
De heer Bart Caron: Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, collega's, ik was niet alleen als kind, maar ook als ouder, een fervente lezer van Zonnekind. Ik wil het politieke werk niet vermengen met de privésfeer, maar ik heb een groot gezin en heb dus heel veel nummers van Zonneland en Zonnekind zien passeren en heb heel veel abonnementen betaald. Als interpellant wil ik vandaag dus zeker niet de beschuldiging horen dat ik iets zou hebben tegen Uitgeverij Averbode, want dat is helemaal niet het geval en ik heb er allerlei reminiscenties bij. Als kind had je met de tijdschriften allerlei klussen die je moest doen, ook klussen die je niet leuk vond. Later, als ouder, werd je altijd zachtjes moreel gedwongen om het abonnementsgeld te betalen. Niet dat ik dat niet kon of niet wilde, maar het werd wel voorondersteld in onze leefwereld. Ik wil ervoor opletten dat mijn vraag niet te filosofisch gekleurd geraakt, maar ik heb dus geen negatief gevoel over die bladen. Die indruk wil ik geenszins wekken.
Mijnheer de minister, het gaat over de vraag in welke mate dit de juiste methode is om een zeer goede doelstelling te bereiken. U doet een oproep tot begrip tussen de generaties en tot intergenerationele solidariteit.
Met spirit hebben we in april 2006 een congres gehad met als titel 'Familiale omstandigheden'. Daar was een hoofdstuk gewijd aan die intergenerationele solidariteit. Ik vind dat de samenleving en het beleid mogen en moeten inzetten op het begrip tussen generaties, zeker in tijden dat meer generaties dan ooit samenleven. De generaties zijn overigens ook heel gemengd. Wie kan zeggen dat zijn stamboom nog lineair is en dat er geen zijtakken zijn door echtscheidingen en hertrouwde mensen? Het begrip 'intergenerationeel' dekt dus heel veel ladingen.
Mijnheer de minister, ik deel uw bezorgdheid en doelstelling. Laat dat duidelijk zijn. Ik vind het ook goed dat u probeert om kinderen er al vroeg gevoelig voor te maken en appelleert aan de taak van het onderwijs.
We mogen niet alle verantwoordelijkheid van de samenleving voor de opvoeding op de schouders van het onderwijs leggen. Ik geef toe dat ik in het verleden, met andere petjes op, vaak een beroep heb gedaan op het onderwijs om te werken aan mentaliteitsbeïnvloeding, denk bijvoorbeeld aan de invloed van het onderwijs op het vlak van cultuur.
Mijnheer de minister, in een persbericht konden we lezen dat u voor alle kinderen tussen zes en acht jaar het thema en de doelstelling wilt aanbrengen. Het middel daarvoor was een speciaal themanummer van Zonnekind, dat op vrijdag 12 oktober verspreid zou moeten zijn.
Ik heb geen kinderen meer in het eerste en tweede leerjaar, dus ik heb niet kunnen checken of het tijdschrift in de lagere school ook effectief verdeeld werd. Mijnheer de minister, u hebt 29.000 euro uitgetrokken om het initiatief te financieren. 180.000 exemplaren van Zonnekind zouden aan alle kinderen van alle Vlaamse basisscholen worden bezorgd. Ook de kinderen die niet geabonneerd zijn op Zonnekind krijgen een gratis exemplaar, evenals de leerkrachten, waarvoor een aparte bijdrage is opgenomen om een educatieve werking op te zetten. In het nummer is ook een spel opgenomen waardoor kleinkinderen en grootouders elkaars leefwereld verkennen of beter begrijpen.
Mijnheer de minister, de doelstelling is oké, maar de werkwijze doet toch vragen rijzen. Ik ben niet filosofisch-ideologisch vooringenomen voor een of andere kleur of geur. Dat is het voordeel van mijn positie, maar de situatie roept toch vragen op. Stel dat minister Crevits een nummer van Zonneland huurt om de stille ruimtes in de natuur en de natuurbeleving te promoten. Stel dat minister Ceysens een nummer van Kits, uitgegeven door De Eenhoorn, inhuurt over games en computers. Waar begint het en waar eindigt het? Welke boodschap willen we kwijt en welk instrument zetten we daarvoor in?
Mijnheer de minister, we doen dat wel allemaal met overheidsgeld. Er worden ook een aantal tijdschriften verspreid door Onderwijs. Er wordt, terecht, heel veel geld in ons Vlaams onderwijs gestopt. Ik kan misschien eens een schriftelijke vraag stellen om na te gaan of er op andere terreinen nog ministers zijn die dat doen, want het zou best mogelijk zijn dat ik daarvan niet op de hoogte ben. Ik wil er niet flauw over doen, maar als dat het geval is, moet er toch eens nagedacht worden over een gecoördineerde aanpak, liefst via een iets neutraler kanaal. De pers van Averbode is immers christelijk geïnspireerd. Ik heb er alle respect voor, maar die inspiratie is een hinderpaal voor ouders die haar niet delen. In deze diverse wereld moeten we daar respect voor tonen en eerbied voor hebben. Ik denk trouwens ook aan het interculturele aspect van het onderwijs. Heel veel kinderen hebben een moslimachtergrond. Er zijn verschillende schoolnetten. De onderwijswereld is heel divers, maar toch wordt er een beroep gedaan op een instrument dat uitdrukkelijk vertrekt vanuit één inspiratiebron: de christelijke. We kunnen ons afvragen of dat wel zo verstandig is.
Er zijn nog meer bladen die zich richten tot kinderen. Er zijn nog uitgeverijen die publicaties maken die gericht zijn op kinderen. Ik ben geen onderwijsspecialist, maar tijdens mijn zoektocht en in mijn gesprek met een lokale directie, heb ik gemerkt dat hiervoor een hele rits aanbiedingen en mogelijke kanalen bestaan. Waarom werd uitdrukkelijk voor dit kanaal gekozen? Werd de zaak op voorhand commercieel onderzocht? Werd via een overheidsopdracht gewerkt? Ik wil u nergens van beschuldigen, mijnheer de minister, maar in deze tijden lijkt deze vraag me toch wel legitiem.
Mijnheer de minister, hebt u over het initiatief zelf vooraf overleg gepleegd met de verschillende onderwijsnetten? Wat was hun reactie? Of hebt u geen overleg gepleegd? Hebt u overlegd met de minister van Onderwijs?
Hebt u vooraf geïnformeerd bij de diverse uitgevers van tijdschriften voor kinderen in het eerste en tweede leerjaar? Het hoeft trouwens niet alleen te gaan over uitgevers van tijdschriften, er zijn ook uitgevers van andere publicaties die specifiek op kinderen gericht zijn. Hebt u uw keuze gemaakt in het licht van de wet op de overheidsopdrachten? Ik weet wel dat het totaalbedrag niet zo groot is dat er zware procedures moeten worden gevolgd, maar de geest van de wet op de overheidsopdrachten is toch ook van belang. Wat heeft de administratie ter zake gedaan of niet gedaan? Is dit geen gratis reclame voor één uitgever en voor één tijdschrift?
Werden alle 180.000 exemplaren verdeeld? Wat is de dekkingsgraad van de scholen uit de verschillende netten? Hebben alle scholen het tijdschrift gekregen of werd er een selectie gemaakt? Zijn er scholen die het tijdschrift geweigerd hebben?
Zou het niet nuttiger zijn om de financiële middelen in te zetten voor concrete projecten op het terrein, projecten die een voorbeeldrol kunnen spelen op het vlak van de kennisuitwisseling tussen de generaties en die concreet mee kunnen bouwen aan een mentaliteitswijziging? Zeker in verband met de doelgroep van het eerste en tweede leerjaar heb ik grote vragen bij de effectiviteit van een krantje als middel om de mentaliteit te beïnvloeden. Proefprojecten kunnen misschien meer effect hebben.
Minister Steven Vanackere: Dit eerste uur van deze commissievergadering heeft al heel veel ideeën opgeleverd die een reactie en een standpuntbepaling vragen.
Ik zal beginnen met iets dat niet voorbereid is, maar dat ik bedacht toen ik mevrouw Vogels terecht hoorde spreken over atypische situaties. Mijn moeder zei me vaak vergoelijkend, wanneer ze het had over iemand waarbij ze bedenkingen had, dat die persoon ook het kind van iemand was. Nu kan ik daaraan toevoegen: het is ook iemands kleinkind. Wat we allemaal delen, is dat we afstammen van vier grootouders. Er loopt geen mens op deze wereld rond die niet in dat geval is. In mijn geval zijn ze alle vier dood, maar ik heb ze wel.
Mevrouw Vogels, we gaan het straks nog hebben over stereotypes. De wereld van de grootste stereotypes is tegelijk ook de wereld die kinderen het meest aanspreekt, namelijk die van de sprookjes. Het gaat hier over zes- tot achtjarigen aan wie bepaalde dingen worden verteld die te maken hebben met de waarden van verschillende generaties, die respect kunnen opbrengen voor elkaar en die de dialoog kunnen aangaan met elkaar, steunend op het vermogen zich in te leven in de andere generatie. Het gaat over 180.000 exemplaren. Mevrouw Vogels, u hebt overschot van gelijk als u opmerkt dat dit niet voor iedereen juist is, maar dat is nu eenmaal het medium waarvoor werd gekozen. Op een bepaald ogenblik moeten we vertrekken van een bepaalde basis en rekenen op de leerkrachten om ermee aan de slag te gaan. Dat wou ik toch even zeggen, als antwoord op die bijkomende vraag.
Solidariteit en begrip tussen generaties is een belangrijke pijler. Elke vraagsteller heeft zich gehaast om dat te onderstrepen. Ik ga daarbij dus niet te lang blijven stilstaan, maar wil gewoon twee voorbeelden geven waaruit mag blijken dat het hier niet gaat over een eendagsvlieg, over iets dat zomaar even ter sprake komt.
De Vlaamse Jeugdraad en de Vlaamse Ouderenraad zijn het afgelopen jaar met elkaar in gesprek gegaan over het thema 'intergenerationele solidariteit'. De Vlaamse Ouderenraad heeft als thema voor de ouderenweek 2007, van 19 tot 25 november 2007, gekozen voor het ontmoeten van generaties onder de slogan 'Generaties verschillen? Ontmoeting verrijkt'. De Vlaamse Ouderenraad wil verschillende generaties dichter bij elkaar brengen en ouderen aanzetten om in dialoog te gaan met de andere generaties. Dat is ook van toepassing op de generaties binnen de verschillende culturen. Het verbeteren van de contacten tussen alle jongeren en de verschillende oudere generaties staat hierbij centraal. Ik pik in op wat elk van u heeft gezegd, namelijk hoe belangrijk de boodschap van intergenerationele solidariteit en onderling begrip is. Ik situeer dat in de grote actualiteit. Het is nu meer dan ooit wijs om ook ten aanzien van de allerjongsten dat verhaal te vertellen, op maatschappelijk niveau, niet op experimenteel klein niveau. Het verhaal moet zo breed mogelijk worden verspreid om die boodschap te ondersteunen.
Dan komen we tot de keuze voor het medium Zonnekind. Mevrouw Temsamani, ik heb niet gekozen voor Zonnekind om het als een paard van Troje naar de klassen te laten trekken met de opdracht om zieltjes te bekeren. Het is ook niet om reclame te maken voor een uitgever of voor een tijdschrift. De reden waarom er voor Zonnekind is gekozen, is dat het tijdschrift op de markt een unieke positie markt heeft om jongeren en leerkrachten in de eerste graad van het basisonderwijs te bereiken met didactisch materiaal. Het tijdschrift Yeti, waar u naar verwijst, richt zich tot kinderen van de derde graad van het basisonderwijs en komt niet in aanmerking voor de actie die heel specifiek bedoeld was voor de kinderen van de eerste graad.
Sommigen zullen er misschien verbaasd over zijn, maar ik wil toch even in herinnering brengen dat het helemaal niet uitzonderlijk is dat de Vlaamse overheid een beroep doet op de publicaties van Averbode. Ik geef drie voorbeelden. In 2006-2007 was er in Zonneland een dossier van acht pagina's over hout. De houtbewerking is immers een knelpuntberoep en er moeten initiatieven komen om de studierichting hout wat populairder te maken bij de kinderen. Op de persconferentie van dat initiatief heeft minister Vandenbroucke gesproken. In Zonneland nummer 20 van het schooljaar 2001-2002 werd op initiatief van minister Vogels de folder 'Doe mee met de tijdrovers', verspreid, met een enquête over de tijdsindeling binnen het gezin. In Zonneland was er ook - met de steun van het Vlaams Centrum voor Agro- en Visserijmarketing (VLAM) en de Europese Unie - een dossier van acht pagina's om kinderen te sensibiliseren voor vis en visserij. Ook over andere thema's zijn er speciale nummers geweest, bijvoorbeeld over energiebewustzijn en -besparing, media en voeding, steeds op vraag van en in samenwerking met de Vlaamse overheid of administraties.
Waarom gebeurt dat? Omdat het vehikel bestaat, mevrouw Temsamani, en omdat het in een bepaalde doelgroep het enige vehikel is dat in staat is een boodschap op een zo ruime schaal te verspreiden. Averbode is inderdaad gespecialiseerd in de productie en distributie van kinder- en jeugdtijdschriften en is in nagenoeg alle scholen aanwezig, over alle netten heen. Zonnekind wordt gebruikt door de leerkrachten in de klas en door de kinderen thuis. Het bereikt wekelijks 73.000 Vlaamse kinderen van zes tot acht jaar en 9000 Vlaamse leerkrachten van het eerste en tweede leerjaar. Meer dan driekwart van de leerkrachten hebben een abonnement op de PLUS-versie, het tijdschrift met de pedagogische bijlage. Het mag dus duidelijk zijn wat de appreciatie is van het onderwijs voor dat tijdschriftje, over alle netten heen. Ter informatie: binnen het vrije net is ongeveer 56 percent van de kinderen abonnee, bij de andere netten is dat 24 percent.
Ik kom tot de neutraliteit en het al dan niet godsdienstige karakter. Ik ben in de verleiding gekomen om heel de lezersbrief van Lucas Vanclooster van dit weekend voor te lezen, maar ik zal hem niet helemaal voorlezen. Hij is een eminent redacteur geweest van Nitro, het blad van de Humanistische Jongeren. Hij schrijft het volgende: "Vanmiddag kwam mijn dochtertje, eerste leerjaar gemeentelijk onderwijs, thuis met het door sommige geledingen van de vrijzinnige beweging zo gevreesde opa- en omanummer van Zonnekind, uitgegeven door de paters van Averbode. Mijn kind volgt geen katholieke godsdienst en ik heb het blad meteen uit haar handen gerukt en gescand. Van katholieke indoctrinatie geen spoor. Opa god en oma Maria duiken nergens op, zelfs niet stiekem om de hoek. Voorts voert Altiora geen reclame voor de eigen publicaties, er is geen abonneerformulier ingesloten en, vreemd, mijn dochtertje heeft niet gezanikt om Zonnekind elke week te mogen ontvangen. Overigens, ze hield van het boekje en ik vond het ook best fijn en zinvol." Lucas Vanclooster zegt ook waar hij vandaan komt. De laatste zin laat ik voor uw eigen lectuur en heeft te maken met de appreciatie van de heer Vanclooster ten aanzien van degenen die daar een punt van maken. (Opmerkingen) Op vraag van de leden wil ik het dan wel voorlezen: "Kunnen sommige vrijzinnige groupuscules hun achterhoedegevechten nu alstublieft eens staken en een andere bezigheidstherapie zoeken?"
Ik kom terug op het verhaal van de godsdienst. De editie bevat niets over godsdienst. In de speciale editie werd expliciet verwezen naar de eindtermen en naar de leerplandoelen van de verschillende netten, met inbegrip van die van het gemeenschapsonderwijs. Er waren geen verwijzingen naar eindtermen of leerplandoelen inzake godsdienst of andere levensbeschouwelijke visies. In geen enkel opzicht wordt in het themanummer verwezen naar een godsdienstige of filosofische levensbeschouwing. Het blad is vrij algemeen verspreid, ook buiten het vrije net. Ik wil trouwens opmerken dat de leerlingen van het eerste leerjaar van alle scholen elk schooljaar het eerste nummer van Zonnekind ontvangen. (Opmerkingen van mevrouw Anissa Temsamani)
Van twee zaken één: ofwel vindt u dat dit niet kan…
Mevrouw Anissa Temsamani: Ik vind wel dat Zonnekind zelf dat mag, maar niet dat een minister dat kan.
Minister Steven Vanackere: Straks zal ik het hebben over de kostprijs, maar eerst heb ik het over de wet op de overheidsopdrachten. Het project is op 26 juni goedgekeurd na een onderhandelingsprocedure zonder voorafgaande bekendmaking, zoals voorzien in de wet van 24 december 1993 betreffende de overheidsopdrachten. Die wet is natuurlijk van toepassing, maar ze laat zeer veel zaken toe. Dit initiatief past daarin. Er is geen beroep gedaan op de mededinging. Het departement motiveerde deze werkwijze als volgt: "De diensten kunnen omwille van hun technische en artistieke specificiteit slechts aan één bepaalde dienstverlener toevertrouwd worden. Via het tijdschrift Zonnekind van Uitgeverij Averbode worden wekelijks 73.000 Vlaamse kinderen van zes tot acht jaar bereikt en 9000 Vlaamse leerkrachten van het eerste en het tweede leerjaar."
Men moet vaststellen dat niemand erin zou slagen om met minder dan 30.000 euro een nummer van een blad te maken dat onder 180.000 kinderen wordt verspreid. Mevrouw Dillen heeft gevraagd of het geld wel goed besteed is. We hebben eenmalig 30.000 euro vrijgemaakt voor de verspreiding van een boodschap op 180.000 exemplaren. De kostprijs bedraagt dus 16 cent per exemplaar. Dat kan men natuurlijk niet verbeteren. De kosten voor de realisatie van dit nummer en voor de verspreiding ervan naar de abonnees worden door Uitgeverij Averbode zelf gedragen. De subsidie is voor de bijkomende exemplaren van de niet-abonnees. Mevrouw Temsamani vroeg ook wat er gebeurt met de adressen die men via de enquête kan inzamelen. We hebben aan de uitgeverij gevraagd om geen commercieel gebruik te maken van de adresgegevens. De uitgeverij heeft expliciet toegezegd dat dit niet zal gebeuren.
Men vraagt me of ik heb overlegd. De beslissing is al op 26 juni genomen, en daarover is niet overlegd. Ik wil gerust zeggen dat we dat wellicht beter hadden gedaan. Een uitgebreider overleg, meer dan wat mondeling overleg tussen twee ministers, ware beter geweest. Volgende vrijdag zal ik mijn collega op mijn kabinet ontvangen om te spreken over de wisselwerking tussen Welzijn en Onderwijs. Afgelopen weekend waren we samen aanwezig op een studiedag over incest, uitgerekend in Averbode. We hebben er afgesproken om goed te overleggen, want dat is erg nuttig. Er is niet overlegd, en dat is voor verbetering vatbaar.
Ik kan de actie niet stopzetten, want het gaat om een eenmalig initiatief. Bij wijze van besluit wil ik nog pleiten voor een ontspannen kijk op deze kwestie. Wie pluralisme verwart met een verbod om de verschillende inspiraties in de samenleving te tonen, bewandelt een heilloos pad. Het echte pluralisme is een actief pluralisme, dat verdraagt dat verschillende inspiratiebronnen verschillende nuttige bijdragen aan een goede samenleving kunnen realiseren. Het gaat er dus niet om de ene of de andere inspiratie monddood te maken of te dwingen om zonder overheidshulp te functioneren. In dit geval ging het over 30.000 euro om 180.000 kinderen te bereiken. De oplossing bestaat erin verschillende bloemen te laten bloeien en ongecomplexeerd met elkaar om te gaan.
Ik verzet me tegen een opvatting van pluralisme die neerkomt op een geurloze, kleurloze en inspiratieloze neutraliteit die eigenlijk betekent dat men niets meer mag zeggen. Ik voel me perfect thuis bij andere politieke gezagsdragers zoals minister Vandenbroucke en ex-minister Vogels, die in het verleden Averbode en Zonnekind hebben gebruikt als een vehikel om op een gemakkelijke en snelle manier een positieve boodschap - die niemand in vraag heeft gesteld - te verspreiden.
Mevrouw Mieke Vogels: Aan de Blabla-boemboemcampagne wou Averbode niet meewerken.
Minister Steven Vanackere: Daarop heb ik geen commentaar gegeven. Dat is stof voor een andere interpellatie.
Laten we met deze zaak ontspannen omgaan en laten we vooral niet te veel met samenzweringstheorieën werken. Wat ik vandaag heb gehoord, dat kan er nog mee door. Op sommige ogenblikken heb ik echter het gevoel gekregen dat er na deze actie een groot intentieproces wordt gevoerd. De betrokken uitgeverij wordt er overigens door niemand van de aanwezigen van beschuldigd dat ze indoctrineert of slinkse methoden gebruikt. Sommige hebben me dat wel gezegd buiten deze zaal, of ze hebben dat geschreven. Dat heeft me erg verbaasd. Ik blijf tegenover dat soort van kritieken een welbegrepen pluralisme verdedigen. Dat laatste staat toe dat iedereen spreekt, maar respect heeft voor het standpunt van anderen, en dat alles evenwichtig wordt afgewogen.
De heer Bart Caron: Mijnheer de minister, ik dank u voor het antwoord. Uw antwoorden op mijn vragen een, vijf en zes bevredigen me echter niet. Kunt u de antwoorden aanvullen?
Minister Steven Vanackere: Verontschuldig me, ik heb niet op alle vragen geantwoord. Op de vraag of alle exemplaren verdeeld zijn, kan ik alleen antwoorden dat we dat niet gecontroleerd hebben. Een deurwaarder hebben we niet gestuurd. Ik had dat misschien kunnen doen, om iedereen helemaal gerust te stellen.
Ik kan u de dekkingsgraad in de scholen van de verschillende netten geven. Zonnekind is onder alle 180.000 kinderen verspreid. Er zijn 73.000 abonnementen. 19 percent van de abonnementen - 14.000 abonnementen - gaan naar kinderen die school lopen in andere netten dan het vrije net. 14.000 op 59.000 leerlingen of 24 percent is abonnee. In het vrije net - dat goed is voor 81 percent van de abonnementen - zijn er 59.000 abonnementen op 106.000 leerlingen. Daar is 56 percent abonnee.
De heer Bart Caron: Eigenlijk wil ik iets anders weten. Ik neem aan dat Altiora voor de verspreiding zijn eigen kanalen heeft gebruikt. Ik zou het interessant vinden te weten in welke mate die netten dat nummer ook daadwerkelijk hebben verspreid. Ik ben er niet zeker van dat ze dat hebben gedaan. U hebt er alle belang bij dat de nummers ook in handen van de kinderen terechtkomen. Kunt u dat laten onderzoeken?
Minister Steven Vanackere: Ik wil alvast zeggen dat ik geen enkele aanwijzing heb dat de verspreiding niet zo goed als perfect is verlopen. Ik heb geen signalen ontvangen dat er scholen zijn die een of andere vorm van boycot of verzet tegen het initiatief hebben georganiseerd. Ik zal het evenwel nagaan.
De heer Bart Caron: Wat de ideologische aspecten betreft, wil ik vooreerst zeggen dat ik niet op gespannen voet leef met welke ideologische of levensbeschouwelijke stroming ook. Ik zie ook geen spoken. Ik ben me ervan bewust dat er voor die doelgroep niet veel alternatieven zijn met een vergelijkbare dekkingsgraad. Toch noopt mijn eigen christelijke opvoeding me om daar zeer voorzichtig mee om te gaan.
Averbode maakt fantastische dingen. Ik zou er geen enkel probleem mee hebben dat de knowhow van Averbode wordt gebruikt om een project en een doelstelling van de Vlaamse overheid te helpen realiseren. Hier gaat het echter tezelfdertijd om een nummer van Zonnekind. Het is geen bijzondere uitgave, maar een nummer van dat blad. Dat kan een commerciële rol hebben gespeeld. Het bezorgt me wel een ongemakkelijk gevoel.
Mevrouw Dillen vroeg zich af of we ook zouden hebben geprotesteerd als voor deze actie een vrijzinnig blad zou zijn gebruikt. Ik had dat zeker gedaan. De minister verwijst naar voorbeelden uit het verleden. Ik weet niet of de vergelijking altijd opgaat. Gaat het om een uitgave van een blad, of om het kopen van een katern in een blad? Wordt het verspreid onder alle abonnees, of onder alle kinderen? Dat zijn belangrijke vragen. Ik heb er trouwens geen problemen mee dat u voor de realisatie van uw doelstellingen ruimte koopt in bestaande publicaties koopt om uw blijde boodschap of uw heilzame leer uit te dragen. Ik meen dat echt. Onderwijs en Welzijn kunnen op een aantal terreinen zinvol samenwerken. Laten we daarin investeren. Ik ben dus blij dat u daarover met de minister van Onderwijs zult overleggen.
Ik heb de indruk dat de commercieel-financiële aspecten in orde zijn. Ik ben blij met uw antwoord ter zake. De kostprijs is laag, maar dat is niet zo uitzonderlijk. Elke uitgever kan op zo'n grote oplages zeer goedkoop werken. U stelt dat slechts één uitgever dit kan. Ik neem daar akte van. Misschien is dat zo: op dat vlak ben ik niet goed op de hoogte. Ik heb niets tegen Uitgeverij Averbode of tegen de visie van de uitgeverij. Ik vraag wel dat we dit soort van zaken secuur aanpakken. Blijkbaar ben ik daar voorzichtiger in dan anderen.
Er is gesproken over het typisch Vlaamse gezin. Mag ik vragen om eens nuchter vast te stellen dat dit ideaaltype niet langer bestaat? Het heeft geen zin om een model of een sjabloon uit te werken dat haaks staat op de realiteit. Kijk eens rond in uw eigen omgeving en kijk hoeveel kinderen twee ouders en vier grootouders hebben. Ik heb het dan nog niet eens over hun 'Vlaamse' origine.
Ik heb zelf een kleinkind uit een andere cultuur. Ik ben gescheiden en hertrouwd. Mijn kinderen hebben dus eigenlijk meer grootouders. Ik ben trouwens zeer blij dat de relatie met de familieleden prima verloopt. Er zijn echter problemen. Als op school een feestje wordt gegeven, komen mijn kinderen met meer mensen dan anderen. Dat is net het tegenovergestelde van wat mevrouw Vogels daarnet heeft gezegd, namelijk dat kinderen niemand meebrengen. Laten we blij zijn dat de familiale band goed is. Ook dat maakt deel uit van het begrip en de solidariteit tussen generaties.
De diversiteit van families heeft te maken met scheiden en hertrouwen, met verschillende culturen en leefstijlen. Ik roep dan ook op om daar in de toekomst rekening mee te houden. Als u vandaag aan kinderen uit het lager onderwijs vraagt waar ze het vaak over hebben, dan zullen ze antwoorden dat het net over die problemen gaat. In mijn kindertijd werd ik daar niet mee geconfronteerd. De werkelijkheid van vandaag is nu eenmaal anders. Laten we dat dan ook duidelijk maken. We moeten daar zeker aan toevoegen dat die werkelijkheid niet zo negatief moet zijn als sommigen denken en dat begrip en solidariteit zeker mogelijk zijn.
| september 2010 | ||||||
|---|---|---|---|---|---|---|
| Z | M | D | W | D | V | Z |
| 1 | 2 | 3 | 4 | |||
| 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 |
| 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 |
| 19 | 20 | 21 | 22 | 23 | 24 | 25 |
| 26 | 27 | 28 | 29 | 30 | ||

foto Viviane Decock
© 2009 - Bart Caron // Design: Het Concept / Matthias Malfrère | Webontwikkeling: ikhona