bartcaron.be

Regionale televisie

Ingediend op juli 6th, 2005 door bartcaron

Voorstel van resolutie van de heren Dany Vandenbossche en Carl Decaluwe, mevrouw Margriet Hermans en de heren Bart Caron en Kris Van Dijck betreffende regionale televisie

Toelichting

Damen en heren,
De basis voor het bestaan en de opdracht van de regionale televisieomroepen is duidelijk omschreven in de gecoördineerde decreten betreffende de radio-omroep en de televisie van 4 maart 2005 (artikel 71): “De regionale omroep heeft als taak regionale informatie te brengen met de bedoeling binnen het zendgebied, dat aan de omroep door het Vlaams Commissariaat voor de Media krachtens artikel 72 wordt toegewezen, de communicatie onder de bevolking te bevorderen en bij te dragen tot de algemene sociale en culturele ontwikkeling van de regio. Onder regionale informatie worden onder meer journaals, achtergrondinformatie, debatten, verkiezingsuitslagen en serviceprogramma’s verstaan.”

De basis voor de financiering vinden we in dezelfde decreten terug (artikel 80): “De regionale omroepen mogen reclame en telewinkelen uitzenden en sponsoring aanwenden. Regionale omroepen mogen een beroep doen op financiering door de Vlaamse Gemeenschap, openbare besturen, intercommunales en door aanbieders van een kabelnetwerk.” In de praktijk blijkt het met het beroep op de “financiering door de Vlaamse Gemeenschap” niet erg goed te lopen. Dat blijkt uit de analyse van het protocol dat in januari 2002 werd afgesloten waarin de Vlaamse Regering zich engageerde tot een jaarlijkse minimale besteding van 1.860.000 euro voor de aankoop van zendtijd op de regionale omroepen, gedurende een periode van drie opeenvolgende jaren, tot einde 2004. In ruil voor dat engagement verleende RTVM (Regionale TV Media) exclusieve kortingen voor alle Vlaamse regionale televisieomroepen, voor alle media-aankopen die onder het protocol ressorteren.

Medio juli 2004 trok RTVM bij de nieuwe Vlaamse Regering echter al aan de alarmbel omdat op dat moment de Vlaamse overheid slechts voor 923.571 euro aan campagnes had geboekt. Tot 31 december 2004, de einddatum van het protocol, investeerde de overheid voor 1.485.901 euro in campagnes op de regionale televisieomroepen (som van alle campagnes bij RVTM en lokale campagnes van VOI’s direct bij de zenders). Om het investeringscijfer op te trekken om toch aan de vooropgestelde 1.860.000 euro te komen, werden er uiteindelijk allerlei communicatiecampagnes van VOI’s zoals Bloso en De Lijn bij betrokken, die al lang voor het protocol ook adverteerden op de regionale televisieomroepen. De regionale televisieomroepen ontvingen daardoor minder dan zij verwacht hadden. Voor regionale televisieomroepen gaat het om grote bedragen die voor hen van groot belang zijn.

De nieuwe regering bleek de rol van de regionale televisieomroepen – terecht – hoog in te schatten. In de beleidsnota 2004-2009 van de minister van Media staat: “Regionale televisie heeft een specifieke maatschappelijke opdracht: regionale informatie brengen met de bedoeling de communicatie onder de bevolking te bevorderen en bij te dragen tot de algemene sociale en culturele ontwikkeling van de regio. Als ‘venster op de eigen leefwereld’ spelen regionale televisies een belangrijke maatschappelijke rol. Daarnaast vormen de regionale televisieomroepen een geschikt instrument voor de communicatie tussen de Vlaamse Regering en de bevolking, en dit omwille van hun specifieke band met hun respectievelijke zendgebieden.” Toch resulteerde deze lofzang niet in een daadwerkelijke ondersteuning. Er kwam bijvoorbeeld geen formeel protocol zoals in 2002.

Wij erkennen ten volle de opdracht en de gemeenschapsfunctie van regionale televisie zoals die in de beleidsnota staat. De regionale televisieomroepen proberen hun rol ook waar te maken. Als we de productie van de tien regionale omroepen samen bekijken, dan stellen we vast dat er dagelijks gemiddeld drie uur nieuws en duiding geproduceerd wordt. Op weekbasis komen daar twee uur economisch nieuws, vier uur sport en vijf uur cultuur bij. In vergelijking met andere persorganen presteren zij dit zonder noemenswaardige steunmaatregelen.
Onze regionale televisieomroepen zijn niet-gesubsidieerde commerciële zenders die overleven op basis van reclame-inkomsten. Maar ook daar zijn er problemen. Om adverteerders te lokken worden er namelijk kijkcijfers gehanteerd. Probleem: de regionale televisieomroepen beschikken over geen precieze, relevante en bruikbare cijfers, waardoor adverteerders geen interesse tonen. Toch gaat het om een potentiële grote markt. Gezamenlijk bereiken onze regionale televisieomroepen 1,5 miljoen Vlamingen. Kijkcijfers in Vlaanderen worden elektronisch gemeten door de NV Audimetrie bij 750 huisgezinnen in Vlaanderen. Het CIM, het zelfregulerend orgaan van de media, is een koepelorganisatie, die boven deze studie staat. Dat orgaan garandeert de juistheid van  de gegevens. Het is echter de Belgische Vereniging voor Audiovisuele Media (BVAM), die de financiering en toetreding van de kijkcijferstudie bepaalt.

In de raad van bestuur zijn de grote zenders/regies (RMB voor de RTBF, de VAR voor de VRT, VMMa, SBS Belgium en IP voor RTL) vertegenwoordigd: zij bepalen wie kan toetreden en onder welke voorwaarden.
Een toetreding tot de grote audimetrie kost voor elke regionale televisieomroep 1.000.000 euro, een torenhoog bedrag voor hen. De BVAM heeft er jaren geleden voor gekozen om aan de hand van een gesofisticeerde studie op basis van een elektronische analyse de televisieomroepen te meten. Deze methodologie werd nooit aangepast aan de regionale omroepen. De spreiding van 750 onderzochte huisgezinnen houdt bijvoorbeeld ook geen rekening met de geografisch afgebakende zendgebieden van regionale televisie.

Het gevolg daarvan is dat de regionale omroepen vandaag een probleem hebben om adverteerders te lokken, maar ook dat ze niet weten voor wie ze programma’s maken, of de doelgroep kijkt of niet, hoe lang men kijkt enzovoort. Dit is alleen al problematisch om op een goede manier hun decretale opdracht te kunnen waarmaken. Een nieuw meetinstrument is dringend nodig. Het zou aan een aantal basisvereisten moeten voldoen om het als valabel en representatief te kunnen beschouwen: – het werkt met een representatief panel per geografisch zendgebied (minstens 300 respondenten per zendgebied);

– het kijkgedrag wordt elektronisch geregistreerd;
– het kijkgedrag wordt gedetailleerd geanalyseerd tot op secondeniveau voor alle doelgroepen;
– er gebeurt een matching met programmafiles om kijkcijfers te linken.

Zo een meetinstrument zou rotatief ingeschakeld kunnen worden, zodat men flexibel een onderzoek zou kunnen inzetten regio per regio. Een dergelijk project gaat echter de financiële draagkracht van onze regionale televisieomroepen te boven. Als we geloven in de belangrijke betekenis van regionale televisie, is een ondersteunend beleid nodig dat overlevingskansen en een voldoende kwalitatief aanbod garandeert. We denken daarbij aan verschillende mogelijkheden.

1. We erkennen de passage in de beleidsnota dat de mogelijkheden die de regionale televisie biedt als instrument voor Vlaamse (en lokale) overheidscommunicatie, zeer groot zijn. Maar het is evident dat daar de nodige middelen tegenover moeten staan.
De regionale omroepen hebben intussen aangetoond wat er zoal mogelijk zou kunnen zijn. Ze hebben zich steeds flexibel en creatief opgesteld ten aanzien van de Vlaamse overheid om gezamenlijk specifieke formules op maat uit werken waarin zo goed mogelijk de doelstellingen van de Vlaamse overheid konden worden gerealiseerd. Zo reserveerde TV3 met ‘Enter 21’ gedurende opeenvolgende jaren exclusieve mediaruimte om de realisaties van het wetenschaps- en innovatiebeleid van de Vlaamse overheid te belichten. Maar er zijn ta
l van formules mogelijk.

In het bijzonder denken we aan het specifieke regionale karakter van de televisieomroepen. De Vlaamse overheidsinformatie kan bij uitstek via regionale televisieomroepen ‘geregionaliseerd’ worden, en op die manier zo dicht mogelijk bij de mensen gebracht worden. We denken aan uitzendingen over cultuur, sport, onderwijs, opleiding en tewerkstelling, de ondersteuning van landbouw, inburgering, toerisme (in eigen streek) enzovoort. Open monumentendagen, erfgoedweekends, en soortgelijke Vlaamse initiatieven hebben ongetwijfel  meer baat bij specifieke, regiogebonden tv-campagnes dan bij

Ingediend onder in het halfrond Reacties uitgeschakeld voor Regionale televisie

Mantelzorg

Ingediend op juni 30th, 2005 door bartcaron

Met redenen omklede motie van mevrouw Vera Jans, de heren Luc Martens en Bart Caron en de dames Helga Stevens, Elke Roex en Vera Van der Borght – tot besluit van de op 28 juni 2005 door de dames Marijke Dillen en Vera Jans en de heer Luc Martens in commissie gehouden interpellaties tot mevrouw Inge Vervotte, Vlaams minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, respectievelijk over de ondersteuning van de mantelzorg, over de specifieke problematiek van mantelzorgers van personen met een psychische problematiek en over de mantelzorg van personen met een psychische problematiek

Het Vlaams Parlement,

– gehoord de interpellaties van de dames Marijke Dillen en Vera Jans en de heer Luc Martens;
– gehoord het antwoord van minister Inge Vervotte;
– gelet op:
1° de specifieke betekenis die mantelzorgers hebben voor de persoon voor wie zij de zorg op zich nemen;

2° de behoefte aan effectieve ondersteuning van en waardering voor de mantelzorgers;

3° het gegeven dat, door de affectieve band met de zorgbehoevende, de mantelzorger een voorname partner in de zorg is;

4° het Vlaamse regeerakkoord 2004-2009 en de beleidsnota Welzijn, Volksgezondheid en Gezin 2004-2009 van Vlaams minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, mevrouw Inge Vervotte;

5° het advies van de Vlaamse Gezondheidsraad van 24 mei 2005 met als titel ‘Mantelzorgers van personen met een psychische problematiek: partners in zorg’;

– vraagt de Vlaamse Regering:

1° na overleg met de vertegenwoordigers van de betrokken actoren een actieplan voor de ondersteuning van mantelzorgers op te stellen, uit te voeren en verder te volgen, en waarin minstens worden opgenomen:

a) een inventarisatie van de problemen waarmee mantelzorgers in de Vlaamse Gemeenschap worden geconfronteerd;
b) een versterking van de ondersteunende rol van de professionele hulpverlening ten aanzien van de mantelzorger;
c) de wijze waarop het beleid bijdraagt en zal bijdragen tot het verstevigen van het sociale netwerk van de mantelzorger, bijvoorbeeld via het sociaal-cultureel werk, en het preventief optreden tegen sociale isolatie van mantelzorgers;

2° in het beleid inzake mantelzorg een algemene benadering waar mogelijk en een doelgroepspecifieke benadering waar nodig te hanteren;

3° de ondersteuning van de mantelzorger verder uit te bouwen, specifiek met betrekking tot de mantelzorg van personen met een psychische problematiek:

a) waar nodig, via aangepaste vorming en begeleiding, bij te dragen tot een optimalisering van de zorgrelatie tussen de mantelzorger en de zorgbehoevende persoon;
b) de diensten voor gezinszorg verder te stimuleren en aan te zetten tot het uitbouwen van een hulp- en dienstverleningsprogramma aan mensen met psychische problemen en via geëigende informatiekanalen dit aanbod kenbaar te maken;
c) de sociale en psychologische ondersteuning van mantelzorgers als een bijzonder aandachtspunt in de verdere uitbouw van de psychiatrische thuiszorg te hanteren;
d) de mogelijkheden van de Vlaamse Gemeenschap inzake dagbesteding voor mensen met een ernstige psychische problematiek te onderzoeken en te implementeren;
e) verder bijzondere aandacht te ontwikkelen voor Kinderen van Ouders met Psychiatrische Problemen (cf. KOPP-project);

4° de samenwerking tussen mantelzorgers en professionele zorgverleners verder uit te bouwen, specifiek met betrekking tot de mantelzorg van personen met een psychische problematiek:

a) de samenwerking en wederzijdse uitwisseling van expertise te stimuleren tussen de vijf erkende verenigingen van gebruikers en mantelzorgers en de Federatie van Vlaamse Simileskringen;
b) de resultaten van het LUCAS-onderzoek (2003) over de vermaatschappelijking van de geestelijke gezondheidszorg in Vlaanderen, waarin een zorgcoördinatieplan werd ontwikkeld waarbij de mantelzorger als een volwaardige zorgpartner kan participeren, waar mogelijk, te implementeren, na overleg met
de in 4°, a), genoemde partners;

5° structureel wetenschappelijk onderzoek over mantelzorg te bewerkstelligen.

Vera Jans, Luc Martens, Bart Caron, Helga Stevens, Elke Roex, Vera Van Der Borght

Ingediend onder in het halfrond Reacties uitgeschakeld voor Mantelzorg

Evaluatie sociaal-cultureel volwassenenwerk

Ingediend op juni 28th, 2005 door bartcaron

Met redenen omklede otie van de heren Bart Caron, Steven Vanackere, Dany Vandenbossche, Herman Schueremans en Kris Van Dijck – tot besluit van de op 23 juni 2005 door de heer Jos Stassen in commissie gehouden interpellatie tot de heer Bert Anciaux, Vlaams minister van Cultuur, Jeugd, Sport en Brussel, over de evaluatie van het decreet betreffende het sociaal-cultureel volwassenenwerk

Het Vlaams Parlement,

– gehoord de interpellatie van de heer Jos Stassen;
– gehoord het antwoord van minister Bert Anciaux;
– gelet op artikel 62, §1, van het decreet van 4 april 2003 betreffende het sociaal-cultureel volwassenenwerk dat bepaalt: “De Vlaamse regering evalueert voor 30 juni 2005 de uitvoering van dit decreet”;

– overwegende dat:
1° de afspraken in het decreet met betrekking tot de evaluatie ervan correct werden uitgevoerd;

2° het decreet nog maar sinds 1 januari 2004 zijn eerste effecten op het terrein heeft en dat te recent is om grondig te kunnen evalueren;

3° de Raad voor Volksontwikkeling en Cultuurspreiding, het steunpunt Socius en FOV (Federatie van Organisaties voor Volksontwikkelingswerk) voorbereidende nota’s hebben gemaakt naar aanleiding van de evaluatie van het decreet;

4° na overleg met de Raad voor Volksontwikkeling en Cultuurspreiding, het steunpunt Socius en FOV werd afgesproken om de evaluatie in twee fasen te organiseren, waarbij in 2005 vooral de planlast wordt geëvalueerd en in 2007 de effecten van de uitvoering van het decreet;

5° de minister zich voor de organisaties heeft uitgesproken voor een beoordelingssysteem met een ‘gele kaart’, gevolgd door een remediëringstraject;

– vraagt de Vlaamse Regering:

1° om de evaluatie, zoals afgesproken, in twee fasen te organiseren;

2° in 2005 het decreet vooral te evalueren op de planlastverlichting en daartoe dit jaar de nodige initiatieven te nemen opdat de sector al in 2006 de nodige concrete effecten ondervindt;

3° in de oefening tot planlastverlichting zeker aandacht te schenken aan de IKZ-nota (integrale kwaliteitszorg), het jaarplan, het jaarverslag, en het beleidsplan en daarbij te proberen om de hoeveelheid in te dienen papier te verminderen, maar ook de timing van indiening van de verschillende documenten beter op de werking van de organisaties af te stemmen;

4° in 2007 de uitvoering van het decreet op het sociaal-cultureel volwassenenwerk, in samenspraak met de sector, te evalueren om na te gaan of en in welke mate de beoogde doelstellingen al concreet op het terrein ingevuld worden;

5° de financiële gevolgen van de beoordeling van de beleidsplannen van de organisaties uit te stellen tot na de tweede evaluatie in 2007;

6° de evaluatie uit te voeren in een open communicatie met het Vlaams Parlement.

Bart Caron, Steven Vanackere, Dany Vandenbossche, Herman Schueremans, Kris Van Dijck

Ingediend onder in het halfrond Reacties uitgeschakeld voor Evaluatie sociaal-cultureel volwassenenwerk

Hervorming jeugdrecht

Ingediend op juni 23rd, 2005 door bartcaron

Met redenen omklede motie van de dames Trees Merckx-Van Goey, Helga Stevens en Vera Van der Borght, de heer Bart Caron, mevrouw Else De Wachter en de heer Tom Dehaene – tot besluit van de op 21 juni 2005 door de dames Mieke Vogels en Marijke Dillen in commissie gehouden interpellaties tot mevrouw Inge Vervotte, Vlaams minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, respectievelijk over de hervorming van het jeugdrecht en de inbreng terzake van de Vlaamse Gemeenschap en over het overleg met de federale minister van Justitie inzake de hervorming van het jeugdsanctierecht

Het Vlaams Parlement,

– gehoord de interpellaties van de dames Mieke Vogels en Marijke Dillen;
– gehoord het antwoord van minister Inge Vervotte;
– gelet op:
1° de noodzaak van een herstelgericht jeugdsanctierecht voor jongeren die een als misdrijf omschreven feit plegen, waarbij een sui-generisbenadering wordt voorgestaan met responsabiliserende, pedagogische, herstelgerichte, sanctionerende en beschermende elementen;

2° de bevoegdheid van de Vlaamse Gemeenschap inzake de uitvoering van de maatregelen genomen ten aanzien van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd;

3° het Vlaamse regeerakkoord 2004-2009, op grond waarvan de Vlaamse Regering “(…) in elk geval een Vlaams jeugdsanctierecht (wil) uitbouwen om gerichter

Ingediend onder in het halfrond Reacties uitgeschakeld voor Hervorming jeugdrecht

Villa’s Wenduine

Ingediend op juni 22nd, 2005 door bartcaron

Actuele vraag van de heer Caron tot de heer Dirk Van Mechelen, Vlaams minister van Financiën en Begroting en Ruitelijke Ordening, over de sloop of bescherming van twee belle

Ingediend onder in het halfrond Reacties uitgeschakeld voor Villa’s Wenduine

Vlaams mediaplan voor het Zuiden

Ingediend op juni 16th, 2005 door bartcaron

Voorstel van resolutie van de dames Sabine Poleyn en Miet Smet en de heren Jan Loones, Bart Caron en Dany Vandenbossche betreffende het opstellen van een Vlaams mediaplan voor het Zuiden

Toelichting

Dames en heren, 
Het afgelopen decennium stelden heel wat opiniemakers en academici de paradox vast tussen de toenemende globalisering van onze wereld en de inkrimping van de aandacht voor het buitenland in de (populaire) media. De toegenomen technische mogelijkheden voor informatieverspreiding lijken immers niet onmiddellijk te leiden tot meer of bredere aandacht voor het buitenland in de media.

In Vlaanderen werd het onderzoek hierover totnogtoe voornamelijk toegespitst op een analyse van de televisiejournaals. Wellicht zijn deze vaststellingen gelijklopend wat radiojournaals en de geschreven pers betreft. Analyses van andere programma’s op radio en tv – buiten het nieuws – zijn niet onmiddellijk voorhanden. We bekijken de belangrijkste vaststellingen uit de analyses van de tv-journaals.
Op basis van hun vergelijkende studie1 over het nieuwsaanbod op VRT en VTM stelden onderzoekers van de Universiteit Gent dat buitenlands nieuws op beide Vlaamse zenders slechts een beperkt gedeelte zijn van de totale nieuwsuitzendingen. Opvallend daarbij was dat de meeste aandacht naar nieuws over specifieke thema’s ging. In 2004, met de oorlog in Irak, was dit vooral over ‘oorlog en terrorisme’ en ‘rampen en branden’.

Een onderzoek voor het Elektronisch Nieuwsarchief (ENA) door prof. Daniel Biltereyst en Stijn Joye bevestigt dat. Uit hun thematische analyse van het buitenlandse nieuwsaanbod bleek dat vooral de meer ‘dramatische’ onderwerpen aan bod komen. Het gaat vaak om een beperkt palet aan gecoverde thema’s.
Daarnaast blijkt dat het buitenlandse nieuws uit een beperkt aantal regio’s komt. De kernregio’sin ons buitenlandse nieuws zijn vooral Europese landen, de VSA en het Midden-Oosten. Dat zijn de hoofdrolspelers op internationaal politiek en economisch vlak, en ook de continenten waar het meeste correspondenten en nieuwsagentschappen aanwezig zijn. Nieuws uit Afrika, Latijns-Amerika, Azië en Oceanië komt nauwelijks aan bod. Het gevolg van deze concentratie is dat berichtgeving over landen die maar weinig ‘nieuwswaardig’ zijn, veelal gefragmenteerd en discontinu is.
Nieuwsberichten over die landen zijn vaak spectaculaire verhalen, over specifieke gebeurtenissen, waarvan de resultaten of (mogelijke) oplossingen weinig worden gevolgd. Niet-westerse nieuwsfeiten zijn met andere woorden vaak een korte levensduur beschoren, tenzij het ‘big stories’ betreft. In die laatste gevallen wordt

Ingediend onder in het halfrond Reacties uitgeschakeld voor Vlaams mediaplan voor het Zuiden

Organisatie en subsidi

Ingediend op juni 9th, 2005 door bartcaron

Voorstel van decreet van de heren Bart Caron, Kris Van Dijck en Steven Vanackere, mevrouw Gracienne Van Nieuwenborgh en de heer Herman Schueremans houdende wijziging van het decreet van 7 mei 2004 houdende de organisatie en subsidiëring van een cultureel-erfgoedbeleid

Toelichting

Dames en heren, dit voorstel van decreet beoogt een aantal vooral technische aanpassingen door te voeren aan de huidige tekst van het decreet van 7 mei 2004 houdende de organisatie en subsidiëring van een cultureel-erfgoedbeleid, kortweg geciteerd als het “Erfgoeddecreet”.
Meest belangrijk is de wijziging van de bestaande regeling inzake (de mogelijkheid van) reservevorming bij structureel – dit wil zeggen meerjarig – gesubsidieerde initiatieven. De huidige bepalingen, vervat in artikel 50 van het Erfgoeddecreet, worden verder verduidelijkt en bepaalde, in praktijk onwerkzame of onlogische aspecten ervan worden ofwel geschrapt, ofwel vervangen. Dit gebeurt met artikel 4 van onderhavig voorstel van decreet.

Daarnaast wordt een juridisch vacuüm opgelost. Een aantal instellingen, die op grond van het ‘oude’ Museumdecreet (het ‘decreet van 20 december 1996 tot erkenning en subsidiëring van musea’) eind 2004 nog een aanvraag tot erkenning als museum hadden ingediend, dreigden in een onduidelijke rechtspositie terecht te komen. Dit wordt verholpen door artikel 5 van het voorstel van decreet. Verder wordt rechtszekerheid gegeven aan de lopende procedures voor de erkenning en subsidiëring van musea en voor de subsidiëring van overkoepelende samenwerkingsverbanden van minstens drie erkende musea. Immers, het is steeds de bedoeling geweest dat alle in het Erfgoeddecreet voorziene procedures met ingang van 1 januari 2005 in werking zouden treden zodat, onder meer, de werkingssubsidies aan erkende musea, overkoepelende samenwerkingsverbanden en aan periodieke publicaties cultureel erfgoed uitbetaald zouden kunnen worden vanaf 1 januari 2006. Dit werd zo ook meegedeeld aan alle betrokkenen en belangstellenden, bijvoorbeeld via inforondes, brochures en webstek van de betrokken administratie.  
En inderdaad, inmiddels werden, op basis van het Erfgoeddecreet, de aanvragen tot erkenning en subsidiëring als museum, evenals de aanvragen tot subsidiëring van overkoepelende samenwerkingsverbanden effectief ingediend op 1 februari 2005, zoals bepaald in de slotbepalingen van het tweede uitvoeringsbesluit van het Erfgoeddecreet (het besluit van de Vlaamse Regering van 14 januari 2005 ter uitvoering van het Erfgoeddecreet van 7 mei 2004, voor wat betreft de musea, de cultureel- erfgoedpublicaties en de projecten cultureel erfgoed). Echter, de huidige formulering van de inwerkingtredingsbepaling van het Erfgoeddecreet – dit is artikel 59 van het decreet – doet twijfel rijzen over het feit of er voldoende decretale basis bestaat voor die procedurele bepalingen van het tweede uitvoeringsbesluit van het Erfgoeddecreet die op dit ogenblik in praktijk worden toegepast.
Die ‘twijfel’ geldt dus ook voor de rechtsgeldigheid van de lopende erkennings- en subsidiëringsprocedures. Daarom voorziet artikel 6 van onderhavig voorstel van decreet een aanpassing van artikel 59 van het Erfgoeddecreet zodat hetgeen nu in praktijk gebeurt, ook volledig juridisch sluitend is.

Tenslotte wordt met artikel 2 van het voorstel van decreet ook de vestigingsvoorwaarde voor de erkenning van musea, bepaald in artikel 4, §1, 9°, van het Erfgoeddecreet, op identiek dezelfde wijze geformuleerd als de vestigingsvoorwaarden voorzien in het Archiefdecreet (1)(artikel 6, 2°) en het Kunstendecreet (2)(artikel 7, §1, 2°, artikel 42, §1, 2°, en artikel 58, eerste lid, 1°) en wordt met artikel 3 van het voorstel een mogelijke verkeerde interpretatie van artikel 15, §1, van het Erfgoeddecreet rechtgezet.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel 1:
Dit artikel behoeft geen toelichting.

Artikel 2:
Door dit artikel wordt

Ingediend onder in het halfrond Reacties uitgeschakeld voor Organisatie en subsidi

Wachtlijsten bezoekruimten

Ingediend op juni 9th, 2005 door bartcaron

Met redenen omklede motie van de dames Trees Merckx-Van Goey, Michèle Hostekint en Helga Stevens, de heer Bart Caron, mevrouw Vera Van der Borght en de heer Tom Dehaene – tot besluit van de op 7 juni 2005 door de dames Trees Merckx-Van Goey en Marijke Dillen in commissie gehouden interpellaties tot mevrouw Inge Vervotte, Vlaams minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, respectievelijk over de lange wachtlijsten voor de neutrale bezoekruimte en over de wachtlijsten bij de bezoekruimten voor gescheiden ouders en kinderen

Het Vlaams Parlement,

– gehoord de interpellaties van de dames Trees Merckx-Van Goey en Marijke Dillen;

– gehoord het antwoord van minister Inge Vervotte;

– gelet op:
1° artikel 9.3 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK), dat bepaalt dat “de Staten die partij zijn, […] het recht van het kind [moeten eerbiedigen] dat van een ouder of beide ouders is gescheiden [om] op regelmatige basis persoonlijke betrekkingen en rechtstreeks contact met beide ouders te onderhouden, tenzij dit in strijd is met het belang van het kind”, op grond waarvan het de taak van de overheid is om de mogelijkheid tot persoonlijke contacten van het kind met zijn ouder(s) te garanderen;

2° artikel 18.1, eerste zin, IVRK, dat bepaalt dat “de Staten die partij zijn, alles [moeten] doen wat in hun vermogen ligt om de erkenning te verzekeren van het beginsel dat beide ouders de gezamenlijke verantwoordelijkheid dragen voor de opvoeding en de ontwikkeling van het kind”, en artikel 18.2 IVRK, dat bepaalt dat “de Staten die partij zijn [hiertoe] passende bijstand aan ouders en wettige voogden bij de uitoefening van hun verantwoordelijkheden [moeten verlenen] die de opvoeding van het kind betreffen, en [hiertoe] de ontwikkeling van instellingen, voorzieningen en diensten voor kinderzorg [moeten waarborgen]”;

– overwegende dat:
1° in Vlaanderen momenteel 14 neutrale bezoekruimtes actief zijn;
2° op jaarbasis 1.200 tot 1.500 kinderen in de bezoekruimtes hun recht op contact kunnen uitoefenen;
3° het Kinderrechtencommissariaat in zijn recente advies (dossier “Kinderen en scheiding”) vraagt om meer werk te maken van conflictpreventie en -beheersing bij de scheiding van ouders, waarbij de neutrale bezoekruimte het ‘eindstation’ is in het traject;
4° de neutrale bezoekruimtes gemiddeld minder dan een dag per week open zijn, hoewel uitgebreidere openingsuren de wachttijden zouden kunnen doen verminderen;

– vraagt de Vlaamse Regering:
1° de organisatie van de neutrale bezoekruimtes in de Vlaamse Gemeenschap te evalueren;
2° op korte termijn, in overleg met de sector, te onderzoeken of een bijsturing van de werking de wachttijden kan oplossen, waarbij de volgende principes voorop moeten worden gesteld:

a) prioriteit verlenen aan de eigenlijke bezoekmomenten;
b) de tijdelijkheid beklemtonen van de tussenkomst van de neutrale bezoekruimtes (waarbij onderzocht moet worden of de bezoekruimtes de dossiers waarbij geen enkele hoop op een zelfstandige omgangsregeling bestaat, niet sneller moeten overmaken aan de reguliere hulpverlening);
c) zorgen voor uitgebreidere openingsuren;
3° mee borg te staan voor een betaalbaar en kwaliteitsvol aanbod van familiale bemiddeling in de Vlaamse Gemeenschap;
4° een samenwerkingsakkoord tussen Welzijn en Justitie na te streven aangaande de neutrale bezoekruimtes en daarover te rapporteren aan het Vlaams Parlement.

Trees Merckx-Van Goey, Michèle Hostekint, Helga Stevens, Bart Caron, Vera Van Der Borght, Tom Dehaene

Ingediend onder in het halfrond Reacties uitgeschakeld voor Wachtlijsten bezoekruimten

Privaatrechtelijke culturele archiefwerking

Ingediend op juni 9th, 2005 door bartcaron

Voorstel van decreet van de heren Bart Caron, Kris Van Dijck, Steven Vanackere, Dany Vandenbossche en Herman Schueremans houdende wijziging van het decreet van 19 juli 2002 houdende de privaatrechtelijke culturele archiefwerking

Toelichting

Dames en heren met onderhavig voorstel van decreet worden twee technische wijzigingen aangebracht aan het decreet van 19 juli 2002 houdende de privaatrechtelijke culturele archiefwerking, kortweg geciteerd als het ‘Archiefdecreet’.
Met een eerste, kleine wijziging wordt de definitie van het begrip “administratie” in artikel 2, 8°, van het decreet gelijkluidend gemaakt met de definitie van hetzelfde begrip in het Erfgoeddecreet (1) en het decreet op de Volkscultuur (2).
Ook de tweede wijziging heeft tot doel de drie voormelde decreten beter op mekaar af te stemmen. De huidige regeling in het Archiefdecreet inzake de uitbetaling van structurele (is gelijk aan meerjarige) subsidies en inzake de mogelijkheid om reserves op te bouwen bij de structureel gesubsidieerde archief- en documentatiecentra (artikel 19), wordt vervangen door een regeling die analoog is met de regeling voorzien in het Erfgoeddecreet (artikel 50) en in het decreet op de Volkscultuur (artikel 8, zoals gewijzigd). Deze regeling wordt ook van toepassing verklaard op het steunpunt voor de archiefwerking. Hierdoor wordt een leemte in de huidige regelgeving weggewerkt.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel 1: Dit artikel behoeft geen toelichting.

Artikel 2: Het is logisch dat de terminologie van het Erfgoeddecreet, het Archiefdecreet en het decreet op de Volkscultuur op mekaar wordt afgestemd. Daarom wordt in de drie regelgevingen dezelfde definitie van het begrip “administratie” ingevoerd. Hierbij worden de huidige definities in het Archiefdecreet (artikel 2, 8°) en het decreet op de Volkscultuur (artikel 2, 7°) vervangen door de meest recente definitie, bepaald in de uitvoeringsbesluiten van het Erfgoeddecreet (artikel 1, 4°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 25 juni 2004 ‘ter uitvoering van het decreet van 7 mei 2004 houdende de organisatie en subsidiëring van een cultureel-erfgoedbeleid, voor wat betreft de erfgoedconvenants en de advisering’ en artikel 1, 4°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 januari 2005 ‘ter uitvoering van het Erfgoeddecreet van 7 mei 2004, voor wat betreft de musea, de cultureel-erfgoedpublicaties en de projecten cultureel erfgoed’).

Artikel 3:
Dit artikel vervangt de huidige tekst van artikel 19 volledig.Paragraaf 1 bepaalt een aantal algemene subsidievoorwaarden (met betrekking tot de rechtspersoonlijkheid, de boekhouding, het toezicht en de verzekering van de bestuurders). Paragraaf 2 regelt de wijze waarop de jaarlijkse werkingssubsidie wordt uitbetaald, evenals de wijze waarop die subsidie verantwoord moet worden. Paragraaf 3 regelt de mogelijkheid om een reserve op te bouwen tijdens de lopende beleidsperiode. Dit kan onbeperkt met eigen inkomsten en subsidies.

Deze regeling wijkt af van de regeling voorzien in het decreet van 7 mei 2004 houdende regeling van de begrotingen, de boekhouding, de controle inzake subsidies en de controle door het Rekenhof.
Dit wordt echter niet als dusdanig vermeld. Het is ook niet strikt noodzakelijk omdat onderhavig voorstel chronologisch toch na het decreet van 7 mei 2004 komt en het een impliciete, maar duidelijke specifieke afwijking vormt van een algemeen geformuleerde regel.
Het begrip ‘reserve’ wordt bepaald aan de hand van de geldende boekhoudkundige regels. Meer specifiek wordt verwezen naar de inhoud van de rekeningen 13 (bestemde fondsen) en 14 (overgedragen resultaat), vermeld in het algemeen rekeningenstelsel, gevoegd als bijlage bij het koninklijk besluit van 19 december 2003 betreffende de boekhoudkundige verplichtingen en de openbaarmaking van de jaarrekening van bepaalde verenigingen zonder winstoogmerk, internationale verenigingen zonder winstoogmerk en stichtingen.

Tenslotte wordt bepaald waarvoor de opgebouwde reserve tijdens de lopende beleidsperiode aangewend mag worden. Paragraaf 4 regelt wat er gebeurt als de reserve die tijdens de beleidsperiode werd opgebouwd, niet (volledig) werd besteed tijdens de beleidsperiode zelf. Het deel dat overblijft kan onder bepaalde voorwaarden overgedragen worden naar een volgende beleidsperiode.
Die voorwaarden zijn:
(1) de meerjarige subsidiering vanwege de Vlaamse overheid wordt verder gezet en
(2) de resterende reserve mag een bepaald bedrag niet overschrijden. Hoeveel mag maximaal overgedragen worden? Het maximaal overdraagbaar bedrag is gelijk aan de som van de bestaande reserve bij het begin van de voorbije beleidsperiode plus maximaal twintig percent van de gemiddelde jaarlijkse personeelsen werkingskosten berekend over de voorbije beleidsperiode. Er wordt tenslotte bepaald hoe dit maximaal overdraagbaar bedrag berekend moet worden.

Verder kan aan de Vlaamse Regering een afwijking van de maximumgrens van twintig percent gevraagd worden en wordt bepaald onder welke voorwaarden dit kan (een gemotiveerd bestedingsplan is vereist).
Tenslotte wordt ook hier omschreven waarvoor de overgedragen reserve tijdens de nieuwe beleidsperiode aangewend mag worden. Paragraaf 5 regelt eerst wat er gebeurt als er meer reserve werd opgebouwd dan volgens §4 naar een volgende beleidsperiode overgedragen mag worden. Na compensatie met het nog uit te keren saldo van de werkingssubsidie toegekend voor het laatste jaar van de voorbije beleidsperiode, wordt (tot een bepaald maximum) het (eventuele) resterende ‘overschot’ in mindering gebracht op de voorschotten toegekend voor het eerste werkingsjaar van de nieuwe beleidsperiode. Dit heeft als voordeel dat het bedrag dat hierdoor niet uitgekeerd moet worden (onder de vorm van voorschotten), behouden blijft binnen het cultuurbudget en binnen dat budget geheroriënteerd kan worden.

Verder bepaalt §5 wat er met de opgebouwde reserve moet gebeuren als de meerjarige subsidiering van het archief- en documentatiecentrum door de Vlaamse overheid wordt stopgezet op het einde van de beleidsperiode. De reserve mag dan onder bepaalde voorwaarden (een gemotiveerd bestedingsplan is vereist) gebruikt worden om de gevolgen van die stopzetting (reorganisatie, nieuwe beleidsrichting, afbouw van werking, vereffening enzovoort) mee te financieren. Prioritair moet de reserve gebruikt worden om de arbeidsrechtelijke verplichtingen ten aanzien van het personeel (dit kunnen bestaande of nieuwe verplichtingen zijn, bijvoorbeeld opzeggingsvergoedingen) te voldoen.
In afwijking van §3, regelt §6 de mogelijkheid tot het opbouwen van een reserve als de structurele subsidie juridisch toegekend wordt aan een gemeente, een provincie of de Vlaamse Gemeenschapscommissie. Immers, de archief- en documentatiecentra  die in dat geval eigenlijk structureel gesubsidieerd worden (bijvoorbeeld een stedelijk archief- en documentatiecentrum als het Archief en Museum voor het Vlaamse Cultuurleven – AMVC te Antwerpen), vormen slechts een onderdeel van het geheel van activiteiten van de gemeente, de provincie of de Vlaamse Gemeenschapscommissie.

De reserveregeling, voorzien in paragraaf 3, is dan praktisch onwerkbaar. Als men – zoals §3, tweede lid, stelt – de reserve als een onderdeel van het eigen vermogen moet opnemen in de balans van het werkelijk structureel gesubsidieerde archief- en documentatiecentrum (dat dan een initiatief is van de gemeente, de provincie of de Vlaamse Gemeenschapscommissie), dan veronderstelt dit dat men boekhoudkundig erin slaagt om binnen de geconsolideerde rekeningen van de betrokken gemeente, provincie of van de Vlaamse Gemeenschapscommissie alle inkomsten en uitgaven met betrekking tot het centrum in kwestie nauwkeurig te identificeren en er ook ee
n initiatiefspecifieke resultatenrekening en balans voor op te maken. Echter, de geldende regels inzake de comptabiliteit van de betrokken besturen maken dit in praktijk niet evident. Het is verder duidelijk dat de geconsolideerde rekeningen van de betrokken besturen, die de resultaten en financiële stand van zaken van al hun activiteiten verenigingen (bijvoorbeeld de globale balans van de stad Antwerpen), helemaal niet gebruikt kunnen worden om de gestelde reservenormen te toetsen, want amper relevant. Het voorstel van decreet kiest daarom voor een vrij simpele en praktisch haalbare oplossing die de werklast beperkt zonder de reservenormering te stringent te maken. Namelijk: geen rekening houden met de eigen inkomsten van het structureel gesubsidieerde archief- en documentatiecentrum en dus voor de afrekening en verantwoording van de eraan toegekende subsidie enkel rekening houden met alle met betrekking tot dit centrum gemaakte (personeels- en werkings-)kosten. Met andere woorden, het volstaat dat de toegekende subsidie verantwoord wordt door middel van alle gemaakte kosten. Er kan in dat geval dus enkel en alleen maar een ‘reserve’ opgebouwd worden als er, na aanrekening van alle aan het initiatief verbonden kosten, nog een niet besteed gedeelte van de subsidie overblijft. Dat ‘overschot’ vormt dan de reserve. Volgens de boekhoudkundige normen is dat echter geen ‘reserve’. Daarom wordt in de tekst van het artikel gesproken over ‘overgedragen werkingssubsidies’.

Verder blijven de principes van de reservenormering dezelfde:
– de mogelijkheid om binnen dezelfde beleidsperiode het ‘overschot’ van de werkingssubsidie als ‘reserve’ onbeperkt over te dragen naar een volgend werkingsjaar;
– de mogelijkheid om de reserve die op het einde van een beleidsperiode nog aanwezig is, over te dragen naar de volgende beleidsperiode op voorwaarde dat de aangroei van die reserve gedurende de voorbije beleidsperiode niet meer bedraagt dan twintig percent van de gemiddelde jaarlijkse werkingssubsidie berekend over de voorbije beleidsperiode;
– de mogelijkheid om, onder bepaalde voorwaarden (vereiste van een gemotiveerd bestedingsplan), aan de Vlaamse Regering een afwijking te vragen van die twintig percent;
– en tenslotte de bepaling van de doeleinden waarvoor de overgedragen ‘reserve’ aangewend mag worden.

Paragraaf 7 bepaalt aanvullend wat er gebeurt als:
– de reserve die op het einde van een beleidsperiode nog aanwezig is, meer bedraagt dan het overdraagbare maximum: eerst compensatie met het nog uit te keren saldo van de werkingssubsidie toegekend voor het laatste jaar van de voorbije beleidsperiode; vervolgens wordt het nog resterende bedrag in mindering gebracht op de voorschotten toegekend voor het eerste werkingsjaar van de nieuwe beleidsperiode (tot een bepaald maximum);
– de structurele subsidiëring vanwege de Vlaamse overheid stopgezet wordt: de nog aanwezige reserve mag onder bepaalde voorwaarden (vereiste van een gemotiveerd bestedingsplan) aangewend worden om de gevolgen van die stopzetting financieel op te vangen, met prioriteit voor het voldoen van alle arbeidsrechtelijke verplichtingen.

Paragraaf 8 tenslotte, stelt dat de regeling inzake de uitbetaling van de jaarlijkse werkingssubsidie en de regeling inzake de reservevorming op identieke wijze gelden voor het steunpunt voor archiefwerking, vermeld in artikel 16 van het Archiefdecreet.

Artikel 4:
Dit artikel regelt de inwerkingtreding van dit voorstel van decreet. Het is aangewezen dat de nieuwe reserveregeling onmiddellijk kan gelden voor het lopende werkingsjaar. Daarom wordt met terugwerkende kracht voorgesteld.

Bart Caron, Kris Van Dijck, Steven Vanackere, Dany Vandenbossche, Herman Schueremans

Voorstel van decreet

Artikel 1:
Dit decreet regelt een gemeenschapsaangelegenheid.

Artikel 2:
In artikel 2, 8°, worden de woorden “het culturele erfgoed” vervangen door de woorden “het roerend en immaterieel cultureel erfgoed”.

Artikel 3:
Artikel 19 van het Archiefdecreet van 19 juli 2002 wordt vervangen door wat volgt: “Artikel 19 §1. Om in aanmerking te komen voor een werkingssubsidie moeten de archief- en documentatiecentra:
1° beschikken over rechtspersoonlijkheid met nietcommercieel karakter;
2° een boekhouding voeren volgens het genormaliseerde boekhoudkundige stelsel en die boekhouding zo organiseren dat de financiële controle op het gebruik van de werkingssubsidie mogelijk is. De Vlaamse Regering kan een specifiek boekhoudkundig plan en bijzondere regels betreffende de boekhouding opleggen;
3° aanvaarden dat de administratie de werking en de boekhouding, eventueel ter plaatse, onderzoekt;
4° hun bestuurders en hun medewerkers verzekeren tegen de burgerlijke aansprakelijkheid van de organisatie.

§2. De jaarlijkse werkingssubsidie, bepaald binnen de perken van de beschikbare begrotingskredieten, wordt als volgt beschikbaar gesteld:
1° vier voorschotten van telkens 22,5 percent van het subsidiebedrag dat voor dat werkingsjaar is toegekend, worden op zijn vroegst uitbetaald op respectievelijk 1 januari, 1 april, 1 juli en 1 oktober van het werkingsjaar;
2° het saldo van 10 percent van het subsidiebedrag dat voor dat werkingsjaar is toegekend, wordt uitbetaald na controle op de naleving van de subsidievoorwaarden en na aanvaarding van de bewijsstukken door de administratie. De verantwoording van de jaarlijkse subsidie gebeurt op basis van het werkingsverslag, het financiële verslag, het jaarplan en de begroting.
Hiertoe legt het archief- en documentatiecentrum jaarlijks de jaarrekening van het vorige jaar met de nodige bewijsstukken voor, evenals een door de algemene vergadering goedgekeurde begroting.

§3. Behalve wanneer de werkingssubsidie, bedoeld in artikelen 6 of 10, toegekend wordt aan een gemeente, een provincie of de Vlaamse Gemeenschapscommissie, kan een archief- en documentatiecentrum gedurende de beleidsperiode onbeperkt een reserve aanleggen met eigen inkomsten en subsidies.
Een reserve wordt in de balans van het archief- en documentatiecentrum opgenomen als een onderdeel van het eigen vermogen en bestaat uit de volgende rekeningen, vermeld in de minimumindeling van het algemeen rekeningenstelsel, als bijlage gevoegd bij het koninklijk besluit van 19 december 2003 betreffende de boekhoudkundige verplichtingen en de openbaarmaking van de jaarrekening van bepaalde verenigingen zonder winstoogmerk, internationale verenigingen zonder winstoogmerk en stichtingen:
1° rekening 13: bestemde fondsen;
2° rekening 14: overgedragen resultaat. De aangelegde reserve wordt aangewend voor de realisatie van het beleidsplan, bedoeld in artikel 6, 4° of in artikel 10, §2, 7°.

§4. Als het archief- en documentatiecentrum op het einde van de beleidsperiode nog beschikt over een reserve, aangelegd overeenkomstig §3, kan die reserve overgedragen worden naar een volgende beleidsperiode op voorwaarde dat, ten opzichte van de bestaande reserve in het begin van de subsidieperiode, de aangroei niet meer bedraagt dan twintig percent van de gemiddelde jaarlijkse  personeels- en werkingskosten berekend over de beleidsperiode.
De personeels- en werkingskosten omvatten alle kosten die betrekking hebben op de uitvoering en de realisatie van het beleidsplan, bedoeld in artikel 6, 4°, of in artikel 10, §2, 7°, en die in de voorbije beleidsperiode tot stand zijn gekomen. De personeels- en werkingskosten zijn de som van alle kosten, met uitzondering van de afschrijvingen op kapitaalsubsidies.

De Vlaamse Regering kan, na advies van de Inspectie van Financiën, een afwijking toestaan van het in het eerste lid bepaalde percentage op voorwaarde dat de publiekre
chtelijke of privaatrechtelijke rechtspersoon daartoe een gemotiveerd bestedingsplan voorlegt voor het teveel aan opgebouwde reserve of voor de gehele reserve, in te dienen bij de dienst, aangewezen door de Vlaamse Regering.
De overgedragen reserve, bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt aangewend voor de realisatie van het beleidsplan, bedoeld in artikel 6, 4°, of in artikel 10, §2, 7°.

§5. Als bij de afrekening van het laatste werkingsjaar van de beleidsperiode de aangroei van de reserve meer bedraagt dan hetgeen bepaald werd in §4, dan wordt het teveel ingehouden op het nog uit te keren saldo van de werkingssubsidie, toegekend aan het archief- en documentatiecentrum en wordt het eventueel daarna nog resterende bedrag in mindering gebracht op de voorschotten toegekend voor het eerste werkingsjaar van de nieuwe beleidsperiode tot een maximum van de werkingssubsidie toegekend voor het laatste jaar van de beleidsperiode.
Als aan het archief- en documentatiecentrum na afloop van de beleidsperiode waarop het beleidsplan, bedoeld in artikel 6, 4°, of in artikel 10, §2, 7°, betrekking heeft, geen werkingssubsidie meer wordt verleend, dan is het verplicht een gemotiveerd bestedingsplan voor de reserve, aangelegd overeenkomstig §3, in te dienen bij de dienst, aangewezen door de Vlaamse Regering. De reserve wordt in voorkomend geval prioritair aangewend voor het voldoen van de arbeidsrechtelijke verplichtingen.

§6. Een werkingssubsidie als bedoeld in artikelen 6 en 10, die toegekend wordt aan een gemeente, een provincie of de Vlaamse Gemeenschapscommissie, wordt verantwoord op basis van de personeels- en werkingskosten. Binnen de beleidsperiode waarop het beleidsplan, bedoeld in artikel 6, 4°, of in artikel 10, §2, 7°, betrekking heeft, kan de werkingssubsidie onbeperkt overgedragen worden naar het volgende werkingsjaar.
Als de gemeente, de provincie of de Vlaamse Gemeenschapscommissie op het einde van de beleidsperiode nog beschikt over een, overeenkomstig het tweede lid overgedragen werkingssubsidie, kan die overgedragen werkingssubsidie overgedragen worden naar een volgende beleidsperiode op voorwaarde dat, ten opzichte van de overgedragen werkingssubsidie in het begin van de beleidsperiode, de aangroei niet meer bedraagt dan twintig percent van de gemiddelde jaarlijkse werkingssubsidie berekend over de beleidsperiode.

De Vlaamse Regering kan, na advies van de Inspectie van Financiën, een afwijking toestaan van het in het derde lid bepaalde percentage op voorwaarde dat de gemeente, de provincie of de Vlaamse Gemeenschapcommissie daartoe een gemotiveerd bestedingsplan voorlegt voor de te veel overgedragen werkingssubsidie, in te dienen bij de dienst, aangewezen door de Vlaamse Regering.
De overgedragen werkingssubsidie, bedoeld in het tweede lid en derde lid, wordt aangewend voor de realisatie van het beleidsplan, bedoeld in artikel 6, 4°, of in artikel 10, §2, 7°.

§7. Als bij de afrekening van het laatste werkingsjaar van de beleidsperiode de aangroei van de overgedragen werkingssubsidie meer bedraagt dan hetgeen bepaald werd in §6, derde lid en vierde lid, dan wordt het teveel ingehouden op het nog uit te keren saldo van de werkingssubsidie, toegekend aan de gemeente, de provincie en de Vlaamse Gemeenschapscommissie en wordt het eventueel daarna nog resterende bedrag in mindering gebracht op de voorschotten toegekend voor het eerste werkingsjaar van de nieuwe beleidsperiode tot een maximum van de werkingssubsidie toegekend voor het laatste jaar van de vorige beleidsperiode.
Als aan een gemeente, een provincie en de Vlaamse Gemeenschapscommissie na afloop van de beleidsperiode waarop het beleidsplan, bedoeld in artikel 6, 4°, of in artikel 10, §2, 7°, betrekking heeft, geen werkingssubsidie meer wordt verleend, dan is de gemeente, de provincie en de Vlaamse Gemeenschapscommissie verplicht een bestedingsplan voor de overgedragen werkingssubsidie in te dienen bij de dienst, aangewezen door de Vlaamse Regering. De overgedragen werkingssubsidie wordt in voorkomend geval prioritair aangewend voor het voldoen van de arbeidsrechtelijke verplichtingen.

§8. Paragrafen 2, 3, 4 en 5 zijn van overeenkomstige toepassing op het steunpunt voor de archiefwerking, vermeld in artikel 16.”.

Artikel 4 Dit decreet heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2005.

Bart Caron, Kris Van Dijck, Steven Vanackere, Dany Vandenbossche, Herman Schueremans

Ingediend onder in het halfrond Reacties uitgeschakeld voor Privaatrechtelijke culturele archiefwerking

De toewijzing van het nieuwe voetbalcontract

Ingediend op mei 30th, 2005 door bartcaron

Met reden omklede motie van de heren Carl Decaluwe en Kris Van Dijck, mevrouw Margriet Hermans en de heren Dany Vandenbossche en Bart Caron – tot besluit van de op 26 mei 2005 door de heren Carl Decaluwe en Kris Van Dijck in commissie gehouden interpellaties tot de heer Geert Bourgeois, Vlaams minister van Bestuurszaken, Buitenlands Beleid, Media en Toerisme, respectievelijk over de toewijzing van het nieuwe voetbalcontract, de samenwerking tussen Belgacom en de openbare omroep VRT en de bescherming van de vrije nieuwsgaring en over de uitzendrechten van het Belgisch voetbal

Het Vlaams Parlement,

– gehoord de interpellaties van de heren Kris Van Dijck en Carl Decaluwe over de uitzendrechten van het Belgische voetbal;

– gehoord het antwoord van minister Geert Bourgeois;

– gelet op het feit dat de openbare omroep een neutrale positie moet innemen tegenover de distributeurs die de transmissie van zijn programma’s verzorgen;

– gelet op het feit dat de wedstrijden van het tweedeklassevoetbal in het verleden vaak uitgezonden werden door de plaatselijke regionale televisie-omroepen;

– gelet op het feit dat het de eerste keer is dat de Belgische Voetbalbond de uitzendrechten voor het tweedeklassevoetbal verkoopt;

– gelet op het feit dat deze verkoop een risico inhoudt dat de regionale omroepen pas op dinsdag beelden kunnen uitzenden van wedstrijden uit het weekend;

– gelet op de moeilijkheden waarmee vele regionale omroepen nu reeds kampen;

– vraagt de Vlaamse Regering:

1° de samenwerking tussen Belgacom en de VRT voor te leggen aan de raad van bestuur van de VRT;

2° te bemiddelen tussen de regionale omroepen en de rechtenhouders van het tweedeklassevoetbal, opdat deze omroepen ook tijdens de volgende seizoenen nog beelden van de wedstrijden uit tweede klasse op zondag kunnen uitzenden;

3° de uitzending van sportprogramma’s onder een gezamenlijke merknaam van Belgacom en VRT niet toe te staan.

Carl Decaluwe, Kris Van Dijck, Margriet Hermans, Dany Vandenbossche, Bart Caron

Ingediend onder in het halfrond Reacties uitgeschakeld voor De toewijzing van het nieuwe voetbalcontract





 

Nieuws

We moeten af van ‘middeleeuwse’ overdracht van jachtrechten

Alternatieven voor dierproeven

Het ‘kleine’ parlementaire werk. Recente voorbeelden: Geluidshinder kusttram – Hakhoutbeheer – Restauratiepremies Onroerend Erfgoed – Beschermde landschappen

Ketnet wil zender voor allerkleinsten, “Legitieme vraag en begrijpelijke ambitie”

Gereglementeerde boekenprijs unaniem goedgekeurd door Vlaams parlement

Wat liep er fout met de bescherming Villa Slabbinck? (Brugge)

Groen verwelkomt Bellegemse windmolens, maar vraagt ‘windplan’ voor regio Kortrijk

Groen wil geen sloop hoekhuis Kasteelkaai-Belfaststraat.
Hoog tijd voor een Kortrijkse visie op erfgoed!

Woede van boeren terecht, maar alleen ander landbouwmodel geeft boeren een zekere toekomst.

Provinciebestuur W-Vl verliest vele (culturele) instellingen

Bart Caron : “Overdracht cultuurbevoegdheden provincies is een wangedrocht !”

Leve Mest-Vlaanderen

Nog geen bescherming poldergraslanden

Nog redders aan de kust?

Brugge weert plooifiets uit overheidsgebouwen

De Leie of het Kanaal naar Roeselare: Groen wil meer binnenvaart

Kortrijk Airport, milieuvergunning aangepast?

Wanneer faire prijzen voor landbouwproducten?

Kortrijk heeft de bus gemist

Burgerkabinet ontslaat Gatz niet van plicht om al bestaande inspraak te versterken

Steeds meer monumenten wachten op broodnodig onderhoud. Ondertussen verkrotten ze

Freya Piryns voorgedragen als vertegenwoordiger in de Raad van Bestuur van de VRT

Regering krimpt beloofde natuurgebieden langs de Leie sterk in

Bruggen in Kortrijk, werkende verlichting op de fietspaden is een brug te ver…

LAR-zuid, woordbreuk van de stadscoalitie

Informatie, diverse sporten en cultuur moeten prioriteit VRT blijven

‘Gemeenteraad is wachtzaal voor wie schepenambt wil’

Persmededeling: Groen maakt werk van versterking West-Vlaamse open ruimte.

Persbericht: 5 Groene werven voor een impuls in West-Vlaanderen.

Vlaamse regering bedreigt toekomst Vlaamse fictie