
Sinds 1 januari 2007 is het nieuwe mestdecreet in werking als oplossing voor de strengere Europese regels voor bemesting. In dit decreet wordt mestverwerking naar voor geschoven als een belangrijke oplossing voor het wegwerken van het mestoverschot. Het richtkader voor de inplanting van installaties voor mestbehandeling en vergisting in Vlaanderen is de omzendbrief RO/2006/01. In deze omzendbrief wordt gesteld dat de inplanting van een mestverwerkingsinstallatie in agrarisch gebeid kan, mits rekening te houden met de voorwaarden inzake de ruimtelijke ordening, het mobiliteitsaspect en het inputmateriaal (stromen niet afkomstig van land- en tuinbouw mogen tot 40% van het geheel uitmaken).
West-Vlaanderen zorgt intussen voor 64% van de mestverwerking in Vlaanderen, terwijl de provincie maar verantwoordelijk is voor 42% van de mestproductie. Dit toont aan de vergunningen niet steeds op een doordachte manier zijn toegekend.
De verwerking gebeurt in industriële installaties die ingeplant zijn in agrarisch gebied. Dit agrarisch gebied ligt soms rond woonkernen en heeft geen transportinfrastructuur en veiligheidsvoorzieningen voor deze industriële activiteiten. Het transport gebeurt soms op landelijke wegen met overlast en geurhinder voor de omwonenden tot gevolg.
Er waren plannen om de Omzendbrief RO/2006/01 te laten evalueren door een werkgroep.
Daarom volgende vragen aan de minister:
Antwoord minister Crevits:
1. De omzendbrief RO/2006/01 “afwegingskader en randvoorwaarden voor de inplanting van installaties voor mestbehandeling en vergisting”, werd goedgekeurd door de Vlaamse Regering op 19 mei 2006.
Deze omzendbrief werd inderdaad uitgewerkt om een richtkader aan te reiken aan de exploitant, de omgeving en de betrokken administraties inzake de inplanting van mestverwerkings-en vergistingsinstallaties in agrarisch gebied.
Ik beschouw deze nota als een belangrijke stap in een grondige evaluatie van de meest geschikte inplantingsplaatsen voor mestverwerkingsinstallaties in Vlaanderen. Zoals ik reeds vermeld heb in mijn antwoord op een schriftelijke vraag van mevrouw Tinne Rombouts over hetzelfde onderwerp, is het mijn bedoeling om de nota spoedig verder te bespreken met mijn collega’s van Ruimtelijke Ordening en Landbouw en met de betrokken administraties en sectoren.
We mogen niet vergeten dat mestverwerking broodnodig blijft om de doelstellingen van de Europese nitraatrichtlijn te halen. Ik pleit er wel sterk voor dat er steeds gestreefd wordt naar een maximale ruimtelijke inpasbaarheid en naar een uitgebreide en actieve communicatie met de buurtbewoners en de betrokken administraties. Want vele praktische problemen lijken mij eerder aan het ontbreken van een plaatselijk draagvlak, dan aan de omzendbrief zelf gelegen te zijn.
Een actualisatie van de omzendbrief is op dit ogenblik dan ook voorlopig niet aangewezen.
2. In mijn antwoord op de vraag nr. 453 van mevr. Tinne Rombouts heb ik een uitgebreid overzicht gegeven van het aantal mestverwerkings- en mestbewerkingsinstallaties dat de afgelopen vijf jaar een milieuvergunning aangevraagd en gekregen hebben. Ik wil dan ook voor meer details verwijzen naar mijn antwoord op deze vraag.3. Zoals reeds blijkt uit de hiervoor vermelde VCM-enquête is het aantal klachten bij operationele installaties zeer beperkt. 75% van de klachten betrof slechts 2 bedrijven, voornamelijk in verband met geurhinder. Minder dan 2% van de klachten resulteerde in de opmaak van een proces-verbaal door de Milieu-inspectie omwille van geur. Bij meerdere installaties kunnen de geurklachten in verband gebracht worden met problemen die vooral voorkomen tijdens de opstartfase van installaties. Dit is niet verwonderlijk. De voorwaarden die opgelegd worden bij mestverwerkingsinstallaties zijn uitgebreid. Vooreerst zijn er de algemene milieuvoorwaarden van Vlarem II die gelden voor alle bedrijven. Verder zijn er uitgebreide voorwaarden voor de verschillende vormen van mestverwerking die gesteund zijn op de VITO-BBT-studie “Beste Beschikbare Technieken voor mestverwerking”.
Geval per geval worden daarnaast de milieuvergunningsaanvragen onderzocht door diverse instanties, meestal volgens de procedure klasse 1.
De afdeling Milieuvergunningen geeft een milieutechnisch advies. De afdeling Ruimtelijke Ordening van het Departement Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed, geeft eveneens advies inzake de verenigbaarheid met de goede ruimtelijke ordening en de bestemmingsplannen. Het Schepencollege van de gemeente waar de inrichting wordt ingeplant geeft een advies en er gebeurt een openbaar onderzoek.
De adviezen worden gezamenlijk beoordeeld in de provinciale milieuvergunningscommissie en door de deputatie wordt de vergunning in eerste aanleg al of niet toegekend. Tegen deze beslissing staat zowel voor de omwonenden als de exploitant een administratief beroep open bij mijn ambt. Ingeval van beroep wordt de aanvraag zowel milieutechnisch als op het vlak van verenigbaarheid met voorschriften van de plannen van aanleg of ruimtelijke uitvoeringsplannen opnieuw onderzocht. Wat dit laatste betreft, moet een nieuwe inplanting van een mestverwerkingsinstallatie op een ruimtelijk verantwoorde manier gebeuren.
In de milieuvergunning kunnen bijzondere voorwaarden worden opgelegd, dit om rekening te houden met specifieke technische kenmerken van de mestverwerkingsinstallaties en andere lokale omstandigheden. De aanpak is identiek aan deze van andere hinderlijke bedrijven en tot nu toe lijkt deze aanpak goed te werken. Behoudens wat verfijning dringt een wijzigende aanpak zich momenteel niet op. De huidige regelgeving tot het bekomen van een stedenbouwkundige- of milieuvergunning bieden voldoende garantie dat dit op een doordachte manier gebeurt. De omzendbrief biedt daarbij een duidelijk richtkader.
| februari 2012 | ||||||
|---|---|---|---|---|---|---|
| z | m | d | w | d | v | z |
| 1 | 2 | 3 | 4 | |||
| 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 |
| 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 |
| 19 | 20 | 21 | 22 | 23 | 24 | 25 |
| 26 | 27 | 28 | 29 | |||

foto Viviane Decock
© 2009 - Bart Caron // Design: Het Concept / Matthias Malfr