bartcaron.be

Cultuurkanaal in Nederland

Ingediend op maart 23rd, 2006 door bartcaron

Vraag om uitleg van Vlaams volksvertegenwoordiger Bart Caron aan de heer Geert Bourgeois, Vlaams minister van Bestuurszaken, Buitenlands Beleid, Media en Toerisme over een op stapelstaand Cultuurkanaal in Nederland

Onlangs ontving ik de nota “Accent op Cultuur, een publiek themakanaal voor kunst en cultuur” van de Publieke Omroep. Deze nota dd. januari 2006 is gemaakt door de Stuurgroep Cultuurkanaal. We hebben het hier over de Nederlandse televisie.

In de inleiding lees ik: “juist de Publieke Omroep moet bijdragen aan de benutting van de esthetische mogelijkheden van de elektronische media en een belangrijke rol vervullen als katalysator in de productie en consumptie van kunst en cultuur in Nederland, als opdrachtgever maar ook als podium en promoter. Die rol is voor Nederland met een relatief klein taalgebied en voor de Nederlandse culturele sector met een beperkte afzetmarkt van extra belang. Daarbij heeft de publieke omroep, binnen een audiovisuele cultuur die een steeds mondialer karakter krijgt, een bijzondere verantwoordelijkheid voor het creëren en uitzenden van producties die op eigen bodem tot stand komen”.

In het hoofdstuk II Themakanalen staat letterlijk:
“inmiddels heeft de digitalisering zijn intrede gedaan en heeft de Publieke Omroep daarop geanticipeerd door een beleidskader voor TV-themakanalen te ontwikkelen. Vanuit publieke functies en waarden zullen kanalen worden gemaakt, waarbij onderscheid wordt gemaakt in twee typen themakanalen. Enerzijds zijn er de TV-themakanalen op initiatief van omroepen, anderzijds gezamenlijke, geprioriteerde TV-themakanalen.
Publieke Omroep heeft besloten dat een cultuurkanaal

Ingediend onder in de commissies Reacties uitgeschakeld voor Cultuurkanaal in Nederland

Studieloopbanen in het kunstgericht secundair onderwijs

Ingediend op februari 23rd, 2006 door bartcaron

Vraag om uitleg van de heer Bart Caron tot de heer Frank Vandenbroucke, vice-minister-president van de Vlaamse Regering, Vlaams minister van Werk, Onderwijs en Vorming, over de resultaten van onderzoek over de studieloopbanen in het kunstgericht secundair onderwijs

De heer Bart Caron:
Het onderzoek ‘Studieloopbanen van leerlingen in kunstgerichte opleidingen’ ging van start in 2003. De resultaten zijn zopas bekendgemaakt.
Ik ben blij dat het kunstonderwijs aan bod komt en in de media zichtbaar wordt. Het is een zwak broertje in de onderwijswereld. Dat blijkt ook uit het onderzoek. Niet alleen krijgt het weinig aandacht, het wordt ook door problemen gekenmerkt. Het KSO kent een zeer klein leerlingenpubliek.
Slechts twee op honderd leerlingen kiezen voor deze onderwijsvorm, en helaas is dat vaak een negatieve keuze. Het is vaak de laatste keuze nadat andere richtingen mislukten. Het watervaleffect speelt dus enorm sterk. Een derde van de leerlingen komt in het KSO binnen in het derde jaar, een derde komt nog in het vijfde jaar binnen. Heel wat van deze leerlingen zouden ook te kampen hebben met leerproblemen.
Ik betreur dit sterk. Het is belangrijk dat er meer informatie wordt verspreid over deze richtingen, dat de vooroordelen de wereld uit worden geholpen, dat ouders en andere betrokkenen deze onderwijsvorm als een evenwaardige richting gaan beschouwen, maar ook dat het kunstonderwijs een duidelijker profiel krijgt. Dit laatste wordt scherp aan de kaak gesteld in het onderzoeksrapport. In het onderzoek worden vragen gesteld waarmee we zeker aan de slag moeten.

Het kunstonderwijs is meer dan alleen maar het KSO. Ook in het technisch en beroepssecundair onderwijs zijn er kunstgerichte opleidingen. De eerste vraag van het onderzoek was die naar de eigenheid en het profiel van het KSO ten opzichte van de andere kunstgerichte onderwijsvormen. Het antwoord is eerder negatief: het KSO slaagt er niet in zich een duidelijk profiel aan te meten en de doelstelling van deze onderwijsvorm is dan ook voor velen onduidelijk.

Een tweede belangrijke vaststelling betreft de doorstroming naar het hoger kunstonderwijs. Leerlingen uit het KSO stromen sneller door dan leerlingen uit het TSO of BSO, maar eens ze in het hoger kunstonderwijs zitten, blijken hun slaagcijfers dan weer niet veel te verschillen van de leerlingen uit het ASO die deeltijds kunstonderwijs volgden. Sterker nog, de slaagpercentages van deze laatste categorie liggen net iets hoger. Dit terwijl verwacht kan worden dat het KSO toch een meer volledige voorbereiding op hoger kunstonderwijs zou bieden dan het ASO in combinatie met deeltijds kunstonderwijs. Vooral theorievakken zouden een probleem vormen. De onderzoekers waarschuwen ervoor dat dit probleem enkel nog zal toenemen door de academisering van het hoger onderwijs.

Ook qua doorstroming naar de arbeidsmarkt, stelt het KSO teleur. Slechts 13 percent van de leerlingen stroomt effectief onmiddellijk door, terwijl dit voor de leerlingen uit het kunstgerichte TSO en BSO respectievelijk op 38 en 50 percent ligt. Studenten uit het KSO die wel onmiddellijk werk vinden, stappen meestal in een job die nauwelijks aansluit bij hun opleiding. De harde conclusie van het onderzoek is dan ook: wie verder wil studeren in de kunstensector, kiest het best voor het ASO, wie onmiddellijk werk wil vinden, gaat beter naar het TSO of BSO. Het KSO lijkt wat overbodig.

Toch is het niet allemaal kommer en kwel. Opvallend is dat het welbevinden bij de leerlingen uit het KSO vrij hoogt ligt: 82 percent zou achteraf opnieuw voor deze opleiding kiezen. Ook ligt het probleem niet enkel bij de secundaire scholen. Zo zou er ook werk moeten worden gemaakt van de selectieproeven in het hoger kunstonderwijs. De vooropleidingen zouden sterk verschillen van school tot school. Daarenboven zouden de verwachtingen van studenten erg uiteenlopen.

Meneer de minister, deze reeks knelpunten moet worden aangepakt.

– Bent u van plan initiatieven te nemen om het KSO beter bekend te maken bij ouders en andere betrokkenen, en de vooroordelen weg te werken zodat men kan voorkomen dat leerlingen in het kunstsecundair onderwijs ‘een uitstervend ras’ worden?

– Bent u van plan initiatieven te nemen om het profiel van het KSO te verduidelijken? Zo ja, hoe zien die plannen er concreet uit? Momenteel slaagt het KSO er blijkbaar onvoldoende in haar opdrachten – de voorbereiding op het hoger onderwijs of hoger kunstonderwijs en de voorbereiding op de arbeidsmarkt – waar te maken. Hoe kan daaraan verholpen worden?

– Worden er initiatieven genomen om te sleutelen aan de toelatingsproeven, of ten minste om de verwachtingen te verduidelijken, en om de proeven van de verschillende hogescholen meer op elkaar af te stemmen?

Minister Frank Vandenbroucke:
Mijnheer de voorzitter, geachte collega’s, ik overloop de vragen van de heer Caron.

Een: bent u van plan initiatieven te nemen om het KSO beter bekend te maken? De schoolloopbaanbegeleiding en de keuze uit het schoolaanbod gelden ook voor het KSO. Ze zijn net zoals de beroepskeuzebegeleiding een gedeelde verantwoordelijkheid die via overleg tussen verschillende betrokken participanten in en buiten het onderwijs tot stand komt. Leerlingen, leerkrachten, ouders en de CLB’s zijn de verschillende actoren in het schoolloopbaanproces.
De keuzebegeleiding op school begint met het aanleren van vaardigheden, attitudes en deskundigheden waardoor de leerling zichzelf en zijn omgeving beter leert kennen, informatie leert opzoeken en verwerven en verantwoordelijkheid leert opnemen die hem in staat stellen zijn schoolloopbaan zelf in handen te nemen. Dat kan elke dag gebeuren, in elke les en op ieder onderwijsniveau. Daarom is ‘leren kiezen’ ingebouwd in de eindtermen, van in de kleuterschool tot en met het secundair onderwijs. De leerling staat er echter niet alleen voor. Dankzij de eindtermen heeft iedere leerkracht de plicht ermee bezig te zijn. Maar in de begeleiding zijn ook nog andere actoren betrokken, en ze hebben onmiskenbaar een impact: de ouders, de familieleden, de vriendenkring, andere leerlingen enzovoort.

De interactie tussen omgevingsfactoren, de eigenheid van het gezin, de school, de specifieke eigenschappen en de ontwikkelingsgeschiedenis van de leerling zorgen ervoor dat het studie- en beroepskeuzeproces van leerling tot leerling verschilt. De keuzebegeleiding overstijgt de scharniermomenten in het onderwijs, maar krijgt op die momenten wel extra aandacht.
Precies daarom is er in het hele begeleidingsproces in professionele ondersteuning vanwege de CLB’s voorzien. Het CLB en de leerkrachten kunnen samenwerken rond methodieken en instrumenten voor schoolloopbaanbegeleiding en het CLB kan hierbij objectieve informatie over het onderwijsaanbod verschaffen.
Als alle verantwoordelijken hun taak ter harte nemen, kan een leerling zichzelf beter leren kennen. Het komt er enkel op aan samen te overleggen en de informatie zo breed en correct mogelijk te verspreiden. Het doel wordt bereikt als de leerling in het onderwijsaanbod ‘de biotoop’ kan vinden waarin hij met zijn kansen en talenten optimaal tot ontplooiing komt.

Twee: bent u van plan initiatieven te nemen om het profiel van het KSO te verduidelijken?
Ik heb twee betrachtingen. Enerzijds heeft het KSO-profiel te maken met instapverwachtingen, zoals reeds omschreven in de publicatie van de VLOR over de eigenheid van het KSO van 2000.
Het KSO richt zich tot leerlingen die zes eigenschappen bezitten.
Deze zijn: bij de instap de gedrevenheid hebben om creatief te werken en hun creativiteit te ontwikkelen; bereid zijn tot een permanente reflectie over de eigen waarden en inzichten; bereid zijn artistiek-technische vaardigheden te ontwikkelen; beseffen dat het verwerven van de noodzakelijke inzichten en attitudes een bewuste keuze en dagelijkse concentratie
veronderstelt; in staat en bereid zijn in groep te werken en de eigen realisaties te vergelijken met die van anderen; en ten slotte, betrokkenheid vertonen met het studiegebeuren en op basis daarvan bereid zijn aanknopingspunten te zoeken in de actualiteit.

Het is dan ook de bedoeling – en ik verwijs daarvoor naar mijn antwoord op de eerste vraag – dat de leerlingen die instappen in het KSO voldoende op de missie van het KSO zijn voorbereid. De verantwoordelijke actoren van het KSO hebben vervolgens de verantwoordelijkheid dit instapprofiel van de leerlingen zo optimaal mogelijk te beschermen en te ontwikkelen volgens de KSO-filosofie die is gebaseerd op de wederzijdse betrokkenheid van de leerling en de leraar bij de artistieke stof in het leerproces.
Anderzijds heeft het profiel van het KSO natuurlijk ook te maken met leerresultaten. De resultaten van de verdere ontwikkeling van de procedure van specifieke eindtermen zullen bijdragen tot de kwaliteit van het KSO en het debat erover. We onderzoeken momenteel nog welke piste hiervoor ontwikkeld moet worden.
Ondertussen werken wij ook aan het raamwerk van een eenduidige en transparante kwalificatiestructuur, waarin zowel plaats is voor doorstroomgerichte als arbeidsmarktgerichte kwalificaties en waarin bijgevolg alle soorten kwalificaties, inclusief diploma’s, certificeringen en erkenningen van competenties kunnen worden geplaatst. Een grondige studie en diepgaand overleg tussen de overheid en de onderwijs- en opleidingspartners is hierover bezig. De kwaliteitsreferentie voor het profiel van het KSO vraagt dus een gedeelde verantwoordelijkheid inzake beleidsruimte.
Daartoe verrichten we nu de vereiste studies.

Wat uw derde vraag betreft, moet ik zeggen dat momenteel het KSO er blijkbaar onvoldoende in slaagt zijn opdrachten te vervullen. Hoe en op welke domeinen zou daaraan verholpen kunnen worden? Het is een meerwaarde als het KSO leerlingen kan voorbereiden op ‘zo ruim mogelijke keuzes over hun toekomstige loopbaan’. Dat kan een doorstroming naar artistieke gebieden in het hoger onderwijs betekenen.
Maar dat sluit vervolgstudies in niet-artistieke gebieden van het hoger onderwijs of de uitoefening van een beroep onmiddellijk na het afstuderen met of zonder specialisatiejaar niet uit.
In die zin onderscheidt het KSO zich niet sterk van de andere onderwijsvormen. Het is eerder de specifieke KSO-schoolcultuur, die met haar artistiek gericht opvoedings- en didactisch proces op een bijzondere wijze wil aansluiten bij het profiel van de KSO-leerling en hem in het vormingsproces centraal stelt. Dankzij een bewuste integratie van algemene vorming en artistieke vormingscomponenten draagt het KSO bij tot de persoonlijke ontwikkeling en het welbevinden van de leerling.
De zinvolheid van ‘de algemene vorming’ die aansluit bij de belangstellingssfeer van de leerling is dus een belangrijk criterium en creëert een zinvolle synthese als voorbereiding op zijn toekomstig maatschappelijk leven.

Ten slotte vroeg u of er initiatieven worden genomen om te sleutelen aan de toelatingsproeven, of de verwachtingen ervan ten minste duidelijker te maken en
de proeven van de verschillende hogescholen meer op mekaar af te stemmen. De sleutel ligt in handen van de autonome beslissingen van de hogescholen.
Wellicht zullen in het overleg dat zij daarover wensen te voeren verdere denkpistes worden beoordeeld in functie van mogelijke parameters. Een constructief debat over de voor- en nadelen van uniformisering, afstemming en profilering zou een meerwaarde kunnen zijn.

Deze reflecties bij de vragen van de heer Caron zijn misschien niet altijd bijzonder concreet. Ik ga er evenwel van uit dat het onderwijsveld zich zelfstandig moet ontwikkelen en de ruimte moet krijgen om zelf accenten te leggen. De voorzitter: De heer Caron heeft het woord. De heer Bart Caron: Ik ben het met uw laatste opmerking eens. Het veld moet zijn werk doen. Toch denk ik dat er iets moet gebeuren, zo niet wordt de onduidelijkheid over die opleiding en de voorbereiding van de doorstroming naar verdere studies nog groter. Misschien moet die richting een beetje opgewaardeerd worden. Het watervaleffect is immers geen positieve zaak.

De heer Bart Caron: Dat komt omdat de creativiteit er centraal staat. Dat is erg goed voor de ontplooiing van die leerlingen. We merken echter dat een leerling uit het KSO in het hoger kunstonderwijs lagere cijfers haalt dan een leerling uit het ASO. Dat toont toch aan dat er iets niet klopt? Ik deel uw bekommernis: het secundair onderwijs is geen beroepsgericht onderwijs, maar moet doorstromingsmogelijkheden naar verdere studies bieden. Toch zijn de slaagcijfers merkwaardig.

Ingediend onder in de commissies Reacties uitgeschakeld voor Studieloopbanen in het kunstgericht secundair onderwijs

Uradex

Ingediend op februari 23rd, 2006 door bartcaron

Vraag om uitleg van de heer Bart Caron tot de heer Bert Anciaux, Vlaams minister van Cultuur, Jeugd, Sport en Brussel, over de intrekking van de vergunning van de beheersvennootschap Uradex en de gevolgen hiervan voor artiesten en culturele instellingen

De heer Bart Caron:
Mijnheer de voorzitter, collega’s, de informatie uit de schriftelijke versie van mijn vraag is al een beetje achterhaald. Op 6 februari stond in de kranten dat Uradex haar vergunning heeft verloren omdat minister Verwilghen die heeft ingetrokken. Volgens specialisten was dat een heel terechte maatregel die het orgelpunt vormt van een reeks problemen die al jarenlang duren. Uradex int de zogenaamde billijke vergoeding, maar staat ook in voor het kopiëren voor eigen gebruik, voor kabelrechten en zo meer. Uradex int en herverdeelt de middelen onder de uitvoerende kunstenaars.

Op de website van Uradex staat volgende fantastische zin: ‘Vandaag de dag vertegenwoordigt Uradex vele honderden uitvoerende en vertolkende kunstenaars, zowel in België als in het buitenland. In de jungle van de steeds toenemende technologieën en de massaconsumptie voert Uradex dagelijks strijd om ervoor te zorgen dat de vergoedingsrechten van de kunstenaars geëerbiedigd worden.’

Voor artiesten zijn die naburige rechten belangrijk. Voor heel veel muzikanten staan ze voor een belangrijk surplus op hun loon. Dit geldt vooral voor de uitvoerende muzikanten die veel studiowerk en liveoptredens doen. De rechten zijn ook heel belangrijk voor het wat minder spectaculaire werk van bijvoorbeeld vari

Ingediend onder in de commissies Reacties uitgeschakeld voor Uradex

Zelfmoordpreventie bij jongeren

Ingediend op februari 14th, 2006 door bartcaron

Vraag van Vlaams volksvertegenwoordiger Bart Caron aan mevrouw Inge Vervotte, Vlaams minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin over zelfmoordpreventie bij jongeren.

De heer Bart Caron:
Mijnheer de voorzitter, mevrouw de minister, collega’s, ik zal me voornamelijk concentreren op de problematiek bij jongeren. Uit de studies blijkt dat 10 percent van de jongeren wel eens denkt aan zelfmoord. De motieven hebben natuurlijk met geestelijke gezondheid te maken, maar er worden over het algemeen drie maatschappelijke fenomenen genoemd: prestatiedruk, een wazig toekomstbeeld en de problematiek van de gebroken gezinnen.

De voorbije jaren was er veeleer een dalende trend, maar helaas was dat van korte duur en werd de trend opnieuw omgebogen. Dezelfde thematiek weerspiegelt zich ook in de verkoop van emo-medicijnen, waarvan de verkoop de voorbije 10 jaar is verdubbeld. Op de thematiek blijft een reusachtig taboe rusten. Mevrouw Hermans, ik ben blij dat u stelde dat we een grote inspanning zullen moeten leveren op het vlak van onderwijs, om initiatieven te nemen in verband met zelfdoding. Het preventiebeleid in en rond scholen zal een heel belangrijk element moeten zijn om jongeren bewust te maken van de problematiek en – ik wil niet zeggen uit het hoofd praten – het onderwerp bespreekbaar te maken en een zeker inzicht te verwerven.

Een signaal dat in dezelfde sfeer zit, maar niet helemaal overeenstemt, was de voorbije dagen in het nieuws: 7 percent van de pubers doet zichzelf wel eens pijn. Ik vind dat zeer veel. Auteurs zeggen dat jongeren op die manier proberen gevoelens te regelen. Gisteren en vandaag werden we door de media nogmaals gewaarschuwd voor het feit dat bij jongeren een grote graad van tolerantie bestaat voor geweld tussen en onder jongeren. Het zijn allemaal fenomenen die niet rechtstreeks met elkaar te maken hebben, maar het zijn wel uitingen van de samenleving waarin we functioneren. Voor jongeren met negatieve gedachten is geweld misschien een schreeuw om aandacht.

Mevrouw de minister, u hebt een aantal aanzetten gegeven en er lopen een aantal projecten. In een reactie op de gegevens over zelfdoding bij jongeren stelde u dat we dringend werk moeten maken van ademruimte in de psychiatrie en in de jeugdcentra van de Centra voor Geestelijke Gezondheidszorg.
U kondigt een publiekscampagne aan en u verwijst naar het Scandinavische voorbeeld. Ook in uw beleidsbrief gaat u hier op in. U haalt zes gezondheidsdoelstellingen aan, met vijf pijlers waarop ze gebouwd moeten worden. Dat is in elk geva l een interessant denkspoor. Ik ben ook blij dat u de internethulpverlening, die aansluit bij de leefwereld van jongeren, als hulpverleningsoptie wilt onderzoeken. Er lopen heel wat proefprojecten, maar we blijven toch een beetje op onze honger zitten voor een meer omvattende, geïntegreerde aanpak in de vorm van een actieplan, zowel op federaal als op Vlaams niveau.

Daarom mevrouw de minister, wil ik u volgende vragen stellen:

1° Werd er reeds overleg gepleegd met uw collega van onderwijs om de mogelijkheid van een preventiebeleid in scholen te bespreken?

2° Zijn er gegevens beschikbaar omtrent een mogelijk verband tussen zelfverminking bij jongeren en (poging tot) zelfdoding bij deze jongeren? Worden deze jongeren als een risicogroep beschouwd? Bent u van specifieke initiatieven op te starten voor deze groep?

3° Zijn er plannen om meer ademruimte te scheppen in de jeugdpsychiatrie en in de jeugdwerking van de centra voor geestelijke gezondheidszorg? Zo ja, wat zijn deze plannen?
 
4° In de persteksten spreekt van het Scandinavische model. Is het mogelijk om dit model nader toe te lichten?

5° Bestaat er reeds mogelijkheden van internethulpverlening? Op welke manier wordt dit onderzocht? Wat is de planning daaromtrent?

6° Ik vermoed dat u als minister van Welzijn reeds de bevindingen van de werkgroep  ontvangen hebt? Wanneer kunnen we een Vlaams actieplan verwachten? Werd er overleg gepleegd met uw federale collega om beide op elkaar af te stemmen?

Minister Inge Vervotte:
We hebben het hier over zelfdoding en depressies, want er is duidelijk een link tussen beide. Als we zoeken naar een oplossing voor het probleem, weten we allemaal dat er verschillende antwoorden mogelijk zijn. Sommige mensen willen over dit thema veeleer een filosofisch debat voeren, meer bepaald over zingeving in het algemeen en over spiritualiteit. Anderen willen het vooral hebben over de sociologische thema’s, denk maar aan maatschappelijke evoluties, participatie, keuzemogelijkheden en levensstandaard. Nog anderen zullen het veel liever over een psychologische boeg gooien en zoeken naar het minderwaardigheidsgevoel, kwetsuren en gezinssituaties. Een domein dat steeds meer wordt ontwikkeld, gooit het over de genetische boeg, heeft het over het biologische, en wil onze hersenen en genetische en andere factoren onderzoeken om biologisch een aantal zaken te kunnen vaststellen.

Ik denk dat we het er allemaal over eens zijn dat het antwoord hoogstwaarschijnlijk op alle niveaus gevonden moet worden. In het antwoord zal ik het niet hebben over alle andere niveaus, zoals het sociologische, het filosofische of het biologische. We proberen wel op een wetenschappelijk onderbouwde manier een beleid te voeren. We meten en gaan na wat de effecten zijn: wat is de kans dat mensen hervallen en wat is de risicodaling? Dit zijn onze uitgangspunten en de keuzes die we expliciet maken. Daar kan men dan voor of tegen zijn. Sommigen pleiten veeleer voor het uitstippelen van een algemeen beleid, waarbij wordt bekeken hoe de jeugdverenigingen, het onderwijs en andere spelers een bijdrage kunnen leveren. Dat moet sowieso inderdaad gebeuren, maar vanuit Welzijn en Volksgezondheid hebben we keuzes gemaakt op basis van internationale studies. We kijken welke internationale ervaringen nuttig en zinvol zijn en proberen die hier toe te passen. We bekijken hoe we een en ander kunnen meten, opdat we zouden kunnen ingrijpen. De wetenschappers zijn het er vandaag over eens dat, bij wie lijdt aan een chronische depressie, de kans op zelfdoding groter is. Ook zijn ze het erover eens dat als mensen een poging hebben ondernomen, de kans op hervallen groter is. Ook die groep moet zeker en vast worden bekeken.

Dan zijn er nog een aantal risicogroepen met duidelijk hogere incidentiecijfers, zoals holebi’s en kinderen van psychiatrische patiënten. We zijn het er allemaal over eens dat dit multifactorieel is en we er dus best een multifactoriële benadering op na houden. Omwille van onze keuze om dit wetenschappelijk gefundeerd te doen, beperken we ons echter een beetje tot een aantal interventies en projecten waarvan de effecten duidelijk aantoonbaar zijn en waarbij er een wetenschappelijke fundering kan zijn.

In 2002 heeft er inderdaad een gezondheidsconferentie plaatsgevonden, waarbij allerlei experts hebben getracht een bredere strategie op te stellen. Dit heeft geleid tot een voorstel van een zesde gezondheidsdoelstelling. Tot op vandaag is dit echter geen gezondheidsdoelstelling geworden die ook de goedkeuring heeft kunnen wegdragen van de Vlaamse Regering. Die goedkeuring moet er immers zijn. In de vorige zittingsperiode is dat dus niet gebeurd. Het is mijn bedoeling daar wel voor te zorgen. Momenteel zijn we de keuzes die de experts toen hebben gemaakt aan het actualiseren. Ondertussen beschikken we immers over bijkomende gegevens uit bijkomende studies en rapporten. Midden 2006 zou dit rond moeten zijn. Het is dus niet meer een kwestie van jaren, maar van maanden.
Bij die actualisering van dit beleidsplan zal er sprake zijn van vijf pijlers waarbinnen er volgens ons acties nodig zijn. We hebben niet gewacht op die actualisering om toch al initiatieven te nemen waarvan we vonden dat ze onmiskenbaar een meerwaarde
konden bieden. We hebben daar graag bijkomende middelen voor vrijgemaakt.

Die vijf pijlers werden onderscheiden op basis va n het denkwerk van de experts. Dit is eigenlijk allemaal ontstaan vanuit de sector. De eerste pijler is die van het grote belang van publieksinformatie. Het is een grote uitdaging voor de geestelijke gezondheidszorg om vermaatschappelijking tot stand te brengen. Wie mijn beleidsnota heeft doorgenomen, weet dat ik die vermaatschappelijking vrij veel vooropstel, en dat niet alleen bij depressie en zelfdoding, maar ook bijvoorbeeld bij de psychiatrie. Het is een manier om naar de problemen te kijken en te proberen antwoorden te geven. We hebben die discussies gehad naar aanleiding van de psychiatrische dagactiveringscentra. We hebben nu dezelfde discussie over internering. Wellicht zullen er nog andere discussies volgen. In deze visie is de resocialisatie en rehabilitatie van personen een essentieel deel van het herstelproces. Ze moeten in deze samenleving hun keuzes kunnen maken en opnieuw gezond kunnen worden. Indien dit aspect, van het kunnen deel uitmaken van deze samenleving, over het hoofd wordt gezien, dan zal het proces van gezondmaking ofwel nooit kunnen worden voltooid, ofwel trager verlopen. Uit experimenten blijkt immers heel duidelijk dat deel uitmaken van het sociale weefsel essentieel is. Velen houden er immers de visie op na dat mensen sociale wezens zijn, die zich thuis willen kunnen voelen in die samenleving. Daarom willen we die publieksinformatie.

Een vermaatschappelijking van de zorg vergt in eerste instantie dat we het stigma van de geestelijke gezondheidszorg wegwerken. We kunnen wel proberen dingen te bewerkstelligen binnen de psychiatrie en de hulp- en dienstverlening, maar als de samenleving er niet voor openstaat, dan krijgt men een dubbel negatief effect. Dat moet dus samen gebeuren. Dit moet prioritair zijn. Publieksinformatie en het ontdoen van stigma’s zijn essentieel om dat proces van vermaatschappelijking, waarin we allemaal geloven, niet alleen op papier, maar ook in de praktijk te kunnen verwezenlijken.

De tweede pijler is de deskundigheidsbevordering. Er werd hier al op gewezen: een van de personen naar wie mensen met problemen regelmatig stappen, is de huisarts. Heeft die voldoende kennis over de processen en patronen van depressie of zelfdoding? Heeft hij voldoende bijscholing kunnen krijgen? Is hij op de hoogte van de laatste ontwikkelingen? Hoewel ik in het beleidsplan dat ik zal voorleggen, heel veel aandacht ga besteden aan de huisartsen, zijn er nog andere intermediaire instanties, zoals jeugdbewegingen en scholen. Die spelen vooral een rol wanneer het gaat over signalen. Wanneer mensen een poging tot zelfdoding willen ondernemen, geven ze immers meestal signalen. De vraag rijst hoe die instanties daarmee moeten omgaan en hoe ze dit bespreekbaar moeten maken. Dit alles heeft te maken met deskundigheidsbevordering.
Niet onbelangrijk hierbij is dat er in dit verband ook nieuw materiaal voorhanden is. We hebben het hier wel allemaal over ‘depressies’, maar uit onderzoeken blijkt dat die diagnose stellen, niet zo eenvoudig is. Vaak wordt de verkeerde diagnose gesteld, wat natuurlijk de problemen nog ingewikkelder maakt. Dit moet ons blijven stimuleren om terzake aan wetenschappelijk onderzoek te blijven doen, vooral een opdracht van de universiteiten. De derde pijler is die van een specifiek preventief aanbod voor risicogroepen. Natuurlijk moet er een algemeen beleid worden gevoerd, maar we weten eveneens dat de kans op resultaten veel groter is als we werken met een aantal programma’s gericht op een aantal doelgroepen.

Het is dus essentieel dat we die specifieke programma’s en methodes ontwikkelen. Een niet onbelangrijk voorbeeld is dat van de holebi’s. Het zoeken naar een seksuele identiteit is meteen een zoektocht naar een identiteit in het algemeen. Veel holebi’s stellen zich tijdens die zoektocht dan ook de vraag wat de zin van hun leven is. Dit alles wordt dan ook nog eens complexer gemaakt door de reactie van de buitenwereld, van ouders, enzovoort. Dit is een belangrijk onderwerp waaraan we ons moeten wijden, vooral wanneer het gaat over jongeren. We willen daaraan werken, samen met de holebifederaties, die deze doelgroep zeer goed bereiken. Het is immers noodzakelijk dat ze zich niet alleen bezighouden met leuke en sexy onderwerpen, maar zich ook wijden aan dergelijke onderwerpen, die inherent deel uitmaken van de zoektocht. Wij zijn alleszins bereid hun terzake ondersteuning te geven.

De vierde pijler is die van de bestaande afstandshulpverlening. We weten dat de drempel voor sommigen te hoog is. Niet iedereen is in staat naar de huisarts te stappen en er een gesprek onder vier ogen te hebben. Hoe goed de CGG’s ook gekend zijn, niet iedereen zal kiezen voor een dergelijk gesprek of voor een bezoek aan de hulp- en dienstverlening. Sommige mensen zullen ervoor kiezen om te telefoneren, te chatten of om zelf informatie op te zoeken op het internet. Ook dat is een essentieel deel van het preventiebeleid, dat niet mag worden vergeten. Dan hebben we het onder meer over de Holebifoon en Tele-Onthaal. Ook daar moeten we aan deskundigheidsbevordering en ondersteuning doen.

Dan is er de vijfde pijler. Zoals hier al werd gezegd, moet er een coherent beleid komen. Daarbij moet de federale overheid een belangrijke rol spelen. Die overheid neemt de rechtstreekse aansturing van beroepsbeoefenaars in de psychiatrie en andere domeinen voor haar rekening. Ze stuurt bijvoorbeeld ook de huisartsen rechtstreeks aan; wij niet. Dat is een niet onbelangrijk aspect. Ook heeft ze een grote verantwoordelijkheid met betrekking tot het gebruik en het ter beschikking stellen van antidepressiva en slaapmiddelen. Nog een andere problematiek die aan bod is gekomen in werkgroepen van nabestaanden, is die van het veilig  maken van plaatsen waar mensen gemakkelijk overgaan tot zelfdoding, zoals spoorwegen en de toegangen tot spoorwegen. Ook die materie is federaal. Het is inderdaad zo dat in de Scandinavische landen heel uitdrukkelijk een beleid wordt gevoerd op het gebied van zelfdoding en depressie. Deze landen hebben steeds hoge cijfers gekend terzake. De beleidsmakers hebben er hun schouders gezet onder het uitwerken van beleidsplannen. Zo hebben ze ervaring met het net door mij belichte element van de publieksinformatie. Dat werd uitgetest en geëvalueerd. We hebben ons daardoor laten inspireren. We proberen niet telkens opnieuw het wiel uit te vinden. De publiekscampagnes in die landen hebben geleid tot goede resultaten. We hebben ze overgenomen en geprobeerd ze om te vormen zodat ze te gebruiken zijn voor de Vlaamse bevolking. Elk land heeft immers zijn eigen accenten en cultuur. De campagnes hebben onder meer plaatsgevonden in Engeland, Canada, IJsland en Schotland. We hebben die informatie verzameld en dit omgezet in een Vlaams campagneplan. Nog voor juni 2006 zullen we dit de wereld kunnen insturen. Het belangrijkste aspect daarvan is alles wat te maken heeft met zelfzorg. Mensen die bezig zijn met depressie en zelfdoding vinden immers dat het aspect van de zelfzorg niet uit het oog mag worden verloren. Zelfzorg is een klein, maar niet onbelangrijk onderdeel.

De centrale vraag daar is: hoe kunnen we mensen informatie geven opdat ze aan gezondheidsbevordering kunnen doen wat de geestelijke gezondheidszorg betreft? We doen dat al wanneer het gaat over voedingsadviezen, alcohol, enzovoort, maar heel weinig wanneer het gaat over de geestelijke gezondheidszorg. Dat is de bedoeling van deze publiekscampagne.
Er werd een vraag gesteld over preventie en de rol van de partners, van de CGG’s. Er zijn 21 erkende CGG’s waar een suïcidepreventieproject loopt. Acht voltijdse equivalenten zijn er vrijgesteld om zich enkel en alleen bezig te houden met suïcidepreventie. De bedoeling daarvan is natuurlijk ook de hulp- en dienstverlening binnen de centra zelf te bevorderen. Dan denk ik aan het protocolleren, aan de deskundigheidsbevorder
ing en dergelijke. Het zijn ook de centra die de vorming ten behoeve van de intermediaire instanties ontwikkelen. Zo zijn er bijvoorbeeld pakketten die worden gegeven specifiek voor politiemensen. Dat is duidelijk een doelgroep. Dan zijn er ook nog de CLB’s, de huisartsen en de thuiszorg. Het zijn die preventiewerkers die lokale en regionale samenwerkingsverbanden stimuleren. Het versterken van die samenwerking is essentieel. Ze zorgen ook voor de opvang van nabestaanden na zelfdoding. Daarvoor bestaan er ook zelfhulpgroepen, maar het is belangrijk een therapeutisch traject te kunnen leiden indien dat nodig is.

Ook steunt de Vlaamse overheid het project van de European Alliance against Depression. De bedoeling is om die netwerken en die deskundigheidsbevordering veel meer in kaart te brengen, net als de diagnosestelling en de therapie, zodat er verbeteringen kunnen worden aangebracht. Net omdat de samenwerking met de federale overheid erg belangrijk is, hebben we een task force Geestelijke Gezondheidzorg opgericht. We volgen deze werkgroep van zeer nabij, hoewel er niet altijd sprake is van dezelfde snelheid als we de vergelijking maken tussen de gemeenschappen en met de federale overheid.
Ook is er binnen de administratie Onderwijs een samenwerkingsprotocol afgesloten met de CLB’s. Zij hebben heel duidelijk de begeleiding met betrekking tot het psychosociale welzijn van de leerlingen als taak gekregen. Zeer recent hebben we dan ook nog een protocol afgesloten met de minister van Onderwijs voor het aanstellen van een gezondheidscoördinator. Vanuit Welzijn hebben we doelstellingen geformuleerd waar die coördinator van zal uitgaan als hij de scholen gaat helpen bij het ontwikkelen van een beleid. Ze moeten een stappenplan opstellen. We gaan ervan uit dat de scholen daartoe zelf voldoende in staat zijn. We hebben doelstellingen geformuleerd inzake preventie, gezonde voeding, beweging, enzovoort, maar ook heel duidelijk alles betreffende depressie en zelfdoding opgenomen. Dat zal dus ook een deel uitmaken van de gezondheidsplannen die gestalte zullen krijgen in de scholen zelf. We hadden het al even over de CGG’s en de wachttijden daar. U weet dat we met de CGG’s onderhandelen over de convenants. Ik vind het vervelend dat ik daar steeds naar moet verwijzen, maar die onderhandelingen zijn bezig en ze zijn essentieel voor de verdere ontwikkelingen in deze sector. Mee onder de impuls van de voornoemde suïcidepreventiewerkers, hebben de CGG’s procedures ontwikkeld waarbij patiënten worden gescreend op een suïciderisico. Wie een verhoogd risico op suïcide blijkt te hebben, kan prioritair worden behandeld en belandt niet op de wachtlijst. Dat is belangrijk. Alle CGG’s hebben die procedures.

Dat maakt deel uit van de gesprekken die we momenteel voeren met de CGG’s. We benadrukken daarbij dat we het belangrijk vinden dat er prioriteiten worden gesteld. Dat is een heel moeilijk debat en daarom hebben die onderhandelingen tijd nodig. We vinden het echter essentieel. Natuurlijk kan iedereen op de ene of de andere wijze behoefte hebben aan therapeutische en psychosociale ondersteuning, maar de vraag rijst welke rol de centra daarbij spelen en welke doelgroepen prioritair moeten worden aangepakt. Dat bepaalt immers welke mensen voorrang krijgen. Het is een moeilijk, maar essentieel debat. We moeten daar immers keuzes durven maken, om onze goed opgeleide mensen zo goed mogelijk in te zetten en onze sterktes en kwaliteiten zo goed mogelijk te gebruiken. Ze moeten daar worden ingezet waar de grootste problemen bestaan.

In het licht daarvan zullen we bekijken waar we verder zullen uitbreiden. Er moeten afstemmingen tussen en afspraken met de CGG’s komen. Een van de belangrijkste elementen daarin is, wat mij betreft, het doen toenemen van het cliëntcontact, de gesprekken onder vier ogen. Dat is echter een delicaat punt bij de onderhandelingen. We moeten dat samen kunnen aanpakken. We zullen bekijken hoe de onderhandelingen verlopen. Het uitbreidingsbeleid is onder meer al ingezet met het VIA-akkoord. Het gaat dan toch over veertig voltijdse equivalenten voor de CGG’s. Het is mijn bedoeling die prioritair in te zetten voor kinderen en jongeren. Daar zijn de wachtlijsten immers het langst.
De jeugd- en kinderpsychiatrie is een federale materie. We volgen dit nauwgezet, maar het is niet evident dit aan te pakken. Wanneer we kijken naar de residentiële opvang in de kinderpsychiatrie, vind ik het jammer te moeten vaststellen dat er in Vlaanderen binnen de bestaande programmatie momenteel nog vijftien K-bedden openstaan. Indien nodig, zouden deze bedden dus kunnen worden erkend en toegekend. Er is nog ruimte voor uitbreiding, maar dit programma is dus nog niet ingevuld. Dat is niet vanzelfsprekend: we pleiten enerzijds voor een aantal zaken bij de federale overheid, maar in de programmatie is er anderzijds nog ruimte.

Welke definities hanteren we? Suïcide is zelfdoding uit vrije wil; een suïcidepoging is een poging tot suïcide waarbij een individu daadwerkelijk de intentie heeft om zichzelf om het leven te brengen. Automutilatie en zelfverwonding zijn zelfbeschadigend gedrag dat regelmatig voorkomt en waarbij de wens tot overlijden duidelijk niet aan de orde is. Zelfbeschadigend gedrag is een algemene term die op een scala van gedragingen toepasbaar is. Er is dus een groot verschil tussen automutilatie en zelfdoding. Het doel verschilt fundamenteel.
Uit een onderzoek blijkt dat in West-Vlaanderen 13,1 percent van de ondervraagden melden dat ze ooit zelfbeschadigend gedrag hebben vertoond. De helft van die mensen zegt dat ze zichzelf ooit echt hebben willen doden toen ze te veel pillen innamen of zichzelf op een andere manier probeerden lichamelijk te beschadigen. Deze cijfers tonen aan dat verder onderzoek nodig is. De preventie van zelfdoding en de preventie van zelfverwonding zijn ons inziens twee aparte zaken. Ze leunen bij elkaar aan, maar toch is een verschillende aanpak nodig. De rol van scholen, jeugdverenigingen en jeugdhuizen in het preventiebeleid inzake zelfdoding is essentieel. Het is belangrijk dat er met hen collectieve gezondheidsovereenkomsten worden afgesloten. De sector moet zich engageren. Tezelfdertijd moet de sector de kans krijgen mee te werken aan een draaiboek waarin preventie maar ook nazorg aan bod komen. Er moet ook aandacht worden besteed aan kinderen van wie een ouder of grootouder zelfmoord heeft gepleegd. We moeten leren de signalen op te vangen van een kind dat verdriet heeft na zo’n drama. Dat is de primaire preventie.

De secundaire preventie heeft te maken met voorlichtingsavonden voor ouders; met vormingscursussen die vooral preventiewerkers aanbieden; met vaardigheidstrainingen voor risicojongeren en met het samenwerkingsprotocol tussen de Integrale jeugdhulp en de CLB’s. Het preventiebeleid inzake zelfverwonding steunt op twee pijlers. We nemen initiatieven ter bevordering van de gezondheid van jongeren die alcohol en drugs gebruiken. Verder willen we met specifieke programma’s jongeren met zelfbeschadigend gedrag adequaat behandelen en begeleiden. Automutilatie kan verslavend zijn. De hulpverlening moet daarmee rekening houden. Snel ingrijpen is bijgevolg heel belangrijk. Ook informatie over automutilatie is erg belangrijk. We moeten leren om de achterliggende problemen aan te pakken. Die problemen moeten worden gedetecteerd; nadien moeten de mensen naar de juiste instanties worden doorverwezen. Vaak gebeurt dat laatste niet goed. Men moet doorverwijzen naar de kinderpsychiater of de kinderdienst van de CGG’s, of naar andere diensten. Bij automutilatie willen we de aandacht toespitsen op de dieperliggende oorzaken. Bij depressie en zelfdoding gebeurt dat niet altijd, en als het gebeurt dikwijls ook minder. Vaak gaat het bij automutilatie over zeer complexe problemen zoals kindermishandeling, incest, emotionele verwaarlozing, middelengebruik en eetstoornissen. Een aparte aanpak is nodig. Het Centrum ter P
reventie van Zelfmoord heeft een telefoonlijn. Een avond per week, afwisselend op dinsdag en donderdag, telkens van 19 uur tot 21.30 uur, kan men het centrum ook via een chatroom op het internet contacteren. Op de website van ‘Klasse’ is in 2004 een forum uitgebouwd. Jongeren kunnen er terecht met vragen over zelfdoding. Drie medewerkers van het project Zelfmoordpreventie van de CGG’s monitoren het forum. In het kader van het actieplan richt de werkgroep zich vooral op de nabestaanden. Men werkt aan informatieve websites voor kinderen en jongeren.

Ik heb het vroeger al gehad over wat ik zelf onderneem. Onze projecten hebben te maken met de berichtgeving in de pers en de nazorg voor suïcidepogers. Lopende projecten beogen de deskundigheid van huisartsen te bevorderen, onder meer via websites. Lopende projecten zijn: de MBCT, de opvang van suïcidepogers in de ziekenhuizen, aandacht voor kinderen van ouders met psychiatrische stoornissen, de verbetering van de werking van de CGG’s dankzij het EHD-netwerk? dat met Europese steun werkt, en ten slotte ook de opvang en ondersteuning van nabestaanden. In de eerste helft van 2006 worden nieuwe projecten opgestart. Het gaat over de tien positieve stappen, zoals de publieksinformatie en een specifiek project over holebi’s en zelfdoding. Het is niet de bedoeling dat personen die een zelfmoordpoging hebben ondernomen terechtkomen in een apart zorgcircuit. Ze moeten worden opgevangen in ziekenhuizen, psychiatrische ziekenhuizen, de CGG’s, psychiaters, psychologen, huisartsen, enzovoort. De projecten in Limburg hebben tot doel om daartoe een zorgcontinuüm uit te bouwen. Momenteel zijn die projecten nog lopende. Tussentijdse evaluaties zijn in dit geval onwetenschappelijk. Eens we positieve besluiten kunnen trekken, willen we de toepassing ervan verruimen. Ik denk dan in de eerste plaats aan het MBCT-project en de opvang van suïcidepogers in ziekenhuizen. Dat laatste project loopt af in juli; de resultaten zullen eind september bekend zijn. Het MBCT-project loopt nog een tijdje. Follow-up is nodig. Pas na drie jaar zullen we kunnen oordelen of het aantal recidivisten echt daalt. Senioren worden geconfronteerd met problemen die de kans op zelfdoding vergroten: rouw en verlies, de zoektocht naar een identiteit, eenzaamheid, enzovoort. Deskundigheidsbevordering ten behoeve van de rust- en verzorgingstehuizen en de thuiszorg kan goede resultaten opleveren. In deze doelgroep is het taboe nog groter dan elders. Er is nog werk aan de winkel, vooral op het vlak van informatieverstrekking, sensibilisering en het bespreekbaar maken van het thema, bijvoorbeeld in de Vlaamse Ouderenraad. Toen ik de Vlaamse Ouderenraad heb opgericht, heb ik dit onderwerp onmiddellijk ter sprake gebracht. Men mag zich niet alleen bekommeren om mobiliteit en vrije tijd. Die representatieve structuur heeft er alle belang bij om dit onderwerp bij ouderen bespreekbaar te maken.

Het federale niveau heeft terzake een belangrijke taak. Die doelgroep is vatbaar voor middelengebruik. We willen samen met de federale overheid een coherent plan uitwerken. Ik zal alleszins niet op het federale niveau wachten om een beleidsplan uit te werken. Ons huiswerk is al vergevorderd. Normalerwijze zal medio 2006 ons plan worden besproken.

De heer Bart Caron:
Ik dank de minister voor haar uitvoerige en degelijke antwoord. Wat de jeugd- en kinderpsychiatrie betreft, had de minister het over 15 percent?

Minister Inge Vervotte:
Wij vragen een uitbreiding, maar er zijn vandaag nog 15 K-bedden niet ingevuld.

De heer Luc Martens:
Ik heb inderdaad misschien een ietwat provocatieve opmerking gemaakt met betrekking tot het onderwijs, maar ik blijf dit doen. We gaan nogal gemakkelijk voorbij aan de thuissituatie van kinderen en wijzen meteen op de rol van het onderwijs. We springen telkens over de eerste evidente lijn waarvoor we op een breed maatschappelijk vlak inspanningen moeten blijven doen. Of dit nu via opvoedingsondersteuning is of via een totale context waarin relaties zich op een meer succesvolle manier kunnen ontwikkelen, maakt me niet uit. Deze inspanningen moeten eerst gebeuren en daar wordt nogal eens aan voorbijgegaan. We hebben het meteen over het onderwijs. Als we deze dingen toch van het onderwijs verlangen, dan moet dat onderwijs een maatschappelijk draagvlak krijgen om zich daarop te kunnen organiseren. Er moeten daartoe dan ook middelen worden vrijgemaakt en dat is vaak niet het geval. Het is vanuit die zorg dat ik een en ander misschien wat provocatief heb verwoord.

De heer Bart Caron:
Mijnheer Martens, u hebt gelijk, maar ik wil toch op enkele zaken wijzen. In de priv

Ingediend onder in de commissies Reacties uitgeschakeld voor Zelfmoordpreventie bij jongeren

Implementatie van het Verdrag van Malta

Ingediend op januari 26th, 2006 door bartcaron

De heer Bart Caron:
Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, collega’s, voor ik het over archeologie zal hebben, wil ik een halve minuut van jullie tijd afsnoepen. Het is vandaag gedichtendag, en om geheel in de sfeer van deze commissie te blijven wil ik uit de bundel ‘Bandeloze Gedichten’ van Luuk Gruwez het volgende gedicht voorlezen, dat geheel toevallig ‘Ruimtelijke Ordening’ heet.

De wereld moest vol bedden staan
Voor elk seizoen naar ieders wens
Een winters bed met vacht van sneeuw
Een zondig bed waarrond zich pronkerige kamermeisjes scharen
Of onder schaduwrijke pruimenbomen

Van zomermoede oude achtertuinen
Een ledikant op weids gazon
Waar mijmerend de moeders toeven
De wereld moest vol bedden staan
Men moest zijn optrek nemen in een bed
De bedding van een bruisend water
De diepste, meest gerieflijke slaap
Is tussen algen, lissen zachte mossen
Waar dromen vol van zoete vissen zijn
Want eens een wiegenwijsje fluitend,
Belandt men in het laatste bed
Een opslagplaats van kostbaar spijt
Waar slaap onzichtbaar liggen in een vergezicht
Het bed, het beste landschap van de wereld is.

Als ruimtelijke ordening over bedden zou gaan, zou het toch veel aangenamer zijn.
In de onlangs uitgevoerde enquête van het Forum van de Vlaamse Archeologie werden een aantal opmerkelijke conclusies getrokken, mijnheer de minister. Ik haal er drie aan, die uit de besluiten komen. De eerste conclusie is dat het niet goed gaat met de Vlaamse archeologie.
Daarvan schrokken we toch even. De antwoorden op de bevraging – en ik citeer uit het
rapport – ‘duiden op een algemene ontevredenheid omtrent de huidige archeologische
erfgoedzorg.

Problemen worden zowel geweten aan een slecht functioneren van de bestaande instellingen als aan een fundamenteel gebrek aan middelen. Bovendien schort er iets aan de communicatie rond de werking van de bevoegde Vlaamse instellingen naar het werkveld. Er moet dus dringend iets veranderen!’ Dat is de eerste conclusie. De tweede luidt als volgt: ‘De implementatie van Malta moet er komen! Er is geen twijfel dat de Vlaamse archeologie snakt naar de implementatie.’ De derde conclusie is dat de sector moet worden geraadpleegd en betrokken bij de uitvoeringsmodaliteiten van de implementatie van het verdrag.

Mijnheer de minister, over die implementatie heb ik u op 20 april 2005 al een actuele vraag gesteld, waarop u toen vrij uitgebreid hebt geantwoord. U verwees toen ook naar uw beleidsnota, waarin vijf bladzijden gewijd zijn aan dat verdrag. Die beleidsnota maakt melding van uw idee om de drie grote decreten over monumenten, landschappen en archeologie te bundelen en de mechanismen voor de implementatie van het Verdrag van Malta daarin op te nemen. Ook in uw beleidsbrief van 2006, op pagina 82, gaat u in op de implementatie van het verdrag. Ik zal hier niet alles voorlezen, maar er staat in elk geval te lezen dat u dat wilt bekijken. Mijnheer de minister, ik wil u de volgende vragen voorleggen. Deelt u de conclusie van de
bevraging dat het niet goed gaat met de Vlaamse archeologie? Bent u bereid een plan op te maken om aan die conclusies tegemoet te komen, een plan dat onder meer tegemoet komt aan het gebrek aan middelen en aan het slecht functioneren van de bestaande instellingen?

– Wanneer zal de omzetting van het Verdrag van Malta in Vlaamse regelgeving afgerond zijn?
– Bent u bereid de sector te raadplegen en te betrekken bij de modaliteiten van de omzetting van het Verdrag van Malta?
– Wat is de vooropgestelde termijn of datum voor dat nieuwe allesomvattende decreet?

Minister Dirk Van Mechelen:
Mijnheer de voorzitter, collega’s, het Forum Vlaamse
Archeologie FVA is een jonge telg, opgericht op 17 april 2005. Er wordt me gevraagd of ik op de hoogte ben van de resultaten. Ik herinner eraan dat het forum zich onmiddellijk heeft gepositioneerd in de media als een ‘onafhankelijke, kritische maar vooral constructieve pleitbezorger voor de archeologie in Vlaanderen’. De vraag is dus wat stout. Het zou gek zijn, mocht ik er niet van weten.
Van ondernemers heb ik geleerd dat ze goed kunnen opschieten met vakbonden omdat het in het leven van belang is een goed gestructureerde gesprekspartner te hebben. Als het FVA zich als gesprekspartner manifesteert, dan is dat een dankbaar gegeven. Het laat toe een constructieve dialoog te voeren, wat beter is dan te polemiseren in de pers. Daarom ook is er overleg tussen mijn kabinet, het forum, het Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed VIOE en mijn administratie.

Er zijn gesprekken geweest in juli, september en oktober van vorig jaar, waarin een tweerichtingsverkeer is ontwikkeld. Enerzijds worden grieven en terechte verzuchtingen op tafel gelegd; anderzijds krijgen wij de kans om toe te lichten welke initiatieven we nemen of willen nemen om een stap vooruit te zetten tijdens deze regeerperiode. Tenslotte is dat de bedoeling. Met de implementatie van het Verdrag van Malta wordt alles in kaart gebracht. Daar vloeien ook alle opdrachten uit voort. Ten eerste moet het verdrag zelf geïmplementeerd worden. Daarnaast is er het gebrek aan middelen. Er moet aandacht zijn voor de archeologie en er is behoefte aan dat de archeologen een stem zouden krijgen in alle fasen van de ruimtelijke planning. Dat is echter gemakkelijker gezegd dan gedaan. De miserie met de werken op de leien in Antwerpen heeft dat genoeg aangetoond. Bij de voorbereiding van de Scheldeverdieping zitten ze dan ook wel degelijk mee aan de tafel, wat bewijst dat het perfect kan. We hebben dit debat al heel uitvoerig gevoerd naar aanleiding van de beleidsnota 2004-2009
en de beleidsbrief 2005-2006. We hebben afgesproken dat we dit jaar zouden werken aan een soort conceptnota, die de basis zou vormen voor de implementatie van het verdrag in decreetgeving. De conceptnota zal worden opgesteld in samenspraak met een klankbordgroep. Ik ben dus inderdaad op de hoogte van de enquête. Ik leef immers op deze aarde en ik lees kranten en resultaten. Het interessante van de resultaten van deze enquête is dat ze een globaal beeld geven van het archeologische werkveld en vooral de knelpunten, noden en behoeften die daar worden aangevoeld. Met een respons van 188 van de in totaal meer dan 400 sympathisanten kunnen we stellen dat de resultaten significant zijn voor de sector.

Voor wie het dossier volgt, zijn deze resultaten ook geen grote verrassing. De pijnpunten zijn nu duidelijk. Het komt er nu op aan die te remediëren. Waarover blijkbaar geen eensgezindheid bestaat, is of het nu te wijten is aan het slecht functioneren van de instellingen of aan een gebrek aan financiële middelen. In deze discussie zijn er believers en non-believers, maar het zal wel aan beide liggen. Belangrijk vind ik dat er een signaal komt uit de sector en dat we proberen dat signaal op te vangen. We moeten de zelfevaluatie gebruiken om een aanzet te geven voor de ontwikkeling van een meer doorgedreven visie op een archeologisch beleid. Het is ook belangrijk dat de sector wil meewerken aan de dialoog, het liefst kritisch, maar het mag ook opbouwend zijn. We weten waar de pijnpunten liggen; de vraag is nu hoe we ze wegwerken. Het forum zal daarin een belangrijke rol spelen. Dat gebeurt het best in de klankbordwerkgroep die we hebben opgericht. Deze werkgroep werkt immers mee aan de conceptnota die de implementatie van het Verdrag van Malta inhoudelijk moet sturen. Onder meer de gewestelijke administraties bevoegd voor stedenbouwkundige vergunningen zijn daarvoor uitgenodigd. Zij zitten immers op de eerste lijn. Verder hebben we het algemeen milieu- en natuurbeleid, de administraties Natuurlijke Rijkdommen en Energie, de Vlaamse Landmaatschappij, de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen, de Vlaamse universiteiten, de provinciale, intergem
eentelijke en gemeentelijke archeologische diensten, het Forum Vlaamse Archeologie, het Contactforum voor Erfgoedverenigingen VCM en de Vlaamse Confederatie voor de Bouw aangeschreven.

De resultaten van de enquête maken duidelijk dat een gestructureerd overleg met het werkveld de enige juiste weg is. De enquête bevestigt meer dan ooit dat de implementatie van het Verdrag van Malta binnen een redelijke termijn een noodzaak is. Daarbij is de vraag wat een redelijke termijn is. We zijn er al een poosje mee bezig, en we moeten landen, maar u zult me niet kwalijk nemen dat ik dit keer ‘redelijk’ niet verwar met ‘onverwijld’. Laten we stellen dat we eraan werken en ons best doen. Het is meer een ‘inzetverbintenis’ dan een resultaatverbintenis, maar ik wil in deze regeerperiode ‘as soon as possible’ tot resultaten komen. De financiering is vanzelfsprekend een van de belangrijkste aandachtspunten, maar ook pijnpunten in het Verdrag van Malta. Daarvoor moet een oplossing worden gevonden die tegemoetkomt aan de specifieke Vlaamse situatie. Het is in elk geval duidelijk dat er voldoende middelen moeten zijn om tot opgravingen over te gaan. De opgravingen moeten
bovendien gebeuren door kwaliteitsvolle instanties. De heer Van Dijck wees terecht op de nood aan kwaliteitsbewaking. De avonturiers en commerciële initiatiefnemers moeten worden gebannen. De heer Van Dijck had het ook over verplichte publicaties. Er moet vanzelfsprekend voldoende financiële ruimte zijn om de vondsten degelijk te onderzoeken, te ontsluiten en kenbaar te maken. Dat is een ondeelbaar geheel.

Iedereen is het er dus over eens dat er nood is aan bijkomende financiële middelen, maar over de betalingsmodaliteiten worden geen eenduidige uitspraken gedaan. Dat is ook niet verwonderlijk, want u hebt zelf gesteld dat de buitenlandse voorbeelden aantonen dat er diverse oplossingen mogelijk zijn, die allemaal voor- en nadelen hebben. In de enquête van het forum wordt vooral gekeken naar Frankrijk en Nederland, maar ik verwijs ook naar november 2005, toen in Brussel de jaarvergadering plaatsvond van het ICOMOS-comit

Ingediend onder in de commissies Reacties uitgeschakeld voor Implementatie van het Verdrag van Malta

Vlaams minderhedenbeleid

Ingediend op december 1st, 2005 door bartcaron

Vraag om uitleg van de heer Bart Caron tot de heer Marino Keulen, Vlaams minister van Binnenlands Bestuur, Stedenbeleid, Wonen en Inburgering, over het Vlaamse minderhedenbeleid

De heer Bart Caron: Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, collega’s, ik voel me hier niet helemaal op mijn gemak. Het is de eerste keer dat ik in deze commissie kom. Aan het gebruik van Tipp-Ex kunt u ook zien dat de vraag oorspronkelijk niet aan minister Keulen was gesteld, maar wel aan minister Vervotte. Ik veronderstelde – ten onrechte – dat het beleid met betrekking tot woonwagenbewoners bij Welzijn hoorde.

Mijnheer de minister, degenen die, zoals ik, vaak de trein nemen, ervaren dat het straatbeeld in Brussel erg wordt getekend door de aanwezigheid van bedelaars, van wie de Romazigeuners een grote groep uitmaken. Dat is niet alleen mij maar ook de media opgevallen. In de afgelopen maand zijn er zowel in Knack als in de Volkskrant uitgebreide reportages verschenen, waarin werd gezocht naar de dieperliggende oorzaken van de problemen van bedelende zigeuners.
Uit de artikels blijkt dat het probleem gelijk loopt met dat van andere bevolkingsgroepen die hier hun geluk komen zoeken. Veel heeft echter ook te maken met de specifieke toestand van deze groep zigeuners. Ik zal u nu niet onderhouden met een antropologische benadering van de thematiek. De Foyer wijst erop dat het probleem te maken heeft met absolute kansarmoede. Deze groep leeft in grauwe ellende. Dat komt in Brussel het meest nadrukkelijk tot uiting, hoewel het probleem in elke andere stad in Vlaanderen aanwezig is. Mensen hebben vaak de neiging om alle zigeuners over dezelfde kam te scheren. Er is echter een grote verscheidenheid. Er zijn groepen die al generaties lang in Vlaanderen wonen, andere die hier recenter zijn aanbeland. Er zijn ook veel vormen van uitsluiting van de zigeunerbevolking in de landen van herkomst.

In 1977 ontstond het Vlaams Overleg Woonwagenwerk, dat zich gedurende twee decennia met de eeuwenoude problematiek van het migreren en zich verplaatsen heeft beziggehouden. De categorie waar ik het over heb, is voornamelijk residentieel gaan wonen. Ze behoort niet meer tot de klassieke woonwagenbewoners. De groep is moeilijk af te bakenen, is van verschillende origine. Van de problemen waarmee ze te maken heeft, is vooral de kansarmoede de meest kenmerkende. In 1999 is het Vlaams Overleg opgegaan in het Vlaams Minderhedencentrum. Uit de artikelen konden we opmaken dat het minderhedencentrum minder aandacht besteedt aan de problematiek van de woonwagenbewoners omdat andere problemen in de samenleving een steeds toenemende aandacht vragen.

Er is ook een fundamenteel verschil tussen beide organisaties. Het Vlaams Overleg zorgde voor eerstelijnshulp, had direct contact met de doelgroep. Het minderhedencentrum is een tweedelijnsorganisatie, die via andere actoren, bemiddelaars en agenten met de doelgroep in contact komt. Dat schept problemen. Ook binnen het Vlaams Minderhedencentrum schijnen er op dit vlak minder professionelen actief te zijn, terwijl de problemen eigenlijk toenemen. Gelet op de discussie over eerste en tweede lijn, verdwijnt de gespecialiseerde kennis van de basiswerking in het Vlaams Minderhedencentrum en vloeien er mensen weg.

Daarom mijnheer de minister wil ik u volgende vragen stellen:

1) Klopt de berichtgeving dat het Vlaams minderhedenbeleid voor zigeuners en woonwagenbewoners in volle crisis verkeert? Zijn er daadwerkelijk professionele deskundigen ontslagen of vertrokken? Hebben experts een andere functie gekregen? I

2) Is het werkelijk zo dat de gespecialiseerde basiswerking voor deze doelgroepen werd afgebouwd? Indien dat zo is, om welke reden gebeurde dat dan? Hoe denkt u de ondersteuning voor deze doelgroepen te organiseren? Kan de ondersteuning niet beter worden ondergebracht bij het opbouwwerk, waar dit soort werk oorspronkelijk onder ressorteerde?

Indien een aantal aspecten van mijn vraag betrekking hebben op de specifieke bevoegdheden van het Vlaams Minderhedencentrum, dan respecteer ik het dat u daar geen aandacht aan kunt besteden. Mijn bekommernis is vooral te weten of het beleid voor de doelgroepen werkelijk achteruitgaat en of er een relatie is met de toenemende problematiek van de kansarmoede in de samenleving.

Minister Marino Keulen: Mijnheer Caron, ik ben ook bekommerd om deze sector. In tegenstelling tot wat de berichtgeving laat vermoeden, is het Vlaams minderhedenbeleid voor woonwagenbewoners en zigeuners echter niet in volle crisis. We stellen wel vast dat er op dit ogenblik ongenoegen heerst bij het woonwagenwerk, onder andere over de plaats binnen het minderhedenbeleid.

In dat verband heb ik op het kabinet drie woonwagenbewoners en twee woonwagenwerkers ontvangen. Gedurende dat gesprek werden een aantal knelpunten vermeld. Er werd gepraat over de verwachtingen in verband met het beleid voor woonwagenbewoners. We hebben ook gesproken over het belang van de inzet van persoonsbetrokken professionals die als bemiddelaars de band tussen de woonwagenbewoners en de maatschappij opbouwen, of met andere woorden over de nood aan basiswerk. Ook het belang van bridging tussen woonwagenbewoners en de samenleving om de sociale cohesie te bevorderen kwam aan bod. Bovendien werd er gepraat over het belang van de vaders om de onderwijsdeelname te bevorderen. Er werden ten slotte ook een aantal interessante beleidsaanbevelingen aangekaart die zeker onderzocht moeten worden.

Dat er ongenoegen is, wil echter niet zeggen dat de integratiesector geen inspanningen doet om de doelgroep op te nemen in de werking, en deze voor woonwagenbewoners te optimaliseren. Ik zal dat illustreren aan de hand van een waslijst voorbeelden en maatregelen. Om te beginnen werden woonwagenbewoners – voyageurs en zigeuners – expliciet als doelgroep opgenomen in het minderhedendecreet van 28 april 1998. Sinds de uitvoering van het minderhedendecreet maakt het ondersteuningscentrum voor woonwagenbewoners, het vroegere Vlaams Overleg Woonwagenwerk, inderdaad deel uit van het Vlaams Minderhedencentrum. Het Vlaams woonwagenwerk bleef hierbinnen met eigen middelen functioneren.

Sinds maart 2004 heeft het Vlaams Centrum Woonwagenwerk de naam VROEM vzw: Vlaamse Vereniging voor Voyageurs, Roms, Roma en Manoesjen. Manoesjen hebben een Indische oorsprong. De Roma trekken niet meer rond. De Roms trekken wel rond. Voyageurs zijn eigenlijk autochtonen die in woonwagens wonen. Die woonwagens zijn vaak omgevormd tot kleine chalets. U kunt zich daar wel iets bij voorstellen. Er zijn ook de cellen voor woonwagenwerk. Het minderhedendecreet bepaalt dat specifieke aandacht voor de nieuwe doelgroepen van het Vlaamse minderhedenbeleid onder andere moet worden gestimuleerd door cellen voor woonwagenwerk, verspreid over de regio’s. Hierbij moet worden verwezen naar het besluit van de Vlaamse Regering van 14 juli 1998 over de erkenning en subsidiëring van de centra en de diensten voor het Vlaamse minderhedenbeleid.
Daarin staat dat het werkgeverschap van het personeel van de cellen, op dat ogenblik uitgeoefend door het Vlaams Minderhedencentrum, na 3 jaar zou worden geëvalueerd. Op basis van een evaluatie heeft toenmalig Vlaams minister Vogels, beslist dat het werkgeverschap van het personeel van de cellen vanaf 1 januari 2003 moest worden overgeheveld naar het provinciaal of lokaal integratiecentrum waarbij de cel is opgericht. Op  die manier zou de structurele inbedding van de aandacht voor alle doelgroepen bij de integratiecentra beter worden gegarandeerd. De medewerkers van de cellen woonwagenwerk functioneren sindsdien dus in een nieuwe organisatie.

Op dit ogenblik zijn er in vijf integratiecentra medewerkers specifiek actief in verband met woonwagenbewoners. Drie cellen werken uitsluitend met voyageurs, Roms en Manoesjen, namelijk de cel van het lokaal integratiecentr
um De Acht in Antwerpen met 2 voltijdse equivalenten, de cel van het provinciaal integratiecentrum van Vlaams-Brabant met 1 voltijdse equivalent en de cel van het provinciaal integratiecentrum van Limburg met 1 voltijdse equivalent. Twee cellen werken ook met Roma, namelijk de cel van het regionaal integratiecentrum Foyer in Brussel met 2 voltijdse equivalenten en de cel van het provinciaal integratiecentrum Oost-Vlaanderen met een viervijfde voltijdse equivalent.

Er zijn er ook personeelsleden aangesteld voor specifieke Romawerkingen. In het provinciaal integratiecentrum Oost-Vlaanderen gaat het dan over 1 voltijdse equivalent en bij De Acht ook. Het Vlaams Minderhedencentrum heeft de decretale opdracht om te werken rond de situatie van alle doelgroepen van het Vlaams minderhedenbeleid, dus ook van woonwagenbewoners en zigeuners. Het Vlaams Minderhedencentrum heeft deze opdracht altijd in zijn planning meegenomen. Dat blijft zo in de toekomst. Hierbij werkt het Vlaams Minderhedencentrum nauw samen met de integratiecentra en -diensten, die tevens in hun planning de werking voor woonwagenbewoners hebben opgenomen.
In de huidige overeenkomst van de Vlaamse Regering met het Vlaams Minderhedencentrum voor de periode van 1 januari 2001 tot 31 december 2006, gewijzigd door een addendum dat inging op 1 november 2004, werden een aantal specifieke opdrachten met betrekking tot woonwagenbewoners opgenomen. Ik som er een aantal op.
Jaarlijks moet over de problematiek van woonwagenterreinen een knelpuntenduiding en een lijst van aanbevelingen worden ontwikkeld. Er moet jaarlijks een actie worden opgezet, gericht op de sensibilisering van verantwoordelijke besturen. Voor 2005 was dit concreet een studiedag over doortrekkersterreinen. In 2005 moest een actie worden opgezet in verband met de doorstroming van kinderen van woonwagenbewoners naar sterkere richtingen in het onderwijs. Vanuit het uitgangspunt dat woonwagenbewoners tot de doelgroepen van het minderhedenbeleid behoren en om de gezamenlijke betrokkenheid op het woonwagenwerk te verhogen, organiseerde het Vlaams Minderhedencentrum in april 2005 bovendien een rondetafelconferentie over de minderhedensector en het woonwagenwerk. Daarop waren de integratiecentra, de cellen, VROEM vzw, vrijwilligers en andere geïnteresseerden aanwezig. De aanbevelingen die op deze rondetafelconferentie werden geformuleerd, vormen mee de basis voor het – in samenspraak met VROEM vzw – verder vorm geven aan het beleid voor woonwagenbewoners.

In het personeelsplan van het Vlaams Minderhedencentrum is in een stafmedewerker voor woonwagenterreinen voorzien, die instaat voor de ondersteuning van de cellen en van de openbare besturen in verband met de aanleg van zowel residentiële als doortrekkersterreinen, en eveneens in een coördinator Vo yageurs en Zigeuners. Daar zijn dus heel wat mensen bij betrokken. Het klopt inderdaad dat er twee medewerkers van het Vlaams Minderhedencentrum die op deze terreinen werkzaam waren, zijn ontslagen. Het Vlaams Minderhedencentrum is echter een autonome organisatie, die een eigen personeelsbeleid voert. Dergelijke personeelsaangelegenheden behoren dus tot de autonome bevoegdheid van deze organisatie. U zei zelf al daar alle begrip voor te hebben, mijnheer Caron. Dat apprecieer ik. Binnen de culturele sector is men erg vertrouwd met deze formule. Dat is een van de structurele problemen waarmee Vlaanderen wel eens worstelt. Enerzijds geeft men autonomie, maar anderzijds ondervraagt men de minister die deze autonomie aan een instelling heeft gegeven.
Mocht dit niet gebeuren, dan is de spanning weg. We moeten echter consequent zijn. Als we een autonome structuur opzetten en taken delegeren, dan horen we die autonomie te respecteren, ook inzake het personeelsbeleid.
Binnenkort zal het Vlaams Minderhedencentrum een medewerker aanwerven om woonwagenwerkers en anderen die werken met moeilijk bereikbare groepen te ondersteunen. Binnen het Vlaams Minderhedencentrum is er eveneens een halftijds stafmedewerker Lokaal Beleid en Woonwagenterreinen actief. Er komen dus opnieuw extra krachten bij. De aandacht voor en werking ten opzichte van woonwagenbewoners – dus voyageurs en zigeuners – en van Roma is niet afgebouwd. Volgens het decreet hebben integratiecentra de algemene opdracht ertoe bij te dragen dat het provinciebestuur, de lokale besturen en andere relevante beleidsinstanties een gecoördineerd en inclusief minderhedenbeleid voeren, in overleg met de doelgroepen en hun organisaties. Zoals reeds vermeld, zijn er binnen de minderhedensector medewerkers actief inzake woonwagenwerk. Ze hebben contacten met woonwagenbewoners. Deze werkers zorgen ervoor dat woonwagenbewoners aansluiting vinden bij instellingen en organisaties in de samenleving. Sommigen van hen werken ook met Roma. Het is de bedoeling op langere termijn dat de reguliere voorzieningen een aangepaste werkwijze voor deze doelgroep ontwikkelen. In afwachting hiervan kan – decretaal bepaald – waar nodig nog categoriaal gewerkt worden inzake woonwagenbewoners en Roma. De sector is eveneens actief inzake onderwijs voor kinderen van de rondtrekkende bevolking. Deze mensen informeren scholen en zoeken mee naar praktische oplossingen.

Op lokaal vlak, bij gemeenten met een woonwagenterrein, zijn coördinatoren en begeleiders inzake woonwagenbewoners actief en worden er projecten uitgevoerd. Een voorbeeld is het tewerkstellingsproject in Leuven. Er wordt met een werkgroep Vlaams Minderhedencentrum- VROEM begonnen, die een aantal concrete bekommernissen van het woonwagenwerk, inzake onder meer basiswerk en de specificiteit van de doelgroep, onderzoekt en omzet in concrete acties. Binnen de minderhedensector blijkt de aandacht voor woonwagenbewoners en doelgroepen onder meer uit de volgende initiatieven. De sector volgt het beleid inzake woonwagenterreinen. Hij stimuleert en helpt lokale en provinciale besturen om residentiële woonwagenterreinen en doortrekkersterreinen in te richten en erover te communiceren met de bevolking. Een nieuwsbrief bericht over de stand van zaken va n het standplaatsenbeleid. Het Vlaams Minderhedencentrum volgt ook de wijzigingen met betrekking tot het referentieadres.
Mensen die rondtrekken, zijn dan toch bereikbaar via een dergelijk adres. Mijn antwoord is erg uitgebreid. Dit onderwerp komt echter weinig in de aandacht. Het onderwerp is mijn verantwoordelijkheid, wat eigenlijk niet geweten is. Ik probeer mijn best te doen terzake. Op deze wijze komt dit toch even in de schijnwerpers.

Mijnheer Caron, u vroeg me hoe ik denk de ondersteuning aan deze doelgroepen te organiseren. Enkele maanden geleden heeft VROEM vzw inderdaad het voorstel gelanceerd om eventueel over te stappen van de integratiesector naar de sector van de samenlevingsopbouw. Over de wenselijkheid en de haalbaarheid van dit voorstel zijn momenteel gesprekken op het terrein gaande. Conform het minderhedendecreet is het momenteel wel zo dat de thematiek van woonwagenbewoners en Roma duidelijk een opdracht is waaraan de minderhedensector moet werken. Bovendien zijn in vijf integratiecentra medewerkers specifiek met betrekking tot woonwagenbewoners actief. Er zal wel worden onderzocht op welke wijze een samenwerking tussen de integratiesector en het maatschappelijk opbouwwerk kan worden versterkt, zoals onder meer bepaald in het protocol dat ik bij het begin van deze zittingsperiode heb afgesloten met de minister van Welzijn. Minister Vervotte is immers verantwoordelijk wanneer het gaat over het opbouwwerk.

In de toekomst zal ik, zoals vermeld in mijn beleidsbrief 2006, laten onderzoeken hoe de drie decreten – het minderhedendecreet, het inburgeringsdecreet en het decreet betreffende de Huizen van het Nederlands – en de voorzieningen beter op elkaar kunnen worden afgestemd. In het kader van de afstemming van de drie decreten heb ik de Vlaamse Woonwagencommissie de opdracht gegeven om een overzicht te maken van alle actoren die momenteel in Vlaanderen betrokken zijn bij het standplaatsenbeleid.
Het realiseren van voldoende kwaliteitsvolle standplaatsen voor woonwagenbewoners is immers een noodzakelijke voorwaarde om deze bewoners onder meer naar werk en onderwijs te kunnen begeleiden. De Vlaamse Woonwagencommissie zal ook aanbevelingen formuleren in verband met de ondersteuning aan woonwagenbewoners. De werkzaamheden van deze commissie zullen mee toelaten de plaats en rol van het woonwagenwerk binnen het integratiebeleid duidelijk te definiëren.
Eigenlijk is er hier sprake van een snijvlak tussen de integratiesector en het opbouwwerk. De integratiesector is nooit eerstelijns: de sector moet steeds doorverwijzen naar voorzieningen, bijvoorbeeld in de jeugd- en cultuursector, die inclusief moeten werken. Het opbouwwerk doet wel aan eerstelijnshulp. Op het terrein is dat verschil echter niet altijd te merken: voor de mensen maakt het vaak weinig verschil uit.

De heer Bart Caron: Mijnheer de minister, ik dank u voor uw ongelooflijk indrukwekkende antwoord. Ik ben blij dat dit bij u op zoveel aandacht kan rekenen. Blijkbaar is een en ander in beweging gezet. Ik weet niet of mijn vraag daartoe heeft bijgedragen. Ik kan dat slechts in stilte hopen. Ik hoop dat die sterke aandacht verder gestalte zal krijgen in het bele id. Ik begrijp dat de negatieve teneur van het artikel wat overdreven is. Er is echter inderdaad een zekere spanning tussen de actoren op het terrein. Het terrein van het woonwagenwerk is echter een mobiel terrein. We kunnen dit dus verhelpen. Dit is een levendige materie. In mijn eigen stad hebben we de voorbije maanden en zelfs jaren een heel lange discussie gehad over doortrekkersterreinen, die nu zo ongeveer afgerond is. Wat mijn vraag over opbouwwerk betreft, het was niet mijn bedoeling uw bevoegdheden af te bouwen. Ik ben alleen bekommerd over een goede aansluiting tussen de eerstelijns- en de tweedelijnszorg. Ik maak echter op dat de cel Woonwagenwerk, via de lokale en deprovinciale integratiecentra, ook wel deels die rol op zich kan nemen.
Ik ben dus blij met deze aandacht en hoop dat die ontwikkeling verder zal blijven duren. Wat die personeelsaangelegenheden betreft, respecteer ik de autonomie van het Vlaams Minderhedencentrum uiteraard. Dat is ook de traditie in de andere sector waarin ik werkzaam ben.

Minister Marino Keulen: Ik hoop dat u niet somber bent geworden.

De heer Bart Caron: Neen, maar de kansarmoede bij die doelgroep is niet afgenomen. We moeten er dus fundamenteel en structureel aan blijven werken, zelfs al zijn we er wat somber over.

Ingediend onder in de commissies Reacties uitgeschakeld voor Vlaams minderhedenbeleid

Door het VCM opgelegde boetes aan tv-omroepen

Ingediend op december 1st, 2005 door bartcaron

Vraag om uitleg van de heer Bart Caron tot de heer Geert Bourgeois, Vlaams minister van Bestuurszaken, Buitenlands Beleid, Media en Toerisme, over de door het VCM opgelegde boetes aan tv-omroepen

De heer Bart Caron: Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, collega’s, op 13 oktober heb ik, naar aanleiding van het onderzoek van het Vlaams Commissariaat voor de Media over het naleven van de reclameregels, al een vraag gesteld over dit thema. Toen ging het over E

Ingediend onder in de commissies Reacties uitgeschakeld voor Door het VCM opgelegde boetes aan tv-omroepen

Reclameregels

Ingediend op oktober 13th, 2005 door bartcaron

Vraag om uitleg van de heer Bart Caron tot de heer Geert Bourgeois, Vlaams minister van Bestuurszaken, Buitenlands Beleid, Media en Toerisme, over het naleven van de reclameregels.

De heer Bart Caron:
Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, collega’s, enkele maanden geleden werden de verschillende grote televisiezenders door het VCM veroordeeld tot geldboetes wegens overdreven of ongeoorloofd lange reclameboodschappen en wegens het overtreden van de reclameregels met betrekking tot reclame voor en na programma’s voor kinderen.
Het VCM onderzocht toen, bij wijze van steekproef, de tv-programmering gedurende

Ingediend onder in de commissies Reacties uitgeschakeld voor Reclameregels

Digitale televisie

Ingediend op oktober 13th, 2005 door bartcaron

Vraag om uitleg van de heer Bart Caron tot de heer Geert Bourgeois, Vlaams minister van Bestuurszaken, Buitenlands Beleid, Media en Toerisme, over de problemen van digitale televisie bij zowel Telenet als Belgacom.

Mijnheer Bart Caron:
Mijnheer de minister, de kabel is niet enkel meer drager van analoge televisiebeelden, maar ook van internet en digitale televisie. Een televisie is niet enkel meer een scherm waar televisieprogramma’s op worden getoond, maar ook een kanaal waarop digitale informatie wordt verstrekt. De introductie van de digitale televisie verloopt niet zonder kleerscheuren. Misschien zijn het groeipijnen, jeugdzonden of kinderziekten? Telenet slaagt er bijvoorbeeld niet in om digitale televisie in een aantal grote appartementsgebouwen te brengen, omdat naar verluidt de kabels dat niet aankunnen. Hun bereidheid om daar iets aan te doen, is minimaal – om niet te zeggen nihil. Belgacom kan evenmin aan elke Vlaming digitale televisie aanbieden. Het huidige adsl-netwerk is daarvoor niet krachtig genoeg en de ontwikkeling van een volledig dekkend vdsl-netwerk vergt nog jaren inspanningen.

Er werd geen akkoord bereikt tussen Telenet en de andere Vlaamse kabelaanbieders zoals WVEM en Interelectra – geen concurrenten want ze zijn actief in verschillende regio’s – om het aanbod en de technische aspecten op elkaar af te stemmen. Daardoor ontstaan er incompatibele systemen. Er is al evenmin compatibiliteit tussen de grootste aanbieders, zodat het publiek dat een volledig aanbod wil, vooral voetballiefhebbers, zich twee keer moet abonneren. Belgacom leverde een onvolledig aanbod, maar dat is ondertussen opgelost. Aanvankelijk ontbraken de zenders van de VMMa in het aanbod. Het doet wel de vraag rijzen of we niet moeten overwegen om Vlaamse tv-zenders te verplichten hun signaal ter beschikking te stellen aan distributeurs, een soort van must-offerregeling.

In een tv-blad las ik dat Telenet een speciale praktijk zou toepassen met betrekking tot buitenlands voetbal, namelijk het storen van buitenlands voetbal op andere netten. Is dit een cowboyverhaal of waarheid? Ik weet het niet, maar ik hoop dat het om een technisch mankement gaat. Ook Test-Aankoop beklaagt er zich over dat er veel technische problemen zijn met digitale televisie. Een digitaal televisieprogramma opnemen is alleen mogelijk terwijl je ernaar kijkt, of helemaal niet kijkt. Je kan dus ondertussen niet naar een ander programma kijken. Met een analoog signaal is dit niet het geval. Er wordt aan oplossingen gewerkt, maar ondertussen blijft de consument in de kou staan. Marktleiders Telenet en Belgacom erkennen het probleem, maar hebben niet meteen een oplossing. Telenet komt eind dit jaar met een ‘digirecorder’, een digitaal opnametoestel met een harde schijf waarvan de richtprijs 299 euro is, ook voor mensen die al een digibox hebben gekocht. Test-Aankoop heeft ook de kwestie van de cabletuner onder de aandacht gebracht. Ondertussen is ook dat opgelost. Genoeg geweeklaag: laat ons de uitdagingen van de toekomst positief aanpakken. Ik ben ervan overtuigd dat, in het kader van het dichten van de digitale kloof en de kloof tussen politiek en burger, de platformdiensten van Telenet en Belgacom wel belangrijk zullen zijn. Dus is het logisch dat de Vlaamse Regering ernaar streeft dat zoveel mogelijk mensen van die platformdiensten gebruik kunnen maken.

Een heel belangrijke zaak is de Europese verplichting dat alle landen moeten overschakelen op digitale televisie. Bij mijn weten is de datum voor Vlaanderen nog niet bepaald. Waar er nu nog een analoog aanbod is dat parallel loopt met het digitale aanbod, zal dat over enkele jaren niet meer het geval zijn. Op dat moment kan enkel nog digitale televisie worden ontvangen. Het lijkt ver verwijderd, maar dat is het niet. De Vlaamse Regering moet nu dus al actiever de touwtjes in handen nemen en met de distributeurs om de tafel zitten om zo snel mogelijk een maximale dekking te bekomen. Hoewel het volgende niet behoort tot het bestek van mijn vraag, wil ik volledigheid beogen. Vandaar mijn vraag of de triple-playverkoop van telefonie, internet en televisie wel wettelijk en wenselijk is. Er zijn technische vereisten zoals de kabel zelf, de modem, enzovoort, die leiden tot een dergelijke verkoop. De vraag is of dit voor de burger wel interessant is op lange termijn. Bij een volgende ronde van de staatshervorming zou de bevoegdheid inzake telecommunicatie best naar de gewesten worden overgedragen. Dat zou het mogelijk maken in Vlaanderen via een decreet een sociaal tarief voor internet op te leggen, wat we momenteel niet kunnen. Dat zou ook helpen om de digitale kloof te dichten. Homogene bevoegdheden leveren in dit geval zeker een beter bestuur op. Mijnheer de minister, vanuit deze beide invalshoeken – dus het gebruik van de platformdiensten door zoveel mogelijk mensen enerzijds en een digitale switch-over anderzijds – zou het interessant zijn indien u me kunt informeren over de plannen van de regering om de digitale switch-over en de analoge switch-off voor te bereiden en te begeleiden?

Mijnheer de minister, u kondigt in uw discussienota ‘De openbare omroep in het digitale tijdperk’ actie aan, maar wat behelst die concreet? In uw beleidsnota sprak u van een overgangsstrategie ‘op korte termijn’ en het opstellen van een tijdspad na overleg met alle betrokken actoren. We zijn een jaar later en wil u graag volgende vragen stellen:

1) Hoe zit het daar nu mee?

2) Bent u bereid om met de aanbieders te bemiddelen, zodat er oplossingen kunnen komen?

Minister Geert Bourgeois:
Mijnheer de voorzitter, geachte leden, de beide vragen hebben inderdaad een raakpunt. De Vlaamse Regering heeft op 22 juli 2005 besloten het Digitaal Actieplan Vlaanderen een nieuwe impuls gegeven. Met dit actieplan wil de Vlaamse Regering ervoor zorgen dat Vlaanderen blijvend aansluiting vindt bij de Europese koplopers inzake de informatiemaatschappij en wil ze de digitale kloof verkleinen. Vandaag bedraagt de pc-penetratie in de Vlaamse gezinnen 67 percent. De penetratie van pc met internet bij gezinnen in Vlaanderen bedraagt 54 percent. Van de internetaansluitingen zijn 80 percent breedbandaansluitingen. E

Ingediend onder in de commissies Reacties uitgeschakeld voor Digitale televisie

De plaats van archeologie in het Beter Bestuurlijk Beleid

Ingediend op oktober 6th, 2005 door bartcaron

Vraag om uitleg van Vlaams volksvertegenwoordiger Bart Caron aan de heer Dirk Van Mechelen, Vlaams minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening, over de plaats van archeologie in het Beter Bestuurlijk Beleid.

De heer Bart Caron
Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, geachte leden, van hoog in de lucht gaan we naar de diep in de grond. De Vlaamse Regering heeft onlangs een ontwerpbesluit goedgekeurd dat de toekomstige organisatiestructuur van de Vlaamse administratie vastlegt. Daarbinnen is de afdeling Monumenten en Landschappen, waaronder ook de beheerscel Archeologie valt, als dusdanig niet meer terug te vinden. Er zijn vier entiteiten gevormd, namelijk het departement Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed en drie intern verzelfstandigde agentschappen: een agentschap voor Ruimtelijke Ordening, het Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed en de inspectie. Ik ben bekommerd om de plaats van archeologie in de samenleving in het algemeen, dus ook om de

plaats van de archeologie binnen de Vlaamse administratie. Het decreet van 28 februari 2003 wijzigde het archeologiedecreet van 1993. De nieuwe taakverdeling ging in op 1 januari 2004. Binnen de afdeling Monumenten en Landschappen kwam er een cel Beheersarcheologie. Er is dus sprake van twee vrij snel opeenvolgende hervormingen. Binnen de cel Beheersarcheologie moesten erfgoedconsulenten- archeologen instaan voor advies, vergunningen, handhaving en de voorbereiding van de archeologische beschermingen. Tegelijkertijd werd het Instituut voor het Archeologisch Patrimonium omgevormd tot een Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed, waarin het wetenschappelijke en beleidsvoorbereidende onderzoek over het onroerend erfgoed werd samengebracht, de archeologie, de monumentenzorg en dergelijke inbegrepen. Het instituut werkt nauw samen met de afdeling Monumenten en Landschappen, overigens een hervorming die ook heel wat voeten in de aarde heeft gehad. Het oprichten van de cel Beheersarcheologie heeft de laatste maanden reeds vruchten afgeworpen. In het kader van Beter Bestuurlijk Beleid kunnen we echter een nieuwe hervorming verwachten en is het niet meer zo duidelijk waar deze cel zal worden ondergebracht. In de documenten over deze hervorming die ik op internet kon vinden, heb ik het woord archeologie niet gevonden.

Daarom mijnheer de minister, wil ik u volgende vragen stellen:
1) Wat is de plaats van archeologie in het kader van BBB, zowel op het vlak van beheer als op het vlak van beleidsvoorbereidend werk?

2) Kunt u hierover duidelijkheid verschaffen en de motieven voor de gemaakte keuzes toelichten?

3) Is er binnen deze structuur enige garantie voor voldoende autonomie voor een cel beheersarcheologie?

4) Wat is de relatie met Monumenten en Landschappen?

Antwoord van minister Dirk Van Mechelen:
Mijnheer Caron, zoals u ongetwijfeld weet, werd het beleidsveld Archeologie in de vorige legislatuur, meer bepaald op 1 januari 2004, geïntegreerd met de beleidsvelden Monumenten en Landschappen. Uit mijn beleidsnota blijkt heel duidelijk dat het absoluut niet mijn bedoeling is om deze evolutie terug te draaien. Het is in tegendeel onze betrachting deze trend te versterken en vooral de integratie op het terrein waar te maken. Het is dan ook evident dat ook binnen de structuur van BBB Monumenten, Landschappen en Archeologie vervat zitten in het beleidsveld Onroerend Erfgoed.

Dit beleidsveld ressorteert binnen BBB onder het beleidsdomein Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed. Met betrekking tot de toekomstige structuur van dit beleidsdomein keurde de Vlaamse Regering op 9 september 2005 volgende documenten goed: het voorontwerp van decreet houdende aanpassingen inzake ruimtelijke ordening en onroerend erfgoed als gevolg van het bestuurlijk beleid; het voorontwerp van decreet houdende de oprichting van de Strategische Adviesraad Ruimtelijke Ordening- Onroerend Erfgoed; het ontwerp van besluit van de Vlaamse Regering met betrekking tot de oprichting van het individueel verzelfstandigd agentschap zonder rechtspersoonlijkheid RO-Vlaanderen, wat staat voor ruimtelijke ordening en onroerend erfgoed; het ontwerp van besluit van de Vlaamse Regering met betrekking tot de oprichting van het individueel verzelfstandigd agentschap zonder rechtspersoonlijkheid

Inspectie RWO-Vlaanderen, waarin voortaan ruimtelijke ordening, wonen en onroerend erfgoed worden ondergebracht. De reeds goedgekeurde oprichting van een intern verzelfstandigd agentschap zonder rechtspersoonlijkheid, het Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed, als rechtsopvolger van het vroegere Instituut voor het Archeologisch Patrimonium, bleef ongewijzigd.

De beslissingen van de Vlaamse Regering hebben een aantal implicaties. Het departement RO doet de beleidsvoorbereiding van het beleidsdomein en dus ook de beleidsvoorbereiding voor onroerend erfgoed en archeologie. De taken die in het kader van BBB voor onroerend erfgoed zijn toegewezen aan het IVA RO-Vlaanderen, zullen in een herkenbare subentiteit worden ondergebracht, waaronder dus de toepassing van het archeologische beheersinstrumentarium ressorteert. Ook tijdens de vorige legislatuur was een dergelijke bepaling opgenomen in de goedgekeurde BBB-besluiten. Het IVA Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed staat in voor de wetenschappelijke ondersteuning van het erfgoedbeleid, wat betekent dat het zowel voor monumenten, landschappen als archeologie beleidsrelevante onderwerpen zal bestuderen en op basis daarvan beleidsvoorstellen zal formuleren. De handhavingstaken zullen voortaan ressorteren onder het IVA Inspectie-RWO.

Mijnheer Caron, de beleidsvoorbereiding en het beheer van ons archeologisch patrimonium werden samengevoegd met de taken van de afdeling Monumenten en Landschappen. Hierdoor werden de 3 materies inzake onroerend erfgoed functioneel samengebracht. Dat vraagt een herpositionering van het denken, want sommigen waren uitsluitend bezig met monumenten en landschappen, terwijl anderen uitsluitend met archeologie bezig waren. We willen een integrale aanpak, met heel veel zorg voor de 3 componenten van ons onroerend erfgoed.

Om de versnippering tegen te gaan is van bij het begin gekozen voor de oprichting van een sterke cel archeologische monumentenzorg bij het centrale bestuur, in plaats van de knowhow te verspreiden over de provinciale entiteiten. Ook werd, conform de beleidsnota, het archeologische deel integraal in de klassieke monumenten- en landschapszorg ingebed. Op termijn kan dat echt een versterking betekenen

voor ons archeologisch beleid. Het is nu reeds duidelijk dat het samengaan van de verschillende beleidsvelden heel wat positieve resultaten heeft opgeleverd. In heel veel gevallen zijn de monumenten-, landschaps- en archeologische zorg immers verweven. Bovendien maken ze gebruik van gelijkaardige instrumenten zoals de bescherming en de beheersplannen. Voormalig minister Van Grembergen heeft een logische aanpak op gang gebracht die nu op het terrein wordt geïmplementeerd.

De confrontatie van het gebruik van deze instrumenten heeft de werkwijze verbeterd en nieuwe inzichten opgeleverd, zonder dat dit leidde tot vervlakking. Er was schrik dat archeologie het zwakke broertje zou worden, maar ik denk dat dat niet het geval is. De eigenheid van de aanpak met betrekking tot het archeologische bodemarchief is voor een aantal aspecten zo specifiek dat de autonomie van de cel beheersarcheologie gevrijwaard kan blijven. Gezien de positieve effecten is het mijn bedoeling deze geïntegreerde aanpak in de toekomst te bestendigen in de nieuwe structuur en zelfs te versterken.

Naar aanleiding van de Open Monumentendag heb ik gezegd dat we op het terrein nog actiever moeten werken, en gebruik moeten maken van de integratie van het beleidsdomein onroerend erfgoed me
t het domein ruimtelijke ordening. Hierdoor vermijden we dat de minister van Monumenten en Landschappen heel snel moet klasseren om te voorkomen dat de minister van Ruimtelijke Ordening een sloopvergunning aflevert, wat in het verleden wel eens gebeurde. Door de integratie kunnen we de problemen op een compleet nieuwe manier aanpakken. We kunnen ruimtelijke kwaliteit en zorg voor ons onroerend erfgoed met elkaar verzoenen. Naast de integratie in Monumenten, Landschappen en Archeologie die uw partij op gang heeft gebracht, gaan we nog een stap verder. We integreren dit ook in het beleidsveld Ruimtelijke Ordening. Denk maar aan de zorg voor open landschappen, wat eigenlijk een gedeelde zorg is. Vanuit het nieuwe departement moeten we impulsen geven aan een aantal andere sectoren. Ik denk bijvoorbeeld aan de bewarende maatregelen die we hebben genomen bij de verdieping van de Westerschelde.

Op die manier proberen we moeilijkheden te vermijden zoals bij de eerste fase van de werken aan de Antwerpse Leien. We zijn er als een dom kuiken op feiten gestoten, terwijl elke historicus van mijlenver kon ruiken dat de Spaanse omwalling onder de Leien zat.

Er is een eerste stap gezet en via BBB wordt vorm gegeven aan de tweede stap. Dit zal een enorme mentaliteitswijziging vergen. De inventarisatie ‘bouwen door de eeuwen heen’ wordt momenteel niet actief gebruikt. Het is een passief instrument. We gaan na hoe we bij de herziening van het decreet RO de zorg voor het onroerend erfgoed via het gebruik van de inventaris kunnen aanwenden. Op die manier willen we vermijden dat er ongelukken worden begaan, zonder dat we telkenmale moeten klasseren. We kunnen op deze manier op een meer flexibele manier ons onroerend erfgoed duurzaam vrijwaren. Wordt vervolgd!

De heer Bart Caron:
Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord. Mijn vraag dateert van 27 juni 2005. Er is al een vakantie overgegaan, en ik was dan ook niet op de hoogte van de stappen die ondertussen zijn gezet. Ik dank u voor de verduidelijking. Ik heb geen problemen met de integratie van de drie subsectoren met Ruimtelijke Ordening. De integratie kan het werk versterken en de kwaliteit verhogen. U weet dat archeologen een bekommernis hebben en zichtbaarheid willen van hun werk. Het is een evenwichtsoefening tussen enerzijds integreren en meer resultaten op het terrein, en anderzijds de zichtbaarheid van de subsector.
Ik ben het ook eens met uw visie dat meervoudige functiebestemmingen in de ruimtelijke ordening op termijn functioneel veel interessanter zijn voor de kwaliteit van bodemschatten dan bescherming. Ook hier moet de balans natuurlijk in evenwicht zijn.

Minister Dirk Van Mechelen:
Het is inderdaad een verhaal van ‘check and balance’. Ik heb een hele reeks documenten bij, zoals voorontwerpen en besluiten die momenteel naar de Raad van State zijn gestuurd voor advies. Ik zal ze ook aan het commissiesecretariaat bezorgen zodat geïnteresseerden ze kunnen inkijken.

 

 

 

Ingediend onder in de commissies Reacties uitgeschakeld voor De plaats van archeologie in het Beter Bestuurlijk Beleid





 

Nieuws

We moeten af van ‘middeleeuwse’ overdracht van jachtrechten

Alternatieven voor dierproeven

Het ‘kleine’ parlementaire werk. Recente voorbeelden: Geluidshinder kusttram – Hakhoutbeheer – Restauratiepremies Onroerend Erfgoed – Beschermde landschappen

Ketnet wil zender voor allerkleinsten, “Legitieme vraag en begrijpelijke ambitie”

Gereglementeerde boekenprijs unaniem goedgekeurd door Vlaams parlement

Wat liep er fout met de bescherming Villa Slabbinck? (Brugge)

Groen verwelkomt Bellegemse windmolens, maar vraagt ‘windplan’ voor regio Kortrijk

Groen wil geen sloop hoekhuis Kasteelkaai-Belfaststraat.
Hoog tijd voor een Kortrijkse visie op erfgoed!

Woede van boeren terecht, maar alleen ander landbouwmodel geeft boeren een zekere toekomst.

Provinciebestuur W-Vl verliest vele (culturele) instellingen

Bart Caron : “Overdracht cultuurbevoegdheden provincies is een wangedrocht !”

Leve Mest-Vlaanderen

Nog geen bescherming poldergraslanden

Nog redders aan de kust?

Brugge weert plooifiets uit overheidsgebouwen

De Leie of het Kanaal naar Roeselare: Groen wil meer binnenvaart

Kortrijk Airport, milieuvergunning aangepast?

Wanneer faire prijzen voor landbouwproducten?

Kortrijk heeft de bus gemist

Burgerkabinet ontslaat Gatz niet van plicht om al bestaande inspraak te versterken

Steeds meer monumenten wachten op broodnodig onderhoud. Ondertussen verkrotten ze

Freya Piryns voorgedragen als vertegenwoordiger in de Raad van Bestuur van de VRT

Regering krimpt beloofde natuurgebieden langs de Leie sterk in

Bruggen in Kortrijk, werkende verlichting op de fietspaden is een brug te ver…

LAR-zuid, woordbreuk van de stadscoalitie

Informatie, diverse sporten en cultuur moeten prioriteit VRT blijven

‘Gemeenteraad is wachtzaal voor wie schepenambt wil’

Persmededeling: Groen maakt werk van versterking West-Vlaamse open ruimte.

Persbericht: 5 Groene werven voor een impuls in West-Vlaanderen.

Vlaamse regering bedreigt toekomst Vlaamse fictie