
Met redenen omklede motie van mevrouw Stern Demeulenaere, de heer Jan Laurys, mevrouw Caroline Gennez en de heren Jan Loones en Bart Caron tot besluit van de op 19 april 2005 door de heren Eloi Glorieux en Jan Laurys in commissie gehouden interpellaties tot mevrouw Fientje Moerman, vice-minister-president van de Vlaamse Regering, Vlaams minister van Economie, Ondernemen, Wetenschap, Innovatie en Buitenlandse Handel, respectievelijk over de beschuldigingen inzake aanhoudende onregelmatigheden bij Export Vlaanderen en over de beschuldigingen inzake onregelmatigheden bij Export Vlaanderen
Het Vlaams Parlement,
– gehoord de interpellaties van de heren Eloi Glorieux en Jan Laurys over de onregelmatigheden bij Export Vlaanderen;
– gehoord het antwoord van minister Fientje Moerman;
– is van mening dat in het belang van de Vlaamse export en in het belang van een goede functionele start van de nieuwe Flanders Investment & Trade, zowel de onregelmatigheden en anomalieën binnen de Vlaamse overheidsdienst Export Vlaanderen die vorig jaar door het Rekenhof werden geïdentificeerd, als die die recent door de anonieme briefschrijvers werden aangekaart, op een serene maar kordate manier moeten worden onderzocht, en waar nodig rechtgezet;
– vraagt de Vlaamse Regering:
1° Export Vlaanderen op te leggen om de onregelmatigheden die blootgelegd werden in het verslag van het Rekenhof van december 2003 over het onderzoek van de personeelsaangelegenheden bij Export Vlaanderen verder en zonder uitzondering zo snel mogelijk ongedaan te maken en in overeenstemming te brengen met de geldende regelgeving;
2° de recente klachten van de anonieme briefschrijvers ernstig te onderzoeken en anomalieën die daarbij bewezen worden, onmiddellijk recht te zetten;
3° snel werk te maken van de ondertekening van het protocol met de Vlaamse Ombudsman, waardoor het decreet ter bescherming van de klokkenluiders effectief in werking kan treden en klokkenluiders binnen de Vlaamse administratie duidelijk weten waar ze met hun klachten terecht kunnen.
Stern Demeulenaere, Jan Laurys, Caroline Gennez, Jan Loones, Bart Caron
Voorstel van decreet van mevrouw Sabine Poleyn, de heren Herman Schueremans, Chokri Mahassine, Kris Van Dijck en Bart Caron en mevrouw Tinne Rombouts houdende wijziging van het decreet van 29 maart 2002 op het Vlaamse jeugdbeleid
Toelichting
Dames en heren, het decreet van 29 maart 2002 op het Vlaamse jeugdbeleid betekende een duidelijke trendbreuk met de voorgaande regelgevingen aangaande de erkenning en subsidiëring van het Vlaamse jeugdbeleid.
Alleen al in dit opzicht kan het decreet als revolutionair bestempeld worden. Het bovenvermelde decreet trad in werking op 1 januari 2003. Ondertussen kan er een eerste evaluatie gemaakt worden van de verschillende procedures die er in vervat zitten. Zoals de Vlaamse Jeugdraad terecht in zijn advies 05/02 van 19 januari 2005 aangeeft, betreft het hier een “goed decreet”, doch heeft de toepassing ervan aangetoond dat een aantal aanpassingen en wijzigingen dringend nodig zijn. Een aantal van deze aanpassingen zijn technisch en praktisch van aard (aanpassing van terminologie aan de realiteit bijvoorbeeld).
Het hoofdstuk VII Jeugdcultuur wordt evenwel grondig aangepast. De toepassing van de huidige regels leidde immers tot verwarring, zodat ervoor geopteerd werd om dit gehele hoofdstuk te herschrijven. Deze herschrijving zorgt ervoor dat het geheel duidelijker wordt maar vormt zeker geen breuk met het verleden, integendeel. Alle mogelijke subsidiëringen inzake jeugdcultuur die vermeld worden in dit voorstel kunnen ook op basis van de thans vigerende tekst gesubsidieerd worden.
Commentaar bij de artikelen
Artikel 1:
Dit artikel behoeft geen commentaar.
Artikel 2:
1° Sinds de inwerkingtreding van de wet van 2 mei 2002 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen, spreekt men niet meer van “verenigingen zonder winstgevend doel” maar van “verenigingen zonder winstoogmerk”. Om het decreet van 29 maart 2002 op het Vlaamse jeugdbeleid aan te passen aan die gewijzigde juridische situatie, wordt in dit voorstel steeds de juiste terminologie geïntegreerd.
2° Met het decreet op het Vlaamse jeugdbeleid worden niet noodzakelijk alleen jeugdverenigingen gesubsidieerd. Vanuit een breder jeugdbeleid worden ook organisaties beoogd die een werking ontplooien binnen de doelstellingen van het decreet. Vaak gaat het hierbij om eenmalige aanvragers met een kerntaak in een ander beleidsdomein. De statuten van dergelijke verenigingen beantwoorden dan ook vaak niet aan de geciteerde bepaling. Essentieel is dat de verenigingen die gesubsidieerd wensen te worden op basis van het decreet van 29 maart 2002, de principes en de regels van de democratie aanvaarden en het Europees Verdrag inzake de Rechten van de Mens en het Internationaal Verdrag betreffende de Rechten van het Kind onderschrijven en uitdragen. De verenigingen verplichten om dit in hun statuten op te nemen, voegt hier niets aan toe, maar creëert wel een administratieve overlast voor de betrokken organisaties.
Artikelen 3 en 4:
Zie opmerkingen bij artikel 2, 1°.
Artikel 5:
Deze wijziging wordt doorgevoerd op verzoek van het steunpunt jeugd zelf.
Artikel 6:
Deze aanpassing maakt enerzijds duidelijk dat het steunpunt jeugd een pluralistische organisatie is en anderzijds wordt de onduidelijke term “platformfunctie” vervangen door “informatie-uitwisselingsfunctie”.
Artikel 7:
De bedoelde verenigingen worden door de overheid gesubsidieerd voor de uitvoering van een driejarenbeleidsplan en kunnen daarvoor tot 375.000 euro subsidie krijgen. Het zal duidelijk zijn dat hier verenigingen bedoeld worden die over rechtspersoonlijkheid beschikken, dus verenigingen zonder winstoogmerk.
Artikel 8:
Niet enkel de adviescommissie stelt een preadvies op, ook de administratie beoordeelt en evalueert de verschillende aanvragen. In het verleden is gebleken dat de administratie zich meestal kan terugvinden in het preadvies van de adviescommissie, maar dat is niet altijd zo. Om de aanvragers zo goed mogelijk te informeren, en rekening houdend met de nieuwe regels op de openbaarheid van bestuur, wordt ervoor geopteerd om ook de preadviezen van de administratie mee te delen aan de aanvragers. Zodoende kunnen zij ook repliceren op de opmerkingen van de administratie en worden ze achteraf niet ‘verrast’ door het advies van de administratie. Deze wijziging, die ook opgenomen is in dit voorstel met betrekking tot de procedures tot subsidiëring van het experimentele jeugdwerk en het landelijk georganiseerde jeugdwerk, biedt de verenigingen grotere rechtszekerheid en betere verweermiddelen. De aanvulling in de zevende paragraaf betreft de wegwerking van een lacune in het decreet van 29 maart 2002. Nergens werd er immers, in tegenstelling tot de andere procedures van het decreet waarbij er aan ‘driejarensubsidiëring’ gedaan werd, een regeling omschreven voor de uitbetaling van de subsidie. Die lacune werd ‘opgevangen’door artikel 10, §3, 2°, tweede lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2002 betreffende de uitvoering van het decreet op het Vlaamse jeugdbeleid. Thans wordt er, om onnodige juridische discussie te vermijden, voor geopteerd om de bewoordingen van dit artikel op te nemen in het decreet van 29 maart 2002 zelf. Voortaan zal er dus in het decreet vermeld staan dat de verenigingen die gesubsidieerd worden in het kader van de participatie, per kwartaal, een voorschot krijgen van 22,5%. Het saldo ten bedrage van 10% wordt uitgekeerd voor 1 juli van het volgende jaar.
Artikel 9:
Het betreft hier een verduidelijking van wat er onder subsidiëringvoorwaarden verstaan wordt. Vandaar de duidelijke link met de voorwaarden, opgesomd in artikel 3 van het decreet.
Artikel 10:
De aanvulling bij de eerste paragraaf is ingegeven doordat er feitelijk nu al “internationale jeugdculturele initiatieven” worden gesubsidieerd (cf. besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2002 betreffende de uitvoering van het decreet op het Vlaamse jeugdbeleid). Dit wordt nu expliciet in het decreet vastgelegd. De subsidies aan “initiatieven om de kansen tot individuele deelname van de jeugd aan internationale initiatieven te vergroten” worden toegekend op basis van regels. Het zijn zuiver gereglementeerde toelagen die geen beoordeling noodzaken. De regels kunnen op een haast mechanistische wijze worden toegepast. De verplichting om deze dossiers eerst aan de commissie voor te leggen, heeft geen zin en veroorzaakt alleen maar oponthoud bij de toezegging van de subsidies (cf. rapport van de Interne Audit over de afdeling Jeugd en Sport, die sprak van “een vrij logge en zware procedure” en die in dit verband volgende aanbeveling formuleerde: “De afdeling Jeugd en Sport dient zich af te vragen welke de efficiëntie en toegevoegde waarde is van het advies van de expertencommissie”).
Artikelen 11 en 12:
Zoals reeds in de inleiding werd vermeld, wordt het gehele hoofdstuk VII met betrekking tot jeugdcultuur aangepast. Op basis van dit hoofdstuk zullen worden gesubsidieerd:
– jongeren die een artistiek product of een artistiek project realiseren en verenigingen die een artistiek product of een artistiek project voor en door jongeren realiseren (artikel 30);
– verenigingen zonder winstoogmerk die de bevordering van de artistieke expressie door de jeugd, of de ontsluiting van het roerend of onroerend erfgoed ten behoeve van de jeugd tot doel hebben (artikel 31). Beide categorieën werden al gesubsidieerd op basis van de oude tekst. De voorgestelde aanpassing van dit hoofdstuk betekent, en dit moet worden benadrukt, geen wijziging van het Vlaamse beleid inzake deze projecten en verenigingen. De herschrijving wil integendeel de huidige praktijk bestendigen en optimaliseren.
Inzake de ondersteuning van jeugdculturele projecten en producten – de eerste categorie – bevat het huidige decreet namelijk enige fouten en ongerijmdheden. Met name de timing van de beschreven procedure (te lange en zelfs foutieve termijnen) en de uitsluitende bepaling inzake reeds ondersteunde initiatieven (er staat foutief “reeds ondersteunde verenigingen”) moesten worden bijgewerkt.
Het decreet voorziet thans voor deze eerste categorie, jeugdculturele projecten en producten, tevens in de subsidiëring van een ondersteuningsorganisatie. Ook hier bevatte de tekst enige procedurele ongerijmdheden. De beschreven organisatie kwam er daarenboven in de praktijk tot op heden niet. Bovendien wees de huidige ondersteuningspraktijk uit dat er bij de initiatiefnemers van de jeugdculturele projecten en producten geen behoefte leeft aan een dergelijke organisatie. De noodzaak van een specifieke regelgeving voor een dergelijke ondersteuningsorganisatie is er dan ook niet. Ten slotte moet er trouwens op gewezen worden dat, mocht de noodzaak naar een ondersteuningsorganisatie zich alsnog laten gevoelen, een vereniging die zich geroepen voelt die taak op zich te nemen, nog altijd een aanvraag kan indienen voor ondersteuning onder de tweede categorie: de verenigingen zonder winstoogmerk die de bevordering van de artistieke expressie door de jeugd of de ontsluiting van het roerend of onroerend erfgoed ten behoeve van de jeugd tot doel hebben.
Deze formulering is breed genoeg om eventueel een dergelijke ondersteuningsorganisatie te behelzen en biedt bovendien het voordeel dat een dergelijke ondersteuningsorganisatie haar potentiële opdracht ruimer kan invullen. Ook inzake deze ondersteuningsorganisatie betekent de voorgestelde wijziging dus allerminst een wijziging van de beleidsopties of een ingreep in de ondersteuningspraktijk, maar precies een optimalisering en een aanpassing van een suboptimale regelgeving aan de realiteit. In tegenstelling tot het bovenvermelde advies van de Vlaamse Jeugdraad, achten wij het noodzakelijk om op korte termijn op te treden. Inzake de tweede categorie, de vzw’s die de bevordering van de artistieke expressie door de jeugd, of de ontsluiting van het roerend of onroerend erfgoed ten behoeve van de jeugd tot doel hebben, voorziet de voorgestelde tekst in een meer structurele subsidiëringswijze. Terwijl die verenigingen op basis van de huidige tekst ieder jaar opnieuw subsidies moeten aanvragen, hetgeen resulteert in een overtollige planlast en bovendien onnodige onzekerheid met zich meebrengt, krijgen zij nu ook de mogelijkheid om gesubsidieerd te worden op basis van een driejaarlijks in te dienen beleidsnota. In het tweede lid van de tweede paragraaf van artikel 31 wordt aan de verenigingen bovendien de mogelijkheid geboden om voor de eerste beleidsperiode na de inwerkingtreding van dit voorstel, een beleidsperiode in te dienen voor twee jaar in plaats van voor drie jaar.
Dat heeft de bedoeling om complementariteit met het kunstendecreet te verzekeren en tegelijkertijd de planlast voor de verenigingen te beperken. Wij beklemtonen dat deze aanpassing ook inzake de ondersteuning van verenigingen dus allerminst een wijziging van de beleidsopties of een ingreep in de ondersteuningspraktijk met zich meebrengt, maar precies een bestendiging van de huidige ondersteuningspraktijk en een aanpassing van een suboptimale regelgeving, die bovendien een belangrijke vermindering van de planlast voor de betrokken verenigingen met zich meebrengt. In deze optiek komen wij ook tegemoet aan een fundamentele opmerking, vervat in het bovenvermelde advies van de Vlaamse Jeugdraad, namelijk de vermindering van de planlast voor de verschillende aanvragers.
Voor de invulling van de concrete procedures verleent de voorgestelde tekst delegatie aan de Vlaamse Regering. Op die manier beschikt de Vlaamse overheid over een veel flexibeler beleidsinstrument met meer moglijkheden voor evaluatie en eventuele aanpassing.
Artikel 13:
Dit artikel bevat de nadere regels met betrekking tot de uitbetaling van de hierboven omschreven producten, projecten en verenigingen. Voor de eerste twee geldt dat een voorschot van 80% uitbetaald wordt na de ondertekening van het besluit waarin de subsidie toegekend wordt. De overige 20% (saldo) wordt pas uitgekeerd nadat de administratie heeft vastgesteld dat alle opgelegde voorwaarden strikt nageleefd werden en dat de subsidie aangewend werd voor de doeleinden waarvoor ze verleend werd.
De verenigingen, bedoeld in artikel 31, §1, ontvangen per kwartaal een voorschot dat gelijk is aan 22,5% van het toegekende subsidiebedrag. Het saldo van 10% wordt uitgekeerd voor 1 juli van het volgende jaar.
Artikel 14:
Artikelen 33 en 34 van het decreet worden opgeheven.
Artikel 15:
Het betreft hier een soortgelijke aanpassing als in artikel 8 van dit voorstel.
Artikel 16:
Deze wijziging verduidelijkt het artikel en verwijst expliciet naar de voorwaarden opgesomd in artikel 3 van het decreet. Tevens wordt rekening gehouden met de bepalingen van artikel 2 van de wet van 2 mei 2002 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen.
Artikel 17:
Deze wijziging verduidelijkt het artikel.
Artikel 18:
Deze wijziging verduidelijkt het artikel. Er wordt nu expliciet verwezen naar de verschillende erkennings- en subsidiëringvoorwaarden en hun respectieve rechtsgrond.
Artikel 19:
De hier voorgestelde wijzigingen behelzen voornamelijk aanpassingen en simplificaties van de procedure voor subsidiëring:
1° aan de verenigingen die een beleidsnota wensen in te dienen wordt meer tijd gegeven om de beleidsnota af te werken. Voortaan moet de driejaarlijkse beleidsnota pas uiterlijk op 1 januari van het jaar, voorafgaand aan het subsidiejaar, ingediend zijn. Die aanpassing wordt trouwens ondersteund door het bovenvermelde advies van de Vlaamse Jeugdraad. Zodoende beschikken de verenigingen over een langere termijn om hun driejaarlijkse beleidsplan in te dienen en wordt de periode tussen het indienen van het beleidsplan en de uiteindelijke beslissing over het subsidiebedrag aanzienlijk verkort.
2° Deze aanpassing is identiek aan hetgeen doorgevoerd wordt in artikelen 8 en 15 van dit voorstel. Dat impliceert dat de administratie de verplichting heeft om haar preadviezen eveneens mee te delen aan de aanvragers. De weglating van de laatste twee volzinnen wijzigt in se niets aan de thans bestaande procedure. Het betreft hier louter het wegnemen van onduidelijkheden. Zo rees er bijvoorbeeld twijfel met betrekking tot de term “bekendgemaakt”. Doelde deze term op de aanvragende vereniging of op de beslissende overheid? Bij samenlezing van artikel 54, §2 en §4, blijkt dat het ging om de Vlaamse Regering en niet om de aanvragende vereniging. Om alle onduidelijkheid weg te nemen, wordt er voorgesteld om die bepaling te schrappen. Uiteraard doet de schrapping van de bepaling geen afbreuk aan de verschillende rechten en mogelijkheden die de aanvragers putten uit de reglementering op de openbaarheid van bestuur.
3° Door de aanpassing van de gehele derde paragraaf wordt er tegemoetgekomen aan een verzuchting van de verschillende landelijk georganiseerde jeugdverenigingen, namelijk een vermindering van de planlast en een minder betuttelende houding van de overheid. De landelijk georganiseerde jeugdverenigingen zullen bij het opstellen van hun volgende driejaarlijkse beleidsplannen meer creativiteit en accenten kunnen plaatsen zonder dat daarvoor alle opgesomde aspecten nog aan bod moeten komen. De adviescommissie zal, naast de elementen die krachtens artikel 58 van het decreet aan bod moeten komen, ook meer rekening kunnen houden met andere aspecten van het beleidsplan.
4° De Vlaamse Regering moet een uitspraak doen voor 15 september van het jaar, voorafgaand aan de beleidsperiode, en moet hiervoor in het bezit zijn van de adviezen van de adviescommissie en administratie.
5° Dit punt is een verbetering van een foute verwijzing die in het decreet opgenomen was.
Artikel 20:
De weglating van deze woorden is louter een tekstuele aanpassing. Eigenlijk bedoelen “verslag met aanbevelingen” en “deelt zij haar bevindingen schriftelijk mee” juist hetzelfde. De eerstgenoemde formulering kan derhalve weggelaten worden.
Artikel 21:
De eerste aanpassing neemt een foute verwijzing weg die thans nog voorkomt in het decreet. De betekenis van een “belendende sector” is dan weer zeer onduidelijk en voegt niets toe en kan daarom beter worden geschrapt.
Artikel 22:
Dit is een technische/juridische aanpassing die samenhangt met de aanpassing van artikel 31 door dit voorstel.
Artikel 23:
In verband met de samenstelling van de adviescommissie rees het probleem van bepaalde onverenigbaarheden. De bepaling dat men niet in de adviescommissie kan zitten, indien de eigen organisatie erkend en gesubsidieerd wordt op basis van een in het decreet bepaalde reglementering, is wellicht achterhaald.
Artikel 24:
De huidige bepalingen voldoen niet. Met deze wijziging wordt afgestemd op andere soortgelijke bepalingen binnen het domein cultuur. Tevens wordt rekening gehouden met het vernieuwde algemeen rekeningstelsel voor de vzw’s (cf. koninklijk besluit van 19 december 2003 betreffende de boekhoudkundige verplichtingen en de openbaarmaking van de jaarrekening van bepaalde verenigingen zonder winstoogmerk, internationale verenigingen zonder winstoogmerk en stichtingen).
Artikel 25:
Opdat de aanvullende subsidies die vastgesteld zijn in het genoemde decreet zouden worden toegekend, moet een specifieke afwijkende bepaling in het genoemde decreet worden opgenomen.
Artikel 26:
Om de nieuwe bepalingen nog toepasselijk te maken op de volgende indienperiode voor het landelijk georganiseerde jeugdwerk, wordt ervoor gekozen de nieuwe bepalingen ten laatste in in werking te laten treden op 1 januari 2006.
Voorstel van decreet
Artikel 1:
Dit decreet regelt een gemeenschapsaangelegenheid.
Artikel 2:
In artikel 3, §1, van het decreet van 29 maart 2002 op het Vlaamse jeugdbeleid worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in de inleidende bepaling worden de woorden “de verenigingen zonder winstgevend doel” vervangen door de woorden “de verenigingen zonder winstoogmerk”;
2° in 1° worden de woorden “en de statuten” geschrapt.
Artikel 3:
In artikelen 5, §1, 10, 1°, en 24, 2°, van hetzelfde decreet worden de woorden “waarbij aan de verenigingen zonder winstgevend doel en aan de instellingen van openbaar nut rechtspersoonlijkheid wordt verleend” vervangen door de woorden “betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen”.
Artikel 4:
In artikel 5, §4, eerste lid, van hetzelfde decreet worden na de woorden “erkende landelijk georganiseerde jeugdverenigingen” de woorden “en de verenigingen zonder winstoogmerk, gesubsidieerd op basis van artikelen 15 en 31,” ingevoegd.
Artikel 5:
§1. In hetzelfde decreet wordt het opschrift van hoofdstuk IV vervangen door “Het steunpunt jeugd”.
§2. In artikelen 4, §3, 7, 4°, 9, 10, 11, §1, 12, §2, 13, 14, 20, 59, §4, 60 en 61 van hetzelfde decreet worden de woorden “steunpunt jeugdbeleid” vervangen door de woorden “steunpunt jeugd”.
§3. In artikel 23 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° de aanduiding “§1” wordt geschrapt;
2° in het tweede lid worden de woorden “steunpunt jeugdbeleid” vervangen door de woorden “steunpunt jeugd”.
Artikel 6:
In artikel 9, §2, van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° de woorden “heeft als doel” worden vervangen door de woorden “is een pluralistische organisatie die als doel heeft”;
2° 6° wordt vervangen door wat volgt: “6° informatie-uitwisselingsfunctie”.
Artikel 7:
§1. In artikelen 15, 16, 17, 19, 20 en 22 van hetzelfde decreet wordt het woord “verenigingen” telkens vervangen door de woorden “verenigingen zonder winstoogmerk”.
§2. In artikelen 17, 18 en 19 van hetzelfde decreet wordt het woord “vereniging” telkens vervangen door de woorden “vereniging zonder winstoogmerk”.
Artikel 8:
In artikel 17 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in §§ 2 en 4 worden de woorden “De adviescommissie stelt” telkens vervangen door de woorden “De adviescommissie en de administratie stellen.”;
2° in § 5 worden de woorden “het advies van de adviescommissie” vervangen door de woorden “de adviezen van de adviescommissie en de administratie”;
3° een § 7 wordt toegevoegd, die luidt als volgt: “§7. Als de vereniging zonder winstoogmerk aan alle voorwaarden voldoet, wordt per kwartaal een voorschot ten bedrage van 22,5 procent van het voor dat jaar toe te kennen subsidiebedrag uitbetaald. Het saldo wordt uitbetaald vóór 1 juli van het volgende jaar.”.
Artikel 9:
In artikel 19, §1, van hetzelfde decreet worden tussen de woorden “voldoen aan de subsidiëringvoorwaarden” en de woorden “en aan de bepalingen in de overeenkomst” de woorden “zoals bepaald in artikel 3” ingevoegd.
Artikel 10:
In artikel 29 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° aan §1 wordt een 5° toegevoegd, dat luidt volgt: “5° internationale jeugdculturele initiatieven”;
2° in §3 in fine worden de woorden “met uitzondering voor de initiatieven, bedoeld in §1, 2°” toegevoegd.
Artikel 11:
In artikel 30 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het enige lid, dat het eerste lid wordt, wordt de eerste zin vervangen door wat volgt: “De Vlaamse Regering subsidieert jongeren die een artistiek product of een artistiek project realiseren en verenigingen die een artistiek product of een artistiek project voor en door jongeren realiseren.”;
2° een tweede lid wordt toegevoegd, dat luidt als volgt: “De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels inzake de procedure en subsidiëring.”.
Artikel 12:
Artikel 31 van hetzelfde decreet wordt vervangen door hetgeen volgt: “Artikel 31
§1. De Vlaamse Gemeenschap subsidieert verenigingen zonder winstoogmerk die de bevordering van de artistieke expressie door de jeugd, of de ontsluiting van het roerend of onroerend erfgoed ten behoeve van de jeugd tot doel hebben.
§2. De verenigingen, omschreven in de voorgaande paragraaf, dienen een subsidieaanvraag in bij de administratie conform de door de administratie opgestelde leidraad. Ze voegen daarbij een beleidsnota voor de volgende drie kalenderjaren. In afwijking op het voorgaande lid kunnen verenigingen voor de eerste beleidsperiode na de inwerkingtreding van dit decreet, een beleidsnota voor twee jaar indienen. De verenigingen tonen bij hun aanvraag tevens de relevantie van de werking op Vlaams niveau aan.
§3. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels inzake de procedure en subsidiëring van de in de eerste paragraaf omschreven verenigingen.”.
Artikel 13:
Artikel 32 van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt: “Artikel 32
§1. De subsidie wordt aan de op basis van artikel 30 gesubsidieerde jongeren en verenigingen zonder winstoogmerk als volgt beschikbaar gesteld:
1° een voorschot van 80 procent van de subsidie wordt uitbetaald na ondertekening van het besluit waarin de subsidie wordt toegekend;
2° het saldo van 20 procent van de subsidie wordt uitbetaald nadat de administratie heeft vastgesteld dat de voorwaarden waaronder de subsidie toegekend werd, nageleefd werden en dat de subsidie aangewend werd voor de doeleinden waarvoor ze werd verleend
§ 2. De subsidie wordt aan de op basis van artikel 31, §1, gesubsidieerde verenigingen als volgt beschikbaar gesteld: per kwartaal wordt een voorschot ten bedrage van 22,5 procent van het voor dat jaar toe te kennen subsidiebedrag uitbetaald. Het saldo wordt uitbetaald voor 1 juli van het volgende jaar.”.
Artikel 14:
Artikelen 33 en 34 van hetzelfde decreet worden opgeheven.
Artikel 15:
In artikel 37 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen doorgevoerd:
1° in §1 worden de woorden “De adviescommissie stelt” vervangen door de woorden “De adviescommissie en de administratie stellen”;
2° in §2 worden de woorden “het advies van de adviescommissie” vervangen door de woorden “de adviezen van de adviescommissie en de administratie”.
Artikel 16:
In artikel 41 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° tussen de woorden “de vereniging” en de woorden “aan de volgende algemene voorwaarden” worden de woorden “naast de voorwaarden, geformuleerd in artikel 3, ook” ingevoegd;
2° 2° wordt vervangen door: “2° een vereniging zonder winstoogmerk zijn, overeenkomstig de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen.”.
Artikel 17:
In artikel 42 van hetzelfde decreet wordt tussen de woorden “de vereniging” en de woorden “tevens minstens zes keer” het woord “jaarlijks” ingevoegd.
Artikel 18:
Aan artikel 49, §2, tweede lid, van hetzelfde decreet worden de volgende woorden toegevoegd: “zoals bepaald in artikelen 3 en 41”.
Artikel 19:
In artikel 54 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in §1 worden de woorden “1 november van het voorlaatste” vervangen door de woorden “1 januari van het”;
2° in §2 worden de woorden “het preadvies dat wordt uitgebracht door de adviescommissie” vervangen door de woorden “de preadviezen uitgebracht door de adviescommissie en de administratie” en worden de twee laatste zinnen geschrapt;
3° §3 wordt vervangen door wat volgt: “§3. De adviescommissie beoordeelt de beleidsnota onder meer op basis van de verschillende elementen vervat in artikel 58, §1 en §2.”;
4° in §4 worden tussen de woorden “De Vlaamse regering” en “beslist uiterlijk” de woorden“, na ontvangst van de adviezen van de adviescommissie en de administratie,” ingevoegd;
5° in § 5 worden de woorden “§3 van dit artikel” vervangen door “§4”.
Artikel 20:
In artikelen 14, §2, 19, §3, 28, §3, en 56, §2, van hetzelfde decreet worden de woorden “in een verslag met aanbevelingen” geschrapt.
Artikel 21: In artikel 57 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in §1 worden de woorden “artikel 50” vervangen door de woorden “artikel 53”;
2° in §2 worden de woorden “en ondersteunen de samenwerking met de belendende sectoren”geschrapt”.
Artikel 22:
In artikel 58, §1, van hetzelfde decreet worden de woorden “33, §3” vervangen door “31, §2”.
Artikel 23:
Artikel 59 van hetzelfde decreet wordt vervangen
door wat volgt: “Artikel 59
§1. De Vlaamse Regering beslist over de samenstelling en de werking van de in dit decreet genoemde adviescommissies, nadat de jeugdraad werd uitgenodigd een advies uit te brengen in verband met het profiel van de leden van die commissies.
§2. Een adviescommissie kan alle initiatieven nemen die ze nodig acht. Ze kan onder meer de organisatie die de aanvraag tot subsidiëring heeft ingediend horen, deskundigen horen, aanvullende documenten en gegevens opvragen en een bezoek ter plaatse brengen of aan de administratie vragen een onderzoek ter plaatse uit te voeren.
§3. De leden van de adviescommissie, bedoeld in artikel 2, 8°, ontvangen 60 euro per dagdeel, alsook een reisvergoeding van 25 eurocent per kilometer. Een dagdeel duurt ten minste 2 uur en ten hoogste 4 uur.
§4. Het lidmaatschap van een adviescommissie is niet verenigbaar met het lidmaatschap van de jeugdraad, personeelslid van de jeugdraad of het steunpunt jeugd, personeelslid of lid van de raad van bestuur van een organisatie waarvan de beleidsnota of de subsidieaanvraag moet worden behandeld door de adviescommissie.
§5. De adviescommissies worden bijgestaan door de administratie.
§6. Men kan slechts tweemaal drie jaar lid zijn van eenzelfde adviescommissie.”.
Artikel 24:
Artikel 62 van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt: “Artikel 62
§1. Een op basis van dit decreet gesubsidieerde vereniging kan gedurende de periode waarbinnen deze vereniging haar beleidsnota uitvoert, onbeperkt fondsen aanleggen met eigen inkomsten en subsidies. Die fondsen moeten voldoen aan de geldende boekhoudkundige regels en moeten worden aangewend voor het doel van de vereniging.
§2. Aan het einde van de beleidsperiode mag de som van de bestemde fondsen en het overgedragen resultaat worden overgedragen naar een volgende beleidsperiode op voorwaarde dat die som niet meer bedraagt dan tien procent van de gemiddelde jaarlijkse kosten, berekend over de voorbije beleidsperiode.
De Vlaamse Regering kan een afwijking toestaan van het in het eerste lid bepaalde percentage op voorwaarde dat de vereniging daartoe een gemotiveerd bestedingsplan voorlegt.
§3. Als bij de afrekening van het laatste werkingsjaar van de beleidsperiode, bedoeld in §1, de som, bedoeld in §2, eerste lid, meer bedraagt dan hetgeen bepaald werd in §2, dan moet het teveel ingehouden worden op het nog uit te keren saldo van de subsidie, toegekend aan de vereniging, en moet het eventueel daarna nog resterende bedrag door de vereniging teruggestort worden aan de Vlaamse Gemeenschap tot een maximum van de door de Vlaamse Gemeenschap toegekende subsidies in het laatste jaar van de beleidsperiode. Als aan een vereniging bedoeld in §1, na afloop van de beleidsperiode waarop de beleidsnota betrekking heeft, geen subsidies meer worden verleend, dan is de vereniging verplicht een bestedingsplan voor de som, bedoeld in §2, eerste lid, aangelegd overeenkomstig §1, in te dienen bij de administratie. De som, bedoeld in §2, eerste lid, moet in voorkomend geval prioritair aangewend worden voor het voldoen van de arbeidsrechtelijke verplichtingen.”.
Artikel 25:
Aan artikel 16 van het decreet van 7 mei 2004 houdende aanvullende subsidies voor tewerkstelling in de culturele sector wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
“In afwijking van het tweede lid, vindt, wat het landelijk jeugdwerk betreft, de eerste verdeling en toewijzing, bedoeld in artikelen 9 en 10, plaats in het kader van de bespreking van de beleidsnota 2007-2009.”.
Artikel 26:
Dit decreet treedt in werking op een nader door de Vlaamse Regering te bepalen datum en uiterlijk op 1 januari 2006.
Sabine POLEYN, Herman SCHUEREMANS, Chokri MAHASSINE, Kris VAN DIJCK, Bart CARON, Tinne ROMBOUTS
Actuele vraag van de heer Bart Caron tot de heer Dirk Van Mechelen, Vlaams minister van Financin en Begroting en Ruimtelijke Ordening, over de omzetting van het Verdrag van Malta betreffende de bescherming van het archeologisch patrimonium in Vlaamse regelgeving
De heer Bart Caron: Dames en heren, mijnheer de minister, mijnheer de voorzitter, De Morgen titelde vorige week: Zelfs Azerbeidzjan ratificeerde het Verdrag van Malta. Dat was een belediging voor Vlaanderen en Belgi omdat wij de principes betreffende archeologie zoals opgenomen in het Verdrag van Malta, nog niet hebben vastgelegd in onze wetgeving.
Ik geef nog een ander citaat om het belang van de materie te illustreren. Het gaat slecht met de Vlaamse archeologie, godvergeten slecht, bedroevend, moedeloosmakend, ja zelfs lachwekkend slecht. Dat komt van archeoloog en auteur van De Plaag David Van Reybrouck op de persconferentie van het Forum voor Archeologie, een pas opgerichte vereniging. Woordvoerder, en professor aan de KU Leuven, Van Peer sprak zelfs van een boekverbranding en We breken musea af om in de plaats daarvan appartementsgebouwen op te richten. Dat is precies wat er vandaag met ons archeologisch patrimonium gebeurt.
Drie artikels uit het Verdrag van Malta hebben sterke betrekking op elke deelstaat die het al dan niet ondertekent. Ik geef een schets van de geschiedenis. Het verdrag zelf dateert van 1992. In 2001 is het door de Vlaamse Regering goedgekeurd, en in 2002 door de federale regering bevestigd. Vandaag is het nog steeds niet omgezet in Vlaamse decreetgeving.
Het eerste belangrijke artikel is artikel 4 dat pleit om zoveel mogelijk archeologisch erfgoed in situ te bewaren. Een ander artikel pleit ervoor om archeologen uitdrukkelijk en nauw bij de ruimtelijke planning te betrekken. Ik weet dat in deze richting wordt gewerkt in het kader van de erfgoedlandschappen, maar we hebben nog geen regelgeving. Een derde artikel pleit voor meer financile en materile middelen voor archeologisch onderzoek. Daarin wordt vooral verwezen naar het veroorzakersprincipe. Dat is het principe dat wie in de grond woelt, wie werken uitvoert, de kosten van het wetenschappelijk vooronderzoek moet helpen dragen. Vlaanderen kent heel veel druk op de grond. We leven dicht op elkaar. We hebben ook een ongelooflijke archeologische schat. Vlaanderen is al 150.000 jaar lang dichtbevolkt. Van de Neanderthalers tot nu en per 5 hectare is er naar schatting n waardevolle archeologische site. Ik heb dan ook maar n vraag, mijnheer de minister. Wanneer zult u het Verdrag van Malta omzetten in Vlaamse regelgeving?
Minister Dirk Van Mechelen: Voor wie niet zo vertrouwd is met de archeologie en de bescherming van dit onroerend erfgoed, wil ik even vermelden dat het verdrag van La Valetta en het verdrag van Malta hetzelfde zijn aangezien La Valetta in Malta ligt.
Wat de omzetting in Vlaamse regelgeving betreft, mijnheer Caron, wil ik u, als gewezen kabinetschef van de minister van Landschappen en Monumenten, erop wijzen dat Vlaanderen heeft ingestemd met dit verdrag op 12 oktober 2001. Dat verdrag is door de federale regering ondertekend op 30 januari 2002. Blijkbaar heeft Vlaanderen geaarzeld om het te implementeren in regelgeving.
Uw bezorgdheid over het onroerend erfgoed is een gemeenschappelijke bezorgdheid. Ik wil u dan ook verwijzen naar het Belgisch Staatsblad van 3 februari 2003 waar een zeer belangrijke beslissing is genomen, en dat was niet toevallig. Ik ben ervan overtuigd dat u dat via de IKWs bijzonder goed hebt opgevolgd. Daarbij hebben we de nieuwe procedure vastgesteld voor het plan-MER. Daarin moet rekening worden gehouden met de archeologische waarden. Alle effecten die zouden kunnen worden veroorzaakt op het archeologisch erfgoed moeten in het plan-MER in kaart worden gebracht. U was vorige donderdag ongetwijfeld verhinderd in de commissie Ruimtelijke Ordening toen mevrouw Hermans haar vraag heeft gesteld. Ik ben daar vrij uitvoerig op ingegaan. Ik heb toen het voorbeeld gegeven van het plan-MER dat is opgesteld in het kader van het Schelde-estuarium. In het plan-MER staat heel uitvoerig wat de archeologische waarden zijn en hoe men te werk moet gaan. Zo moet men bodemscans nemen en moet het register van de scheepswrakken archeologisch worden genventariseerd. Met andere woorden, wij zijn dus wel degelijk bezig met de omzetting van het verdrag in Vlaamse regelgeving. Als er nog iets moet worden geregeld, dan is dat het budgettaire aspect.
Tijdens de vorige legislatuur is het budget voor het Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed met 55 percent gestegen tot een bedrag van 5,4 miljoen euro. Wanneer we het Verdrag van Malta willen omzetten in de praktijk, moeten we nagaan of er bijkomende financiering nodig is. In datzelfde verdrag wordt gepleit voor het inschrijven van het veroorzakersprincipe.
Bij de bespreking van de beleidsnota wordt gedurende vijf bladzijden aandacht besteed aan het Verdrag van Malta. Daarin wordt melding gemaakt van de mogelijkheid om de drie grote decreten over monumenten, landschappen en archeologie te bundelen en er de mechanismen voor de implementatie van het Verdrag van Malta in op te nemen. Mijn afdelingshoofd, die planoloog is van opleiding, zwaait natuurlijk de scepter op de afdeling Monumenten en Landschappen. Wij volgen met argusogen alle planologische processen om na te gaan of de nodige aandacht wordt besteed aan ons archeologisch patrimonium.
Het meest concrete voorbeeld vandaag is de voorbereiding van de tweede fase van de heraanleg van de Antwerpse Leien. We willen voorkomen dat we worden geconfronteerd met dezelfde moeilijkheden als bij de eerste fase en noodopgravingen moeten doen.
U kunt ervan op aan dat we met dit probleem bezig zijn.
De heer Bart Caron: Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord. Het Instituut voor het Archeologisch Patrimonium heeft een aantal groeiziektes gekend. De omvorming van de administratie naar het Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed is mee oorzaak geweest van een aantal vertragingen in de ontwikkelingen van het beleid. De afgelopen jaren waren er ook financile problemen waardoor het groeipad niet kon worden uitgetekend.
Niettemin dank ik u voor het zeer constructieve antwoord. Ik ga ervan uit dat we straks kunnen samenwerken aan de vernieuwde regelgeving.
Actuele vraag van de heer Bart Caron tot de heer Geert Bourgeois, Vlaams minister van Bestuurszaken, Buitenlands Beleid, Media en Toerisme, over de bevraging van de Vlamingen betreffende de rol en opdracht van de VRT.
De heer Bart Caron: Mijnheer de voorzitter, leden van de regering, dames en heren, de bevraging die minister Bourgeois wil houden, lijkt op de klankinstallatie van dit parlement: ze kraakt en stokt. We kunnen ons afvragen of de vragen wel begrijpelijk zijn en de juiste antwoorden zullen opleveren.
Mijnheer de minister, u hebt in uw beleidsnota terecht een brede bevraging van de Vlaamse bevolking aangekondigd over de rol en taak van de openbare omroep. Er zal een nieuwe beheersovereenkomst worden afgesloten die zal ingaan op 1 januari 2007, en we moeten op tijd beginnen met die oefening. U had het over een bevraging van de bevolking, het middenveld en experts. U had in de commissie een zeer ambitieuze bevraging aangekondigd, maar ik vraag me af of dit het geval is.
De drie vragen zijn perfect te beantwoorden door experts in media. We kunnen hier ook een interessant debat voeren over vragen als: 'In welke mate beantwoordt de manier waarop de VRT zijn kerntaken invult, aan uw verwachtingen ten aanzien van de publieke omroep?' Geef toe dat dit geen vraag is waarmee een groot publiek wordt gemobiliseerd. Wat kunnen we trouwens uit zo'n vraag concluderen?
Een goed onderzoek zou minstens uit twee delen moeten bestaan. Een eerste deel zou een kwantitatief onderzoek moeten zijn onder de brede bevolking via een gestratifieerde steekproef. Daarbij worden voldoende Vlamingen geselecteerd via een goede steekproef die dan moeten antwoorden op duidelijke en te kwantificeren vragen. Een tweede deel kan een kwalitatief onderzoek zijn waarbij experts, politici, mediamakers en dergelijke diepgaand worden ondervraagd over de rol en de kwaliteit van de openbare omroep. Die twee elementen gecombineerd met een open publiek debat zouden duidelijkheid brengen over de rol van de openbare omroep.
Met alle begrip, en ook met het regeerakkoord voor ogen waarin is bepaald dat Vlaanderen bij de discussie moet worden betrokken, vragen we ons af of dat wel de goede werkwijze is. We hebben in onze fractie gevraagd wat er nu allemaal meer en wat er minder moet worden geprogrammeerd. Wel, het resultaat lijkt op wat Studio Brussel en De Morgen aan het licht brachten. Studio Brussel had het over potjes confituur. In onze fractie werd gepleit voor meer voetbal en seks op de VRT. Uitgerekend dat zijn de onderwerpen die morgen minder aan bod zullen komen!
Ik ben het met de minister eens om te zeggen dat de Vlamingen een serieus debat moeten voeren over de rol van de openbare omroep. Is wat voorligt echter niet heel mager in het licht van de ambities van de minister?
Minister Geert Bourgeois: Mijnheer de voorzitter, geachte collega's, tot mijn verbazing krijg ik de indruk dat de sprekers hier de beleidsnota niet hebben gelezen en niet aan de bespreking ervan hebben deelgenomen.
Ik herhaal kort waarover het gaat. Er moet een nieuwe beheersovereenkomst met de VRT worden afgesloten. Dat gebeurt binnen de krijtlijnen van het decretale kader dat vooralsnog niet wordt gewijzigd. We willen dat grondig voorbereiden, zoals ook in het buitenland is gebeurd of momenteel gebeurt. In Ierland is dezelfde aanpak gevolgd. De Nederlandse regering heeft een studie over de taak van de publieke omroep besteld. Ter voorbereiding van een nieuw charter van de BBC is een Groenboek geschreven. Er zijn nog andere voorbeelden.
Ik heb een advies aan de Mediaraad gevraagd. Ik wil nogmaals duidelijk stellen dat het om een alomvattend advies zal gaan. Ik gun u het plezier om een karikatuur van de bevraging te maken, maar ik wil dat de bevolking weet dat de bevraging op een dubbele pijler stoelt. Er wordt voorbereidend wetenschappelijk onderzoek gevoerd, waarvoor een fulltime onderzoeker is aangetrokken. Hij is al een tijdje bezig met de voorbereiding van het advies over de beheersovereenkomst. Hij doet dat op basis van wetenschappelijke publicaties en van wat daarover elders wordt gepubliceerd.
De tweede pijler is de bevraging aan de hand van open vragen die werden opgesteld door de Mediaraad. Ik zal uw bedenkingen daarover meedelen. Ik zal meedelen dat sommigen vinden dat de vragen onbegrijpelijk zijn. In elk geval hebben de leden van de fractie van de heer Caron de vragen begrepen, want er zijn antwoorden op gekomen - al kunnen we ons afvragen of ze dienstig zijn voor een nieuwe beheersovereenkomst. In elk geval zullen er zeer diverse antwoorden komen op die open vragen. Het zijn kwalitatieve vragen. Kwantitatieve aspecten worden niet bevraagd, want daarvoor bestaan al meetinstrumenten zoals kijkcijfermetingen en waarderingsonderzoeken.
Het is de bedoeling te komen tot een echt debat over de taak van de publieke omroep anno 2005, met het oog op de nieuwe beheersovereenkomst voor de periode 2007-2011. Onze representatieve democratie, met zijn vertegenwoordigende sociale, culturele, economische, jeugd-, sport en welzijnsorganisaties, wordt onderschat. Ik hoop dat de vele Vlaamse organisaties de moeite zullen nemen om die vragen grondig te beantwoorden, op basis van een grondige discussie.
Ik kan u zeggen dat tot mijn verrassing ook de burger, van wie verondersteld wordt dat hij nauwelijks de vragen kan lezen, er sterk in is geïnteresseerd. Er zijn nu al een kleine duizend antwoorden op de site binnengekomen, terwijl we pas op maandagmorgen zijn gestart. Er zijn een honderdtal aanvragen om de vragen op de klassieke schriftelijke manier te kunnen beantwoorden.
Ik heb er alle vertrouwen in dat we ideeën zullen toegestuurd krijgen en dat de bevraging aanzet tot creativiteit en nadenken. Dat is ook de bedoeling van de bevraging. De Mediaraad zal onder meer op basis van de ideeën, de suggesties en de opmerkingen, maar vooral op basis van de status questionis van het wetenschappelijk onderzoek en van een ruime kijk over de grenzen heen van wat aan kwaliteit leeft, een omvattend advies bezorgen. Verder zal ik in de eerste plaats mijn verantwoordelijkheid opnemen om te komen tot een goede, nieuwe beheersovereenkomst.
De heer Bart Caron: Mijnheer de minister, ik maak de karikatuur niet, maar pik ze op in mijn omgeving, in de media en de kranten. Ik wil hier duidelijk stellen dat ik niets heb tegen de bevraging op zich. Integendeel, wij zijn er absoluut voorstander van. De regels van wetenschappelijk sociologisch onderzoek worden hier echter met de voeten getreden. De vragen zijn natuurlijk maatschappelijk relevant, maar men kan ze niet op die wijze aan het brede publiek stellen.
De vraag is welke kwaliteit we binnenhalen met duizend antwoorden. Hoe weten we dat en hoe verwerken we dat? Het is belangrijk dat er een brede bevraging is, de Mediaraad zijn rol speelt en er diverse signalen komen, maar de wetenschappelijke fundering en de mobiliserende kracht staan hier buiten kijf.
Ik sta niet alleen met dat standpunt, heel wat bladen leveren dezelfde commentaar. Nu het nog niet te laat is, zou u nog andere instrumenten kunnen inzetten - de beheersovereenkomst moet immers morgen niet worden geschreven. Zo kunnen we een goed beeld van Vlaanderen krijgen van de experts, van het middenveld en van de radio- en televisiemakers.
Minister Geert Bourgeois: Ik weet dat men andere methoden kan aanwenden om te komen tot een kwantitatief onderzoek en dat men steekproefsgewijs enquêtes kan doen. Ik denk aan de Copernicushervorming die tot een bevraging heeft geleid waar 2,5 miljoen euro aan werd besteed. Men zou alle burgers van dit land een formulier kunnen geven, dat laten invullen en er vervolgens niets mee doen. Dit hele onderzoek, het wetenschappelijke aspect ervan en de Mediaraad inbegrepen, kost 136.000 euro. Het gaat dus om een beperkte kostprijs, maar het laat ons toe om te komen tot een wetenschappelijk onderbouwd advies.
Ik lees ook wat daarover wordt geschreven. De bevraging heeft aanleiding gegeven tot satire. Ik kan satire ook smaken, maar we zijn bezig met een allesomvattend onderzoek dat ernstig wordt opgevat. Inzake kwantiteit zijn er andere mogelijkheden die bijvoorbeeld toelaten te definiëren wat de kijkcijfers zijn.
Met redenen omklede motie van de heren Kris Van Dijck, Johan Sauwens, Sven Gatz en Bart Caron tot besluit van de op 17 maart 2005 door de heer Kris Van Dijck in commissie gehouden interpellatie tot de heer Bert Anciaux, Vlaams minister van Cultuur, Jeugd, Sport en Brussel, over de splitsing van de Koninklijke Belgische Voetbalbond en het rapport van de werkgroep-Preud’homme met betrekking tot de jeugdopleiding
Het Vlaams Parlement,
– gehoord de interpellatie van de heer Kris Van Dijck;
– gehoord het antwoord van minister Bert Anciaux;
– gelet op de beleidsnota Sport 2004-2009 en de daarin opgesomde operationele doelstellingen met betrekking tot het opstellen van een specifiek actieplan voor de jeugdwerking van voetbalclubs;
– gelet op de installatie van een werkgroep binnen de profliga van de Koninklijke Belgische Voetbalbond met als opdracht een voorstel uit te werken voor een betere opleiding en bescherming van jongeren;
– gelet op het decreet van 13 juli 2001 houdende de regeling van de erkenning en subsidiëring van de Vlaamse sportfederaties, de koepelorganisatie en de organisaties voor de sportieve vrijetijdsbesteding;
– overwegende dat de Koninklijke Belgische Voetbalbond zich nog steeds niet aangepast heeft aan de federale staatsstructuur en om die reden niet erkend, noch gesubsidieerd wordt als sportfederatie;
– overwegende dat daardoor de grootste sportbond en een groot aantal sporters naast het Vlaamse sportbeleid vallen en heel wat mogelijkheden op het vlak van ondersteuning mislopen;
– vraagt de Vlaamse Regering:
1° het gesprek met de Koninklijke Belgische Voetbalbond aan te gaan om op korte termijn een splitsing te realiseren, waardoor het voetbal en het jeugdvoetbal in het bijzonder in aanmerking komen voor de mogelijkheden die zich op het gebied van het Vlaamse sportbeleid aandienen;
2° een splitsing uit te werken die beantwoordt aan de criteria van het decreet van 13 juli 2001 houdende de regeling van de erkenning en subsidiëring van de Vlaamse sportfederaties, de koepelorganisatie en de organisaties voor de sportieve vrijetijdsbesteding;
3° in het geval van een splitsing, overeenkomstig de decretale bepalingen, voldoende fi nanciële middelen uit te trekken, zodat zowel de subsidiëring van de nieuwe federatie als de subsidiëring van de reeds oudere sportfederaties niet in het gedrang komen.
Kris Van Dijck, Johan Sauwens, Sven Gatz, Bart Caron
Met redenen omkled emotie van de heren Carl Decaluwe, Dany Vandenbossche, Bart Caron en Kris Van Dijck en mevrouw Margriet Hermans tot besluit van de op 17 maart 2005 door de heer Carl Decaluwe in commissie gehouden interpellatie tot de heer Geert Bourgeois, Vlaams minister van Bestuurszaken, Buitenlands Beleid, Media en Toerisme, over het functioneren en opstarten van lokale radio’s
Het Vlaams Parlement,
– gehoord de interpellatie van de heer Carl Decaluwe;
– gehoord het antwoord van minister Geert Bourgeois;
– vraagt de Vlaamse Regering om bij het Vlaams Commissariaat voor de Media aan te dringen om, bij prioriteit, een onderzoek in te stellen naar die lokale radio’s die nog geen gebruik hebben gemaakt van hun erkenning en hun zendvergunning om een radiostation te starten, om hun frequenties in het frequentieplan van de Vlaamse Gemeenschap te vrijwaren.
Carl Decaluwe, Dany Vandenbossche, Bart Caron, Kris Van Dijck, Margriet Hermans
Vraag om uitleg van de heer Bart Caron tot de heer Geert Bourgeois, Vlaams minister van Bestuurszaken, Buitenlands Beleid, Media en Toerisme, over de houding van de Europese Commissie inzake financiering van de openbare omroepen.
De heer Bart Caron: Mijnheer de voorzitter, de EU is terecht geïnteresseerd in de financiering van openbare omroepen in Europa. Vorige week heeft mevrouw Croes, de niet-onomstreden Europese commissaris voor de Mededinging, een ingrijpende wijziging van de financieringswijze van de publieke zenders in Duitsland, Ierland en Nederland geëist. Volgens bepaalde bronnen zou de VRT binnenkort ook aan de beurt zijn. In twee krantenartikels staat te lezen dat de Vlaamse openbare zendgemachtigde zich in een gelijkaardig parket bevindt. Aangezien de klachten van de VMMa later zijn ingediend en het onderzoek nog niet is afgerond, heeft de Europese Commissie zich hierover nog niet uitgesproken.
Het is trouwens niet de eerste keer dat dit gebeurt. De Europese Commissie heeft de openbare omroepen van Frankrijk, Spanje en Portugal op het matje geroepen en een aantal eisen inzake de financiering gesteld. De Europese Commissie is van mening dat de openbare omroepen van Duitsland, Ierland en Nederland belastingsgeld gebruiken om winstgevende activiteiten te subsidiëren. Dit onderwerp is uiteraard nauw verbonden met het onderwerp van de eerste interpellatie die hier vandaag is gehouden. De potentieel winstgevende activiteiten van de VRT zijn hier reeds aan de kaak gesteld. In de wandelgangen van de Europese Commissie wordt dan ook verteld dat de VRT zich in een gelijkaardige situatie bevindt. De betrokken landen hebben de vraag gekregen de precieze opdracht van hun openbare omroep duidelijker te omschrijven en de boekhouding van die omroep transparanter te maken. Het onderscheid tussen de openbare dienstverlening en de andere activiteiten moet duidelijk zijn.
Hoewel dit buiten het eigenlijke onderwerp van mijn vraag om uitleg valt, wil ik erop wijzen dat we op termijn een discussie over de essentie van een openbare omroep zullen moeten voeren. Een overheid moet weten wat ze van een omroep wil. De vraag is of al deze activiteiten tot de exclusieve opdracht van een openbare omroep moeten behoren.
Een aantal taken van de openbare omroep worden momenteel door de overheid gefinancierd. We zullen de vraag krijgen om deze overcompensatie te beëindigen. De on-lineactiviteiten zullen het eerst in het vizier worden genomen. Gezien de al te gekke letterspelletjes die op de commerciële zenders worden uitgezonden, verbaast dit me niet. Zaken als een sms-actie of televoting kunnen onwaarschijnlijke opbrengsten voor een omroep genereren. Ik vraag me af of dit tot de taken van een overheid behoort. Volgens een persmededeling van de Europese Commissie gaat het immers om 'de democratische, sociale en culturele behoefte van de samenleving, die door traditionele omroepactiviteiten moet worden ingevuld.
De Europese Commissie kijkt met grote ogen naar het programma Liebesalarm. Onder die titel zendt de WDR, een Duitse regionale zender die in het grootste deel van Vlaanderen via de kabel kan worden ontvangen, gratis partnerbeurzen uit. Ik moet eerlijk bekennen dat ik me hierbij allerlei zaken kan voorstellen, maar dat ik eigenlijk niet weet wat het programma inhoudt.
De Europese Commissie heeft zich nog niet over de klacht van de VMMa over de structurele overcompensatie van de VRT uitgesproken. De woorden van de heer Todd, de woordvoerder van de VMMa, hebben me ertoe aangezet deze vraag om uitleg te stellen. Volgens hem vertoont het dossier van de VRT veel gelijkenissen met de dossiers van de openbare omroepen in de daarnet vermelde landen.
De woordvoerster van de VRT heeft het volgende verklaard: 'De opdracht van de VRT is in de beheersovereenkomst al heel duidelijk en omvangrijk gedefinieerd'. Ik ben het daar niet helemaal mee eens. Ze heeft ook het volgende verklaard: 'Over de on-lineactiviteiten staat er zelfs vermeld dat de VRT een voortrekkersrol moet spelen op innovatief vlak, om de digitale kloof te dichten'. Mevrouw Ceysens kan in de ad-hoccommissie Digitaal Vlaanderen de vraag stellen of de openbare omroep een actor in het dichten van de digitale kloof is. De on-lineactiviteiten worden met het innovatieve vlak en met het vervullen van een voortrekkersol vereenzelvigd. Dit is een ruime interpretatie van de opdracht.
In een begeleidend memorandum van de Europese Commissie staat te lezen dat een openbare omroep permanent door een onafhankelijk orgaan moet worden gecontroleerd. De BBC heeft al verklaard een eigen controleorgaan naast het eigen bestuur te zullen creëren. In het Vlaams regeerakkoord staat dat de Vlaamse Regering een Vlaamse regulator voor de media zal oprichten. De opmerkingen van de Europese Commissie rijmen met mijn eigen visie. De precieze opdracht van de publieke omroep moet duidelijker worden omschreven. De boekhouding moet transparanter worden gemaakt. Dit zijn twee doelstellingen die we ook zonder de opmerkingen van de Europese Commissie moeten nastreven. De beleidsnota geeft trouwens aanzetten in die richting.
Mijnheer de minister, graag had ik u volgende vrgen gesteld:
- Bent u het eens met mijn standpunt?
- Zult u hier tijdens de voorbereidingen van de nieuwe beheersovereenkomst meer aandacht besteden?
Zoals u merkt, let ik goed op mijn woorden.
Volgens de Europese Commissie zou een onafhankelijk orgaan de openbare omroep permanent moeten controleren.
- Betekent dit dat we in de toekomst een onderscheid moeten maken tussen de raad van bestuur van de VRT en een nieuw controleorgaan?
De Britse regering heeft voor de controle op de BBC een soortgelijke beslissing genomen.
- Vindt u dat we een nieuw orgaan moeten oprichten of dat we die opdracht aan de nog op te richten regulator voor de media moeten toevertrouwen?
Minister Geert Bourgeois: Mijnheer de voorzitter, collega's, de opmerkingen van de woordvoerder van de Europese Commissie zijn voorbarig. Op dit ogenblik is er alleen maar een informatieronde aan de gang met betrekking tot de VRT. Er is nog geen onderzoek ingesteld.
De VRT heeft officieel geprotesteerd bij de woordvoerder van de Europese Commissie tegen zijn uitspraken. De commissie is gestart met een onderzoek naar mogelijke onterechte bestedingen van publieke middelen door de openbare omroepen in Nederland, Duitsland en Ierland. Het onderzoek heeft te maken met hun on-lineactiviteiten, de aankoop van sportrechten en financiering ad hoc.
De woordvoerder van de Europese Commissie verklaarde voorbarig en onterecht dat de situatie in Vlaanderen veel gelijkenissen vertoont met de situatie in Nederland, Ierland en Duitsland. Bij ons is er immers nog geen formeel onderzoek ingesteld naar de situatie van de VRT, zodat er ook nog geen uitspraken kunnen worden gedaan over eventuele gelijkenissen met andere klachten.
Een verschil met andere landen is dat de opdrachten van de VRT heel duidelijk omschreven zijn in de beheersovereenkomst tussen de VRT en de Vlaamse Gemeenschap voor de periode 2002-2006. Op dit ogenblik doen zich belangrijke technologische en maatschappelijke evoluties en veranderingen voor. Het is dan ook evident dat de omschrijving van de opdrachten in de volgende beheersovereenkomst wellicht zal worden aangepast.
Over de on-lineactiviteiten van de VRT is de beheersovereenkomst duidelijk. Er staat in dat verband in de vierde paragraaf van het eerste artikel dat de VRT een voortrekkersrol moet spelen op innovatief vlak om de digitale kloof te dichten.
De Europese Commissie heeft al aangegeven dat de publieke taak van de openbare omroep ook on-lineactiviteiten kan omvatten. Dat is niet per definitie onmogelijk. We moeten alleen weten welke opdracht wordt gegeven aan de VRT en welke middelen die daarvoor krijgt. Een aantal zaken moeten duidelijk en goed worden omschreven. Ook het debat daaromtrent moet correct worden gevoerd.
De VRT heeft verschillende innovatieve projecten die bijdragen tot de invulling van de nieuwe behoeften die de mediagebruikers hebben en/of die bijdragen tot het dichten van de digitale kloof. Ik denk daarbij aan www.vrtnieuws.net en aan KetnetKick.
De financiering van de VRT-activiteiten die passen in die voortrekkersrol, verloopt conform de Europese regelgeving. De VRT past de Europese transparantierichtlijn van 26 juni 2000 toe sinds het boekjaar 2001. Dat betekent dat de VRT een gescheiden analytische boekhouding voert, dat de VRT de kosten toewijst aan commerciële opbrengsten, dat de VRT een onderscheid maakt tussen de commerciële opbrengsten voortvloeiend uit de publieke opdracht en andere opbrengsten en dat de VRT een gedetailleerde methodologie volgt. Ten gevolge van onze vraag naar meer transparantie is de heer Mary komen verklaren dat er nu ook in het jaarverslag meer details zullen staan, zoals bijvoorbeeld de kostprijs per net. De VRT zegt dat hij aan de transparantierichtlijn voldoet en zich daaraan heeft geconformeerd.
Ik ga nu aan de Europese Commissie geen timing vragen. Daarvoor is de situatie veel te delicaat. Ik zal wel contact opnemen met de Europese Commissie over de vrije nieuwsgaring en de delokalisatieproblematiek die de VRT, de VTM en andere zenders zal treffen. Ik heb ook gevraagd om gehoord te worden in dat verband, wat nog niet gebeurd is.
Er loopt nog geen onderzoek tegen de VRT. Ik kan nu moeilijk gaan zeggen dat er een onderzoek moet worden gevoerd dat klaar moet zijn tegen een bepaalde datum. Dat is mijn taak niet en dat zou bovendien totaal ongepast zijn. Ik heb dus wel gevraagd om gehoord te worden. Sinds eind oktober 2004 hebben we echter geen enkele respons gekregen op het antwoordenboek en de massa bijlagen die werden ingediend.
De raad van bestuur van de VRT oefent de bevoegdheden uit die hem via de mediadecreten werden toegekend. Bovendien controleert hij het management van de VRT.
De VRT is ook nog onderworpen aan een aantal controle- en toezichtsmechanismen. Het auditcomit
Met redenen omklede motie van de heren Carl Decaluwe, Dany Vandenbossche, Bart Caron en Kris Van Dijck en mevrouw Patricia Ceysens tot besluit van de op 17 maart 2005 door de heer Carl Decaluwe in commissie gehouden interpellatie tot de heer Geert Bourgeois, Vlaams minister van Bestuurszaken, Buitenlands Beleid, Media en Toerisme, over het beleid van de VRT inzake themakanalen
Het Vlaams Parlement,
– gehoord de interpellatie van de heer CarlDecaluwe;
– gehoord het antwoord van minister Geert Bourgeois;
– stelt vast dat er onduidelijkheid blijft bestaan over de strategie van de VRT inzake de oprichting van digitale themakanalen;
– overwegende dat het Vlaams regeerakkoord zeer duidelijk stelt: "de VRT kan slechts overgaan tot de ontdubbeling van haar TV- of radionetten (zowel analoog als digitaal) voor zover hiertoe voorafgaandelijk de beheersovereenkomst wordt aangepast", alsook: "technologische innovaties en nieuwe mediatoepassingen worden geïntegreerd zonder verhoging van de kostprijs van de basisdienstverlening voor de gebruiker";
– vraagt de Vlaamse Regering het Vlaams Parlement zo spoedig mogelijk een discussienota te bezorgen over de gevolgen van de verwachte digitale ‘roll-out’ in het najaar van 2005 voor de lopende beheersovereenkomst met de VRT.
Carl Decaluwe, Dany Vandenbossche, Bart Caron, Kris Van Dijck, Patricia Ceysens
Actuele vraag van de heer Bart Caron tot de heer Geert Bourgeois, Vlaams minister van Bestuurszaken, Buitenlands Beleid, Media en Toerisme, over het tv-spotje tegen nagelschimmelinfecties als boodschap van algemeen nut op de VRT
De heer Bart Caron: Mijnheer de voorzitter, de tekening die ik in mijn hand houd, is een afbeelding van Diggy de Dermatofyt. Dermatofyten kruipen onder uw teennagels en veroorzaken daar allerlei schimmelaandoeningen. Het tekenfilmpje waarin Diggy de hoofdrol speelt, wordt als een boodschap van algemeen nut uitgezonden. In het filmpje waarschuwt Diggy voor schimmelaandoeningen onder de teennagels. De vraag is hoe ernstig dit probleem is. Ik heb niet de indruk dat dermatofyten door onze samenleving als een groot probleem worden beschouwd.
Het tekenfilmpje is in feite een verkapt reclamefilmpje van de firma Novartis voor het geneesmiddel Lamisil. De laatste tien seconden van het originele filmpje zijn weggeknipt. De bruikbaarheid van het geneesmiddel is trouwens sterk omstreden.
Officieel wordt het tekenfilmpje door de vzw Hodie Vivere verspreid. De VRT heeft het in oktober 2004 een aantal keren uitgezonden. Hierop hebben Test-Aankoop en verschillende dokters een klacht ingediend, want de VRT mag geen reclame voor geneesmiddelen uitzenden. De campagne heeft in het verleden tot een aantal klachten geleid.
Mijnheer de minister, we weten hoe het gaat. Aangezien het niet is toegelaten reclame voor het geneesmiddel te maken, wordt dan maar reclame voor de ziekte gemaakt. Hoe is het mogelijk dat deze verkapte reclamespot bij de boodschappen van algemeen nut is terechtgekomen? (Applaus)
Minister Geert Bourgeois: Mijnheer de voorzitter, collega's, ik heb op 3 maart 2005 een brief gekregen van Test-Aankoop met daarin een mededeling over deze kwestie. In de brief staat dat de spot in strijd is met het verbod op publieksreclame voor geneesmiddelen op voorschrift.
Test-Aankoop heeft een klacht ingediend bij het federale ministerie van Economische Zaken en signaleert me tevens dat de spot in kwestie in strijd is met de gecoördineerde decreten over de radio-omroep en de televisie. Op 3 maart 2005 heb ik de brief van Test-Aankoop doorgestuurd naar het Vlaams Commissariaat voor de Media met de vraag om er op passende wijze gevolg aan te geven.
De VAR verzorgt de uitzending van de boodschappen van algemeen nut. Bovendien neemt de VRT er geen inhoudelijke verantwoordelijkheid voor op. Die ligt bij de instantie of de vereniging die boodschappen van algemeen nut levert. Het VCM houdt post factum toezicht op de naleving van de gecoördineerde decreten.
De VRT heeft me meegedeeld dat hij stopt met het uitzenden van de betwiste spot. (Applaus bij de meerderheid)
De heer Bart Caron: Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord. De ziekteverzekering spendeert jaarlijks 16 miljoen euro aan het terugbetalen van kosten ten gevolge van schimmelziekten. Daarvan wordt 78 percent besteed aan het terugbetalen van dat ene medicijn. Zo onschuldig is die spot dus niet. (Applaus)
| februari 2012 | ||||||
|---|---|---|---|---|---|---|
| z | m | d | w | d | v | z |
| 1 | 2 | 3 | 4 | |||
| 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 |
| 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 |
| 19 | 20 | 21 | 22 | 23 | 24 | 25 |
| 26 | 27 | 28 | 29 | |||

foto Viviane Decock
© 2009 - Bart Caron // Design: Het Concept / Matthias Malfr