donderdag 9 september 2010,

Bart Caron

image

Adoptieprocedures

ingediend door Bart Caron op 15/03/2005 om 00u00

Vraag om uitleg van de heer Bart Caron tot mevrouw Inge Vervotte, Vlaams minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, over adoptieprocedures.

De heer Bart Caron: Mijnheer de voorzitter, een aantal ouders van adoptiekinderen hebben me aangesproken over de manier waarop de aanpak van de adoptieorganisatie Ray of Hope is misgelopen. Uit hun verhaal blijkt dat in de loop van 2001 een aantal zaken fout zijn gelopen. De nieuwe regelgeving is overigens gedeeltelijk een gevolg van de problemen die we in het verleden met de procedure hebben gekend. De voorzitter weet uit eigen ervaring dat het hier een moeilijke en delicate problematiek betreft. Dit heeft natuurlijk niet enkel met de werking van deze ene organisatie te maken. We zijn er in Vlaanderen gewoon nog altijd niet in geslaagd om deze materie goed te regelen.
Blijkbaar heeft Ray of Hope met de afkomst van adoptiekinderen geknoeid. Voor de adoptanten en hun families lijkt dit me het ergste wat kan gebeuren. Verschillende gedupeerde ouders hebben reeds al het mogelijke gedaan om de herkomst van hun adoptiekinderen te achterhalen. Dit is geenszins een sinecure gebleken. Ik wil hier trouwens aan toevoegen dat met het verloop van de adoptieprocedure zelf ook een aantal zaken zijn misgelopen.

Ondertussen is het voor iedereen duidelijk dat Ray of Hope niet helemaal in orde was. Kind en Gezin, de toezichthoudende instantie, was hiervan op de hoogte en twijfelde aan de deontologische houding van Ray of Hope. Er is zelfs geprobeerd om de betrokken ouders tot een vaststellingsovereenkomst over de herkomst van hun kinderen te overhalen. De ouders willen het hier evenwel niet bij laten. Het gaat hem niet om geld. Ik vind trouwens dat we blij mogen zijn dat het eens niet om geld draait. Het gaat hier om menselijkheid en om de manier waarop met kinderen en adoptanten wordt omgegaan.
De ouders hebben reeds een lange weg afgelegd. Ze hebben zich tot de klachtendienst van Kind en Gezin en tot de Ombudsman van de Vlaamse Gemeenschap gewend. Ik wil hier niet heel het dossier overlopen. De voorbije weken heb ik hierover ongelooflijk veel materiaal verzameld. Ten slotte hebben de ouders bij de onderzoeksrechter van Dendermonde een klacht tegen Ray of Hope en tegen Kind en Gezin ingediend. Ik wil hier uiteraard niet beweren dat Kind en Gezin de facto in de fout is gegaan. Dat de verantwoordelijke overheidsdienst hierbij wordt betrokken, maakt gewoon deel uit van de procedure.

De aanklacht luidt misbruik van vertrouwen. Dit is een zware beschuldiging. Met deze problematiek zijn we al jaren op de sukkel, en de zware woorden zijn niet van de lucht. Daarom probeer ik zelf het gebruik van zulke woorden te vermijden, en leg ik het liefst de nadruk op het humane aspect.
De ouders zeggen dat trouwens ook zelf. Het aanklagen van de organisatie zou niet de bedoeling hebben in discussie te gaan over het adopteren van een kind op zelfstandige basis, wat ook in de nieuwe wetgeving mogelijk blijft, of over de adoptie via een erkende organisatie. Het is voor hen gewoon het enige middel om de overheid ertoe aan te zetten de passende maatregelen te nemen.

De erkenning van Ray of Hope werd ingetrokken, ik geloof door minister Vogels. Na een kortgeding bij de Raad van State heeft minister Byttebier echter opnieuw een erkenning moeten verlenen, of heeft zij gemeend die te moeten verlenen, dat laat ik zonder verder oordeel in het midden. Ze stelde in een brief dat ze daartoe verplicht was om administratieve redenen. Zo kon Ray of Hope voor een jaar verder werken. Binnenkort verstrijkt dat jaar.
Ray of Hope is vooral in Sri Lanka actief, een land dat het overigens niet zo nauw neemt met de toepassing van het verdrag inzake de rechten van het kind. Dat is trouwens een bewijs dat Kind en Gezin het niet gemakkelijk heeft met de controle op buitenlandse adoptiekanalen.
Mijn vraag staat niet alleen. Ook in de beleidsnota is al een aanzet gegeven. Voor de gelegenheid heb ik de bespreking van de beleidsnota en de antwoorden daarop nog eens doorgenomen. Dat is een uitstekend instrument om ons te informeren. Het is duidelijk uitdrukkelijk de bedoeling hieraan te werken.
Twee dingen lopen hier dooreen: de problematiek van Ray of Hope en de algemene problematiek. Daar zijn zowel federale aspecten aan, als Vlaamse regionale aspecten. Het valt op dat geen van beide overheidsniveaus op dit ogenblik klaar is met de uitvoeringsbesluiten bij respectievelijk hun wet en hun decreet.

Mevrouw de minister, ik had u graag volgende vragen gesteld.
- Wanneer bent u van plan te beginnen met de in uw beleidsnota aangekondigde evaluatie van het adoptiedecreet?
- Hoe ver staat het met de uitwerking van een nieuwe procedure?
- Bestaat er momenteel een centraal informatiepunt voor ouders en kinderen met vragen over de afkomst van het adoptiekind?
- Bent u van plan met zo'n loket te beginnen, en zullen de adoptieverenigingen daarbij betrokken worden?
- Wordt er overleg gepleegd tussen de gewesten en de federale regering over de implementatie van de federale adoptiewet?
- In welke mogelijkheden of middelen voorziet u om bijvoorbeeld overheidsinstanties meer controle te laten uitoefenen op het correcte verloop van interlandelijke adoptieprocedures?
- Wanneer zult u een uitspraak doen over de voorlopige erkenning van de organisatie Ray of Hope, die binnenkort afloopt?
- Wat zijn uw intenties terzake?

Minister Inge Vervotte: Mijnheer de voorzitter, collega's, zoals aangekondigd bij de bespreking van de beleidsnota, wensen we inderdaad het adoptiedecreet te evalueren. We zijn daar volop mee bezig.
Het is belangrijk dat de kern van het adoptiedecreet behouden blijft, namelijk alles wat te maken heeft met adoptiebemiddeling. Ook de opsomming van de taken van de adoptiediensten zal ongewijzigd blijven. Het gaat bijvoorbeeld over samenwerking met de buitenlandse kanalen, een transparante schriftelijke overeenkomst met de adoptanten, en een omschrijving van wat een adoptiebemiddeling in de toekomst inhoudt. De verdere professionalisering van de adoptiediensten blijft uiteraard het uitgangspunt.

Ik zal binnenkort een voorstel tot wijziging van het decreet doen, dat vooral te maken zal hebben met de vereenvoudiging van de subsidies van de overheid aan de kandidaat-adoptant. Dat zal binnenkort in het parlement besproken worden.
Op dit moment kunnen zowel ouders als kinderen met vragen over afkomst terecht bij het zoekregister. Als de adoptie gebeurd is via een erkende dienst, dan wordt naar die dienst doorverwezen, en moet die de verdere afhandeling en de zoektocht doen. Zo niet, dan is het de taak van het zoekregister verder op pad te gaan. Het zoekregister wordt gesubsidieerd door Kind en Gezin.
In het nieuwe decreet is voorzien in een centrale archivering van alle adoptiedossiers bij de Vlaamse centrale autoriteit. Dat zal niet alleen gelden voor de nieuwe dossiers, maar ook voor alle andere dossiers, die immers aan het centraal archief moeten worden overgedragen. Zo krijgen we een centraal meldpunt. Er zal ook een Vlaamse adoptieambtenaar zijn, die onder andere zal zorgen voor de inzage in de adoptiedossiers.

Er is al herhaaldelijk overleg geweest tussen de gemeenschappen en de minister van Justitie. Dat overleg is nu afgerond, en binnen de veertien dagen zullen we overgaan tot de ondertekening van het samenwerkingsakkoord. Uiteraard dien ik dan een instemmingsdecreet in in het parlement, en dan kan erover gedebatteerd worden. De krachtlijnen daarvan zijn de volgende.
Er zijn afspraken gemaakt over de voorbereiding, het maatschappelijk onderzoek en het bewaren van adoptiedossiers. Er zal een commissie opgericht worden voor overleg en voor de opvolging van de adoptieprocedures, het adoptiedecreet en alles wat daarmee te maken heeft. De kandidaat-adoptanten kunnen voor alle informatie, zowel over de komende nieuwe wetgeving als over de overgangsmaatregelen, terecht bij Kind en Gezin, dat ervoor zorgt dat de informatie beschikbaar is.

Het toezicht op het correct verloop wordt met de nieuwe federale wetgeving sluitend gemaakt en verplicht georganiseerd. Er is voor het centraal gezag van de gemeenschappen een belangrijke taak weggelegd, want via het adoptiedecreet zullen ze een belangrijke rol spelen. Ze zullen onder meer bevoegd zijn om controle uit te oefenen op de buitenlandse kanalen van autonome adoptie-initiatieven en de erkende diensten. De opdracht bestaat onder meer in het bevorderen van de samenwerking met de buitenlandse overheden, in het belang van de rechten van het kind. Er is hier terecht gesteld dat dit budgettaire consequenties heeft, want zo'n taak impliceert de organisatie van zendingen die controle uitoefenen.
De toestand bij Ray of Hope wordt nauwlettend opgevolgd. De laatste inspectie is gebeurd op 27 december 2004. Er is een verlenging tot 30 december 2006 toegekend. De inspectie heeft vastgesteld dat aan alle erkenningsvoorwaarden is voldaan. Wat Sri Lanka betreft, heeft de inspectie geen aanwijzingen gevonden dat de erkenningsvoorwaarden worden overtreden.

De heer Bart Caron: Wat de eerste zes vragen betreft, ben ik zeer tevreden met het antwoord. Ik ben erg blij dat een en ander in beweging komt. Ik ben niet goed geplaatst om een oordeel te vellen over Ray of Hope. Ik ga ervan uit dat de inspectie correct controleert. De zaak toont nogmaals aan dat het nodig is om de algemene regelgeving te verbeteren en het toezicht op buitenlandse adoptiekanalen zelf te organiseren. Dat zal op middellange termijn mogelijke problemen kunnen voorkomen. Ik dank de minister voor haar antwoord.

ingediend onder in de commissies • (0) Reacties • (0) TrackbacksPermalink

De veteranenziekte

ingediend door Bart Caron op 15/03/2005 om 00u00

Voorstel van resolutie van de heren Tom Dehaene, Jean-Marie Dedecker, Kris Van Dijck, Bart Caron en Johan Sauwens houdende herziening van de regelgeving betreffende het voorkomen van de veteranenziekte of legionellose op voor het publiek toegankelijke plaatsen.


Voorstel van resolutie


Het Vlaams Parlement,

– gelet op:
1° het besluit van de Vlaamse Regering van 11 juni 2004 betreffende het voorkomen van de veteranenziekte of legionellose op voor het publiek toegankelijke plaatsen, hierna het legionellabesluit te noemen;

2° het antwoord van Vlaams minister van Cultuur, Jeugd, Sport en Brussel, de heer Bert Anciaux, op de vraag om uitleg van de heer Tom Dehaene betreffende het legionellabesluit, in commissie behandeld op 13 januari 2005;

3° het antwoord van Vlaams minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, mevrouw Inge Vervotte, op de vragen om uitleg van mevrouw Marleen Van den Eynde en de heren Tom Dehaene en Jean-Marie Dedecker betreffende het legionellabesluit, in commissie behandeld op 25 januari 2005;

4° de maatschappelijke, ethische en beleidsmatige noodzaak om de zware preventieve inspanningen die ‘hoogrisico-inrichtingen’ en ‘matigrisico-inrichtingen’ in het kader van het legionellabesluit moeten leveren, af te wegen tegenover de grootte van het risico en het bewijskarakter van de effectiviteit van de te leveren inspanningen;

5° de vraag van minister Inge Vervotte aan de administratie om een stand van zaken te geven met betrekking tot de toepassing van het legionellabesluit, met inbegrip van de knelpunten die daarbij vastgesteld worden;

6° het Vlaamse regeerakkoord 2004-2009 dat bepaalt dat bijzondere aandacht moet worden geschonken aan de vermindering van de planlasten;


– overwegende dat:
1° het aantal gevallen van legionellose of veteranenziekte zeer beperkt is in Vlaanderen;

2° verenigingen, openbare besturen en privéinstellingen zware fi nanciële inspanningen moeten leveren om te voldoen aan de bepalingen van het legionellabesluit;

3° er, ook indien men de bepalingen van het huidig legionellabesluit naleeft, nog steeds een risico op besmetting bestaat, zeker voor bestaande installaties;

4° de garantie niet kan worden gegeven dat zich geen besmetting in deze inrichtingen zal voordoen, of sterker nog, dat wetenschappers bevestigen dat het vrijwel onmogelijk is legionella uit te sluiten voor bestaande inrichtingen;

5° de inrichtingen met het hoogste risico op besmetting, inrichtingen waarvan de exploitant kan aantonen dat er op één dag nooit meer dan tien personen komen, buiten het toepassingsgebied van het legionellabesluit vallen;

6° het bijna ondoenbaar is om grote installaties met heet water te spoelen en dat bovendien niet zonder risico is voor de gebruikers van de installatie;

7° wekelijks of dagelijks spoelen op termijn zeer duur is en energie- en waterverspilling impliceert;

8° de meeste inrichtingen enkel nog maar een beheersplan hebben opgesteld en nog niet begonnen zijn met de nodige verbouwingen;

9° rusthuisuitbaters overwegen om geen douches te plaatsen in de kamers van nieuwe voorzieningen, ten koste van het comfort van de bewoners;

10° er tegenwoordig eenvoudigere en goedkopere technieken bestaan om legionella te voorkomen;


– vraagt de Vlaamse Regering:

1° het legionellabesluit op korte termijn, binnen zes maanden, te herbekijken op grond van de hierboven gestelde overwegingen;

2° in afwachting van een definitieve beslissing  overleg te plegen met vertegenwoordigers van de betrokken voorzieningen en de toepassing van het huidige legionellabesluit op te schorten;

3° het legionellabesluit zo aan te passen dat het praktisch haalbaar en betaalbaar is voor de betrokken inrichtingen en dat er minder energie en water verloren gaat.

Tom Dehaene, Jean-Marie Dedecker, Kris Van Dijck, Bart CARON, Johan Sauwens

ingediend onder in het halfrond • (0) Reacties • (0) TrackbacksPermalink

Subsidies voor sport-, cultuur- en jeugdverenigingen

ingediend door Bart Caron op 14/03/2005 om 00u00

Met redenen omklede motie van de heer Bart Caron, mevrouw Cathy Berx en de heren Dany Vandenbossche, Sven Gatz, Kris Van Dijck en Steven Vanackere tot besluit van de op 10 maart 2005 door de heren Jurgen Verstrepen en Jos Stassen in commissie gehouden interpellaties tot de heer Bert Anciaux, Vlaams minister van Cultuur, Jeugd, Sport en Brussel, respectievelijk over de koppeling van subsidies voor sport-, cultuur- en jeugdverenigingen aan quota voor allochtonen en over allochtonen in cultuur-, jeugd- en sportverenigingen

Het Vlaams Parlement,
– gehoord de interpellaties van de heren Jurgen Verstrepen en Jos Stassen;
– gehoord het antwoord van minister Bert Anciaux;

– gelet op:
1° de aandacht voor het verenigingsleven in het Vlaamse regeerakkoord: "de Vlaamse Regering geeft prioriteit aan het verenigingsleven, neemt faciliterende maatregelen en vult witte plekken in het aanbod aan, zodat het verenigingsleven haar eigen initiatieven optimaal kan uitbouwen";

2° de intenties van de minister zoals beschreven in de beleidsnota’s Jeugd, Sport en Cultuur 2004-2009: "het ontwikkelen en het stimuleren van een diversiteitsbeleid met specifieke aandacht voor interculturaliteit staat centraal. Interculturaliteit beoogt het werkelijk samenleven met elkaar van mensen en groepen met verschillende culturele achtergronden.
Uitgangspunt is dat interculturaliteit een ‘gewenste realiteit’ is, waarbij het bewust omgaan met verscheidenheid centraal staat. (…) De uitdaging ligt erin niet passief naast elkaar te bestaan maar actief samen te werken aan een interculturele dynamiek. Ontmoeting staat hierbij centraal. Een cultuur-, jeugd- en sportbeleid moet ontmoeting tussen individuen en groepen aanwakkeren.";

3° het belang van een beleid dat bijdraagt tot de realisatie van een diverse, verdraagzame en rijke Vlaamse samenleving;


– vraagt de Vlaamse Regering bij de uitvoering van het beleid inzake Jeugd en Cultuur, zoals geformuleerd in het Vlaamse regeerakkoord, de Verklaring van de Vlaamse Regering en de beleidsnota’s Jeugd, Cultuur en Sport 2004- 2009:

1° de strategische doelstellingen die in de beleidsnota’s Jeugd en Cultuur 2004-2009 worden geformuleerd met betrekking tot diversiteit en interculturaliteit uit te werken en te concretiseren in een diversiteitsplan dat gefaseerd wordt uitgevoerd tijdens de volledige legislatuur;

2° dit tot stand te brengen in samenspraak met de diverse actoren;

3° steeds rekening te houden met de eigenheid van de verschillende verenigingen, actoren, sectoren, disciplines en etnisch-culturele minderheden, en tegelijk alle betrokkenen ertoe aan te zetten om de onderlinge en interne kennismaking, ontmoeting en samenwerking te stimuleren, zowel op het individuele als op het collectieve vlak.

Bart Caron, Cathy Berx, Dany Vandenbossche, Sven Gatz, Kris Van Dijck, Steven Vanackere

ingediend onder in het halfrond • (0) Reacties • (0) TrackbacksPermalink

Het Wereld Anti-Doping Agentschap

ingediend door Bart Caron op 09/03/2005 om 00u00

Actuele vraag van de heer Bart Caron tot de heer Bert Anciaux, Vlaams minister van Cultuur, Jeugd, Sport en Brussel, over maatregelen om het Vlaamse dopingdecreet aan te passen aan de afspraken van het Wereld Anti-Doping Agentschap

De heer Bart Caron:
In de wielersport is er blijkbaar een probleem met de beroepsprocedure in dopingzaken. Nochtans was de wielerbond enkele jaren geleden vragende partij om de vervolging van doping binnen de bond zelf te organiseren. Daarmee was hij een uitzondering in de Vlaamse sportwereld. Nu wil de bond blijkbaar van die situatie af.
Waar wil de wielerbond naartoe? Meent hij dat er binnen de Vlaamse Gemeenschap een meer coherente procedure wenselijk is? Wat zijn de gevolgen op internationaal vlak? Is er een aanpassing van het decreet nodig of is de wielerbond zelf verantwoordelijk? We moeten in ons land op een volwassen manier omgaan met de dopingbestrijding in het wielrennen.

Minister Bert Anciaux: 
Er was al overleg met de wielerbond, vandaag volgt er een tweede. Enerzijds moeten we gaan naar een correcte procedure, gelijk voor alle sporten, waarin de rechten op verdediging gewaarborgd zijn, en anderzijds moeten we de internationale manifestaties kunnen behouden. Een open oorlog met UCI is dus uit den boze, maar ik mag me ook niet blootstellen aan kritiek op de tuchtprocedures.
Er bestaat zeker een oplossing. De verklaring van Kopenhagen heeft niets te maken met het erkennen van de procedure van de wielerbond. In de beleidsnota staat duidelijk dat we ons volledig willen aanpassen aan de WADA-code. Dat zullen we systematisch en versneld doen.

Toch is er in de WADA-code onduidelijkheid over het TAS in Lausanne: mij lijkt het perfect mogelijk om naast de drie normale stappen in de procedure -eerste aanleg, beroep bij de disciplinaire commissie, en de Raad van State - ook in de extra mogelijkheid van het TAS te voorzien. Daardoor zou beantwoord worden aan de WADA-code die we hoe dan ook helemaal in onze eigen regelgeving zullen opnemen. De situatie kan vergeleken worden met de stappen in de burgerlijke rechtspraak: eerste aanleg, beroep, cassatie, en ten slotte de mogelijkheid tot internationale procedures. In die logica is een alles overkoepelend geheel van tuchtprocedures in overeenstemming met het WADA perfect mogelijk. We zullen de WADA-code dus systematisch opnemen in onze eigen regelgeving.

Volgens mij schaadt de mogelijkheid onmiddellijk na eerste aanleg naar het TAS te gaan, de rechten van verdediging niet. Uiteraard vind ik het recht op verdediging belangrijk. Maar ik wil niet mee aansturen op straffeloosheid van dopinggebruik door verwarring te schoppen. We moeten naar duidelijke regels voor iedereen, met waarborg van de rechten van de verdediging. Ze mogen uiteraard niet in strijd zijn met de WADA-code, zodat de internationale manifestaties gevrijwaard kunnen blijven.

ingediend onder in het halfrond • (0) Reacties • (0) TrackbacksPermalink

BN-Bombardier en De Lijn

ingediend door Bart Caron op 07/03/2005 om 00u00
Schriftelijke vraag van Vlaams volksvertegenwoordiger Bart Caron aan mevrouw Kathleen Van Brempt, Vlaams minister van Mobiliteit, Sociale Economie en Gelijke Kansen over het mogelijk verlenen van een -recht van doorgang- aan BN Bombardier te Brugge, op de toegangsweg naar de aan te leggen bussenstelplaats van De Lijn.

Recentelijk heeft uw collega, Kris Peeters, aangekondigd een groot gedeelte van het Lappersfortbos te beschermen. Dientengevolge zijn een aantal geplande inplantingen in het bos onmogelijk geworden, waaronder de aldaar geplande bussenstelplaats van De Lijn. Het stadsbestuur van Brugge kon enkele dagen later aankondigen dat een nieuwe locatie was gevonden voor deze stelplaats van De Lijn, met name op de terreinen van het aanpalende bedrijf BN Bombardier. De stelplaats zou aan de kant van de ring rond Brugge worden gesitueerd, waardoor deze kant niet langer zou kunnen worden gebruikt door BN Bombardier als in- en uitrit voor hun vrachtwagens dewelke het bedrijf dagelijks bevoorraden (tot 120 per dag).

Het stadsbestuur besliste meteen om deze vrachtwagens in de toekomst te laten in- en uitrijden langs de kant Ten Briele van BN Bombardier, en naar de E40 te laten rijden, via een verbreedde Vaartdijkstraat. Door deze verbreding komt toch een strook Lappersfortbos op de helling te staan. Tegelijk is deze “oplossing” voor de buurgemeente Oostkamp een zware overlast. Het verplaatsen van de bussenstelplaats van het Lappersfotbos naar de terreinen van BN echter geen reden zijn om de uitweg van BN te verplaatsen. Het moet immers mogelijk blijven om de tot maximaal 340 vrachtwagenbewegingen per dag die BN bevoorraden, verder te laten op- en afrijden via de uitweg naar de ring van Brugge. Deze uitweg moet in dat geval wel gezamenlijk worden gebruikt door De Lijn en BN. Als bevoegde minister kan u De Lijn vragen een recht van doorgang te verlenen aan BN Bombardier op de geplande uitrit van de bussenstelplaats van De Lijn.

Door dit recht van doorgang te verlenen, kunnen de vrachtwagens, zoals momenteel het geval is, blijven in- en uitrijden via de ring. Op die manier moet de piste via Ten Briele niet worden uitgewerkt, en kan het Lapperfortbos een echt “rustig” stadsbos worden. Dagelijks tientallen vrachtwagens laten voorbijrazen zou de aantrekkelijkheid van het bos in ieder geval fel verminderen. Tegelijk wordt geen belasting gelegd op de buurgemeente Oostkamp. Het mag trouwens zeker niet de bedoeling zijn om op een verkapte manier de verbreding van de Vaartdijkstraat toch te realiseren (nu het eerste deel, later het tweede deel).

Daarom mevrouw de minister heb ik enkele vragen:

1. Bent u bereid om op mijn vraag in te gaan en met De Lijn overleg te plegen of zij een recht van doorgang willen verlenen aan BN Bombardier voor hun vrachtwagens?

2. Is er een mogelijkheid om als bevoegd minister dit recht van doorgang op te leggen aan De Lijn? 

Antwoord van minister Kathleen Van Brempt
Ik benadruk dat De Lijn geen verkeer plant via de Vaartdijkstraat. Bovendien zal het uitzonderlijk vervoer van Bombardier, zoals het transport van afgewerkte rijtuigen, blijven verlopen over het toekomstig terrein van De Lijn, - dus noordwaarts.
Verder is de betere ontsluiting van de industrieterreinen van Bombardier een essentiële voorwaarde om de vestiging van een stelplaats van De Lijn op de site mogelijk te maken. Ze dient gerealiseerd in het kader van een ruim akkoord, resultaat van een onderhandeling tussen het stadsbestuur van Brugge, Bombardier en De Lijn.

Voor de praktische realisatie van deze ontsluiting dienen de terzake bevoegde instanties voorstellen uit te werken. De Lijn heeft momenteel geen bijzondere imperatieven. Enkel is gesteld dat de vermenging van busverkeer met het dagdagelijkse vrachtwagenverkeer voor de bevoorrading van magazijnen niet opportuun is. Het inkomende verkeer door verschillende firma’s zal meer hinder teweeg brengen. Dit heeft een invloed op de veiligheid van het verkeer en vraagt meer controle en veiligheidsmaatregelen mbt het toelaten van vreemde personen op onze terreinen. Een beperkt vrachtverkeer zou eventueel gedoogd kunnen worden, doch is gezien de te treffen veiligheidsmaatregelen en de speciale kosten die een aangepaste infrastructuur zullen vergen, niet evident.

De efficiëntere organisatie van het openbaar vervoer, die De Lijn in dit project nastreeft, zal ongetwijfeld een belangrijke bijdrage leveren tot de verbetering van het leefmilieu in uw regio. De minister heeft hierover met De Lijn reeds overleg gepleegd. Met betrekking tot de tweede vraag wens ik er op te wijzen dat de betrokken weg een stadsweg is die tot de bevoegdheid van de lokale overheid behoort. Een oplossing dient dus vooreerst te worden uitgewerkt tussen de stad Brugge en de gemeente Oostkamp. Ik meen ook te weten dat de stad Brugge terzake met de VVM reeds een ontwerp van overeenkomst heeft goedgekeurd die ook door de Raad van Bestuur van de VVm werd goedgekeurd.

ingediend onder schriftelijke vragen • (0) Reacties • (0) TrackbacksPermalink

Terugbetaling hulpmiddelen voor personen met een handicap

ingediend door Bart Caron op 01/03/2005 om 00u00

Vraag om uitleg van de heer Caron tot mevrouw Vervotte, Vlaams minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, over de maatregelen tot beheersing van de uitgaven inzake hulpmiddelen en aanpassingen.

De heer Bart Caron: Mijnheer de voorzitter, mevrouw de minister, op 17 december 2004 keurde de Vlaamse Regering maatregelen goed inzake uitgaven bed.jpgvoor hulpmiddelen. Dat was een aanpassing van het toenmalige besluit. Er zijn een aantal overgangsmaatregelen bepaald. Er is in 2005 geen indexering geweest van de refertelijst voor de hulpmiddelen, die worden pas in 2006 opnieuw geïndexeerd. De terugbetaling van bedden en elektronische relaxzetels wordt stopgezet vanaf 1 januari 2005. Mijn vraag gaat vooral over een uitvoerende modaliteit van die regeling. Bedden moeten in principe ten laste worden genomen door de ziekteverzekering. Via het Vlaams Fonds was er een surplus aan mogelijkheden gecreëerd, maar dat budget staat onder grote druk. Daarom is beslist dat die extra dienstverlening via het Vlaams Fonds wordt stopgezet. Elektronische relaxzetels dragen bij tot het levenscomfort. Ook in dat verband werd via het Vlaams Fonds een inspanning gedaan. De Vlaamse Regering heeft echter beslist dat het niet langer opportuun is om dergelijke hulpmiddelen terug te betalen. Alleen voor mensen die aan de ziekte van Huntington lijden, blijft de mogelijkheid tot terugbetaling behouden.

Er zijn een aantal overgangsmaatregelen genomen, maar die ga ik niet allemaal gedetailleerd behandelen. Het principe is echter dat wie vóór 1 januari 2005 een toezegging had, maar de relaxzetel of het bed niet voor diezelfde datum heeft aangekocht, geen terugbetaling meer krijgt. Indien de aankoop vóór 1 januari 2005 gebeurde, is er geen probleem. Dan is er nog steeds de mogelijkheid tot terugbetaling via het Vlaams Fonds. Ik begrijp dat er overgangsmaatregelen worden genomen. Op die manier kunnen potentiële misbruiken worden tegengegaan, worden onduidelijkheden vermeden en heerst er rechtszekerheid bij de zorgvragers. Er zijn een aantal knelpunten in deze regeling. Mensen die in de loop van 2004 een positief antwoord kregen in verband met de terugbetaling, maar om de een of andere reden hun aankoop een beetje hebben uitgesteld, zullen geen terugbetaling meer krijgen. Dit is een moeilijke kwestie. Belofte maakt schuld. Hoe streng moet deze regeling eigenlijk worden toegepast? Bepaalde mensen worden heel hard getroffen door deze maatregel. Bovendien zijn de mensen die hun aankoop uitstellen, net mensen die het financieel minder goed hebben. Juristen spreken nu over rechtsonzekerheid. Ze vragen zich bovendien af of dit wel een daad van behoorlijk bestuur is.

Daarom mevrouw de minister had ik u graag volgende vragen gesteld:
- Bent u bereid om de beslissing opnieuw te bekijken?
- Bent u bereid om voor de personen die een positieve beslissing kregen van het Vlaams Fonds, maar hun aankoop niet vóór 1 januari 2005 hebben gedaan, een uitzondering te maken? Er wordt gesteld dat bedden eigenlijk door de ziekteverzekering ten laste moeten worden genomen.
- Kunt u bevestigen dat dat ook echt gebeurt?
- Welke oplossingen hebt u voor de eventuele knelpunten die er nog zijn in verband met personen met een handicap en chronisch zieken?

Minister Inge Vervotte: Mijnheer de voorzitter, collega’s, dit heeft te maken met de besparingen waarvan iedereen solidair zijn deel heeft opgenomen. Bij de besparingsvoorstellen hadden we er in eerste instantie voor gekozen dat de sector van de individuele materiële bijstand, de residentiële sector en de ambulante sector elk een beetje zouden besparen. We hadden voor elk van die sectoren een verhoging van het budget kunnen verwezenlijken, maar de compensatie daarvoor was dat elke sector zijn verantwoordelijkheid zou opnemen wat de besparingen betreft. Dat is voor niemand plezant, en er zijn altijd 1001 redenen om te vragen om die besparingen niet te moeten doorvoeren. Uiteindelijk is er een globaal voorstel voorgelegd aan de raad van bestuur van het Vlaams Fonds. Er werd toen ook duidelijk gezegd dat alternatieve voorstellen welkom waren. Voor ons was het belangrijk dat de raad van bestuur van het Vlaams Fonds achter de beslissing zou staan. Er zijn echter geen alternatieve voorstellen uit de bus gekomen. De besparingsmaatregel zou 600.000 euro opleveren. Ik ben bereid om de beslissing van 17 december 2004 opnieuw te bekijken. Dat betekent dat ik een gewijzigd besluit voor advies zal voorleggen aan de raad van bestuur van het Vlaams Fonds. Voor mij is het echter zeer duidelijk dat we onze budgettaire inspanningen moeten leveren. Ik ben dus bereid om het besluit te wijzigen en het voor advies voor te leggen aan de raad van bestuur van het Vlaams Fonds, maar we moeten wel onze verantwoordelijkheid opnemen in verband met de budgettaire impact. De raad van bestuur van het Vlaams Fonds zal dus met een voorstel op de proppen moeten komen, want de besparing moet worden gerealiseerd. We vonden deze maatregel verantwoord omdat verschillende ziekenfondsen bedden te huur aanbieden tegen een zeer lage huurprijs.

De heer Bart Caron: Mevrouw de minister, ik dank u voor uw antwoord. Het is inderdaad zo dat in verhouding de besparingen op de individuele hulpmiddelen procentueel een stuk hoger liggen dan de algemene besparing die u hebt moeten inbrengen in uw begroting. Ik hoop dat er een alternatief komt, want uiteindelijk komen we opnieuw terecht bij de situatie van tijdens de opmaak van de begroting, namelijk dat u het Vlaams Fonds vraagt een alternatieve vorm van besparingen voor te stellen. Ik hoop dat het Vlaams Fonds zicht kan krijgen op eventuele meevallers, waarmee ik dus bedoel dat bepaalde kostensoorten misschien door omstandigheden moeten worden verschoven. We weten allemaal wat daarmee wordt bedoeld. Misschien kan deze anomalie dan verdwijnen. Ik dank u alleszins voor uw bereidheid om iets te doen aan dit probleem.


ingediend onder in de commissies • (0) Reacties • (0) TrackbacksPermalink

Preshoekbos Kortrijk

ingediend door Bart Caron op 25/02/2005 om 00u00

Schriftelijke Vraag van Bart Caron, Vlaams volksvertegenwoordiger aan de heer Kris Peeters, Vlaams minister van Openbare Werken, Eneergie, Leefmilieu en Natuur over de uitbreiding en het onderhoud van het Stadsrandbos (Preshoekbos) te Kortrijk.

In het beleidsplan van de Vlaamse Regering is een van de besparingsposten het aankopen van bossen.  Hierover heeft de minister reeds in de eerste week van september in de media een verklaring afgelegd. Hij vindt dat de Vlaamse overheid niet langer massaal bossen en gronden dient aan te kopen voor de aanplanting van nieuwe bossen. Bovendien is hij ook de mening toegedaan dat bossen evengoed privé kunnen worden beheerd en dat de overheid in het verleden ook vaak te veel betaald heeft voor het aankopen van bossen.
Die uitlatingen van de minister vielen niet in goede aarde bij Spirit, sp·a en Groen! en al helemaal niet bij de mensen van de Bond Beter Leefmilieu. Daarom rijst de vraag of het Stadsrandbos Kortrijk, Preshoekbos in de volksmond, een bos in ontwikkeling, één van de bedreigde bossen is. Van dit bos werd door de Vlaamse Regering in het verleden reeds 36 ha aangekocht en beplant. Overigens was de planning om 256 ha bos aan te kopen. Blijft dus nog 220 ha bos over.
De slechts twintig van de geplande veertig hoogstammige fruitbomen en de halfvolwassen Preshoeklinde werden kort na de aanplanting door vandalen doormidden gezaagd. De nieuwe aanplantingen in 2003 zijn verdord en de nieuwe jonge twijgjes van het bos aan de Kapelhoekstraat zijn overwoekerd door onkruid. Dit bij gebrek aan onderhoud door de dienst Beplanting van het Vlaams Gewest.

Daarom meneer de minsiter, had ik u graag volgende vragen gesteld:

1. Wordt de resterende 220 ha van het Stadsrandbos Kortrijk (Preshoekbos) nog aangekocht, of is dit bos bedreigd door de besparingsmaatregelen ?

2. Kan de minister meedelen of er problemen zijn met het onderhoud van het betrokken bos ?

3. Zijn er plannen om met de privé-sector overleg te plegen inzake het beheer of de uitbouw van het Stadsrandbos Kortrijk ?


Antwoord van minister Kris Peeters:
1. Op dit ogenblik is reeds 73 ha aangekocht (87 ha met inbegrip van de verkeerswisselaar). Deze winter wordt een bijkomende 10 ha beplant. Tevens werd een hoeve aangekocht als dienstwoning en arbeidersloods. Het is geenszins de bedoeling om dit project, waarvoor overigens het gewestplan aangepast werd, te verlaten.

2. Er zijn geen wezenlijke problemen met het beheer van dit bos. Het is wel mogelijk dat sommige personen veeleer een parkbeheer verwachten dan een normaal bosbeheer. Dit houdt onder andere in dat in de jonge beplantingen voornamelijk distels gemaaid worden, maar dat andere kruidvegetatie getolereerd wordt. Dit biedt nu reeds belangrijke biotopen voor diverse vogelsoorten. Het slaagpercentage van het overgrote deel van de recente beplantingen (meer dan 10 ha) is overigens zeer goed te noemen.
Het is duidelijk dat het uitzicht van deze beplantingen in de komende vijf jaar wezenlijk zal veranderen. Er zijn zoals vermeld wel problemen met één of meer onbekenden. De Preshoeklinde, die de aanplanting van het nieuwe bos symboliseert, werd inderdaad doormidden gezaagd en ook de nieuwe aanplanting werd het groeien belet door herbiciden. Deze trieste daad wordt door de grote meerderheid (ook bij de landbouwers) volmondig gelaakt. Ook de rest van dit kleine perceeltje (36 are) is inderdaad niet goed aangeslagen. Dit komt omdat de bodem van dit restperceeltje sterk verstoord is en er heel wat puin in te vinden is.

3. Het Vlaams Gewest staat steeds open voor inbreng van particulieren bij de uitbouw van het stadsrandbos. Van minstens één eigenaar is geweten dat hij een tiental jaar geleden een bosje heeft aangeplant in het gebied en dat hij dit bosje ook wenst te behouden. Het Vlaams Gewest heeft geen enkel probleem met deze visie en zal integendeel deze eigenaar waar mogelijk ondersteunen. In de regel zijn de eigenaars echter niet bereid om zelf hun gronden om te zetten naar bosgrond.
De afdeling Bos en Groen heeft eigen materiaal en arbeiders om de dagelijkse onderhoudswerken in het bos in eigen beheer uit te voeren. Dit wil niet zeggen dat er geen beroep wordt gedaan op de privé-sector. Vooral grotere investeringswerken worden uitbesteed.

In de Markebeekvallei wordt een halfopen bosstructuur nagestreefd. De begrazing waarin hierbij voorzien
wordt, zal geregeld worden via beheerovereenkomsten met landbouwers. Diverse beplantingen werden ook uitgevoerd door middel va  bosplantacties. Bij deze educatieve acties wordt een groot deel van de bevolking betrokken. In het kader van het toekomstige bosbeheerplanzal ook in een participatief luik voor de bevolking voorzien worden.

ingediend onder schriftelijke vragen • (0) Reacties • (0) TrackbacksPermalink

Tekort in de bijzondere jeugdzorg

ingediend door Bart Caron op 22/02/2005 om 00u00

Vraag om uitleg van de heer Bart Caron tot mevrouw Inge Vervotte, Vlaams minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, over het tekort aan plaatsen in de bijzondere jeugdzorg.

De heer Bart Caron: Mijnheer de voorzitter, mevrouw de minister, dames en heren, dit thema houdt me sterk bezig. Een aantal jeugdrechters hebben hun ontevredenheid over het wetsontwerp- Onkelinx geuit. De nood aan opvangplaatsen is en blijft precair. 
Een incident vormde de rechtstreekse aanleiding voor mijn vraag. Een twaalfjarige jongen stak zijn moeder neer na een ordinaire ruzie. Het kostte veel moeite een plaats in een instelling te vinden voor deze jongen. De Nederlandstalige Unie van Jeugdmagistraten heeft daarbij nog maar eens haar hart gelucht: ‘Er was gewoon nergens plaats. Punt. De enige dienst die wel plaats had maar hem niet kon opnemen, was een psychiatrische eenheid. Die wilde eerst weten of de jongen in kwestie wel degelijk een psychiatrische problematiek had.’ Het is niet altijd duidelijk of een minderjarige een feit pleegt vanwege een ziekte, die dan een psychiatrische behandeling vereist, of vanwege gedragsstoornissen die te maken kunnen hebben met een problematische opvoedingssituatie en leiden tot de bijzondere jeugdzorg. Om op al die vragen op termijn een gemakkelijker antwoord te krijgen, pleit de voorzitter van de Unie voor een onafhankelijk forensisch jeugdpsychiatrisch centrum, zoals dat al in Nederland bestaat. Dat zou de jongeren dan screenen en beslissen in welk zorgcircuit ze thuishoren. 

We zitten hoe dan ook met lange wachtlijsten. ‘Er zijn veel budgettaire inspanningen gebeurd de jongste jaren,’ erkennen de rechters Caluwé en Martens, ‘maar de druk op de sector blijft ontzettend groot. De groei van het aantal nieuwe dossiers is groter dan de nieuwe injecties in de sector. De trend is duidelijk: problemen doen zich voor op steeds jongere leeftijd en de agressie neemt ook duidelijk toe.’

‘Men gelooft ons niet altijd meer omdat we het zo vaak herhalen, maar toch is het zo,’ zegt Martens, ‘er is vooral een gebrek aan opvangvoorzieningen voor POS’ers. Dat zijn niet die jongeren die spectaculaire feiten plegen en regelmatig de media halen. Toch maakt die groep de meerderheid uit van alle dossiers.’ Hier komt de zin waarom ik mijn vraag heb ingediend: ‘Als er niet genoeg opvang en begeleiding is voor die jongeren, dreigen ze op termijn wel delinquent gedrag te vertonen.’

Deze laatste opmerking maakt me bijzonder ongerust. Veel federale collega’s werken aan amendementen op de wet Onkelinx. De Vlaamse Regering doet zeker haar best, maar de druk blijft groot. Wij moeten zorgen voor de hulp en bijstand. 

Daarom mevrouw de minister had ik u graag volgende vragen gesteld:
- Hoe groot is volgens u het structureel tekort aan opvangvoorzieningen voor POS’ers en MOF’ers? Ik weet dat deze vraag moeilijk te beantwoorden is. U hebt de implementatie van Domino aangekondigd. De registratie en de inschatting van de noden zouden makkelijker moeten worden. Kunt u de vraag approximatief beantwoorden? Situeert dit tekort zich in de gemeenschapsinstellingen of eerder in de private voorzieningen? 
-
Welke kortetermijnmaatregelen plant u om het chronisch tekort aan opvangplaatsen op te lossen?
-
Zal het geplande project in Ekeren volstaan als uitbreiding van de capaciteit?
- Kan het uitbreiden van de contextgerichte werkingen, zoals de ambulante hulpverlening, snel soelaas brengen? U weet dat de mensen op het terrein daar hard voor pleiten. Een preventieve aanpak kan snel tot resultaten leiden. 
-
Organiseert u overleg over deze thematiek met de hulpverleners en de jeugdmagistraten? 
-
Wat is uw opinie over het voorstel van de Nederlandstalige Unie van Jeugdmagistraten voor een onafhankelijk forensisch jeugdpsychiatrisch centrum?

Minister Inge Vervotte: Mijnheer Caron, een aantal elementen werden al aangehaald. De discussie over de capaciteit gaat natuurlijk samen met een performant jeugdsanctierecht, met de uitbouw van vroegdetectie en preventieve acties, met een contextuele aanpak en met de implementatie van de integrale jeugdhulp. Voor mij moet het brede debat in zijn geheel worden gevoerd. Ik wil er geen stukjes uitlichten, wat sommigen zo graag doen, ook al ben ik me bewust van de onderdelen en probeer ik ze te registreren. We kunnen blijvend de capaciteit uitbreiden, maar we zullen er altijd net te weinig hebben. Dat hangt af van de aanpak, van het systeem, van de omgang met en begeleiding van jongeren. 
We proberen een beter zicht te krijgen, we streven naar de juiste cijfers. Daarvoor dient het Dominosysteem. Dit wordt stapsgewijs geïmplementeerd. We hebben momenteel gesprekken met de verwijzers en de instellingen. Volgens hen weegt de druk zowel in de privé- als in de gemeenschapsinstellingen zeer zwaar. De gemiddelde bezetting van de voorzieningen bedroeg vorig jaar 95 percent. Dat wil zeggen dat het bestaande aanbod bijna permanent volzet is. 

De consulenten worden steeds vaker geconfronteerd met moeilijkheden bij het vinden van een plaats voor een minderjarige. Uit onderzoek blijkt dat voor meer dan 20 percent van de geplaatste of begeleide minderjarigen een herindicatie nodig is. Dit zou kunnen wijzen op een gewijzigde hulpvraag of een gewijzigde thuissituatie. Door registratie zullen we ook dit element beter kunnen analyseren. 
In afwachting daarvan zijn er al experimenten met centrale wachtlijsten. Onlangs ging er onder andere in Antwerpen een van start, tenminste op provinciaal niveau. Ze geven een beeld van het tekort aan opvang. We krijgen soms te horen dat jongeren bij verschillende instellingen ingeschreven staan. Dat geeft een vertekend beeld van de precieze vraag. Hierin moeten we verdere stappen zetten om meer zicht te krijgen op het reële tekort en de noodzakelijke capaciteitsuitbreiding. We pleiten dus voor de centrale registratie per provincie. 

Intussen plannen we bijkomende capaciteit in het openbare aanbod door de nieuwe gemeenschapsinstelling te Ekeren. Uiteraard vormt dat slechts één element. We moeten blijven uitkijken naar ambulante thuisbegeleiding, semi-residentiële dagcentra en residentiële opvang en begeleiding. In de begroting 2006 zal ik bijkomende middelen vragen voor de privé-sector. Het wordt afwachten of die middelen ook ingezet kunnen worden. We zullen ons daarbij afstemmen op de informatie van de team- en regioverantwoordelijke van de buitendiensten van de bijzondere jeugdzorg en de informatie van Domino en van de provinciale registratie. 
We hebben al met alle betrokkenen afzonderlijk vergaderd, nog niet samen. We hebben de koepelorganisaties en de jeugdmagistraten gesproken. Morgen hebben we een vergadering met de administratie. Zij mag voorstellen hoe de task force eruit moet zien. Het is de bedoeling om alle elementen die hier nu aan bod komen, samen te bespreken. 

De organisatie en oprichting van een forensisch jeugdpsychiatrisch centrum is inderdaad een federale bevoegdheid. Indien de jeugdrechter over meer aanbod van psychiatrische diagnose en zorgen wenst te beschikken, dan moet hij die zaak in eerste instantie bij de federale overheid aankaarten. 
Het is wenselijk dat dit gebeurt. Voor mij moet die uitbreiding mogelijk zijn, zowel op het ambulante als op het residentiële vlak.

De heer Bart Caron: Mevrouw de minister, ik dank u voor uw antwoord. Voor alle duidelijkheid wil ik toch aangeven dat ik mijn vraag niet heb gesteld omdat er bij de federale overheid discussie bestaat over het ontwerp-Onkelinx. Ik wil er ook geen gebruik of misbruik van maken. Ik wil er ook geen communautair verhaal van maken.
Ik stel alleen vast dat de vragen die wij hebben over de federale wetgeving en de duidelijke bekommernissen van Vlaanderen een duidelijk engagement veronderstellen van onze gemeenschap. Daarover zijn we het eens. 
Mevrouw de minister, u zegt duidelijk dat de voorbereiding al ver gevorderd is. We wachten af wat de evolutie zal zijn.

Minister Inge Vervotte: Dat is de essentie. Vaak gaat het om een middelendebat, zoals mevrouw Merckx ook heeft gezegd. Niet alle gemeenschappen hebben evenveel geïnvesteerd. Dat merken we nu ook in de uitspraken die recent werden gedaan. Er wordt opnieuw gesproken over het federaliseren van de materie. Dat is de omgekeerde beweging. Het gaat duidelijk over middelen. Vlaanderen is bereid te investeren omdat het om een belangrijke zaak gaat. 
Het gaat niet om geringe middelen. Het gaat om belangrijke investeringen voor de toekomst.

De heer Bart Caron: Over de uithandengeving is er niet alleen een verschil in visie tussen Vlaanderen en Wallonië. Het gaat ook om de middelen. Hoe meer we een zaak uit handen geven, hoe goedkoper het is voor de gemeenschap. De hulp aan de gedetineerden is veeleer marginaal. Het voorkomingsbeleid en de hulpverlening is een andere zaak. Dat is de kern van de zaak.

 

 

 
ingediend onder in de commissies • (0) Reacties • (0) TrackbacksPermalink

Cultuurtoeristische topevenementen

ingediend door Bart Caron op 22/02/2005 om 00u00

Vraag om uitleg van de heer Bart Caron tot de heer Geert Bourgeois, Vlaams minister van Bestuurszaken, Buitenlands Beleid, Media en Toerisme, over cultuurtoeristische topevenementen. 

De heer Bart Caron: Mijnheer de voorzitter, de voorbije weken heeft de minister langs verschillende kanalen laten weten dat hij geen financiële middelen kan of wil vrijmaken om het cultureel topevenement Beaufort 2006 te ondersteunen. Op 3 februari 2005 heeft de minister in een interview met de titel ‘Cultuur aan de kust is geen must’ in De Standaard verklaard dat hij het evenementenopbod veeleer wil afremmen dan stimuleren. Dit is een legitieme keuze die een minister kan maken. Bovendien is de kust niet het ideale decor voor openluchtkunst. Hierover valt te discussiëren en dat is precies wat ik met deze vraag om uitleg wil uitlokken. 
Als verantwoordelijke voor de voorbereidingen van Brugge 2002, een van de meest succesrijke evenementen van de voorbije jaren, heb ik zelf enige ervaring met culturele topevenementen opgedaan. Dit evenement heeft onder meer bewezen dat de impact van het cultuurtoerisme zich niet louter tot het toeristische of het culturele domein beperkt. Er is ook een impact op het vlak van de mobiliteit, de werkgelegenheid en de plaatselijke infrastructuur. Deze vaststelling geldt trouwens ook voor evenementen als Antwerpen ’93, Antwerpen Boekenstad of het toekomstige evenement Stad in Vrouwenhanden in Mechelen. 

Het kusttoerisme heeft de voorbije twintig jaar geen kwaliteitsinjecties gekregen. De kust heeft niet uitgeblonken in het zoeken naar een kwalitatieve meerwaarde. Tot voor kort had de meerwaardezoeker eigenlijk niets aan onze kust. Dit is een beetje spijtig. Onze kust kan reeds heel wat troeven uitspelen en zou er nog een aantal andere kunnen ontwikkelen. 
Het gaat hier trouwens om een internationaal zichtbare tendens. Ook in Frankrijk, Spanje of Italië krijgt het toerisme een injectie met randgegevens. Deze culturele elementen en toevoegingen moeten niet enkel dagen met slecht weer opvangen. Ze moeten tevens een bijkomende motivatie vormen om daar een vakantie door te brengen. 

Kunst en cultuur spelen voor het toerisme een grote rol. Op plaatsen waar veel mensen komen, kan de aanwezigheid van kunst en cultuur de drempel tot kunst en cultuur zelf verlagen. De heer Verstreken, schepen te Oostende, kan dit ongetwijfeld beamen. Theater aan Zee is een goed voorbeeld van de manier waarop mensen op een laagdrempelige manier met kunst en cultuur in aanraking kunnen worden gebracht. 

Tenslotte zijn bepaalde culturele evenementen aan de kust destijds in het Kustactieplan ingebed. Op een aantal vlakken is een verzakelijkte aanpak van de procedures evenwel gewenst. Ik wil me niet voor of tegen uw standpunt uitspreken. Ik wil mijn vragen in alle neutraliteit stellen.

Mijnheer de minister, ik zou u een aantal vragen over uw visie op het cultuurtoerisme willen stellen. 
-
Hoe zult u het budget voor het Kustactieplan, waarin evenementen als Literaal of Uit-BLAZEN aan ZEE zijn ingebed, precies verdelen?
- Zult u zelf een evenementenbeleid uitbouwen?
- Zult dit doen in samenwerking met de andere leden van de Vlaamse Regering en voor een geïntegreerde aanpak kiezen? Tijdens de vorige legislatuur hebben een aantal Vlaamse ministers los van elkaar een aantal evenementen opgezet. Dit is toen als een pijnpunt ervaren. 

In het reeds aangehaalde interview in De Standaard hebt u op de noodzaak van een langetermijnvisie gewezen.
- Hoe en wanneer zult u die visie ontwikkelen? 
-
Zal de toekenning van de subsidies op een objectieve regelgeving worden gebaseerd?
- Zal de jurering door experts gebeuren? In de kunstensector wordt hierbij een afstand tot de politiek bewaard, maar krijgen de politieke verantwoordelijken wel steeds het laatste woord.
- Welke vorm zal deze regelgeving krijgen?
- Zult u dit door middel van een decreet of door middel van een regeringsbeslissing regelen?
- Wanneer mogen we ons hieraan verwachten? 
-
Hoe verhouden de stappen die u nog zult zetten zich tot het bestaande toeristische evenementenbeleid. Momenteel kent Toerisme Vlaanderen evenementen zogenaamde sterren toe. Deze sterren moeten ons buitenlandse kantoren in staat stellen om een gerichte promotie te voeren.

Minister Geert Bourgeois: De woorden dat cultuur aan de kust geen must is, heb ik nooit uitgesproken. Ik denk dat ze zelfs niet afkomstig zijn van de journalist die mij heeft geïnterviewd. De eindredactie staat in voor de titels. Ik kan me best inbeelden dat de eindredacteur de gelegenheid zag om een goede rijmelarij neer te zetten en een titel heeft gemaakt die echter niet beantwoordt aan wat ik heb gezegd. Mijnheer Verstreken, ik heb ook nooit gezegd dat ik geen geld over heb voor Beaufort, ik heb iets veel genuanceerders gezegd. 
De eerste vraag gaat over het budget. Alleen al als gevolg van de budgettaire ruimte die mij ter beschikking staat voor het realiseren van een derde Kustactieplan, namelijk een beleidskrediet van 2.022.000 euro voor 2005, heb ik beperkingen en moeten er keuzes worden gemaakt. Ik wilde al dat er keuzes zouden worden gemaakt in het licht van duurzaamheid en van investeringen die de kust op lange en middellange termijn ten goede komen, maar de budgettaire beperkingen nopen mij daar nog meer toe. 
Komt daarbij dat het voorbije Kustactieplan een evaluatie verdient. Er worden over bepaalde evenementen cijfers gegeven, maar er zijn evenzeer anderen die die cijfers betwisten. Het is uiterst moeilijk om daaraan gevolgtrekkingen vast te knopen. In deze zijn meten en weten soms wensdromen die niet altijd gerealiseerd worden. 

Ik verwijs naar de opdracht die het Vlaams Parlement me vorige week nog meegaf bij de plenaire bespreking van mijn beleidsnota Toerisme 2004-2009. Ik citeer even punt 7 van de vragen aan de Vlaamse Regering: ‘Bij de realisatie van het derde Kustactieplan te zorgen voor transparantie en objectivering in de aanwending van de beschikbare middelen in het kader van de verdere herpositionering van onze Vlaamse Kust én vooral ook – opnieuw in breed overleg – met het oog op het versterken van het structureel en duurzaam karakter van de inspanningen van de Vlaamse overheid.’ Voor alle mogelijke initiatieven zal er geen geld zijn, mijnheer Sintobin. We zullen keuzes moeten maken in functie van de duurzaamheid en de blijvende ontwikkeling van de kust. In het licht daarvan heb ik een paar uitspraken gedaan, die ik niet terugtrek maar correct wil duiden. Ik kom daarop straks terug. 
O
ver enkele weken leg ik een uitgebreid voorstel van beslissing voor aan de Vlaamse Regering. Dit voorstel bevat zowel een inhoudelijk toetsingskader voor de projecten van het derde Kustactieplan als een uitgebreid voorstel tot bijsturing van de te volgen werkmethode. 
Ik verklap geen geheim wanneer ik opmerk dat ik bijzonder veel aandacht hecht aan het versterken van het structurele en duurzame karakter van de inspanningen van de Vlaamse overheid. Ik geef er de voorkeur aan om te focussen op middellange én lange termijn, prioritair werk te maken van coördinatie en integratie van een aantal processen en duidelijk de klemtoon te leggen op de toeristische meerwaarde van de initiatieven. 

Ik wil nu niet in detail treden want het plan wordt nog volop uitgewerkt, maar ik wil wel meegeven dat ik niet per definitie negatief sta tegenover het ondersteunen van culturele evenementen. Voor een minister van Toerisme is cultuur echter, net zoals bijvoorbeeld ook natuur of sport, enkel een middel en niet een doel op zich. Het is mijns inziens niet de taak van de minister van Toerisme om zelf vanuit de eigen bevoegdheid en middelen, culturele evenementen te organiseren en deze ook als absolute meerderheidsaandeelhouder, zonder veel betrokkenheid van de overige spelers op het evenementenveld, te financieren. 
Sommigen leiden daaruit af dat ik een cultuurbarbaar zou zijn. Ik laat die appreciatie over aan de mensen. Ik ben een heftig en geregeld cultuurparticipant. Ik doe echter aan toerismebeleid. Ik sluit niet uit dat daar culturele en andere evenementen in gebruikt worden en doe dat liefst in samenwerking met de bevoegde ministers. Het is echter niet mijn taak op zich om culturele evenementen te organiseren zonder dat die in functie staan van het toerisme. Dit moet ik beleidsmatig doen als minister van Toerisme. 

Een evenementenbeleid, of het nu gesitueerd is aan de Vlaamse kust dan wel op algemeen Vlaams niveau, is door de aard van de materie en door de budgettaire impact een onderwerp dat deel uitmaakt van verschillende beleidsdomeinen. Willen we inhoudelijk sterke en unieke evenementen organiseren, dan heeft elk evenementenbeleid nood aan een sterke synergie tussen de veelheid van betrokken en participerende beleidsdomeinen. Ik denk hier in de eerste plaats, maar niet uitsluitend, aan Cultuur, Toerisme en internationale uitstraling. Ik ben dus zonder meer duidelijk voorstander van een geïntegreerd evenementenbeleid. Daarom ook pleitte ik in mijn beleidsnota al voor de opmaak van een meerjarenevenementenprogramma, met inbreng van de verschillende openbare en privé- actoren. Hierbij wil ik als minister van Toerisme, in samenwerking met het agentschap Toerisme Vlaanderen, een belangrijke rol opnemen. 
Ik zal in overleg met de minister-president en minister Anciaux het initiatief nemen om een overleg tussen de betrokken kabinetten en administraties op te starten. Zoals reeds gezegd, zullen echter ook andere openbare en privé-partners hierin worden betrokken. Ik verwijs voor wat mijn bevoegdheid betreft naar de diverse openbare partners, namelijk provincie en gemeente, en toeristische privépartners, met name in relatie tot de kunststeden en onze Vlaamse kust. 

We streven naar integere en transparante afspraken voor een overkoepelende objectieve regelgeving. De wijze van toekenning en de vorm van de regelgeving zullen deel uitmaken van het voormelde overleg dat nu loopt. Ik wil komen tot een besluit van de Vlaamse Regering daaromtrent dat objectieve en transparante regels vastlegt zodat er ook controle op kan worden uitgeoefend. 
Toerisme Vlaanderen hanteert een welbepaald kader voor zijn participatie aan het evenementenbeleid. Binnen de marketingcommunicatie van ‘bestemming Vlaanderen’ zijn topevenementen een hefboom voor het bevorderen van het verblijfstoerisme vanuit het buitenland en voor de verbetering en bevestiging van het imago en de bekendheid van ‘bestemming Vlaanderen’. 

Toerisme Vlaanderen heeft een reeks criteria opgesteld om evenementen te toetsen vooraleer er het label ‘toeristisch topevenement’ aan te hechten. Ter informatie geef ik even de belangrijkste criteria mee: op het vlak van de inhoud, namelijk onderwerp, concept, initiatiefnemer en blijvende waarde; op het vlak van het internationaal potentieel van een evenement, namelijk publieksbereik, pers- en media-aandacht, kwaliteit van deelnemende kunstenaars, uitvoerders enzovoort; criteria op het praktische vlak, namelijk bekendheid en bereikbaarheid van de locatie, de periode en de al dan niet eenmaligheid; criteria op het zakelijke en organisatorische vlak, namelijk management, organisatiestructuur, financiële basis; op het vlak van de communicatie, namelijk uitstraling, budget, communicatieteam; op het vlak van de randvoorwaarden, namelijk de capaciteit qua aantal bezoekers op de locatie en de hotelcapaciteit, voldoende lange looptijd van het evenement, voorbereidingstijd, kwalitatieve ontsluiting, onthaal en publieksbegeleiding, bereikbaarheid enzovoort; op het vlak van een goede product-marktcombinatie, namelijk de combinatie tussen het evenement en het toeristische macroproduct; op het vlak van het vinden van aansluiting bij de toeristische USP’s van de bestemming. 
De quotering met sterren en de gehanteerde criteria voor het bepalen van de promotionele ondersteuning door de buitenlandkantoren van Toerisme Vlaanderen zijn dus duidelijk geschreven vanuit een toeristische invalshoek. Ze bepalen wanneer evenementen een toeristische relevantie hebben. Deze toeristische relevantie is binnen de missie van Toerisme Vlaanderen een verplichtend gegeven. In die zin blijven deze criteria voor Toerisme Vlaanderen mee de basis uitmaken van een toeristisch en ook algemeen evenementenbeleid. 
ingediend onder in de commissies • (0) Reacties • (0) TrackbacksPermalink

Tabaksverkoop aan -16 jarigen & het tabaksfonds

ingediend door Bart Caron op 22/02/2005 om 00u00

1) Vraag om uitleg van de heer Bart Caron tot mevrouw Inge Vervotte, Vlaams minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, over de tabaksverkoop aan min-16-jarigen en de ratificatie van de Kaderovereenkomst van de Wereldgezondheidsorganisatie.

2) Vraag om uitleg van de heer Bart Caron tot mevrouw Inge Vervotte, Vlaams minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, over het tabaksfonds.

De heer Bart Caron: Mijnheer de voorzitter, mevrouw de minister, geachte collega’s, tot u spreekt een ex-kettingroker. 4 februari 2002 was voor mij een glorierijke dag. Op die dag ben ik definitief gestopt met roken. Het geeft wel aan dat ik een band heb met het thema. 
Velen onder ons zullen wel herinneringen hebben over het roken van de eerste sigaret op school. Het hoorde bij de stoerdoenerij en het puberaal gedrag. Ik was dan ook gefrappeerd over de discussie of het nu wel zinvol is om het roken te verbieden aan min-16-jarigen. De verboden vrucht smaakt altijd zoeter. De vraag is dan ook of dit wel de goede strategie is om het roken tegen te gaan. 

Mev
rouw de minister, u bent me eens te meer te snel af geweest. De regering heeft vorige vrijdag een ontwerp van decreet met betrekking tot het ratificeren van de Kaderovereenkomst van de Wereldgezondheidsorganisatie inzake de bestrijding van het tabaksgebruik goedgekeurd. Ik zal niet alles herhalen. Ik zal me beperken tot de kern van de zaak. De regering heeft ook haar akkoord uitgesproken over de andere delen van de overeenkomst. Ik wens het hier alleen te hebben over het feit of het zinvol is het roken te verbieden. 

Ik sluit me grotendeels aan bij het advies van de Vlaamse Jeugdraad. Er zijn nog andere adviezen, zoals die van de Gezondheidsraad. De Vlaamse Jeugdraad stelt dat het er voor hen in eerste instantie op aankomt om aan de preventie te werken. Zo stelt ze: ‘We geloven in de kracht en competentie van kinderen en jongeren. Precies vanuit dat geloof in de jongelui, plaatsen we vraagtekens bij de huidige ‘boom’ aan verbodsbepalingen. We vinden het belangrijk dat kinderen en jongeren betrokken en bevraagd worden bij beleidsacties en –beslissingen, dat ze aangesproken worden op hun stuk verantwoordelijkheid, zonder andere verantwoordelijkheden te negeren. Als Vlaamse Jeugdraad zijn we het niet eens met het verbod op tabaksverkoop aan min-16-jarigen.’ Uit een steekproef is trouwens ook gebleken dat het verbod op zich zeer moeilijk te controleren is en dat het ook niet werkt. 

In het advies staat verder: ‘Omdat we geloven dat preventie en informatie op maat veel effectiever kunnen zijn, en recht doen aan het feit dat iedereen zelf moet kunnen beslissen. Omdat opvoeding thuis dient te gebeuren en niet van bovenaf kan en mag opgelegd worden door de overheid. Omdat het opleggen van verbodsbepalingen betuttelend is en – zeker dit concrete verbod – bovenal onterecht slechts 1 groep viseert en zelfs bombardeert tot criminelen. Omdat iedereen het recht heeft op welzijn, maar dus ook – en vooral – het recht om in alle vrijheid eigen keuzes te maken. Ook jongeren. Omdat zij competente burgers zijn, die heel wat in hun mars hebben. Je moet daar wel in durven geloven.’ 

Mevrouw de minister, graag had ik u volgende vragen gesteld:
- Wat is uw mening over het advies van de Vlaamse Jeugdraad?
- Werd er overleg gepleegd met andere jongerenorganisaties over deze materie? Zo ja, op welke wijze?

Ik heb begrepen dat de Vlaamse Regering over deze zaak geen uitspraak doet omdat het om een federale materie gaat. Ze heeft wel de intentie om de samenwerkingsovereenkomst goed te keuren.
- Denkt u eraan preventieprogramma’s of -campagnes op te starten om jongeren aan te zetten tot stoppen met roken of het starten met roken te ontmoedigen? Zo ja, zal dit gebeuren in overleg met jongerenorganisaties? 

Het tweede deel van de vraag gaat over het tabaksfonds, dat door minister Demotte werd opgericht. Het fonds zou door de gemeenschappen, de gewesten en de federale overheid worden bestuurd. In het verleden bestond er ook al een tabaksfonds. Het werd gespijsd met middelen van de tabaksindustrie. Ik denk dat ze met de winst de Formule 1-wedstrijd in Francorchamps kunnen sponsoren. Er is nu een onafhankelijk fonds. De tabaksindustrie is er niet meer bij betrokken. 
Bij dit soort thema’s is minister Demotte heel fel. Dat geldt ook als het om alcohol gaat. Dat siert hem. Toch denk ik dat hij op de rand van zijn bevoegdheden balanceert. De wetgever stelt dat er een coördinatiecomité moet worden opgericht en dat er een samenwerkingsovereenkomst moet worden afgesloten. De federale overheid mag niet zomaar gelden overhevelen naar de gemeenschappen of de gewesten. Hetzelfde probleem heeft zich voorgedaan met de auteursrechten en het creatiefonds voor kunstenaars. 

Dit zeg ik geheel terzijde: als in de loop van deze legislatuur nog wordt overlegd over een verdere staatshervorming, dan hebben we hier wel een goed dossier voor een pleidooi voor meer homogene bevoegdheidspakketten in handen. De bevoegdheidsverdeling van vandaag is echt niet werkbaar. 

Minister Demotte overschrijdt met de beste bedoelingen zijn bevoegdheden. Maar dat mag Vlaanderen er niet van weerhouden op dat terrein uit te pakken met acties en preventiecampagnes.

Ik wil daarom de minister enkele vragen voorleggen.
- Ten eerste, is er reeds nieuw overleg geweest tussen de federale overheid en de gemeenschappen en gewesten betreffende het tabaksfonds?
- Ten tweede, is er reeds een overeenkomst bereikt voor de opstart van het coördinatiecomité? Is het nog realistisch te verwachten dat er middelen uit het federale tabaksfonds worden overgeheveld naar Vlaanderen?
- Ten derde, wat is het budget dat de Vlaamse Gemeenschap zal inbrengen in het tabaksfonds of in een eigen fonds? Of zal de Vlaamse Gemeenschap, onafhankelijk van dit fonds, zelf een aantal preventieacties uitwerken? Welke acties kunnen dat zijn?
- Ten vierde, bij de begrotingsbespreking is gebleken dat de allocaties voor tabakspreventie op nul zijn gebracht. Zult u hiervoor bij de begrotingscontrole een bedrag uittrekken? Of blijven de middelen beperkt tot subsidies voor de drie organisaties waarvan eerder sprake? En om hoeveel geld gaat het?

Minister Inge Vervotte: Ik zal op de verschillende vragen antwoorden, maar niet noodzakelijk in de volgorde waarin ze hier zijn gesteld. Het verbod op de verkoop op tabaksproducten is een federale aangelegenheid. Dat is duidelijk, daarover mag geen misverstand ontstaan. De ratificatie van de overeenkomst betekent niet dat de toestand van de min-16-jarigen wijzigt. 

De heer Caron vroeg wat mijn visie is over het standpunt van de Vlaamse Jeugdraad. Ik deel de mening dat een preventiebeleid niet enkel kan bestaan uit regels die de beschikbaarheid van bepaalde producten aan banden legt. Wel is het zo dat een van de meest effectieve maatregelen inzake tabakspreventie, zoals aanbodbeperking en prijszetting, in reglementen moet worden vertaald om efficiënt te zijn. De jongeren stellen dat de overheid inzake maatschappelijke problemen niet automatisch de jeugd met de vinger moet wijzen. Jongeren vormen niet altijd de meest problematische doelgroep. Zo doen problemen met alcoholgebruik zich vooral voor bij mensen uit oudere leeftijdscategorieën. 

Ik heb daar niet met de jongeren- of jeugdorganisaties over gedebatteerd. Het advies van de Vlaamse Jeugdraad getuigt van voldoende deskundigheid, en de raad is voldoende representatief. Afgelopen vrijdag hebben we de ratificatie goedgekeurd. De invulling van die kaderovereenkomst moet gebeuren in de cel Gezondheidsbeleid drugs. In die cel zijn alle ministers bevoegd voor de volksgezondheid vertegenwoordigd.
In de eindtermen voor de eerste graad van het secundair onderwijs staat met betrekking tot gezondheidsopvoeding dat leerlingen moeten weten dat het gebruik en het misbruik van genotsmiddelen zoals tabak gevolgen hebben voor de eigen gezondheid, de gezondheid van anderen, sport- en leerprestaties en de sociale relaties. Het VIG ondersteunt methodieken zoals de wedstrijd ‘rookvrije klassen’. Het doel is om er in klasverband voor te zorgen dat de leerlingen gedurende zes maanden niet roken en niet experimenteren. 

Een fundamenteler debat heeft te maken met het tabaksfonds. Ik heb hier vroeger al uiteengezet welke stappen we terzake al hebben gezet. Er was een conflict gerezen omdat de Raad van State had gesteld dat het federale niveau het geld niet naar de gemeenschappen mag doorstorten. Vlaanderen had ook ernstige vragen over de omvang van de bedragen: het jaarlijks geïnvesteerde bedrag van 2 miljoen euro staat in schril contrast met het bedrag van 2 miljard euro dat de federale staat jaarlijks int via de accijnzen op tabak. We hebben deze zaak op de interministeriële conferentie geagendeerd. Tijdens een overleg hebben we duidelijk gezegd dat we akkoord gaan met de basisidee die nog dateert uit de tijd van minister Aelvoet. Men legde dan een voorstel op tafel waarin de gemeenschappen geld zouden moeten storten aan de federale regering. Vlaanderen zou echter zeer weinig inbreng kunnen hebben in de uitwerking van de projecten. Wij hebben dat voorstel verworpen. Het kan niet dat we geld zouden storten zonder dat we een substantiële inbreng kunnen doen. 
We proberen opnieuw te overleggen om een oplossing te kunnen uitwerken. Als dat niet lukt, zullen we een protocol met het federale niveau uitwerken waarin het federale niveau alleen nog maar geld zal kunnen en mogen besteden voor projecten die binnen de exclusieve bevoegdheden van de federale overheid vallen, naar analogie van het protocol over het Nationaal Voedingsplan. 

Er was ook een vraag over de basisallocatie. Er is geen sprake van een reële daling. Het geld was in de begroting ingeschreven. Omdat er op korte termijn geen uitzicht was op een oplossing, hebben we echter besloten om geen verwarring te zaaien en de bedragen tot nul te herleiden. De allocaties zelf zijn behouden, want we hopen daarop in de toekomst geld te kunnen plaatsen. De budgetten voor tabakspreventie zijn constant gebleven. Het Vlaams Instituut voor Gezondheidspromotie krijgt jaarlijks een subsidie van 1.145.000 euro. Dat geld moet prioritair worden aangewend om te werken aan de realisatie van de gezondheidsdoelstellingen. Het budget van de 25 LOGO’s bedraagt 3,7 miljoen euro. De Vlaamse Liga tegen Kanker krijgt elk jaar 260.000 euro om de preventie van het roken te verzorgen. 
Er wordt dus verder overlegd met de federale overheid om geld te krijgen. Als dat niet lukt, zullen we een protocol afsluiten om ons beleid niet te hypothekeren.

De heer Bart Caron: Ik dank de minister voor haar duidelijk antwoord. Ik dank haar ook omdat ze de visie van de jongeren steunt, ook al is dat geen Vlaamse bevoegdheid. En ik dank haar ook omdat ze veel aandacht opbrengt voor preventie. 
Ik hoop wel dat we op een of andere wijze ervoor kunnen zorgen dat Vlaanderen duidelijkere afspraken kan maken over samenwerking en het genereren van fondsen. Dat moet toestaan om federale gelden aan te wenden voor het beleid van de gemeenschappen. Zo kunnen we eigen accenten leggen. Ik ben tegen betutteling, maar tezelfdertijd ben ik, net zoals de Jeugdraad, gewonnen voor een sterke preventieve aanpak. We kunnen op dat vlak nog een tandje bijsteken.

Minister Inge Vervotte: Het grote probleem is niet alleen dat wij een overeenkomst moeten maken met de federale overheid, maar dat de andere gemeenschappen en gewesten die ook moeten ratificeren. Op dat punt ben ik niet zo optimistisch.

ingediend onder in de commissies • (0) Reacties • (0) TrackbacksPermalink

Geweld van adolescenten

ingediend door Bart Caron op 22/02/2005 om 00u00

Vraag om uitleg van de heer Bart Caron tot mevrouw Inge Vervotte, Vlaams minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, over het groeiende geweld van adolescenten tegen hun ouders. 

De heer Bart Caron: Mijnheer de voorzitter, mevrouw de minister, geachte collega’s, ‘Doe de Gandhi: een sit-in in hun kamer’ was de titel van een artikel in De Standaard. Eigenlijk is dat het antwoord op de vraag die ik zal stellen. Het probleem van oudermishandeling door adolescenten werd gesteld door mevrouw Van Lawyck. ‘Doe de Gandhi’ slaat natuurlijk op de geweldloze aanpak die daar tegenover staat. 
Mevrouw Van Lawyck stelt dat dit in het Nederlandse Haarlem de snelst stijgende groep van geweldmeldingen is bij de politie. Ze zegt: ‘Ik geloof dat er een grote groep jongeren in onze welvaartsmaatschappij is die geen frustratiedrempel meer heeft. Hun ouders hebben hun, met de beste bedoelingen, altijd voorgehouden hoe geweldig ze wel zijn. Want eigenwaarde is o zo belangrijk.’ De vraag is hoever men kan gaan. Tegenwoordig gaan in een aantal westerse landen weer stemmen op om wat strikter te gaan opvoeden. Wat dat betreft, voel ik me ervaringsdeskundige. Ik ben zelf nogal een aanhanger van het tegendeel. In het discours is het individualisme het kernwoord: ‘Vandaag is er een ver doorgedreven individualisme in de opvoeding geslopen, dat ertoe leidt dat kinderen helemaal hun gang mogen gaan.’ Ik kan me niet indenken dat we tien jaar geleden een dergelijke discussie hadden kunnen voeren. 

‘De ideale opvoedingssituatie weet het evenwicht te bewaren tussen autonomie en verbondenheid,’ zegt mevrouw Van Lawyck, ‘zo gauw een gezin naar een van beide kanten overhelt, ontstaat er een probleem.’ Dat geldt ook voor de evenwichten tussen structuur en flexibiliteit, tussen humor en ernst, tussen plicht en spel, tussen conflict en harmonie.

Maar wat als die evenwichten zoek zijn?

Ik zal mijn tekst niet verder voorlezen. Ik veronderstel dat de meeste mensen die het thema volgen, ze wel hebben doorgenomen. Het is toch frappant dat het om een zo snel stijgend fenomeen gaat in Nederland en dat het probleem ook ruim kon worden toegelicht in onze kranten. 

Daarom m
evrouw de minister, had ik u graag volgende vragen gesteld:
- Is het fenomeen ook in Vlaanderen sterk aanwezig?
- Wordt er in Vlaanderen ook onderzoek gedaan naar dergelijke maatschappelijke groeiende fenomenen? Zo ja, zijn hier resultaten van bekend?
- Welke maatregelen zijn er genomen in functie van die resultaten? Zo niet, denk u eraan om dergelijke onderzoeken hier in Vlaanderen op te zetten?
- Is het investeren in opvoedingsondersteuning niet aangewezen in het kader van preventie?

Minister Inge Vervotte: Mijnheer de voorzitter, dames en heren, geweld binnen gezinnen is een groot probleem. Mensen weten ook niet goed waar ze terechtkunnen en waar ze eventueel ondersteuning kunnen vragen. Daar zijn verscheidene redenen voor. Vaak komen mensen er niet graag mee naar buiten. Het probleem blijft zeer lang verborgen. Dat verergert natuurlijk de zaak. 
Mijnheer Caron, in Vlaanderen werden twee onderzoeken gedaan. Zo stelt professor Ponjaert van de VUB dat naar schatting geweld in 2 tot 5 percent van de gezinnen zou voorkomen. Zij denkt dat dit cijfer een onderschatting is. De ouders komen niet gemakkelijk met een dergelijk probleem naar buiten, vaak omdat ze beschaamd zijn. 

Antisociaal gedrag valt het meest op bij adolescenten. Zowel buitenlandse als Vlaamse wetenschappers zeggen echter dat het al begint op zeer jonge leeftijd. Het Vlaams onderzoek benadrukt de belangrijke invloed van opvoeding op de ontwikkeling van antisociaal gedrag. Er wordt gewezen op het belang van de opvang in een warm gezin, ouders die via een duidelijke structuur een consequente discipline kunnen opleggen. Op die manier zou kunnen worden vermeden dat moeilijk gedrag ontaardt. Een autoritaire en kille opvoeding zou versterkend werken op het antisociaal gedrag. 
Professor Braet van de Gentse universiteit toont aan dat vroegtijdige preventie zeer effectief kan zijn. Interventie op jonge leeftijd heeft zelfs een gunstig effect op lange termijn. Het effect is veel beperkter bij de behandeling tijdens de adolescentie of volwassenheid. Daarenboven is de kostprijs van een dergelijke vroegtijdige ondersteuning veel lager. 

In beide studies wordt de nadruk gelegd op een vroegtijdig optreden. Indien dat gebeurt, dan is er een mogelijkheid dat het antisociaal gedrag zich minder of minder sterk ontwikkelt. 
Op basis van deze resultaten zijn er een aantal projecten opgestart, zoals bijvoorbeeld het STOP-project. Daarbij worden zowel ouders als kinderen vaardigheden aangeleerd. Bij de ouders zal vooral de nadruk liggen op de opvoedingsvaardigheden en het omgaan met vragen of moeilijk gedrag van kinderen. Bij kinderen zal het veeleer gaan om sociale vaardigheden. Er zijn ook oefenscholen van de Gezinsbond, de Opvoedingstelefoon, Opvoedingswinkels, enzovoort. Het is belangrijk dat deze laagdrempelige initiatieven bestaan. Het gedrag hoeft inderdaad niet altijd problematisch te zijn. 
In een verder stadium gaat het niet meer om het laagdrempelig niveau en een vroege detectie. In dat geval hebben ouders te lang gewacht om het probleem naar buiten te brengen. Het is juist onze ambitie te vermijden dat een vraag te lang onbeantwoord blijft en dat er een crisis ontstaat. Problemen, die vaak de draagkracht van een gezin te boven gaan, moeten kunnen worden opgelost door ondersteuning via bijvoorbeeld een Opvoedingswinkel of een Oefenschool van de Gezinsbond. Gezinnen moeten weten dat ze daar terechtkunnen. 

Mijnheer Caron, er worden dus projecten ontwikkeld, ook via het privé-initiatief. Ik ben het volledig met u eens dat de opvoedingsondersteuning belangrijk is, niet alleen voor het kind. Het is ook een zinvolle investering. We hebben het dikwijls over doelmatigheid. Die studies tonen ook duidelijk aan dat dergelijke investeringen leiden tot lagere uitgaven in de toekomst voor die gezinnen en jongeren. 
Met de beleidsnota streef ik er vooral naar te zoeken naar natuurlijke netwerken. Het is niet altijd goed om nieuwe zaken te creëren. In eerste instantie moet worden nagegaan waar die jongere of de ouder spontaan naartoe zou gaan. Daar moet de nadruk op worden gelegd in plaats van steeds maar nieuwe structuren te ontwikkelen. 
Het creëren van meer mogelijkheden voor vaardigheidstrainingen van ouders en van kinderen tussen 0 en 12 jaar is voor mij een belangrijke doelstelling. Mensen moeten niet alleen ergens terechtkunnen met hun vragen, er moeten ook beperkte interventies mogelijk zijn om een aantal vaardigheden aan te leren. Centra voor kinderzorg en gezinsondersteuning zijn hierbij een belangrijke partner. 

We werken ook verder aan de basispreventie. Kind en Gezin, het socio-culturele werk, CLB’s zijn wat dat betreft belangrijk. Pedagogische spreekuren, zoals in de Opvoedingswinkels en bij Kind en Gezin, moeten worden uitgebreid. We kunnen ons richten op specifieke doelgroepen, zoals bijvoorbeeld kansarme gezinnen. Het groepsgericht werken moet echter ook breder verspreid worden. We moeten ons dus niet beperken tot een bepaalde doelgroep.

De heer Bart Caron: Mevrouw de minister, ik dank u voor uw antwoord.

 

ingediend onder in de commissies • (0) Reacties • (0) TrackbacksPermalink

Het kind bij echtscheidingen

ingediend door Bart Caron op 22/02/2005 om 00u00

Vraag om uitleg van de heer Bart Caron tot mevrouw Inge Vervotte, Vlaams minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, over het belang van het kind bij echtscheidingen.

De heer Bart Caron
: Mevrouw de minister, op 16 februari verscheen in De Standaard een vrije tribune die was ondertekend door mensen die enige autoriteit bezitten inzake opvoeding, zoals verantwoordelijken van de Gezinsbond, van het Kinderrechtencommissariaat, universiteiten, CAW’s en bezoekersruimten. Ze deden een oproep tot een betere begeleiding van de onderbroken of de conflictueuze ouder-kindcontacten, zoals dat in het vakjargon heet. 
Opnieuw duikt het communautaire probleem op. Een aantal bezoekruimten passen in het justitieel beleid. De middelen daarvoor gaan naar de CAW’s, die echter onder de bevoegdheid van Vlaanderen vallen. 

Mevrouw de minister,
- Bent u bereid om in overleg met de federale bevoegde minister ervoor te zorgen dat scheidende ouders met kinderen de mogelijkheid hebben om kennis te maken met conflictbeheersende bemiddeling?
- Wilt u werk maken van de verdere uitbouw van de bezoekruimtes waar ouders en kinderen professioneel worden begeleid en stapsgewijs kunnen werken aan betere onderlinge verhoudingen? Wellicht moet dat gebeuren in het kader van de werking van de CAW’s.
- Bent u van plan om overleg te plegen met de kinderrechtenorganisaties om tot betere maatregelen te komen ten voordele van kinderen die zijn betrokken in echtscheidingsregelingen?

Minister Inge Vervotte: Mijnheer de voorzitter, dames en heren, de belangen van het kind, dat niet voor de echtscheiding van zijn ouders kiest, staan voor ons centraal. In Vlaanderen is inzake familiale bemiddeling door de CAW’s veel ervaring opgedaan.
Twee weken geleden is in de federale Kamer een wetsontwerp over de bemiddeling goedgekeurd. In het wetsontwerp zijn criteria opgenomen voor de erkenning van bemiddelaars, met inbegrip van de erkenning van de familiale bemiddelaars. We zullen daarover moeten overleggen met federaal minister Onkelinx, want die wet zal gevolgen hebben voor de erkenning van de bemiddelaars in de autonome centra van de CAW’s. De centra krijgen een groot aantal relatieondersteunende hulpvragen bij scheidingen. 
Die centra hebben de jongste tijd een enorme deskundigheid opgebouwd, en beschikken over heel wat praktijkervaring in deze problematiek. Ik streef er dan ook naar dat scheidende ouders hun weg kunnen blijven vinden naar deze laagdrempelige dienstverlening. We weten dat ze ook elders terechtkunnen, maar de expertise is laagdrempelig uitgebouwd in de familiale bemiddeling in de Centra voor Algemeen Welzijnswerk. 

De neutrale bezoekruimtes die daar eveneens deel van uitmaken, zijn eigenlijk een aanvulling bij de familiale bemiddeling. Als een echtscheiding toch uitmondt in een conflictsituatie, kan de omgang tussen ouders en kinderen gewaarborgd worden in die neutrale bezoekruimtes. 
De werking van die neutrale bezoekruimtes wordt nu verfijnd en afgestemd op het decreet betreffende de rechtspositie van de minderjarige in de integrale jeugdhulp. Het is de bedoeling dat in het hulpaanbod van de bezoekruimtes meer rekening wordt gehouden met het belang van het kind. Het gaat dan bijvoorbeeld om kinderen die in het kader van een gerechtelijk vonnis tegen hun zin en onder dwang naar de bezoekruimtes worden gebracht. We zullen het ene met het andere in overeenstemming moeten brengen. 
Daarnaast hebben we ook gesprekken gehad met het steunpunt Algemeen Welzijnswerk. Die mensen hebben zich ertoe geëngageerd een uniforme werkwijze uit te werken in de omgang met de verschillende vragen die ze daaromtrent krijgen in hun verschillende CAW’s. 
Uiteraard zal ik contact opnemen met alle relevante actoren, opdat het kinderrechtenperspectief voldoende aan bod zou komen en ook in deze thematiek zijn uitvoering zou kunnen vinden.

De heer Bart Caron: Mevrouw de minister, ik dank u voor het antwoord met perspectief.

ingediend onder in de commissies • (0) Reacties • (0) TrackbacksPermalink

pagina 17 van 20 « Eerste  <  15 16 17 18 19 >  Laatste »

Groen!


september 2010
Z M D W D V Z
     1 2 3 4
5 6 7 8 9 10 11
12 13 14 15 16 17 18
19 20 21 22 23 24 25
26 27 28 29 30    

Abonneren


Zoeken


Muziek

This text will be replaced by the flash music player.

Bart Caron met contrabas (foto: Viviane Decock)

foto Viviane Decock

 

Nieuws


© 2009 - Bart Caron   //   Design: Het Concept / Matthias Malfrère | Webontwikkeling: ikhona