zaterdan 11 februari 2012,

Bart Caron

image

Trainers, vrijwilligers en infrastructuur in de Vlaamse sportclubs

ingediend door Bart Caron op 17/02/2005 om 00u00

Vraag om uitleg van de heer Bart Caron tot de heer Bert Anciaux, Vlaams minister van Cultuur, Jeugd, Sport en Brussel, over de situatie van trainers, vrijwilligers en infrastructuur in de Vlaamse sportclub.

De heer Bart Caron: Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, collega's, uit een Bloso-studie bij 20.147 Vlaamse sportclubs blijkt dat de sportclubs steeds moeilijker het hoofd boven water kunnen houden. Als er niet snel een oplossing wordt gevonden, zal sport steeds duurder en dus minder democratisch worden. Bij heel wat clubs is nu al sprake van drop out, ledenverlies en fusies van een aantal sportclubs.
We kunnen ons de vraag stellen in welke mate er op dat vlak een verschil bestaat tussen de profclubs en de amateurclubs, tussen grote en kleinschalige clubs en tussen recreatieve sport en competitie- en topsport.

Volgens Bloso is er een ernstig tekort aan vrijwilligers. Een fiscaal voordeliger statuut zou dat eventueel kunnen verhelpen. Terloops wil ik erop wijzen dat het begrip 'vrijwilliger' steeds meer evolueert naar het begrip 'licht betaalde vrijwilliger'. Het woord 'semi-agoraal werk' komt steeds meer in beeld. Er is een groot donkergrijs circuit voor wat de betalingen betreft, maar dat is ook zo in de culturele sector. Enerzijds is er een tekort aan vrijwilligers en anderzijds is er een probleem met licht betaalde medewerkers.
De agora is de marktplaats. Hier is dat een metafoor voor de markt van de economie. Het gaat over werknemers die half legaal werken, en dus met andere woorden een bijkomende job hebben. Dat probleem heeft te maken met vrijwilligerswerk. Bijvoorbeeld voetbalclubs vinden bijna geen jeugdtrainers meer om echt als vrijwilliger pur sang met jeugdige spelers bezig te zijn. De mensen die iets willen doen zonder vergoeding, of hooguit voor een kilometervergoeding, worden steeds zeldzamer. Het zijn steeds meer 'halfbetaalde krachten' waarvoor een legale oplossing wordt gezocht, en die men wil stimuleren omdat ze het tekort aan echte vrijwilligers opvangen. Ik doe daarover geen morele uitspraken; het is een beweging in de samenleving die evengoed geldt voor dirigenten van koren, harmonies of fanfares, als voor regisseurs in het amateurtoneel of trainers van sportclubs.

Het aantal gediplomeerde trainers ligt blijkbaar ook zeer laag. 53 percent van de trainers kan geen diploma voorleggen. Bij jeugdtrainers is het zelfs 55 percent. Dat is verbazingwekkend, gelet op het feit dat de Vlaamse trainersschool al vele jaren intens met trainersopleidingen bezig is.
Qua sportinfrastructuur zit 34 percent van de sportclubs met de handen in het haar. 80 percent van de ploegen vinden dat zelfs een hinderpaal voor hun groei.

Mijnheer de minister, deze conclusies zijn algemeen geldend voor Vlaanderen, en ik trek ze ook niet in twijfel. Zijn er markante verschillen tussen de steden en de regio's? Om niet van verdachtmakingen te worden beschuldigd, voeg ik er graag aan toe dat in mijn stad een zeer voorbeeldig sportbeleid wordt gevoerd, dat qua faciliteiten bijzonder gunstig is voor de lokale clubs. Er is heel veel sportinfrastructuur. Daarom juist vraag ik me af of er duidelijke regionale verschillen zijn in Vlaanderen.

Meneer de minister, graag had ik u graag volgende vragen gesteld:
- Wie moet er investeren in die infrastructuur? Zijn het de lokale besturen, de provincies of de Vlaamse Gemeenschap?
- In welke mate zijn de lokale besturen verantwoordelijk voor de tekorten?
- Is het een algemeen probleem voor de sport, of zijn er ook verschillen tussen de sporttakken?
- Is de problematiek voor het voetbal bijvoorbeeld helemaal anders dan voor indoor sport?

Wat met het fiscaal statuut van vrijwilligers? Dat is een federale bevoegdheid, maar mijn vraag is of u van plan bent ervoor te pleiten bij federaal minister Reynders, eventueel samen met de Franse Gemeenschap. De problematiek zal daar immers niet anders zijn.

- Hoe denkt u dat de Vlaamse overheid de trainersopleiding kan verbeteren en bevorderen? We beschikken over een zeer gedegen Vlaamse trainersschool. Kan of moet de werking daarvan niet worden uitgebreid?

Ik citeer graag nog het Bloso: 'Als de tekorten niet snel worden bijgewerkt, bestaat de kans dat sport duurder en dus minder democratisch wordt.' Waarop baseert het Bloso zich? Is er een oorzakelijk verband tussen dit en de afname van het vrijwilligerswerk, het tekort aan gediplomeerde trainers en het tekort aan infrastructuur?

Minister Bert Anciaux: Mijnheer de voorzitter, collega's, in het kader van de Bloso sensibilisatiecampagne omtrent sporten in clubverband voor 2003, 2004 en 2005 werd door Bloso een onderzoek uitgevoerd bij de Vlaamse sportclubs. In een eerste fase en ter voorbereiding van de staten-generaal van de sportclubs in september 2003, werden in 2003 alle Vlaamse sportclubs bevraagd. 2.480 sportclubs reageerden op die enquête. Het getal 20.000 moet ik dus een beetje relativeren.
Om de betrouwbaarheid van dit onderzoek nog te verhogen, werd deze bevraging in 2004 herhaald bij de niet-respondenten. Dit resulteerde in bijkomende informatie van 1.725 sportclubs. Uiteindelijk heeft dat onderzoek dus betrekking op 4.205 clubs hetzij 22 percent van de 23.861 Vlaamse sportclubs.

Zoals terecht gesteld door het geacht lid, hebben de Vlaamse sportclubs te kampen met voornamelijk 3 belangrijke problemen. Er wordt een terugloop van het aantal vrijwilligers vastgesteld; er is een tekort aan sportinfrastructuur en er is nood aan een groter aantal gediplomeerde trainers. Mijnheer Caron, u zei ook dat 'als het van het Bloso afhangt, een aantal clubs zullen samensmelten'. Dat was echter een aanbeveling van de staten-generaal van de sportclubs.
In deze fase van het genoemde globale onderzoek in Vlaanderen, werd geen geografische indeling gemaakt, maar wel een indeling op basis van het aantal beoefende sporttakken - uni- of omnisportclubs -, de missie - competitief of recreatief - en de grootte van de sportclubs. Verder onderzoek is mogelijk, ook regionaal, maar er worden niet onmiddellijk grote regionale verschillen verwacht.
In een tweede beperkte bevraging die door het Bloso in 2003 werd uitgevoerd bij de 308 Vlaamse gemeenten, werden wel provinciale vergelijkingen gemaakt. Daarin werden wel regionale verschillen vastgesteld. Zo is het gemiddeld subsidiebedrag per gesubsidieerde sportclub in de provincie Antwerpen 946,47 euro, en in de provincie Vlaams- Brabant 519,41 euro. Dat wijst echter op verschillen in het gemeentelijk subsidiebeleid, en als ik me niet vergis trouwens ook in het provinciaal subsidiebeleid.

Wat betreft het tekort aan sportinfrastructuur, blijkt uit een bevraging van de schepenen van sport in 2003 inderdaad een tekort aan overdekte sportinfrastructuur, dus sporthallen, van 39,3 percent. Deze gegevens werden bevestigd in de bevraging van de Vlaamse sportclubs, waarin ook 34 percent van de sportclubs verklaarde een tekort aan infrastructuur te hebben en 23 percent dit bleek te zien als een belemmering voor een uitbreiding van het aantal leden. Omdat het gaat om een tekort aan overdekte infrastructuur, zijn het dus vooral de zaalsporten die het tekort ervaren.
In 1990 werd het Gemeentelijk Investeringsfonds opgericht, inmiddels vervangen door het Gemeentefonds. Hierbij werd door de Vlaamse overheid aan de lokale overheid de keuze gelaten om haar beleidsprioriteiten te bepalen. Vastgesteld wordt dat sinds de invoering van het investeringsfonds de bouw van nieuwe sporthallen is teruggelopen. Bovendien werd in het kader van het kerntakendebat beslist dat de gemeentelijke overheid zou instaan voor het lenigen van lokale noden aan sportinfrastructuur en dat de Vlaamse overheid verantwoordelijk is voor de invulling van de noden aan infrastructuur van Vlaams of internationaal belang en van innovatieve projecten. Er is dus een strikt onderscheid gemaakt.

Zoals terecht gesteld, is een fiscaal voordelig statuut voor vrijwilligers een federale bevoegdheid. Dit is de verklaring voor het feit dat de Vlaamse overheid tot nu toe voor de sportvrijwilligers geen succesvol initiatief heeft kunnen nemen. Zoals ik in mijn beleidsnota Sport 2004-2009 heb gesteld, is een van de kritieke succesfactoren de 'herwaardering en ondersteuning van het vrijwilligerswerk in de sport'. Daarom zullen in deze regeerperiode onderhandelingen aangeknoopt worden met de federale overheid over een eigen statuut voor de vrijwilliger, waarbij rekening wordt gehouden met de specifieke situatie van de sportvrijwilliger op het vlak van aansprakelijkheid, verzekering en een billijk fiscaal en sociaal statuut.
De Vlaamse overheid dient inderdaad de opleiding van trainers in sportclubs te bevorderen. Zo blijkt uit de enquête bij de sportclubs dat, bij die sportclubs die over tenminste een trainer beschikken, 53 percent van de trainers niet-gediplomeerd zijn. Dat betekent dat heel wat Vlaamse sportclubs zonder gediplomeerde lesgevers werken.

De Vlaamse Trainersschool heeft de voorbije jaren, zowel wat het aantal als wat de inhoud van de opleidingscursussen betreft, belangrijke inspanningen gedaan. Zo blijkt dat van de 47 percent trainers die wel over een diploma beschikken, niet minder dan 31 percent dat via de VTS cursussen hebben bereikt. Het volgen van deze cursussen vergt echter zowel van de sportclubs als van de trainers een inzet van tijd en geld.
Op de staten-generaal van de sportclubs in september 2003 werd een aantal voorstellen geformuleerd om de sportclubs te stimuleren hun trainers naar opleidingscursussen te sturen. Het ging onder andere om financiële ondersteuning voor sportclubs. Uiteraard verwachten de gediplomeerde trainers na hun geleverde inspanningen ook financieel beloond te worden. Gezien de beperkte financiële middelen van de meeste Vlaamse sportclubs is dat niet vanzelfsprekend.
De daling van het aantal vrijwilligers in de sportclubs en de beoogde stijging van het aantal gekwalificeerde trainers zullen de kosten van de Vlaamse sportclubs ontegensprekelijk verhogen. Aangezien niet minder dan 43 percent van de inkomsten van de sportclubs afkomstig is van de inning van lidgelden, het gemiddeld lidgeld tussen 60 euro en 84 euro schommelt en de sportclubs gemiddeld 125 leden hebben, beschikken de Vlaamse sportclubs duidelijk over onvoldoende financiële draagkracht.

Het steunen van de Vlaamse sportclubs dient dan ook een van de beleidsprioriteiten te worden. Het Overlegplatform Sport voor Allen heeft een visienota over het te voeren Sport-voor-Allen beleid opgesteld op 8 juli 2004. Het overlegplatform start in februari 2005 met de tweede fase van haar opdracht, met name het opstellen, op basis van de visienota, van een actieplan Sport voor Allen.
In mijn beleidsnota heb ik duidelijk gesteld dat dit een even grote prioriteit is als de topsport. Onlangs heb ik al aangekondigd dit een jaar eerder te willen uitvoeren.
Nochtans deel ik zoiets gewoonlijk eerst aan het parlement mee.

In de visienota wordt de ondersteuning van de Vlaamse sportclubs als een prioritaire beleidsoptie voorgesteld. Ik verwacht dan ook dat in het actieplan concrete voorstellen zullen worden opgenomen om de Vlaamse sportclubs daadwerkelijk te ondersteunen. Mijnheer Caron, in tegenstelling tot wat u beweert, heeft Bloso op geen enkel ogenblik verklaard dat als de tekorten niet snel worden bijgewerkt, de kans bestaat dat sporten duurder en dus minder democratisch wordt. Dit was een conclusie van de journalist na zijn interview met de voorzitter van een Hasseltse sportclub.
Tot slot meen ik dat er ook een debat moet komen met de federaties om na te gaan welke rol zij kunnen spelen bij de ondersteuning van de sportclubs. De federaties en de clubs zullen, naast de gemeenten en de scholen, een belangrijke plaats innemen in het nieuwe decreet op het sport-voor-allenbeleid.

De heer Bart Caron: De problematiek die Bloso naar voren schuift, is op zich niet nieuw. Toen ik 10 jaar geleden bij de VVSG werkte, werden we geconfronteerd met precies hetzelfde verhaal. Mijnheer de minister, ik denk dan ook dat u voor een grote uitdaging staat.
Het nieuwe decreet op de federaties heeft blijkbaar niet het effect dat we hadden verwacht of dat het decreet had geschapen.
Ik wil van dit parlement geen streekgebonden of provinciaal forum maken maar het interesseert me wel te weten of de problematiek in Brussel anders is en of de problematiek tussen landelijke gemeenten en centrumgemeenten verschillend is. In het kader van het stedelijk beleid kan sport een belangrijke motor zijn voor de algemene maatschappelijke ontwikkeling. Als Bloso de moeite doet om op basis van bestaande gegevens een aantal regionale analyses te maken, dan kan dit een waardevolle aanvulling betekenen voor het sportbeleid.

ingediend onder in de commissies • (0) ReactiesPermalink

Gemeentelijke wapenschilden

ingediend door Bart Caron op 16/02/2005 om 00u00
Schriftelijke vraag van Bart Caron, Vlaams volksvertegenwoordiger aan de heer Kris PEETERS, Vlaams minister van Openbare werken, Energie, Leefmilieu en Natuur over de wapenschilden op bruggen over de autosnelweg.

Recent werden de bruggen over de E17 onder handen genomen en gerenoveerd. Wanneer je op of onder die bruggen over de autosnelweg rijdt, hingen aan weerszijden van de balustrades en voor de autobestuurders goed zichtbaar, de wapenschilden van de steden/gemeenten op wiens grondgebied je je bevindt. In een aantal gevallen zijn dat wapenschilden van ondertussen gefuseerde gemeenten. 
Ik spreek hier over de regio Kortrijk, waar ik zelf woon. Ik weet niet of dergelijk grondig onderhoud van de bruggen ook gebeurt in andere delen van Vlaanderen. 

Na de renovatie en herstelling van de bruggen zijn deze schilden echter niet meer aangebracht. Meer zelfs, omdat de bevestigingsplaten tussen de spijlen die dienen om het wapenschild aan op te hangen, niet meer voorzien zijn, wordt de indruk gewekt dat het niet meer de bedoeling is om ze terug te hangen.
Daarmee gaat een stukje identiteit verloren. Dat is jammer, niet omdat het nostalgie of navelstaarderij is, maar omdat het een cultuurhistorisch element is dat verdwijnt.
In ons land van doorgangsverkeer, worden de plaatsen die je doorkuist daardoor minder anoniem. De schilden markeren de identiteit van de doorkruiste regio, stad of gemeente.
Dat is ook belangrijk voor de plaatselijke bevolking, die deze uiting van eigenheid graag behoudt.
Heraldiek is al langer een aandachtspunt van de overheid. Er bestaat een Vlaamse Heraldische Raad en er is heel wat regelgeving. Gedurende zowat 20 jaar heeft de Raad de vaststelling van de wapens en de vlaggen van gemeenten en provincies begeleid. Het resultaat van deze werkzaamheden is in 2002 geconcretiseerd met de publicatie van een lijvig wapenboek van alle Vlaamse gemeenten en provincies onder de titel "Gemeentewapens in België. Vlaanderen en Brussel". 
Daarnaast zijn er in Vlaanderen heel wat organisaties met deze thematiek begaan zijn. Heraldiek maakt essentieel deel uit van onze cultuurhistorische en bestuurlijke geschiedenis en verdient dus veel respect. 

Omdat ik volkscultuur, zorg voor het erfgoed (o.a. Heraldiek) en het patrimonium erg belangrijk vind, betreur ik dat de wapens verdwenen zijn. Voorlopig of definitief? Ik hoop uiteraard dat ze na een grondige poets- en restauratiebeurt vooralsnog zullen geplaatst worden. 

Om hierover duidelijkheid te krijgen, mijnheer de minister, had ik u graag volgende vragen gesteld.
1.      Is deze aanpak specifiek voor de Kortrijkse regio, of is dat algemeen voor alle bruggen over de E17?


2.      Worden de wapenschilden alsnog teruggeplaatst?
Zo ja, waarom werden ze nog niet teruggeplaatst? Om reden van restauratie?
Wanneer worden ze teruggeplaatst?

3.      Indien de wapenschilden niet terug worden geplaatst, wil ik van u graag weten waarom dat niet gebeurt? Wat zal er met deze wapenschilden gebeuren? Werden ze gerecupereerd en weggeborgen?


4.      Is er over deze keuzes overleg gepleegd met de betrokken gemeentebesturen of met de Vlaamse Heraldische Raad? Zo ja, wat was hun visie terzake?


Antwoord van minister Kris Peeters
1) In West-Vlaanderen werd in het kader van de vervanging van de brugleuningen op de bruggen over de E17 geen enkel wapenschild teruggeplaatst.

2) De wapenschilden worden niet teruggeplaatst.

3) Op verschillende plaatsen in West-Vlaanderen azijn reeds wapenschilden gestolen, gezien hun hoge waarde. In deze gevallen is door de in de leuning voorziene uitsparing de veiligheid voor de weggebruiker  nier meer gewaarborgd. Gezien het risico op calamiteiten wordt in West-Vlaanderen dan ook beslist om geen wapenschilden terug te plaatsen.
De Gewoonte om deze wapenschilden te plaatsen dateert van de periode van aanleg van de autosnelwegen E17 en E40 in de jaren ’70, en is intussen voorbijgestreefd.

Het aanbrengen van de wapenschilden op deze plaatsen is dan ook, gezien de betrekkelijk jonge leeftijd van deze bruggen, moeilijk een noemenswaardig aspect van de volkscultuur te noemen. De wapenschilden op zich daarentegen maken wel deel uit van het erfgoed. Vandaar dat deze wapenschilden voorlopig in het magazijn van de Regie te Kortrijk werden weggeborgen.

4) Aangezien de wapenschilden eigendom zijn van de Vlaamse Gemeenschap werd geen overleg met de gemeentebesturen gevoerd over deze aangelegenheid, noch met de Vlaamse Heraldische raad. Indien blijkt dat desbetreffende gemeente geïnteresseerd zou zijn om een nieuwe bestemming aan deze wapenschilden te geven, kan steeds overeengekomen worden om deze wapenschilden aan de gemeente te schenken.


ingediend onder schriftelijke vragen • (0) ReactiesPermalink

Subsidiesverdeling bij opleiding van assistentiehonden

ingediend door Bart Caron op 15/02/2005 om 00u00

Vraag om uitleg van de heer Bart Caron tot mevrouw Inge Vervotte, Vlaams minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, over de subsidieverdeling bij opleiding van assistentiehonden.

De heer Bart Caron: Mijnheer de voorzitter, mevrouw de minister, geachte collegas, we kennen allemaal de assistentiehonden voor blinden en personen met een visuele handicap. Iets minder bekend is de problematiek inzake de assistentiehonden voor personen met een motorische handicap. Ze kunnen de levenskwaliteit van personen met een handicap in belangrijke mate verhogen. Er is een vzw die de opleiding van die honden op zich neemt. Jaarlijks worden een veertiental van dergelijke honden opgeleid. De opleidingskosten bedragen 11.000 euro. De jaarlijkse kostprijs loopt op tot om en bij de 154.000 euro.

De organisatie heeft het moeilijk om de eindjes aan elkaar te knopen. De personen met een motorische handicap die een dergelijke assistentiehond toegewezen krijgen, hebben daar bijzonder veel baat bij. Daarnaast is er het probleem in verband met de toegang tot vooral winkels. Er zijn nogal wat zaken die moeilijk doen over toegang voor personen met een motorische handicap die worden begeleid door een assistentiehond. Ze baseren zich daarbij op de wet op de voedingshygine. Nochtans bestaat er in ons land ook de antidiscriminatiewet, waarin het recht op toegang wordt gegarandeerd.

Daarom ,mevrouw de minister, wik ik u volgende vragen stellen:
- Bent u op de hoogte van de ongelijke behandeling van assistentiehonden voor personen met een visuele handicap enerzijds en voor personen met een motorische handicap anderzijds?
- Bent u van plan initiatieven te nemen om ook de opleiding van assistentiehonden voor mensen met een motorische handicap te subsidiren?
- Bent u bereid om overleg op te starten met uw federale collega om de toepassingen van de verschillende wetten, de wet op de voedingshygine en de antidiscriminatiewet, beter op elkaar af te stemmen, zodat die personen ook met hun assistentiehond toegang krijgen tot de handelszaken?

Minister Inge Vervotte: Mijnheer de voorzitter, dames en heren, het is niet de Vlaamse Gemeenschap die rechtstreeks subsidieert. Het is steeds het individu dat het recht opent en mogelijk een terugbetaling ontvangt. Of er wordt terugbetaald, hangt af van het feit of iemand op de lijst staat om te worden vergoed voor hulpmiddelen voor personen met een handicap. De blindengeleidehonden staan op die lijst. Assistentiehonden staan er niet op.

Op dit moment wordt er door het Kennis- en Ondersteuningscentrum, het centrum dat bij het Vlaams Fonds onderzoek doet naar hulpmiddelen en aanpassingen, een onderzoek gevoerd naar blindengeleide- en assistentiehonden. Hierbij werden verschillende opleidingscentra uitgenodigd om over dit onderwerp mee te denken. De vzw Hachiko is trouwens een van de gesprekspartners.
Het centrum onderzoekt waarvoor deze honden een oplossing kunnen bieden, wat hun taak kan zijn en of zij een meerkost inhouden. Daarbij wordt rekening gehouden in hoeverre het terugbetalen van een assistentiehond andere hulpmiddelen zou kunnen vervangen. Het is immers niet de bedoeling dat verschillende hulpmiddelen die eenzelfde functioneel probleem oplossen allemaal terugbetaald worden. Er moet worden nagegaan wat de beste oplossing is. Dit onderzoek zal normaal afgerond zijn tegen de zomer. Op dat moment kan deze studie ter advies worden voorgelegd aan de raad van bestuur van het Vlaams Fonds.

De toegankelijkheidsproblematiek is op 10 mei van vorig jaar op de agenda van de interministerile conferentie geplaatst. Het lijkt me zinvol en belangrijk dat dit onderwerp verder op die conferentie wordt besproken.

ingediend onder in de commissies • (0) ReactiesPermalink

West-Vlaams zorgplan

ingediend door Bart Caron op 15/02/2005 om 00u00

Vraag om uitleg van de heer Bart Caron tot mevrouw Inge Vervotte, Vlaams minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, over het West-Vlaamse zorgenplan voor personen met een handicap.

De heer Bart Caron: Mevrouw de voorzitter, mevrouw de minister, ik was wat verbaasd over een aantal merkwaardige uitspraken over de opvang van personen die de bevoegde gedeputeerde, de heer De fauw, deed toen op 17 januari het West- Vlaamse zorgenplan werd voorgesteld. Hij zei namelijk dat zeker 50 personen die vandaag in tehuizen wonen, zouden kunnen overstappen naar beschermd wonen. Wanneer dat zou worden gextrapoleerd naar heel Vlaanderen, zou heel wat ruimte opnieuw beschikbaar komen. Ik heb het stuk helemaal doorgenomen. Ik wil me onthouden van commentaar terzake. Ik kan niet voldoende beoordelen in welke mate het gaat over een echt zorgplan dan wel over een opsomming van behoeftes die bestaan in onze provincie. Wel heb ik de indruk dat het veeleer het laatste is.

Alleszins typeert dit heel duidelijk de verschuiving in de relatie tussen de provinciale overheid en de Vlaamse overheid. Zoals in het voorwoord van het zorgplan zelf staat, verwacht de Vlaamse overheid dat het regionaal overleg niet alleen meer adviezen geeft, maar ook gentegreerde en gecordineerde zorgplannen opmaakt voor de hele provincie, ook in functie van investeringsdossiers. Aan het regionaal overleg wordt ook gevraagd een aantal prioriteiten naar voren te schuiven. Er werd een werkgroep opgericht. Ik heb gezien dat er terzake heel veel vergaderingen plaatsvonden. Ik heb de diensten terzake trouwens gecontacteerd.

Een andere merkwaardige uitspraak van gedeputeerde De fauw was de volgende: We hebben bij de opmaak dan ook keuzes moeten maken. Het was vooral moeilijk begrijpbaar voor initiatieven die eerder al toezeggingen hadden gekregen op Vlaams niveau. Deze werden provinciaal echter niet geselecteerd. Dit leidt tot de vraag wat nu precies de relatie is tussen dit West-Vlaamse zorgplan, het Vlaams Fonds en uzelf, mevrouw de minister. Waar liggen de bevoegdheden en de rollen terzake? Kon de gedeputeerde die uitspraak wel doen?
De gedeputeerde verklaarde verder dat, in afwachting van bijkomende erkenningen, de West Vlaamse zorgsector ondertussen probeert elke persoon met een handicap te ondersteunen. Daarop deed hij zijn uitspraak over die 50 personen die de overstap naar beschermd wonen zouden kunnen maken. Een verblijf in een tehuis is echter dubbel zo duur als de begeleiding van het beschermd wonen. Zo kunnen met hetzelfde budget meer mensen worden geholpen, aldus de gedeputeerde.

Mevrouw de minister, wat is uw reactie op die merkwaardige uitspraken? De voorstellen van het zorgplan wijken blijkbaar soms af van de toezeggingen door het Vlaams Fonds. Sommige van die toezeggingen werden dan ook niet overgenomen in het provinciale zorgplan. Dat is moeilijk te begrijpen voor initiatieven die eerder al toezeggingen hebben gekregen.

Daarom, mevrouw de minister, had ik u graag de volgende vragen gesteld: 
- Wat zijn de gevolgen voor de betrokken voorzieningen?
- Hoe staat u tegenover de uitspraak van de gedeputeerde dat de provincie het best in staat is om zelf keuzes te maken over het passende zorgaanbod binnen de provincie? Ik veronderstel dat deze uitspraak te maken heeft met de ambitie van deze specifieke provincie en misschien van andere provincies om een sterkere beleidsbepalende rol te spelen.
- Werden de provinciale zorgplannen ook gecordineerd, zodat er een document voor heel Vlaanderen tot stand komt?

Minister Inge Vervotte: Mevrouw de voorzitter, dames en heren, dit is inderdaad een moeilijke oefening. U weet dat we hier zeer lang aan hebben gewerkt. Er is heel veel overleg gepleegd. Voor ons is er slechts n uitgangspunt, dat ook expliciet is opgenomen in de beleidsnota, weliswaar niet in het hoofdstuk over personen met een handicap, maar in de algemene inleiding. Dat uitgangspunt is dat zorgvragen het juiste antwoord moeten krijgen. We zoeken dus voortdurend naar een verfijning. Vandaag stellen we immers vast dat personen met een handicap soms in een verkeerde of niet aangepaste zorgopvang terechtkomen. Dat is onze grootste bekommernis. Daarom zal die zorgregie zeer belangrijk zijn, net als de zorggradatie, waaraan we nog werken.
We brengen nu in kaart welke personen kunnen overstappen van de tehuizen naar het beschermd wonen. Die overstapmogelijkheid is er immers. Dat blijkt uit het verleden. Bij het PAB was dat minder het geval, als we de cijfers uit het verleden mogen geloven. Momenteel zijn 439 plaatsen van beschermd wonen erkend. Hiernaar zijn dus een aantal personen doorgestroomd vanuit de residentile voorzieningen.

In 2004 werd de nadruk vooral gelegd op het toekennen van vergunningen voor voorzieningen die initiatieven willen nemen op het vlak van investeringen. Het was de bedoeling op langere termijn nieuwe projecten mogelijk te maken. Het Vlaams Fonds hield zo rekening met zijn eerdere verbintenissen.
Het nieuwe ontwerpbesluit inzake zorgregie bepaalt dat zowel de regionale overlegnetwerken inzake gehandicaptenzorg als de provinciebesturen een advies kunnen geven over de planning van het aanbod. Dit garandeert de betrokkenheid van de provincies, maar ook van die regionale overlegnetwerken bij het opstellen van het uiteindelijke zorgplan door het Vlaams Fonds. Voor de oprichting en de werking van het regionaal overlegnetwerk inzake gehandicaptenzorg en het registratie- en cordinatiepunt geeft het Vlaams Fonds subsidies aan de provinciebesturen ten bedrage van 93.905 euro per jaar per provincie.

Momenteel werken we aan een bijgestuurde meerjarenplanning, waarbij we een beter zicht krijgen op de vragen en zodat de provinciale zorgplannen beter onder de loep kunnen worden genomen.
We hebben overleg gepleegd, met de Vereniging van de Vlaamse Provincies. Deze organisatie heeft ons een nota met opmerkingen overhandigd. We hebben daar een constructief gesprek over gevoerd. Het ontwerp ligt nu bij de raad van bestuur van het Vlaams Fonds. Tijdens de eerstvolgende vergadering zal deze raad van bestuur een advies formuleren over dit besluit.

De heer Bart Caron: Mevrouw de minister, ik dank u voor uw antwoord. Ik vind het interessant dat die oefening van het intensifiren van het beschermd wonen in dit kader kan worden voortgezet. Dat zou een belangrijke bijdrage kunnen zijn in de discussie over de wachtlijsten. Maar over die wachtlijsten wil ik niet verzeilen in een terminologische discussie.
Het lijkt me inderdaad belangrijk dat er op decentraal niveau advisering kan worden ontwikkeld, zodat de kwaliteit kan toenemen. Toch moet er tegelijk een evenwicht blijven met de centrale zorgsturing. Het gaat hier immers niet alleen over behoeftes, maar ook over evoluties in de samenleving en het behouden van een overzicht.
Ik ben alleszins tevreden met deze evolutie.

Minister Inge Vervotte: Ik ben het daar volledig mee eens. We moeten inderdaad een evenwicht zoeken en alle partners mee betrekken in deze moeilijke denkoefening. Responsabilisering is hier inderdaad belangrijk. Het komt erop aan dat de sector aan die mensen die de meeste zorg nodig hebben, die zorg ook kunnen geven. Dat veronderstelt goede afspraken, zorgbemiddeling en het maken van protocolafspraken.
We vinden dat we dan ook recht hebben op goede informatie. Daarom hebben we precies die centrale zorgvragen nodig. Zo weten we specifieker welke mensen welke behoeften hebben en waaraan men het meest nood heeft. Vervolgens kunnen we daarover het debat aangaan met alle partners op het terrein en die initiatieven meer ruimte geven. Op het terrein kunnen we dan mee de bemiddeling aangaan met de verantwoordelijken.

ingediend onder in de commissies • (0) ReactiesPermalink

Hererkenning van de voorzieningen voor instellingen van Bijzondere Jeugdzorg

ingediend door Bart Caron op 15/02/2005 om 00u00

Vraag om uitleg van de heer Bart Caron tot mevrouw Inge Vervotte, Vlaams minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, over de hererkenning van de voorzieningen voor instellingen van Bijzondere Jeugdzorg.

De heer Bart Caron: Mijnheer de voorzitter, mevrouw de minister, collegas, alle instellingen in de bijzondere jeugdzorg dienden tegen oktober 2003 een aanvraag tot hererkenning van hun voorzieningen te doen bij het verantwoordelijke bestuur. De administratie kon dit echter niet snel genoeg afhandelen, zodat een voorlopige erkenning voor een jaar werd gegeven. De datum werd verschoven naar 31 december 2004, zodat de administratie de tijd kreeg om de dossiers in orde te brengen.
De instellingen werden onderworpen aan een inspectie en een kwaliteitscontrole op basis van het kwaliteitsdecreet en de erkenningsnormen uit het besluit van 1994. De plaatsende instanties, de sociale diensten van de jeugdrechtbanken en de comits bijzondere jeugdzorg werden om advies gevraagd. Blijkbaar zijn de organisaties tevreden over de inspectie door de administratie, ook omdat ze tegensprekelijk zijn en als objectief en correct worden beschouwd. Dezelfde openbaarheid bestaat echter niet bij de adviezen van de plaatsende instanties.

Intussen is het half februari, en ik hoop eigenlijk dat mijn vraag intussen achterhaald is. Nog geen enkele voorziening heeft een erkenning gekregen. Dat verhaal is ons bekend uit andere sectoren, want zulke dingen kunnen nu eenmaal aanslepen. Nu echter is de normale periode van erkenning al een jaar en anderhalve maand voorbij. De instellingen beginnen zich behoorlijk ongerust te maken over de juridisch-technische kant van de zaak. De erkenning is verstreken. Ik vraag me terzijde ook af of de Inspectie van Financin om die reden straks geen probleem zal maken van de uitbetaling van de subsidies.
29 of 30 instellingen hebben bericht gekregen dat er problemen zijn met hun hererkenning. De andere instellingen hebben niets ontvangen. Er doen geruchten de ronde dat sommige instellingen een kortere hererkenning zullen krijgen, omdat ze met een aantal voorwaarden niet in orde zijn. Dat alles zorgt voor onrust. Ik wil niet te diep ingaan op de procedurele regels, maar in een sector waar de druk groot is en de zorgen manifest zijn we kunnen daar elke dag over lezen in de kranten is het jammer dat dit gebeurt.

Daarom mevrouw de minister, had ik ugraag volgende vragen gesteld:
- Is er een verklaring waarom de diensten er niet in geslaagd zijn tegen 31 december de hererkenning in orde te brengen?
- Wanneer mogen de instellingen de hererkenning verwachten? Lijkt het niet logisch dat, als de administratie er niet in slaagt de erkenningen op tijd voor mekaar te krijgen, er een automatische verlenging van de erkenningen is?
- Waarom zijn de adviezen van de plaatsende instanties, in tegenstelling tot de inspectieverslagen, niet openbaar of niet toegankelijk voor de betrokken voorzieningen?
- Kunnen de adviezen van de plaatsende instanties alsnog aan de betrokken instellingen worden bezorgd of ter inzage worden gegeven?

Minister Inge Vervotte: Mijnheer de voorzitter, dames en heren, op 22 december 2004 heb ik het ministerieel besluit tot erkenning en wijziging van erkenning van de voorzieningen van de bijzondere jeugdbijstand ondertekend. Op basis van de verslagen van de afdeling Inspectie en Toezicht en de verslagen van de verwijzende instanties, heb ik beslist om alle voorzieningen verder te erkennen.
Belangrijk is dat niet alle voorzieningen een erkenning kregen voor de maximaal toegestane periode van vijf jaar. Daarom vond ik het opportuun om de initiatiefnemers individueel op de hoogte te brengen van de modaliteiten van hun vernieuwde erkenning. Daarom dienden er 249 gendividualiseerde brieven te worden opgemaakt en ondertekend. Ik heb de brieven vorige week ondertekend en verzonden.

Ondertussen heeft mijn administratie aan de werkgeverskoepels van de bijzondere jeugdbijstand meegedeeld dat ze voor verdere informatie uiteraard bij haar terechtkunnen. Een aantal voorzieningen heeft dat reeds gedaan.
De hele procedure van erkenning dateert van de vorige legislatuur. Om het hele proces van verslaggeving, evaluatie en beslissing tot hererkenning optimaal en met spoed te laten verlopen, heb ik ervoor geopteerd om voorlopig geen extra stappen toe te voegen. We hebben hierover gepraat met de werkgeversorganisaties en zijn aan het bekijken of er geen verfijning nodig is, zowel op het vlak van de inhoudelijke procedure als van de duur.

Ik ben niet van oordeel dat de voorzieningen automatisch een erkenning van vijf jaar moeten krijgen omdat ze voor 31 december geen bericht hebben ontvangen. Dat de procedure zoveel tijd in beslag heeft genomen, is een bewijs dat mijn administratie zorgvuldig en zorgzaam is omgegaan met de hererkenningsronde. Dit is essentieel om het aanbod beter op de vraag te laten aansluiten. Door mijn besluit van 22 december zijn alle voorzieningen vandaag juridisch-technisch erkend, en mijn administratie heeft aan alle voorzieningen de mogelijkheid geboden om zich over de modaliteiten van hun erkenning te informeren.
Aan de verwijzende instanties werd conform de regelgeving gevraagd een verslag over de werking van de voorzieningen te formuleren. Meer bepaald werd gevraagd naar ervaringen inzake een aantal themas zoals de opnamebereidheid, de communicatie en de doelgroep. Voor elke verlenging van een erkenning of voor elke nieuwe erkenning wordt een dergelijk verslag opgevraagd. In het verleden werden deze verslagen nooit aan de initiatiefnemers bezorgd. We weten dat daarover veel wrevel was. Er waren veel vragen en er was veel onduidelijkheid. Wel konden ze in het licht van de openbaarheid van bestuur, worden opgevraagd. Nu zullen de initiatiefnemers bij de brief ook een kopie van mijn besluit van 22 december en een kopie van het verslag van de verwijzende instanties ontvangen.

De vragen die werden gesteld in het licht van de openbaarheid van bestuur en de tegenspreekbaarheid van de verslagen van de verwijzers zijn terecht. In overleg met de koepels werden ze opgenomen. Binnenkort zal een werkgroep met leden van de administratie en het kabinet bijeenkomen om te praten over de onduidelijke elementen waarover een betere communicatie en meer transparantie mogelijk zijn. Ze kunnen worden opgenomen in een eventuele verfijning van de procedure.

De heer Bart Caron: Mevrouw de minister, dat is uitstekend. U mag het me niet kwalijk nemen dat ik de vraag stelde, want ik kon niet weten dat de erkenning ondertussen werd betekend. Ook mijn andere vragen werden beantwoord.

ingediend onder in de commissies • (0) ReactiesPermalink

Veilig Traject Terminal Antwerpen

ingediend door Bart Caron op 15/02/2005 om 00u00

Vraag om uitleg van de heer Bart Caron tot mevrouw Inge Vervotte, Vlaams minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, over de 'Veilig Traject Terminal' in Antwerpen.

De heer Bart Caron: Mijnheer de voorzitter, mevrouw de minister, geachte collega's, in dit soort materies is 'rien que la nuance' van belang.
Ik zal het vooral hebben over de reactie van de Raad van Ouders van de Jeugdhulp. Die schreef een artikel onder de niet mis te verstane titel: 'De stigmatisering krijgt nu ook een digitale vorm. Ouders worden niet betrokken in overleg.' De raad klaagt aan dat de identiteit van jongeren nu ook al wordt gecodeerd. In het artikel staat: 'Maar uiteraard zal in het "ons kent ons"-wereldje van jeugdhulpverlening en jeugdbescherming het direct geweten zijn over welke jongere het gaat. Zo krijgt de stigmatisering van de jongere nu ook een digitale vorm.' Iets verder staat: 'De rechten van de jongere

ingediend onder in de commissies • (0) ReactiesPermalink

Jeugdinstelling in Everberg

ingediend door Bart Caron op 27/01/2005 om 00u00

Met redenenen omklede motie van de dames Trees Merckx-Van Goey, Patricia Ceysens, Elke Roex en Helga Stevens en de heren Tom Dehaene en Bart Caron, tot besluit van de op 25 januari 2005 door mevrouw Marijke Dillen in commissie gehouden interpellatie tot mevrouw Inge Vervotte, Vlaams minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin over de hervorming van het jeugdrecht en de toekomst van het samenwerkingsakkoord betreffende de jeugdinstelling in Everberg.

Het Vlaams Parlement,
– gehoord de interpellatie van mevrouw Marijke Dillen;
– gehoord het antwoord van minister Inge Vervotte;

– gelet op:
1° de noodzaak van een herstelgericht jeugdsanctierecht voor jongeren die een als misdrijf omschreven feit plegen, waarbij een sui-generisbenadering wordt voorgestaan met responsabiliserende, pedagogische, herstelgerichte, sanctionerende en beschermende elementen;

2° het Vlaamse regeerakkoord 2004-2009;

3° het advies van de Raad van State over het ontwerp van wet betreffende de jeugdbescherming en het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd;

4° artikel 3 van het decreet van 19 juli 2002 houdende goedkeuring van het samenwerkingsakkoord tussen de Federale Staat, de Duitstalige Gemeenschap, de Franse Gemeenschap en de Vlaamse Gemeenschap betreffende het gesloten centrum voor voorlopige plaatsing van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd, zoals gewijzigd met een decreet van 2 april 2004;


– vraagt de Vlaamse Regering:

1° op korte en middellange termijn te zorgen voor voldoende, gedifferentieerde opvangvoorzieningenvoor jongeren in een problematische opvoedingssituatie (POS) en voor jongeren die een als misdrijf omschreven feit (MOF) hebben gepleegd;

2° daarbij de hulpverlening te versterken, met de nadruk op contextuele begeleiding van jongeren in een POS en de opvang van jongeren die een MOF hebben gepleegd in open en gesloten voorzieningen;

3° met de federale regering overleg te plegen over het ontwerp van wet betreffende de jeugdbescherming en het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en de gevolgen ervan voor de Vlaamse overheid.

Trees Merckx- Van Goey, Patricia Ceysens, Elke Roex, Helga Stevens, Tom Dehaene, Bart Caron,


ingediend onder in het halfrond • (0) ReactiesPermalink

Het vergelijken van kijkcijfers

ingediend door Bart Caron op 27/01/2005 om 00u00

Vraag om uitleg van de heer Bart Caron tot de heer Geert Bourgeois, Vlaams minister van Bestuurszaken, Buitenlands Beleid, Media en Toerisme, over het vergelijken van kijkcijfers.

De heer Bart Caron: Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, leve de pluriformiteit in de media. Ik baseer me voor deze vraag op een krantenartikel uit De Morgen. Ik ben blij dat de pers haar maatschappelijke verantwoordelijkheid uitdrukkelijk opneemt.
Ik heb een grondige hekel aan de kijkcijferdwang, zoals ik dat noem. Eigenlijk moet we niet de grootste zijn, we moeten de beste zijn. Deze opmerking staat los van de rest van mijn discours.

Er is nood aan goede kijkcijfers. Helaas hebben ze een dwingend effect gekregen. Succes in het televisielandschap wordt aan de hand van deze maatstaf gemeten. Uit een hele reeks artikelen die recent in de kranten zijn verschenen, blijkt duidelijk hoe bepalend de invloed van de kijkcijfers op het televisielandschap is geworden. Ik citeer een aantal titels: 'Bliksemstart van

ingediend onder in de commissies • (0) ReactiesPermalink

Trajectbegeleiding

ingediend door Bart Caron op 25/01/2005 om 00u00

Vraag om uitleg van de heer Bart Caron tot mevrouw Inge Vervotte, Vlaams minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, over trajectbegeleiding.

De heer Bart Caron: Mijnheer de voorzitter, mevrouw de minister, de zorg in Vlaanderen vernieuwt zich langzaam maar zeker. We hebben het daar al vaak over gehad. De signalen die tijdens de vorige legislatuur werden gegeven over PAB, PGB en trajectbegeleiding waren element van die vernieuwing. De tijd dat we het hadden over bedden, ligt langzamerhand achter ons. Nu hebben we het over het activeren van mensen, over participatie en over het volwaardig burgerschap van personen met een handicap. Een aantal regels terzake zijn al in gebruik, een aantal andere, zoals die over PGB wachten nog op uitvoering.

Ik wil het vandaag in het bijzonder hebben over de trajectbegeleiding. De persoon met een handicap of de gebruiker die de regie van zijn eigen leven in handen neemt, vormt een breuk met de cultuur van het verleden. Niet elke persoon beschikt over de vaardigheden of de nodige ontwikkeling om die regie uit te voeren en daarom wordt gevraagd naar professionele ondersteuning. De projecten inzake trajectbegeleiding voorzagen daarin.
In 1999 startten drie projecten. In 2001 waren er negen projecten. Ze waren experimenteel en er is terzake studiewerk verricht door professor Maes van de KULeuven. Zij toonde overduidelijk de effecten aan van de onafhankelijke trajectbegeleiding en wees op de methodische voorwaarden waaraan de projecten moeten voldoen. De meerwaarde van de projecten werd duidelijk bewezen. Ook de analyses van de zorgvragers over het omgaan met de zorgvraag waarvoor ze aankloppen bij het Vlaams Fonds, tonen aan dat een goed parcours mogelijk is. Deze manier van werken kost de overheid veel minder geld dan de oude werkwijze. Vroeger was er geen sprake van onafhankelijke trajectbegeleiding en diende men zich rechtstreeks of via tussenpersonen te richten tot voorzieningen.
Ik zal niet diep ingaan op het inhoudelijk onderscheid tussen autonome en ingebouwde trajectbegeleiding, al is dat een niet onbelangrijk deelaspect.

Mevrouw de minister, de Vlaamse Regering heeft op 28 mei 2004 twee besluiten genomen over de erkenning en subsidiëring van het Vlaams platform van verenigingen voor mensen met een handicap en voor het vertegenwoordigen ervan. Ze betreffen de zorgregie, trajectbegeleiding en de erkenning en subsidiëring van het platform. U hebt deze besluiten niet in werking gesteld door middel van de begrotingscontrole. Tijdens diverse besprekingen hebt u erop gewezen dat u werk wilde maken van de herziening ervan. In een document vond ik als streefdatum van die herziening november 2004 terug. We zijn ondertussen bijna februari 2005.
Voor de betrokken organisaties gaat het om een droevige geschiedenis. Sinds 2004 is er een systematische afbouw van de bestaande trajectbegeleidingsorganisaties. Van de negen in 2001, is er nog

ingediend onder in de commissies • (0) ReactiesPermalink

De werkdruk bij opvanggezinnen

ingediend door Bart Caron op 25/01/2005 om 00u00

Vraag om uitleg van de heer Bart Caron tot mevrouw Inge Vervotte, Vlaams minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, over de werkdruk bij opvanggezinnen.

De heer Bart Caron: Mijnheer de voorzitter, mevrouw de minister, het HIVA publiceerde onlangs een rapport over de werkdruk in de diensten voor opvanggezinnen. Er zijn in Vlaanderen 197 erkende diensten die instaan voor de begeleiding van 7.430 opvanggezinnen. Het gaat om ongeveer een derde binnen de totale kinderopvang.
Die diensten lijden vooral onder de zware administratieve druk. Ze besteden veel tijd aan de werving van onthaalouders, de opvolging van allerlei aanbevelingen over brandveiligheid en de veiligheid van speelgoed en aan de administratie inzake het sociaal statuut van de onthaalouder. De voorbije 10 jaar is er bij allerlei diensten heel wat planlast bijgekomen.
Bovendien worden steeds meer kinderen occasioneel of deeltijds opgevangen. Die flexibiliteit die van de diensten en de onthaalouders wordt verwacht, doet de papierstroom nog toenemen.

De werkgroep Vlaamse Diensten voor Opvanggezinnen grijpt de resultaten van het onderzoek aan om te benadrukken dat de werkdruk onhoudbaar wordt. Zo zegt mevrouw Lobijn van de werkgroep: Als de overheid onze sector geen bijkomende middelen, met name extra personeel biedt, dan ziet de toekomst voor de opvanggezinnen er slecht uit. De diensten vragen 40 percent meer geschoold personeel om hun takenpakket kwaliteitsvol te kunnen afwerken. Dat betekent 109 voltijdse medewerkers.
Dit probleem sluit aan bij het regeerakkoord en bij de ambities van de minister om het aantal plaatsen in de kinderopvang sterk te verhogen Mevrouw de minister, erkent u deze problematiek?

Daarom, mevrouw de minister, had ik graag volgende vragen gesteld:
- Hoe denkt u die op te lossen?
- Zult u initiatieven nemen om de administratieve druk te verminderen?

Minister Inge Vervotte: Mijnheer de voorzitter, de problemen zijn me bekend. Ik heb ook de resultaten en de beleidsaanbevelingen uit het onderzoek van het HIVA De werkdruk in de diensten voor opvanggezinnen grondig doorgenomen. De resultaten tonen aan dat de diensten voor opvanggezinnen een zware werkdruk kennen.
Het rapport somt een aantal aanbevelingen op. Het is belangrijk dat deze aanbevelingen niet enkel handelen over de nood aan bijkomende middelen voor personeelsuitbreiding, het gaat ook over voorstellen tot vereenvoudiging van allerlei verplichtingen op het vlak van administratie en regelgeving.

Ik heb in december de opdracht gegeven aan de raad van bestuur van Kind en Gezin om maatregelen voor te stellen die de werkdruk bij de diensten voor opvanggezinnen moeten verlichten. Ik verwacht in maart of april hierover een advies van Kind en Gezin. Om deze opdracht uit te voeren heeft Kind en Gezin een werkgroep waarvan de werkzaamheden starten samengesteld, waaraan naast de administratie ook vertegenwoordigers van de sector van de gesubsidieerde gezinsopvang deelnemen.
Deze werkgroep zal concrete budgetneutrale voorstellen doen die op korte termijn kunnen worden uitgevoerd. Daarnaast zullen ook voorstellen op lange termijn, met de nodige kostenberekening, worden geformuleerd. De eventuele verruiming van het personeelskader behoort hiertoe.

We volgen op dit moment dus twee sporen. De begroting ligt vast, maar een aantal aanbevelingen kunnen worden uitgevoerd omdat er geen budgettaire complicaties aan zijn verbonden. We hebben een korte- en een langetermijnplanning. Het is belangrijk dat de gesprekken gezamenlijk worden aangevat, want bij de diensten voor opvanggezinnen leeft de hoop verder te gaan dan het bieden van kortetermijnoplossingen.
Ik zal het initiatief nemen om de werkdruk te verlichten. Ik wacht in eerste instantie op de resultaten van de werkgroep, want het is belangrijk dat de sector zelf de aanbevelingen concreet maakt. Ik wil er wel op wijzen dat een deel van de administratieve werkdruk in het voorbije jaar werd veroorzaakt door de sociaalrechtelijke verplichtingen van de diensten voor opvanggezinnen in het kader van het sociaal statuut van de onthaalouders. Vooral de groeipijnen van het nieuwe systeem zorgden voor een zware werkdruk. De aanzienlijke bijkomende belasting van deze opdracht is vooral te wijten aan federale regels. De Vlaamse overheid heeft steeds aangedrongen op een eenvoudig, doorzichtig systeem ten behoeve van de aangesloten onthaalouders. Inmiddels is de werkdruk als gevolg van deze sociaalrechtelijke verplichtingen al wat verminderd.

De federale overheid start in april met een evaluatie van de invoering van het sociaal statuut. Deze evaluatie was normaal gepland voor april 2006, maar wordt dus vervroegd. Kind en Gezin zal nauw worden betrokken bij deze evaluatie en zal de situatie opvolgen.
Om de diensten de kans te geven de administratieve werkdruk het hoofd te bieden, zal ik de Vlaamse Regering voorstellen dat diensten die volgens de regelgeving minder subsidies zouden ontvangen, wegens een tekort aan onthaalouders, toch een deel van de subsidie kunnen behouden. Dit zou dan gebeuren in overeenstemming met het effectieve aantal aangesloten onthaalouders, in afwachting van meer structurele ingrepen in het erkennings- en subsidiringssysteem van de diensten.

ingediend onder in de commissies • (0) ReactiesPermalink

Beleidsnota Welzijn 204-2009

ingediend door Bart Caron op 20/01/2005 om 00u00

Beleidsnota Welzijn, Volksgezondheid en Gezin 2004-2009, met redenen omklede motie van de heer Tom Dehaene, de dames Vera Jans, Helga Stevens en Elke Roex, de heer Bart Caron en mevrouw Vera Van der Borght

Zie:93 (2004-2005)
– Nr. 1: Beleidsnota
– Nr. 2: Met redenen omklede motie 352


Het Vlaams Parlement,
– gehoord de bespreking van de beleidsnota Welzijn, Volksgezondheid en Gezin 2004-2009;
– gehoord het antwoord van minister Inge Vervotte;


– vraagt de Vlaamse Regering:

1° de afstemming tussen de beleidsdomeinen welzijn en volksgezondheid, woonbeleid en onderwijs te maximaliseren, door onder meer:
a) de ondersteuning en de mogelijkheden van opvang van thuislozen en daklozen te versterken vanuit de bestaande deskundigheid, hetzij preventief, hetzij vanuit crisissituaties, hetzij structureel-remediërend;
b) de expertise rond het ontwikkelen, organiseren en financieren van nieuwe woon- en zorgvormen op korte termijn te bundelen, en in de rapportage aan het Vlaams Parlement de mogelijke scenario’s te analyseren;
c) het levenslang wonen te stimuleren;
d) het partnerschap met het onderwijs te versterken met het oog op het verhoogd welzijn van jongeren en het verbeteren  van het preventief gezondheidsbeleid;

2° de instroom van voldoende gekwalificeerd personeel in zorgberoepen te bewaken en te ondersteunen en het belang van de informele zorg te onderkennen;

3° een omvattend gezinsbeleid te ontwikkelen, waarbij:
a) vanuit de diverse beleidsdomeinen maatregelen worden genomen die het gezinnen mogelijk maken om de kwaliteit van het gezinsleven te verhogen;
b) de mogelijkheden van laagdrempelige opvoedingsondersteuning voor gezinnen met kinderen worden versterkt, met de nadruk op een geïntegreerde aanpak over de betrokken sectoren en beleidsdomeinen heen en met een bijzondere aandacht voor kwetsbare groepen;
c) een coherent beleid wordt ontwikkeld om gewenst en gezond moederschap te bevorderen;
d) wordt gezorgd voor een gevoelige uitbreiding van het aanbod in de buitenschoolse kinderopvang en de uitbouw van de flexibele en occasionele kinderopvang, ook buiten collectieve voorzieningen, met als uitgangspunt dat de pedagogische component van de opvang centraal moet staan, binnen een duidelijk afgebakend kader, als antwoord op specifieke behoeften en met behoud van kostenefficiëntie. Daartoe wordt onder meer het instrument van de dienstencheque gebruikt en wordt het regelgevend kader tot een coherent geheel gestroomlijnd, met aandacht voor toegankelijkheid, kwaliteit, betaalbaarheid en administratieve eenvoud;

4° een beleid te ontwikkelen waarbij de bijzondere jeugdbijstand zowel jongeren in een problematische opvoedingssituatie als jongeren die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd, een adequaat en tijdig antwoord kan bieden;

5° preventieve strategieën tegen overmatige schuldenlast, in het bijzonder bij jongeren en jonge gezinnen, te ondersteunen;

6° een efficiënte aanpak te ontwikkelen inzake intrafamiliaal geweld, door duidelijke afspraken te maken omtrent het takenpakket met de verschillende betrokken actoren;

7° bijzondere inspanningen te leveren – met de nadruk op de preventie van zelfdoding – om de geestelijke gezondheidszorg in de Vlaamse Gemeenschap in staat te stellen tegemoet te komen aan de behoeften; 

8° de ontwikkeling van kwaliteitsvolle zorg voor personen met een langdurige ernstige verminderde zelfredzaamheid verder te stimuleren en te ondersteunen, in het bijzonder door:
a) een solide en stabiele financiering van de zorgverzekering te waarborgen;

b) de wachtlijsten voor personen met een handicap met zorgbehoeften of ondersteuningsbehoeften weg te werken, waarbij:
1. een centrale wachtlijst wordt gerealiseerd inzake zorg en persoonlijkeassistentiebudget;
2. mensen met een zwaar fysiek en/of mentaal zorgprofiel een prioritaire doelgroep van het uitbreidingsbeleid zijn;
3. een financiering naar zorggradatie wordt geïmplementeerd;

c) voor zorgbehoevende ouderen:
1. een integraal, dynamisch en innovatief beleidsplan inzake ouderenzorg uit te werken;
2. meer middelen uit te trekken voor nieuwbouw of verbouwing van rusthuizen en thuiszorgondersteunende diensten om tijdig een antwoord te kunnen bieden aan de groeiende zorgbehoefte van de vergrijzende bevolking;
3. bijzondere aandacht te ontwikkelen voor mensen met dementie;
4. een regeling uit te werken voor het vervoer van en naar dagverzorgingscentra;
5. bij te dragen tot een optimalisatie van het aanbod aan palliatieve zorg;

9° in het kader van het gezondheidsbeleid:
a) een geïntegreerd drugsbeleid te ontwikkelen, gericht op ontrading, ongeacht het legaal of illegaal karakter van (het bezit of gebruik van) verslavende middelen, met inbegrip van preventie en een hulpverleningsaanbod specifiek voor minderjarigen;
b) de budgettaire return te berekenen van het Vlaamse preventieve gezondheidszorgbeleid, in het bijzonder wat betreft het federale gezondheidszorgbeleid;

10° erop toe te zien dat het Vlaamse beleid inzake welzijn, volksgezondheid en gezin onverkort en zonder discriminaties toepasbaar wordt gemaakt voor de Brusselse Vlamingen.

Tom Dehaene, Vera Jans, Helga Stevens, Elke Roex, Bart Caron, Vera Van Der Borght, ____________________

ingediend onder in het halfrond • (0) ReactiesPermalink

Invoering van het participatiedecreet

ingediend door Bart Caron op 13/01/2005 om 00u00

Vraag om uitleg van de heer Bart Caron tot de heer Frank Vandenbroucke, vice-minister-president van de Vlaamse Regering, Vlaams minister van Werk, Onderwijs en Vorming, over de invoering van het participatiedecreet.

De heer Bart Caron: Mevrouw de voorzitter, mijnheer de minister, als we goede scholen willen, moeten alle actoren op lokaal vlak betrokken worden bij de geest en structuur van een school. Een goede school vereist dus goede participatie. Dit kan het beste als er representativiteit is van de omgeving, leraars, leerlingen en ouders. De school moet niet alleen een afspiegeling zijn van de samenleving, maar ook van een samenleving die democratisch en geëngageerd is. Deze betrokkenheid kunnen we wellicht het beste op de school ontwikkelen.
Het participatiedecreet heeft als doel dit op de best mogelijke manier te realiseren. Het decreet lag echter al onder vuur van bij de bespreking. Ik wil geen oude koeien uit de gracht halen, maar de onderwijskoepels hadden en hebben er moeite mee. Het decreet kalft immers een deel beslissingsrecht af van de inrichtende machten en verdeelt dat over andere actoren. Dat is niet zo makkelijk te aanvaarden. Er zijn dan ook een aantal verzetacties geweest, maar gedane zaken nemen geen keer en het decreet is er gekomen. Het treedt binnenkort in werking voor een aantal aspecten.

Er was onder andere ook voorzien in een expertisecentrum. Tijdens de begrotingsbespreking bleek dat dit omwille van financiële redenen niet meteen kan worden gerealiseerd. Daardoor gaat helaas ook een deel expertise verloren. Critici van het decreet - en we kunnen daar niet blind en doof voor zijn - zeggen dat de goede bedoelingen van het decreet ondergesneeuwd worden in al te veel formele regels. Een waterval van afvaardigingen en aanduidingen zorgt ervoor dat scholen die al langer participatief handelen, ontmoedigd worden. Ze moeten soms een goed werkend systeem veranderen om zich te conformeren aan het decreet. Dat pak regels bemoeilijkt een aantal dingen of maakt ze zelfs onmogelijk.

In het regeerakkoord is in een evaluatie voorzien van het decreet na drie jaar. Het zou jammer zijn dat door een teveel aan regels en door een gebrek aan expertise, het decreet in 2007 een negatieve evaluatie krijgt. De voorwaarden om het decreet te laten slagen, zijn onvoldoende.

Meneer de minister, graag had ik u volgende vragen gesteld:
- Zal het decreet op het geplande tijdstip in werking treden en zijn alle voorwaarden daartoe vervuld?
- Zult u wijzigingen voorstellen? Zo ja, welke? Wanneer zouden die dan aan het parlement worden voorgelegd?

Minister Frank Vandenbroucke: Mevrouw de voorzitter, dames en heren, op 2 april 2004 werd het decreet betreffende participatie op school en de Vlaamse Onderwijsraad in het Vlaams Parlement goedgekeurd. Dit decreet omvat vier titels: participatie op school, expertisecentrum, de Vlaamse Onderwijsraad en de subsidiëring van ouderkoepelverenigingen.
Het gedeelte betreffende de ouderraden, leerlingenraden en pedagogische raden in de titel 'participatie op school' trad in werking op 1 september 2004. Aan de hand van de omzendbrief 'GD 2004/03 - Lokale participatieregeling in het basis- en secundair onderwijs' van 13 juni 2004, gaf mijn administratie hierbij verduidelijking. Het gedeelte betreffende de schoolraden in diezelfde titel zal in werking treden op 1 april 2005. Een aanvulling bij de hogervermelde omzendbrief hierbij zal eerstdaags op Edulex worden gepubliceerd. Op deze wijze zal volledige uitvoering zijn gegeven aan de bepalingen onder de titel in het decreet betreffende de lokale participatie.

De inwerkingtreding van het expertisecentrum ter ondersteuning van participatie op schoolniveau werd met het programmadecreet uitgesteld tot een door de regering nader te bepalen datum. Het decreet houdende diverse bepalingen inzake onderwijs, dat op 3 december 2004 principieel werd goedgekeurd, heeft de oorspronkelijke VOI-structuur alvast vervangen door een vzw-structuur.
De bepalingen onder de titel betreffende de Vlaamse Onderwijsraad zullen eveneens in werking treden op een door de regering nader te bepalen datum. In dit gedeelte van het decreet wordt de VLOR omgevormd tot de strategische adviesraad van het beleidsdomein Onderwijs en wordt in een nieuwe samenstelling voorzien.

Op dit ogenblik heeft de regering nog geen formeel standpunt ingenomen met betrekking tot de strategische adviesraden. Momenteel is er trouwens nog geen enkel Vlaams beleidsdomein waar er reeds een strategische adviesraad werd opgericht. Wat de SERV en de Mobiliteitsraad betreft, is er net als voor de VLOR een oprichtingsdecreet dat door het Vlaams Parlement werd goedgekeurd, maar werd de inwerkingtreding nog niet bepaald. Ik heb mijn administratie gevraagd de juridisch-technische mogelijkheden en knelpunten inzake de inwerkingtreding te verhelderen en een tijdspad uit te tekenen. Het is nu reeds duidelijk dat een nieuwe samenstelling van de VLOR niet moet worden gekoppeld aan de omschakeling naar een strategische adviesraad. Zoals ik in mijn beleidsnota aankondig, zal het overleg over de gewijzigde samenstelling van de VLOR en de daarbij horende rechtstreekse verkiezingen worden opgestart.
De bepalingen betreffende de subsidiëring van ouderkoepelverenigingen zijn in werking getreden op 1 januari 2005. De huidige financiering van de ouderkoepelverenigingen loopt verder tot het einde van het schooljaar 2004-2005. Tegen die datum zal met een besluit uitvoering worden gegeven aan de gewijzigde subsidiëringsvoorwaarden zoals bepaald in het participatiedecreet.

Ik wil echter graag even dieper ingaan op het inhoudelijke aspect van participatie. Ik kan immers begrijpen dat men door het niet opstarten van het expertisecentrum de indruk wekt niet of onvoldoende begaan te zijn met participatie. Voor alle duidelijkheid: dit is niet zo. Om te beginnen schaar ik me volledig achter de participatiegedachte zoals verwoord in het participatiedecreet, namelijk het nastreven van een efficiënte en effectieve participatiecultuur op schoolniveau. Ook ik wil de komende jaren aanzetten geven om die effectieve participatiecultuur te versterken. Ik denk dat hiervoor een aantal bijkomende acties moeten plaatsvinden. Enerzijds moeten we zoeken naar voor de school soepel hanteerbare participatieve structuren. We moeten vermijden dat er een breuk ontstaat met bestaande en goed werkende participatiestructuren. Participatie mag niet worden verengd tot structuren. We moeten ervoor zorgen dat diegenen die deze participatie moeten implementeren overtuigd of minstens te overtuigen zijn van het belang van participatie. Dit kan enkel als we een zekere ruimte geven voor de invulling ervan. Anderzijds willen we de scholen waar echte participatie niet of onvoldoende aanwezig is, motiveren om hieraan te werken.

Wat de leerlingenparticipatie betreft, wil ik dit doen in overleg met de minister bevoegd voor het jeugdbeleid. Ook ouderkoepels en pedagogische begeleidingsdiensten moeten worden ondersteund in hun werking terzake. In de geest van het regeerakkoord wil ik dit alles realiseren door scholen het nodige vertrouwen te geven en hun tegelijk te vragen de nodige verantwoordelijkheid te nemen.

De heer Bart Caron: Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord. U zegt dat u een aantal acties wilt ondernemen. De vraag rijst in welke mate we ook met bestaande structuren de participatie kunnen bevorderen. Dan denk ik aan het scholierenparlement en andere structuren van scholieren, en aan de Vlaamse Jeugdraad en het Steunpunt Jeugd. Misschien moeten we een aantal organen uit die wereld responsabiliseren. Dat geldt ook voor de ouderverenigingen. Die moeten actiever kunnen worden ingezet.

Minister Frank Vandenbroucke: Ik ben het eens met die opmerking. We moeten dat mee in overweging nemen in ons beleid.

ingediend onder in de commissies • (0) ReactiesPermalink

pagina 18 van 20 ⟨ Eerste  < 16 17 18 19 20 > 

boek


februari 2012
z m d w d v z
     1 2 3 4
5 6 7 8 9 10 11
12 13 14 15 16 17 18
19 20 21 22 23 24 25
26 27 28 29      

Abonneren

Zoeken


Muziek

This text will be replaced by the flash music player.

Bart Caron met contrabas (foto: Viviane Decock)

foto Viviane Decock

 

Nieuws


© 2009 - Bart Caron   //   Design: Het Concept / Matthias Malfr