnen, maar de expertise is laagdrempelig uitgebouwd in de familiale bemiddeling in de Centra voor Algemeen Welzijnswerk.
De neutrale bezoekruimtes die daar eveneens deel van uitmaken, zijn eigenlijk een aanvulling bij de familiale bemiddeling. Als een echtscheiding toch uitmondt in een conflictsituatie, kan de omgang tussen ouders en kinderen gewaarborgd worden in die neutrale bezoekruimtes.
De werking van die neutrale bezoekruimtes wordt nu verfijnd en afgestemd op het decreet betreffende de rechtspositie van de minderjarige in de integrale jeugdhulp. Het is de bedoeling dat in het hulpaanbod van de bezoekruimtes meer rekening wordt gehouden met het belang van het kind. Het gaat dan bijvoorbeeld om kinderen die in het kader van een gerechtelijk vonnis tegen hun zin en onder dwang naar de bezoekruimtes worden gebracht. We zullen het ene met het andere in overeenstemming moeten brengen.
Daarnaast hebben we ook gesprekken gehad met het steunpunt Algemeen Welzijnswerk. Die mensen hebben zich ertoe geëngageerd een uniforme werkwijze uit te werken in de omgang met de verschillende vragen die ze daaromtrent krijgen in hun verschillende CAW’s.
Uiteraard zal ik contact opnemen met alle relevante actoren, opdat het kinderrechtenperspectief voldoende aan bod zou komen en ook in deze thematiek zijn uitvoering zou kunnen vinden.
De heer Bart Caron: Mevrouw de minister, ik dank u voor het antwoord met perspectief.
| februari 2012 | ||||||
|---|---|---|---|---|---|---|
| z | m | d | w | d | v | z |
| 1 | 2 | 3 | 4 | |||
| 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 |
| 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 |
| 19 | 20 | 21 | 22 | 23 | 24 | 25 |
| 26 | 27 | 28 | 29 | |||

foto Viviane Decock
© 2009 - Bart Caron // Design: Het Concept / Matthias Malfr