Geweld van adolescenten
ingediend door Bart Caron op 22/02/2005 om 00u00
Vraag om uitleg van de heer Bart Caron tot mevrouw Inge Vervotte, Vlaams minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, over het groeiende geweld van adolescenten tegen hun ouders.
De heer Bart Caron: Mijnheer de voorzitter, mevrouw de minister, geachte collega’s, ‘Doe de Gandhi: een sit-in in hun kamer’ was de titel van een artikel in De Standaard. Eigenlijk is dat het antwoord op de vraag die ik zal stellen. Het probleem van oudermishandeling door adolescenten werd gesteld door mevrouw Van Lawyck. ‘Doe de Gandhi’ slaat natuurlijk op de geweldloze aanpak die daar tegenover staat.
Mevrouw Van Lawyck stelt dat dit in het Nederlandse Haarlem de snelst stijgende groep van geweldmeldingen is bij de politie. Ze zegt: ‘Ik geloof dat er een grote groep jongeren in onze welvaartsmaatschappij is die geen frustratiedrempel meer heeft. Hun ouders hebben hun, met de beste bedoelingen, altijd voorgehouden hoe geweldig ze wel zijn. Want eigenwaarde is o zo belangrijk.’ De vraag is hoever men kan gaan. Tegenwoordig gaan in een aantal westerse landen weer stemmen op om wat strikter te gaan opvoeden. Wat dat betreft, voel ik me ervaringsdeskundige. Ik ben zelf nogal een aanhanger van het tegendeel. In het discours is het individualisme het kernwoord: ‘Vandaag is er een ver doorgedreven individualisme in de opvoeding geslopen, dat ertoe leidt dat kinderen helemaal hun gang mogen gaan.’ Ik kan me niet indenken dat we tien jaar geleden een dergelijke discussie hadden kunnen voeren.
‘De ideale opvoedingssituatie weet het evenwicht te bewaren tussen autonomie en verbondenheid,’ zegt mevrouw Van Lawyck, ‘zo gauw een gezin naar een van beide kanten overhelt, ontstaat er een probleem.’ Dat geldt ook voor de evenwichten tussen structuur en flexibiliteit, tussen humor en ernst, tussen plicht en spel, tussen conflict en harmonie.
Maar wat als die evenwichten zoek zijn?
Ik zal mijn tekst niet verder voorlezen. Ik veronderstel dat de meeste mensen die het thema volgen, ze wel hebben doorgenomen. Het is toch frappant dat het om een zo snel stijgend fenomeen gaat in Nederland en dat het probleem ook ruim kon worden toegelicht in onze kranten.
Daarom mevrouw de minister, had ik u graag volgende vragen gesteld:
- Is het fenomeen ook in Vlaanderen sterk aanwezig?
- Wordt er in Vlaanderen ook onderzoek gedaan naar dergelijke maatschappelijke groeiende fenomenen? Zo ja, zijn hier resultaten van bekend?
- Welke maatregelen zijn er genomen in functie van die resultaten? Zo niet, denk u eraan om dergelijke onderzoeken hier in Vlaanderen op te zetten?
- Is het investeren in opvoedingsondersteuning niet aangewezen in het kader van preventie?
Minister Inge Vervotte: Mijnheer de voorzitter, dames en heren, geweld binnen gezinnen is een groot probleem. Mensen weten ook niet goed waar ze terechtkunnen en waar ze eventueel ondersteuning kunnen vragen. Daar zijn verscheidene redenen voor. Vaak komen mensen er niet graag mee naar buiten. Het probleem blijft zeer lang verborgen. Dat verergert natuurlijk de zaak.
Mijnheer Caron, in Vlaanderen werden twee onderzoeken gedaan. Zo stelt professor Ponjaert van de VUB dat naar schatting geweld in 2 tot 5 percent van de gezinnen zou voorkomen. Zij denkt dat dit cijfer een onderschatting is. De ouders komen niet gemakkelijk met een dergelijk probleem naar buiten, vaak omdat ze beschaamd zijn.
Antisociaal gedrag valt het meest op bij adolescenten. Zowel buitenlandse als Vlaamse wetenschappers zeggen echter dat het al begint op zeer jonge leeftijd. Het Vlaams onderzoek benadrukt de belangrijke invloed van opvoeding op de ontwikkeling van antisociaal gedrag. Er wordt gewezen op het belang van de opvang in een warm gezin, ouders die via een duidelijke structuur een consequente discipline kunnen opleggen. Op die manier zou kunnen worden vermeden dat moeilijk gedrag ontaardt. Een autoritaire en kille opvoeding zou versterkend werken op het antisociaal gedrag.
Professor Braet van de Gentse universiteit toont aan dat vroegtijdige preventie zeer effectief kan zijn. Interventie op jonge leeftijd heeft zelfs een gunstig effect op lange termijn. Het effect is veel beperkter bij de behandeling tijdens de adolescentie of volwassenheid. Daarenboven is de kostprijs van een dergelijke vroegtijdige ondersteuning veel lager.
In beide studies wordt de nadruk gelegd op een vroegtijdig optreden. Indien dat gebeurt, dan is er een mogelijkheid dat het antisociaal gedrag zich minder of minder sterk ontwikkelt.
Op basis van deze resultaten zijn er een aantal projecten opgestart, zoals bijvoorbeeld het STOP-project. Daarbij worden zowel ouders als kinderen vaardigheden aangeleerd. Bij de ouders zal vooral de nadruk liggen op de opvoedingsvaardigheden en het omgaan met vragen of moeilijk gedrag van kinderen. Bij kinderen zal het veeleer gaan om sociale vaardigheden. Er zijn ook oefenscholen van de Gezinsbond, de Opvoedingstelefoon, Opvoedingswinkels, enzovoort. Het is belangrijk dat deze laagdrempelige initiatieven bestaan. Het gedrag hoeft inderdaad niet altijd problematisch te zijn.
In een verder stadium gaat het niet meer om het laagdrempelig niveau en een vroege detectie. In dat geval hebben ouders te lang gewacht om het probleem naar buiten te brengen. Het is juist onze ambitie te vermijden dat een vraag te lang onbeantwoord blijft en dat er een crisis ontstaat. Problemen, die vaak de draagkracht van een gezin te boven gaan, moeten kunnen worden opgelost door ondersteuning via bijvoorbeeld een Opvoedingswinkel of een Oefenschool van de Gezinsbond. Gezinnen moeten weten dat ze daar terechtkunnen.
Mijnheer Caron, er worden dus projecten ontwikkeld, ook via het priv
| z |
m |
d |
w |
d |
v |
z |
| |
|
| 1 |
2 |
3 |
4 |
| 5 |
6 |
7 |
8 |
9 |
10 |
11 |
| 12 |
13 |
14 |
15 |
16 |
17 |
18 |
| 19 |
20 |
21 |
22 |
23 |
24 |
25 |
| 26 |
27 |
28 |
29 |
|
|
|
Abonneren
Zoeken
Muziek
This text will be replaced by the flash music player.

foto Viviane Decock