
Vraag om uitleg van de heer Bart Caron tot de heer Bert Anciaux, Vlaams minister van Cultuur, Jeugd, Sport en Brussel, over de situatie van trainers, vrijwilligers en infrastructuur in de Vlaamse sportclub.
De heer Bart Caron: Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, collega's, uit een Bloso-studie bij 20.147 Vlaamse sportclubs blijkt dat de sportclubs steeds moeilijker het hoofd boven water kunnen houden. Als er niet snel een oplossing wordt gevonden, zal sport steeds duurder en dus minder democratisch worden. Bij heel wat clubs is nu al sprake van drop out, ledenverlies en fusies van een aantal sportclubs.
We kunnen ons de vraag stellen in welke mate er op dat vlak een verschil bestaat tussen de profclubs en de amateurclubs, tussen grote en kleinschalige clubs en tussen recreatieve sport en competitie- en topsport.
Volgens Bloso is er een ernstig tekort aan vrijwilligers. Een fiscaal voordeliger statuut zou dat eventueel kunnen verhelpen. Terloops wil ik erop wijzen dat het begrip 'vrijwilliger' steeds meer evolueert naar het begrip 'licht betaalde vrijwilliger'. Het woord 'semi-agoraal werk' komt steeds meer in beeld. Er is een groot donkergrijs circuit voor wat de betalingen betreft, maar dat is ook zo in de culturele sector. Enerzijds is er een tekort aan vrijwilligers en anderzijds is er een probleem met licht betaalde medewerkers.
De agora is de marktplaats. Hier is dat een metafoor voor de markt van de economie. Het gaat over werknemers die half legaal werken, en dus met andere woorden een bijkomende job hebben. Dat probleem heeft te maken met vrijwilligerswerk. Bijvoorbeeld voetbalclubs vinden bijna geen jeugdtrainers meer om echt als vrijwilliger pur sang met jeugdige spelers bezig te zijn. De mensen die iets willen doen zonder vergoeding, of hooguit voor een kilometervergoeding, worden steeds zeldzamer. Het zijn steeds meer 'halfbetaalde krachten' waarvoor een legale oplossing wordt gezocht, en die men wil stimuleren omdat ze het tekort aan echte vrijwilligers opvangen. Ik doe daarover geen morele uitspraken; het is een beweging in de samenleving die evengoed geldt voor dirigenten van koren, harmonies of fanfares, als voor regisseurs in het amateurtoneel of trainers van sportclubs.
Het aantal gediplomeerde trainers ligt blijkbaar ook zeer laag. 53 percent van de trainers kan geen diploma voorleggen. Bij jeugdtrainers is het zelfs 55 percent. Dat is verbazingwekkend, gelet op het feit dat de Vlaamse trainersschool al vele jaren intens met trainersopleidingen bezig is.
Qua sportinfrastructuur zit 34 percent van de sportclubs met de handen in het haar. 80 percent van de ploegen vinden dat zelfs een hinderpaal voor hun groei.
Mijnheer de minister, deze conclusies zijn algemeen geldend voor Vlaanderen, en ik trek ze ook niet in twijfel. Zijn er markante verschillen tussen de steden en de regio's? Om niet van verdachtmakingen te worden beschuldigd, voeg ik er graag aan toe dat in mijn stad een zeer voorbeeldig sportbeleid wordt gevoerd, dat qua faciliteiten bijzonder gunstig is voor de lokale clubs. Er is heel veel sportinfrastructuur. Daarom juist vraag ik me af of er duidelijke regionale verschillen zijn in Vlaanderen.
Meneer de minister, graag had ik u graag volgende vragen gesteld:
- Wie moet er investeren in die infrastructuur? Zijn het de lokale besturen, de provincies of de Vlaamse Gemeenschap?
- In welke mate zijn de lokale besturen verantwoordelijk voor de tekorten?
- Is het een algemeen probleem voor de sport, of zijn er ook verschillen tussen de sporttakken?
- Is de problematiek voor het voetbal bijvoorbeeld helemaal anders dan voor indoor sport?
Wat met het fiscaal statuut van vrijwilligers? Dat is een federale bevoegdheid, maar mijn vraag is of u van plan bent ervoor te pleiten bij federaal minister Reynders, eventueel samen met de Franse Gemeenschap. De problematiek zal daar immers niet anders zijn.
- Hoe denkt u dat de Vlaamse overheid de trainersopleiding kan verbeteren en bevorderen? We beschikken over een zeer gedegen Vlaamse trainersschool. Kan of moet de werking daarvan niet worden uitgebreid?
Ik citeer graag nog het Bloso: 'Als de tekorten niet snel worden bijgewerkt, bestaat de kans dat sport duurder en dus minder democratisch wordt.' Waarop baseert het Bloso zich? Is er een oorzakelijk verband tussen dit en de afname van het vrijwilligerswerk, het tekort aan gediplomeerde trainers en het tekort aan infrastructuur?
Minister Bert Anciaux: Mijnheer de voorzitter, collega's, in het kader van de Bloso sensibilisatiecampagne omtrent sporten in clubverband voor 2003, 2004 en 2005 werd door Bloso een onderzoek uitgevoerd bij de Vlaamse sportclubs. In een eerste fase en ter voorbereiding van de staten-generaal van de sportclubs in september 2003, werden in 2003 alle Vlaamse sportclubs bevraagd. 2.480 sportclubs reageerden op die enquête. Het getal 20.000 moet ik dus een beetje relativeren.
Om de betrouwbaarheid van dit onderzoek nog te verhogen, werd deze bevraging in 2004 herhaald bij de niet-respondenten. Dit resulteerde in bijkomende informatie van 1.725 sportclubs. Uiteindelijk heeft dat onderzoek dus betrekking op 4.205 clubs hetzij 22 percent van de 23.861 Vlaamse sportclubs.
Zoals terecht gesteld door het geacht lid, hebben de Vlaamse sportclubs te kampen met voornamelijk 3 belangrijke problemen. Er wordt een terugloop van het aantal vrijwilligers vastgesteld; er is een tekort aan sportinfrastructuur en er is nood aan een groter aantal gediplomeerde trainers. Mijnheer Caron, u zei ook dat 'als het van het Bloso afhangt, een aantal clubs zullen samensmelten'. Dat was echter een aanbeveling van de staten-generaal van de sportclubs.
In deze fase van het genoemde globale onderzoek in Vlaanderen, werd geen geografische indeling gemaakt, maar wel een indeling op basis van het aantal beoefende sporttakken - uni- of omnisportclubs -, de missie - competitief of recreatief - en de grootte van de sportclubs. Verder onderzoek is mogelijk, ook regionaal, maar er worden niet onmiddellijk grote regionale verschillen verwacht.
In een tweede beperkte bevraging die door het Bloso in 2003 werd uitgevoerd bij de 308 Vlaamse gemeenten, werden wel provinciale vergelijkingen gemaakt. Daarin werden wel regionale verschillen vastgesteld. Zo is het gemiddeld subsidiebedrag per gesubsidieerde sportclub in de provincie Antwerpen 946,47 euro, en in de provincie Vlaams- Brabant 519,41 euro. Dat wijst echter op verschillen in het gemeentelijk subsidiebeleid, en als ik me niet vergis trouwens ook in het provinciaal subsidiebeleid.
Wat betreft het tekort aan sportinfrastructuur, blijkt uit een bevraging van de schepenen van sport in 2003 inderdaad een tekort aan overdekte sportinfrastructuur, dus sporthallen, van 39,3 percent. Deze gegevens werden bevestigd in de bevraging van de Vlaamse sportclubs, waarin ook 34 percent van de sportclubs verklaarde een tekort aan infrastructuur te hebben en 23 percent dit bleek te zien als een belemmering voor een uitbreiding van het aantal leden. Omdat het gaat om een tekort aan overdekte infrastructuur, zijn het dus vooral de zaalsporten die het tekort ervaren.
In 1990 werd het Gemeentelijk Investeringsfonds opgericht, inmiddels vervangen door het Gemeentefonds. Hierbij werd door de Vlaamse overheid aan de lokale overheid de keuze gelaten om haar beleidsprioriteiten te bepalen. Vastgesteld wordt dat sinds de invoering van het investeringsfonds de bouw van nieuwe sporthallen is teruggelopen. Bovendien werd in het kader van het kerntakendebat beslist dat de gemeentelijke overheid zou instaan voor het lenigen van lokale noden aan sportinfrastructuur en dat de Vlaamse overheid verantwoordelijk is voor de invulling van de noden aan infrastructuur van Vlaams of internationaal belang en van innovatieve projecten. Er is dus een strikt onderscheid gemaakt.
Zoals terecht gesteld, is een fiscaal voordelig statuut voor vrijwilligers een federale bevoegdheid. Dit is de verklaring voor het feit dat de Vlaamse overheid tot nu toe voor de sportvrijwilligers geen succesvol initiatief heeft kunnen nemen. Zoals ik in mijn beleidsnota Sport 2004-2009 heb gesteld, is een van de kritieke succesfactoren de 'herwaardering en ondersteuning van het vrijwilligerswerk in de sport'. Daarom zullen in deze regeerperiode onderhandelingen aangeknoopt worden met de federale overheid over een eigen statuut voor de vrijwilliger, waarbij rekening wordt gehouden met de specifieke situatie van de sportvrijwilliger op het vlak van aansprakelijkheid, verzekering en een billijk fiscaal en sociaal statuut.
De Vlaamse overheid dient inderdaad de opleiding van trainers in sportclubs te bevorderen. Zo blijkt uit de enquête bij de sportclubs dat, bij die sportclubs die over tenminste een trainer beschikken, 53 percent van de trainers niet-gediplomeerd zijn. Dat betekent dat heel wat Vlaamse sportclubs zonder gediplomeerde lesgevers werken.
De Vlaamse Trainersschool heeft de voorbije jaren, zowel wat het aantal als wat de inhoud van de opleidingscursussen betreft, belangrijke inspanningen gedaan. Zo blijkt dat van de 47 percent trainers die wel over een diploma beschikken, niet minder dan 31 percent dat via de VTS cursussen hebben bereikt. Het volgen van deze cursussen vergt echter zowel van de sportclubs als van de trainers een inzet van tijd en geld.
Op de staten-generaal van de sportclubs in september 2003 werd een aantal voorstellen geformuleerd om de sportclubs te stimuleren hun trainers naar opleidingscursussen te sturen. Het ging onder andere om financiële ondersteuning voor sportclubs. Uiteraard verwachten de gediplomeerde trainers na hun geleverde inspanningen ook financieel beloond te worden. Gezien de beperkte financiële middelen van de meeste Vlaamse sportclubs is dat niet vanzelfsprekend.
De daling van het aantal vrijwilligers in de sportclubs en de beoogde stijging van het aantal gekwalificeerde trainers zullen de kosten van de Vlaamse sportclubs ontegensprekelijk verhogen. Aangezien niet minder dan 43 percent van de inkomsten van de sportclubs afkomstig is van de inning van lidgelden, het gemiddeld lidgeld tussen 60 euro en 84 euro schommelt en de sportclubs gemiddeld 125 leden hebben, beschikken de Vlaamse sportclubs duidelijk over onvoldoende financiële draagkracht.
Het steunen van de Vlaamse sportclubs dient dan ook een van de beleidsprioriteiten te worden. Het Overlegplatform Sport voor Allen heeft een visienota over het te voeren Sport-voor-Allen beleid opgesteld op 8 juli 2004. Het overlegplatform start in februari 2005 met de tweede fase van haar opdracht, met name het opstellen, op basis van de visienota, van een actieplan Sport voor Allen.
In mijn beleidsnota heb ik duidelijk gesteld dat dit een even grote prioriteit is als de topsport. Onlangs heb ik al aangekondigd dit een jaar eerder te willen uitvoeren.
Nochtans deel ik zoiets gewoonlijk eerst aan het parlement mee.
In de visienota wordt de ondersteuning van de Vlaamse sportclubs als een prioritaire beleidsoptie voorgesteld. Ik verwacht dan ook dat in het actieplan concrete voorstellen zullen worden opgenomen om de Vlaamse sportclubs daadwerkelijk te ondersteunen. Mijnheer Caron, in tegenstelling tot wat u beweert, heeft Bloso op geen enkel ogenblik verklaard dat als de tekorten niet snel worden bijgewerkt, de kans bestaat dat sporten duurder en dus minder democratisch wordt. Dit was een conclusie van de journalist na zijn interview met de voorzitter van een Hasseltse sportclub.
Tot slot meen ik dat er ook een debat moet komen met de federaties om na te gaan welke rol zij kunnen spelen bij de ondersteuning van de sportclubs. De federaties en de clubs zullen, naast de gemeenten en de scholen, een belangrijke plaats innemen in het nieuwe decreet op het sport-voor-allenbeleid.
De heer Bart Caron: De problematiek die Bloso naar voren schuift, is op zich niet nieuw. Toen ik 10 jaar geleden bij de VVSG werkte, werden we geconfronteerd met precies hetzelfde verhaal. Mijnheer de minister, ik denk dan ook dat u voor een grote uitdaging staat.
Het nieuwe decreet op de federaties heeft blijkbaar niet het effect dat we hadden verwacht of dat het decreet had geschapen.
Ik wil van dit parlement geen streekgebonden of provinciaal forum maken maar het interesseert me wel te weten of de problematiek in Brussel anders is en of de problematiek tussen landelijke gemeenten en centrumgemeenten verschillend is. In het kader van het stedelijk beleid kan sport een belangrijke motor zijn voor de algemene maatschappelijke ontwikkeling. Als Bloso de moeite doet om op basis van bestaande gegevens een aantal regionale analyses te maken, dan kan dit een waardevolle aanvulling betekenen voor het sportbeleid.
| februari 2012 | ||||||
|---|---|---|---|---|---|---|
| z | m | d | w | d | v | z |
| 1 | 2 | 3 | 4 | |||
| 5 | 6 | 7 | 8 | 9 | 10 | 11 |
| 12 | 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 |
| 19 | 20 | 21 | 22 | 23 | 24 | 25 |
| 26 | 27 | 28 | 29 | |||

foto Viviane Decock
© 2009 - Bart Caron // Design: Het Concept / Matthias Malfr